Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 8

Chapter 83,621 wordsPublic domain

Na de eerste invallen der Turken in Griekenland in de 14de eeuw, en na de verovering van Constantinopel door de Osmanen in het jaar 1453, moesten de Grieken, zooals gezegd is, andermaal voor een vreemden volksstam bukken en wel voor een volkstam van Aziatische afkomst. Met betrekking tot eene politieke onafhankelijkheid, was dit eene zoo volkomene nederlaag, als de Grieken haar slechts eens, namentlijk van de Romeinen, geleden hadden. De Turken brachten in Azië zoowel als in Europa, schier zonder eenige uitzondering, alle plaatsen en streken die den Grieken toebehoorden, onder hunne macht. Het Turksche rijk omvatte nagenoeg alles, wat het Oost-Romeinsche of Byzantijnsche Keizerrijk ten tijde van zijn grootsten bloei bezeten had. En de eerste daad, bij de inname van Constantinopel, scheen de Grieken als een totaal vernietigende slag te zullen treffen. Kort na de overgave der stad, liet de veroveraar Muhamed II, al de waardigheidsbekleders en primaten van het door hem vernietigde Grieksche rijk, onbarmhartig dooden, en deed overal de plaatsen der vermoorden door Osmanlis innemen. Toen, en ook later, als de Grieken, bij hunne pogingen om hunne onafhankelijkheid te herkrijgen, gedecimeerd werden, scheen het nog meermalen als waren de beklagenswaardige Grieken in de holen van den cycloop geraakt, en als zouden zij allen verdelgd en uitgemoord worden even als de medgezellen van Odysseus. Maar even als deze schrandere held, zoo zijn ook de buigzame Grieken weder levend uit die holen te voorschijn gekomen. Nauwelijks had dan ook die Turksche Sultan besloten, dat Constantinopel geen puinhoop blijven zou, dat de Grieken ten minste als slaven en bedienden konden gebruikt worden, en dat een nieuw gebouw van staat op de fundamenten van het oude zou opgetrokken worden, of hij zag in, hoezeer hij de met de betrekkingen van het land vertrouwde en in regeeringszaken bedrevene Grieken noodig had. Het allereerst deed zich de behoefte gevoelen aan Grieksche tolken, om het nieuwe volk te kunnen verstaan. De betrekking van rijks-opperste-tolk werd dus weldra een zeer gewichtig ambt, dat natuurlijk in handen der Grieken kwam. Door zulke invloedrijke Grieksche tolken, secretarissen en tusschenpersonen werden langzamerhand de Turksche Pacha's omgeven. Van het inwendig bestuur der christelijke kerk verstonden de Mahomedaansche Turken nog minder, dan aanvankelijk van de regeling der staats-aangelegenheden in hun nieuw gebied. Zoodra de Sultans besloten waren, de Grieksche Kerk naast den Islam te dulden, ja zelfs haar tegen den Paus en tegen het Katholieke Westelijk Europa te ondersteunen, moesten zij ook menschen verheffen, die in staat waren deze machtige en ver verspreide lichamen in beweging te brengen. Zij stelden de Grieksche patriarchen en de hoogere Grieksche geestelijkheid, in wier aangelegenheden zich te mengen zij vernederend zouden gevonden hebben, op zulk een onafhankelijk standpunt, als deze vermoedelijk door geene veroverende Katholieke macht geplaatst zouden geworden zijn. De Grieken bezetten daarom, zelfs onder de heerschappij der Turken, naar eigen goeddunken uit hun midden niet alleen de hoogste kerkelijke betrekkingen in de eigentlijk Grieksche steden en landstreken, maar ook bij de onderworpen volken van niet-Griekschen oorsprong. De aartsbisschoppen en bischoppen der Wallachijers, Serviërs en Bulgaren behoorden bijna altijd en behooren nog heden ten dage tot Grieksche familiën, terwijl alleen de lagere geestelijkheid uit de Slavische landskinderen zelven bestaat.

Evenmin konden de Grieken, die van overoude tijden her, bijzonder geschikt waren de zee te bevaren, op de Turksche vloot ontbeerd worden. Zij maakten daarvan een zeer belangrijk element uit. De groot-dragoman der Keizerlijke vloot was bijna altijd een Griek. De handels-marine bleef natuurlijk van zelf in hunne handen. Uit dit alles mag men besluiten, dat de Grieken steeds, ofschoon in Turksche afhankelijkheid, een zeer invloedrijk volk uitmaakten.

