Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 74
[48] "Misschien" zegt de Schrijver, hij schijnt dus zijn zegsman niet ten volle te vertrouwen; inderdaad, verkeerde hij thans genoegzamen tijd in onderscheiden streken van België, dan zou hij "gewis" de te scherpe kanten aanmerkelijk afronden. Vert.
[49] Sedert het einde der 16de eeuw had het Vlaamsch opgehouden eene schrijftaal te zijn; wel kwam zij onder Maria Theresia weder in eere, maar de Fransche overheersching deed haar geheel voor het Fransch plaats maken. Na de vereeniging van België met Nederland, brak er een tijdperk van herleving voor de Vlaamsche taal aan, maar na de omwenteling van 1830 werd het ten tweede male geheel door het Fransch verdrongen. Na het eindigen der staatkundige verwikkelingen door genoemden opstand in het leven geroepen, werd door den dichter Willems de Vlaamsche beweging van voor 1830 weder in het leven geroepen, de regeering begon meer en meer de wenschen der Vlaamsche bevolking in te willigen. Van het _Vlaamsen gezelschap_ en het _Nederduitsch taalverbond_, te Gent, ging de oproeping uit tot een taalcongres, dat aldaar, in vereeniging met de letterkundigen van Noord-Nederland zou gehouden worden; dit taal-congres, dat sedert in verschillende plaatsen bijeenkwam, is van grooten invloed geweest op de ontwikkeling der Nederduitsche taal in de Vlaamsch sprekende gewesten. Niet alleen de Vlaamsche taal maar ook de Vlaamsche letterkunde is in de laatste 35 jaren herleefd, en heeft tegenwoordig in hare verschillende takken uitstekende beoefenaars. Vert.
[50] De oude schrijvers beschrijven onze voorouders als menschen van eene rijzige, kloeke gestalte, sterk gespierd en welgebouwd van lichaam, met een krijgshaftig voorkomen en open gelaat, met een voor de beschaafde Romeinen wat woest uitzicht, blauwe oogen en blond of rosachtig sluik haar, dat langs de breede schouders golfde of hing, als het niet opgebonden of afgesneden was; de huidkleur was, voor zooverre zij niet door de zon verkleurd was, blank.
Zij kenmerkten zich door eene onbegrensde liefde voor vrijheid en onafhankelijkheid, door bewonderenswaardigen moed. Tacitus prijst de trouw waarmede hij zijn Vorst in den krijg aanhing en verdedigde: jegens vrienden en vreemden was hem zijn eens gegeven woord heilig; verder was volgens Tacitus geen volk gastvrijer dan onze voorouders; boven alle andere volken der oude wereld muntten zij uit door kuischheid en reinen zin en door hunne groote achting voor het vrouwelijk geslacht. Men vergenoegde zich met ééne vrouw, veelwijverij had slechts bij aanzienlijken en onder zekere voorwaarden en omstandigheden plaats. Ondeugden onzer voorouders daarentegen waren hunne drink- speel- en roofzucht. In het drinken waren zij zoo onmatig, dat, zegt Tacitus, "wilde men hunne neiging tot drinken bot vieren, hun geven zooveel zij verlangen, dan zouden zij gemakkelijker door hunne eigen uitspattingen dan door onze wapenen te overwinnen zijn." Vert.
[51] De Schrijver bedoelt hier blijkbaar den 80 jarigen oorlog van 1568 tot 1648. Vert.
[52] René Des Cartes, meer bekend als Renatus Cartesius, werd in 1596 te Lahaije (Touraine) geboren. Men noemt hem den vader van het _individualisme_. Na eerst onder Prins Maurits, daarna onder Tilly gediend te hebben, zette hij zich in ons vaderland neder. Hij begon in zijn wijsgeerig denken, met wat hij tot dien tijd wist in twijfel te trekken. In zijn oog staat alleen vast: "ik denk, dus besta ik." Hieruit leidt hij af, dat alles waar is, wat duidelijk en klaar geacht wordt. De vruchten van zijn onderzoek heeft hij nedergeschreven in zijn _Meditationes de prima philosophia_ en _Principia philosophiae_. Des Cartes heeft de wiskundige wetenschap ten zeerste aan zich verplicht door zijne analytische meetkunde, door zijne ontdekking der ware beteekenis van de negatieve wortels in de vergelijkingen, door zijne nieuwe oplossing der vergelijkingen van den vierden graad; hij was het, die het eerst de exponenten invoerde, en die leerde hoe men tangenten en normaallijnen op ieder punt eener kromme lijn trekken kan en men de natuur en de eigenschappen van iedere kromme lijn door eene vergelijking tusschen twee veranderlijke coördinaten kan uitdrukken.
Descartes stierf in 1650 te Stokholm. Vert.