In zekeren zin zelfs kan men beweren, dat, met de steeds toenemende vergrooting van het Osmanische rijk, ook het gebied van den invloed der Grieken en van hunne taal toegenomen is, op gelijke wijze als zij zich eens, toen zij de triumftochten van den Macedonischen Alexander begeleidden, uitgebreid hebben. De Turken vonden onder de Grieken in Byzantium menig voor politiek en intrigue zeer geschikt talent, dat zij ook in hunne Aziatische aangelegenheden zeer goed benutten konden en toen zij de groote Donau-Vorstendommen Moldavië en Wallachye geheel van zich afhankelijk gemaakt hadden, werden langer dan eene eeuw de vorsten-kroonen dezer landen aan Grieksche familiën uit de zoogenaamde Phanar, d.i. uit dat gedeelte van Constantinopel waar al de aanzienlijke Grieksche familiën bij elkander woonden, toegedeeld. De Grieksche taal werd dientengevolge de gewone taal van het hof en den adel in geheel het oude Dacië, en als zoodanig drong zij noordelijk door tot in de Bukowina, tot in het tegenwoordig tot Oostenrijk behoorende Gallicië, waar zij ook nog heden ten dage geschreven en gesproken wordt. Zoo ver was zelfs ten tijde van Alexander de Grieksche taal als volkstaal (of ten minste als taal van een volksstam) het Skythen-land niet binnengedrongen. Toen eindelijk de Porte langzamerhand meer met Europa vereenzelvigd, en in zekere mate als een lid der Europeesche staten-familie beschouwd werd, toen toonden zich ook zeer dikwijls weder de Grieken als de geschiktste diplomatieke agenten aan de hoven van Parijs, Londen en Weenen.

Op verscheidene onderdeden der Grieksche natie rustte het Turksche juk in gewone tijden volstrekt niet zwaar. Verscheidene der Grieksche eilanden, zooals die, welke aan de vrouwen van den Keizerlijken harem slechts eene geringe schatting als speldengeld betaalden, regelden hun bestuur naar oude Grieksche gewoonten. De Grieksche Klephten met hunne Palikaren leefden hier en daar in de gebergten van Thessalië en Boeotië, zoo vrij als Koningen. Andere Grieksche gemeenten, zooals b.v. de nakomelingen der oude Spartanen, de Mainoten, zijn nooit geheel aan de Turken onderworpen geweest. Daar de Osmanen, zooals men gewoon is te zeggen, in Stamboel, waar zij hunne legerplaatsen hadden opgeslagen, slechts "kampeerden", daar zij in de binnenste gedeelten der landen zonder onderling verband, als soldaten, ambtenaren, bezettingstroepen in de vestingen, en in allen gevalle als spahis of landheeren verschenen, daar zij zich slechts als trotsche veroveraars gedroegen, en zich zelden vernederden om op stedelijke bedrijven of akkerbouw zich toe te leggen; daar zij in éen woord in den regel niet met den vriendelijken, de volkeren het best tot onderwerping brengenden landbouw, in alle afgelegene deelen der landen binnendrongen, en altijd slechts als krammen of nagels in het geheele gebouw der volken van hun rijk verschenen, terwijl het gebouw zelf uit het oorspronkelijke materiaal bleef bestaan, zoo kan men uit dit alles gemakkelijk afleiden, dat door hen de oorspronkelijke gewoonten der Grieken in hare hoofdtrekken weinig veranderd werden.

En inderdaad, als wij deze hoofdtrekken, zooals zij heden ten dage bestaan, vergelijken met die, zooals zij nagenoeg 400 jaren voor Christus, ten tijde van Pericles zich vertoonden, dan ziet men, dat beide nu nog met elkander overeenstemmen, en dat al de Turken- en Slaven-oorlogen, al de landverhuizingen, omwentelingen, verplaatsingen en uitroeiingen van bevolkingen, daarin slechts eene nauw merkbare verandering te weeg gebracht hebben.

Thans nog--men kan ook zeggen nu weder--wordt de Aegeïsche zee door een zoom van Grieksche dorpen en steden omgeven. Grieken of Grieksch gewordene, dus Grieksch sprekende menschen bewonen den geheelen Peleponnesus, schier het geheele Livadië of de provinciën Attika, Boeotie, Euboea, en verderop Thessalië. Als eene smalle streek omgeeft het Grieksche bevolkings-gebied den geheelen kustrand van Macedonië en Thracië. Bij Constantinopel bewonen zij een vrij aanzienlijk gedeelte van den Tracischen landen-driehoek tot Adrianopel toe, en ook wonen zij aan weerszijden van den Propontis, van den Hellespont en van den Thracischen Bosphorus. Van hieruit begeven zij zich, overal met Turksche kolonien vermengd, eenerzijds oostwaarts over Sinope tot Trebizunde, en anderzijds over Troye, Smyrna, Ephese naar Rhodus, van waar zij ook weder oostwaarts den zuidelijken rand van Klein-Azië innemen. Verder bewonen zij, en hier maken zij het grootste gedeelte der bevolking uit, alle eilanden van den Griekschen Archipelagus, alsmede Creta en Cyprus, waar hun aantal honderdduizenden bedraagt, en eindelijk vormen zij ook het hoofddeel der bewoners in het westen op de Jonische eilanden.

Alleen in de westelijke helft der Middellandsche Zee, in Sicilië, dat eens nagenoeg even Grieksch was als Cyprus en Creta; in Zuid-Italië, waar eens eene bloeiende Grieksche kolonie, het zoogenaamde Groot-Griekenland bestond, en verder op, in Corsica en Zuid-Frankrijk, Spanje enz., zijn alle Grieksche volks-elementen verloren gegaan. Maar men meent toch in de dialecten en zeden van eenige plaatsen in het koningrijk Napels, zoo mede in eene armoedige, vervallene wijk van Marseille, nog zelfs heden ten dage eenige sporen te vinden die een Dorischen en Jonischen oorsprong verraden.

Daarentegen hebben in de latere tijden de Grieken, weder even als hunne voorvaderen met handels- en reisgeest bezield, in vele andere steden van Europa, wanneer ook al niet zulke machtige, onafhankelijke republieken als hunne voorouders, toch handelsnederzettingen, kantoren en faktorijen gesticht. Deze in het overig Europa verstrooide nederzettingen der Grieken dagteekenen ten deele reeds van de tijden der kruistochten, die een levendig verkeer der Grieken met het avondland veroorzaakten. In Venetië leefden al de tijden van haar bestaan, Grieksche zee- en kooplieden. Sedert de 17de eeuw vestigden zij nederzettingen in Moskou en weldra ook in Weenen, waar nog heden eenige der aanzienlijkste bankiers tot deze natie behooren, en tot waarheen zich door geheel Hongarije en Zevenburgen een uitgebreid net van Grieksche kantoren uitstrekt. In de Zuid-Russische havensteden Odessa en Taganrog, spelen Grieksche huizen, nog of liever weder, zulk eene hoofdrol, dat men meenen zou, dat in deze steden het oude Grieksche "Olbia", dat voor Christus geboorte hier eens in het Skythenland bloeide, met veranderden naam weder opgestaan is. Ook zijn er, sedert de tijden van Katharina, in de Krim weder Grieksche dorpen, alsmede eene uitsluitend door Grieken bewoonde stad, het in den laatsten Russischen oorlog zoo dikwijls genoemde Balaclava, en eindelijk bevindt zich langs de zee van Asow eene kleine landstreek, die met landbouwende koloniën van Grieken bezet is.

Dat sedert de verheffing van het Grieksche volk en sedert de herleving van zijn handel en zijne ontwikkeling, de Grieken ook meermalen in andere streken van Europa, in Londen, Parijs, Leipzig en op andere groote markten en punten van onderling verkeer, als tusschenpersonen voor den handel met het Oosten, en in de Fransche en Duitsche akademie-steden als scholieren en kweekelingen der wetenschap verschenen, mag ik als van algemeene bekendheid rekenen.

Even als in de grenzen van hun oorspronkelijk woongebied aan de Aegeïsche zee, wier havens in den loop van 2000 jaren noch vernauwd noch opgestopt raakten en die nog heden de schoonste van het morgenland zijn; even als in hun scheepvaart- en handelsgeest, die hen steeds de wijde wereld indreef, zijn de hedendaagsche Grieken ook in hunnen lichamelijken en verstandelijken aanleg, in hunne taal en in de eigendommelijkheden van hun karakter, in vele opzichten de ouden gebleven.

Nog heden vinden wij, en dat niet alleen bij de daarom zoo dikwijls geprezene eiland-Grieken, de schoonste gestalten en lichaamsvormen, en zien wij onder hen niet zelden den echt Helleenschen, zoozeer geprezen grondtrek, juist zoo verschijnen als de werken van Praxiteles hen ons toonen. Die "diepe ligging der oogen in gewelfde oogkassen", de "edele vorm en de hooge bogen der oogleden, de korte opgetrokkene bovenlip, de volronde kin, de loodrechte stand van voorhoofd en neus, de breede, stevige nek, en vooral de door Aphrodite zelve gescheiden en gekrulde haardos"--dit alles is nog in onze dagen bij hen geene ongewone verschijning. Niet minder antiek is de kleeding der Nieuw-Grieken, waarmede zij hun slank lichaam tooien. Oude schilderstukken en beeldhouwwerken bewijzen ons voldoende, dat wat wij nu Oostersche of Nieuw-Grieksche kleeding noemen, in menig punt niets anders is, dan de ook bij de oude Hellenen gebruikelijke kleedij.

De ruige wollen mantel der hedendaagsche Grieken en de Fez der Turken, zijn afkomstig van de antieke schippersmutsen, die, op dezelfde wijze gevormd en met dezelfde roode kleuren geschilderd, op oude vazen voorkomen. De aloude zoogenoemde Phrygische muts wordt nu in onze dagen door de Arkadische herdersknapen gedragen. De uit, schelpsgewijze op elkander genaaide, zilveren munten vervaardigde borstlappen, die de bruidschat der Livadische jonkvrouwen zijn, herinneren ons levendig aan het borstpantser van Minerva, dat ons uit onze Musea bekend is. De vorm der oorringen, colliers en armbanden der Nieuw-Grieksche vrouwen, hare gewoonte om het donkere haar der bruid met goudpoeder te bestrooien, dit alles en nog veel meer in den vrouwelijken tooi, doet ons in hooge mate aan het antieke denken. Ook verwen zij nog heden de punten harer fraaie vingers met eene roodachtige stof, zonder dat zij er bij denken, dat reeds Homerus de "rooskleurige vingers" van Aurora bezongen heeft.

De oude Phrygische kleederdracht, die bij de Grieksche kolonisten in Klein-Azie vrij algemeen in zwang was, gelijkt somwijlen, zelfs in de kleinste details, op die, welke wij nu Turksch of Nieuw-Grieksch noemen, zoo b.v. komen reeds op oude schilderijen, die de geschiedenis van Achilles voorstellen, de nu nog gebruikelijke gele en roode kleuren der Turksche pantoffels voor. Zelfs de bekende, uit doeken en shawls gevormde hoofddekking, de zoogenaamde tulband, was bij de Grieken reeds lang voor de aankomst der Turken bekend. De hevige en plotselinge uitwerking der zon in die landen, heeft van oudsher het ook bij de mannen noodig gemaakt, zich stoffen hoofddekkingen te vervaardigen.

Niet minder dan bij de kleederdrachten, laten zich ook bij andere gebruiken en zeden der Nieuw-Grieken, zulke duidelijke overblijfselen uit de oudheid aanwijzen, dat men dikwijls in de verzoeking komt te gelooven, dat er in velerlei opzicht bij hen sedert 2000 jaren weinig veranderd is. Zelfs kerkelijke en godsdienstige handelingen, zooals b.v. gebruiken bij bruiloften en begrafenissen, die men bij de verandering van godsdienst vooral gewijzigd en veranderd zou verwachten aan te treffen, hebben verscheidene overblijfselen uit het heidendom behouden. Even als in oude tijden, zoo wordt ook nu nog het bruidspaar, als symbool van huwelijksgeluk, een granaat gegeven, en even als toen, worden zij nog heden, wanneer zij hun huis binnentreden, met rijst bestrooid, ten teeken dat hunne jaren van geluk even talrijk mogen worden als het getal korrels. Even als vroeger worden, bij de jaarlijksche herdenkingsfeesten der afgestorvenen, gerst, gedroogde druiven, gebak en wijn als doodenoffer gebracht en op de graven geplaatst. Aan de hoofdeinden worden kleine kaarsen geplaatst, zoodat de geheele begraafplaats in den nacht door de vele flikkerende lichtjes geïllumineerd schijnt te zijn. De oude Charon is nog, nu even als toen, de verpersoonlijking van den dood. Ook nu nog zijn uitdrukkingen als "Hades" en "Tartarus" gebruikelijk, en worden zij dikwijls in de klaagliederen der eenvoudige, poëtische en bijgeloovige herders, die in den zomer de hooge dalen van den Parnassus doortrekken, aangetroffen. De beschouwingen der Nieuw-Grieken over het leven na den dood, wel verre van voor de christelijke leer van het paradijs en de hel geheel geweken te zijn, toonen zich in de poëzie dezer natuurkinderen zeer antiek, en dit alles laat zich alleen verklaren uit een rechtstreekschen, door gedurende eeuwen bewaarde overleveringen, zamenhang met den heidenschen ouderdom.

De oude hellenische dansen worden bijna allen nog heden uitgevoerd, zoowel de militaire wapendans, als de koordans der herders en de dans van Ariadne of de zoogenaamde "Geranos." Deze laatste nu, de "Romaika" geheeten, is een der merkwaardigste overblijfselen van oud-Hellenischen oorsprong. "De figuren van dezen dans, die door zang begeleid wordt, herinneren nog heden, even als voor Christus geboorte, aan de dwaalgangen van het labyrinth, waarin Theseus, door den draad van Ariadne geleid, het monster tegemoet ging. De angst van de beminde van Theseus teekent zich duidelijk af in de pantomime der jonge voordanseres, die, een witten doek zwaaiende, de lange rij harer gezellinnen, aanvoert, en de bloemenketen der meisjes, wier hoofd en sieraad zij is, nu eens uit elkander dan weder bij elkander wenkt." Homerus beschrijft dezen dans in heerlijke verzen, als een der voorstellingen, die op het schild van Achilles figuurlijk waren aangebracht.

Hetzelfde wat wij van de dansen der meisjes gezegd hebben, valt ook bij de spelen der knapen op te merken. Zoo b.v. het Astragalus-spel, waarbij in ouden tijd ongemakkelijk slagen vielen, en bij welk spel Patrokles, toen hij het met den zoon van Amphidamas speelde, het ongeluk had dezen te dooden, waarom hij de vlucht nemen en bescherming zoeken moest in het huis van koning Peleus, waar hij vervolgens zijne zoo beroemde vriendschap sloot met Achilles, den zoon des konings. Volgens getuigenis van den Duitschen hoogleeraar Ulrich, spelen de Nieuw-Grieksche kinderen aan den Helicon nog heden ten dage dit in dichterlijke verzen verheerlijkte spel, naar dezelfde regelen en met dezelfde klassieke stooten en historisch gewordene slagen.

De Grieksche oude vrouwen bereiden nog even als vroeger toovermiddelen, waardoor eertijds de Thessalische vrouwen zich zoo beroemd of liever berucht maakten. Knoflook, die reeds in de Odyssea van Homerus, Hermes als tegenmiddel tegen de toovenarijen van Circe aanwendt, wordt den Griekschen kinderen van onze dagen als amulet om den hals gehangen, om de kracht van het booze oog op hen onschadelijk te maken.

De landbouw-gereedschappen en huishoudelijke benoodigdheden hebben zoo geheel den antieken vorm, dat de hedendaagsche Grieksche boerenwoningen onze musea van de meest echte modellen zouden kunnen voorzien. Zelfs de herdershonden dezer Nieuw-Grieksche boeren gelijken op de beroemde Mollossische kudde-bewakers, die wij in de gallerijen van Florence en van het Vaticaan, door meesters der oudheid afgebeeld en uitgeschilderd zien. De watervaten der tegenwoordige Thessalische vrouwen hebben eene opvallende overeenkomst met de antieke vazen, en dragen ten deele ook nog dezelfde namen als deze.

Even als dit alles, is onder anderen ook de ronde handspiegel met handvat, die wij in de handen van zoo menig marmeren Venus zien, onveranderd gebleven. Evenzoo de handmolens, waarvan zich de Grieksche vrouwen op de eilanden, terwijl zij hunnen arbeid met gezang begeleiden, tot het malen van het graan bedienen, en nog ontelbare andere zaken uit het dagelijksch leven.

Nog interessanter dan dit alles echter is het, dat de echo der oude taal, dien welluidenden en tevens manlijken tongval, van de schoonste, edelste en rijkste taal, die ooit door menschelijke lippen gesproken werd, ons uit dit land duidelijk en zuiver in de ooren klinkt. Waar is het echter, dat de tegenwoordige Nieuw-Grieksche of Romanische taal, even als een fraai standbeeld, dat eeuwen lang in den grond begraven lag en door de oude elementen vervreten werd, verscheidene veranderingen ondergaan heeft; zij heeft het een en ander uit het Slavisch, het Turksch en het Italiaansch overgenomen. Wat hare syntaxis betreft, is zij vervormd en veranderd. Ook is het accent, waarmede de taal tegenwoordig wordt uitgesproken, eenigzins vreemd, misschien Slavisch. Opmerkenswaardig is het, dat zij alle sporen van het verschil der oude dialecten verloren heeft. Volgens het oordeel van eenige geleerden zou zij zich alleen uit het Aeolisch dialect ontwikkeld hebben. In haar wezen is zij echter dezelfde gebleven, en kan zij met veel meer recht de oude Grieksche taal genoemd worden, dan men b.v. het tegenwoordige Italiaansch met het oude Romeinsch mag gelijk stellen. Ook is het tegenwoordige Duitsch verder verwijderd van het oude Gothisch, dan het hedendaagsche Russisch van het oude Slavisch, dan het dialect der Atheners van onzen tijd van de taal der tijdgenooten van Homerus.

Het Grieksch wordt nog heden met dezelfde letters geschreven als vroeger. Ja, de Grieksche dorpelingen beschrijven het papier nog op dezelfde wijze--op de knie, op lange reepen, die zij vervolgens even als de ouden oprollen.

Nog heden worden in deze schoone taal volksliederen gedicht en gezongen, waarvan Goethe getuigd heeft, "dat geene andere natie iets dergelijks kan aanwijzen." De vrijheids-hymnen, die in het begin dezer eeuw een Rigas zong, hebben een blijvenden roem verworven.

In het dialect van vele Nieuw-Grieksche dal-bewoners zijn niet alleen Oud-Grieksche woorden bewaard gebleven, die bij de spreektaal der Byzantijnsche Grieken niet meer bekend zijn, maar men treft er zelfs verscheidene wortelwoorden aan, die ouder zijn dan de ons bekende Oud-Grieksche schrijftaal.

De Grieksche taal is in al deze opzichten in Europa eenig in hare soort. Zij is, in haren rijken vorm, ouder en minder veranderd dan eenige andere. Want in denzelfden tijd, waarin het Grieksch zich in zoo hooge mate duurzaam gelijk bleef, hebben vele der andere Europeesche talen niet alleen verscheidene malen hun alphabet veranderd, maar hebben zij zich ook op eene zonderlinge wijze gewijzigd, en verscheidene er van hebben zich te midden van al deze veranderingen en wijzigingen eerst gevormd. Deze omstandigheid alleen bewijst voldoende, dat de Grieken, door hunne beschaving en hunne taal, steeds weder de hun land binnendringende barbaren ten onder brachten, en dat er ook ten allen tijde nog Grieken genoeg overgebleven moeten zijn, om deze tenonderbrenging mogelijk te maken.

Zelfs de sagen, mythen en verhalen, die het volk elkander in zijne taal verhaalt, de geheele dichterlijke stoffeering, waarmede zij die omkleedt, zijn nog heden ten dage veelal de oude. In den Peleponnesus b.v. verhalen de boeren elkander tegenwoordig nog de geschiedenissen van de daden en verrichtingen van Herkules, welke geschiedenissen zij vastknoopen aan de nabijgelegene holen en moerassen, en nog heden ten dage zou een Grieksch dichter uit hunnen mond even goed het thema voor eene "Herakleïde" kunnen verzamelen, als de oude mythedichters zulks uit den mond hunner voorouders deden. Den naam Herkules verwisselen zij echter daarbij met dien van een held der Christenheid, namentlijk met dien van den heiligen Johannes.

Het allerminst erkent men den verheven, vaderlandslievenden, spoedig in geestdrift ontstokenen, tot de schoonste deugden in staat zijnden nationalen geest der oude Hellenen, in het karakter der tegenwoordige, als sluw en in handel en wandel slecht te boek staande Nieuw-Grieken. Maar ook hierin hebben zij veel meer overeenkomst met de ouden, dan de algemeene meening wel toegeven wil. Geslepenheid, listigheid, sluwheid en veinzerij, die den Nieuw-Grieken schier door iedereen ten laste gelegd worden, en die men gewoonlijk aan de onderdrukking der Turken en aan het juk der Slaven toeschrijft, waren volgens de getuigenis van Homerus ook reeds den ouden Hellenen in hooge mate eigen, en de vindingrijke Odysseus was met al die hebbelijkheden en daarenboven met lust tot stelen, lust tot rooven en sluwe overredingskunst begaafd. Deze ondeugden der Nieuw-Grieken zijn dus ook uit de oude tijden naar onze dagen overgebracht.