[53] De verrekijkers en spiegeltelescopen en thermometers werden uitgevonden door Corneles Drebbel, geboren te Alkmaar omstreeks 1572, die van den microscoop wordt toegeschreven door sommigen aan Zacharias Jansen van Middelburg (1590) door anderen aan een Napolitaan Francesco Fontana (1545). Vert.
[54] De Nederlandsche schilderschool dateert van het begin der 15de eeuw. De miniaturen, waarmede men de handschriften van dien tijd versierde, getuigen genoeg van de hoogte, toen reeds door de schilderkunst bereikt. Op de miniatuur-schilderingen volgde sedert het begin der 15de eeuw de Vlaamsche school, met Huibert en Jan van Eyck aan het hoofd. In het midden der 16de eeuw openbaarde zich eene voorliefde voor de Italiaansche school die men dikwijls trachtte met de Vlaamsche school te verbinden. Omstreeks het midden der 17de eeuw, splitste zich het historie-schilderen in twee richtingen, waarvan de eene van de Spaansche Nederlanden (Brabant) uitging, terwijl de andere in Holland ontstond. De eerste richting, die tot hoofdzetel Antwerpen had, boogt en terecht op haren grooten meester P. P. Rubens (1577-1640). Het krachtigste penseel der tweede richting (waarin zich het protestantisme en de vrijheidszin afspiegelde, die na de scheiding van de Spaansche Nederlanden zich in Holland zoo duidelijk openbaarden) was Rembrand van Rijn (1606-1664). Naast deze twee richtingen der Nederlandsch-historische school, was nog eene derde, die zich aan de Italiaansche nationalisten aansloot.
In de 17de eeuw kwamen ook alle andere takken der schilderkunst tot ontwikkeling en bloei, het portret-schilderen, het genre-schilderen van bambocciaden, het schilderen van tooneelen ontleend aan het soldatenleven, den deftigen stand enz. Ook het landschapschilderen werd met gelukkig gevolg beoefend, zoomede het schilderen van voorwerpen tot de dierenwereld behoorende. De Hollandsche schilderschool blonk verder in de 17de eeuw uit door hare bloem- en vruchtenschilders, en door het schilderen van zee-, water- en strandgezichten.
De 18de eeuw was voor de kunst, die eene zoo groote hoogte bereikt had, eene eeuw van verval. Een enkele bloem- of vruchtenschilder treft men in die eeuw aan, maar wat zij overigens opleverde was niets dan navolging. In onze eeuw echter herleeft de schilderschool en heeft zich de tegenwoordig nationale school krachtig ontwikkeld, en zoowel op historieschilders als op kunstenaars die zich met uitstekend gevolg op de andere takken dezer kunst toelegden, kan ons vaderland tegenwoordig weder trotsch zijn. Vert.
[55] De naam "van Veen" als groot schilder is min bekend; mogelijk is hier bedoeld "van de Velde" beroemd als zeeschilder. Vert.
[56] Wij deelen deze bewering van den Schrijver niet. Nederland bezit eene zeer rijke literatuur, maar men moet er eerder de verstandelijke ontwikkeling van een vrij en energiek volk in zoeken, dan meesterstukken, zooals Griekenland en Rome ons aanbieden. Iets karakteristiek in de Nederlandsche literatuur is: de eerbied voor de voorouders, de liefde voor de nationaliteit waartoe zij behoort, de zucht tot onafhankelijkheid, de groote mate van vaderlandsliefde, die er in doorstralen. Weinige volken hebben hunne vaderlandsche geschiedenis op zoo degelijke wijze beschreven gezien, als zulks bij ons het geval is. Voor het overige heeft Nederland dichters en proza-schrijvers van den eersten rang voortgebracht, zooals uit volgend kort overzicht der geschiedenis onzer literatuur moge blijken.
Onze taal heeft zich langzamerhand gevormd uit de samensmelting van verschillende Germaansche tongvallen. De oud-Nederlandsche taal, zooals wij die in de _Karolingische Psalmen_ aantreffen, is het meest aan het oud-Saksisch verwant, b.v. aan dat wat men aantreft in den _Heliand_ (een Angel-Saksisch gedicht uit de 9de eeuw, dat in allitereerende verzen de geschiedenis van Christus naar de Evangeliën verhaalt); het tegenwoordig vrij algemeen als echt erkende "Oera Linda Bok", in het afgeloopen jaar door den heer Kuipers te Leeuwarden door den druk verspreid, welke uitgave tevens eene vertaling in onze tegenwoordige taal bevat is, na Homerus en Hesiodus, het oudste voortbrengsel der Europeesche letterkunde. Het eerste gedeelte is opgesteld in de 6de eeuw voor onze jaartelling, het tweede in het midden der 1ste eeuw. v. Chr. Het is dus aanmerkelijk ouder dan het oudste tot nu toe bekende gedenkstuk der Nederlandsche taal, eene Keure der stad Brussel van 1229. De afscheiding van het Nederlandsch als afzonderlijke tongval, begint omstreeks 1000 n. Chr. In de 13de eeuw komen onze eerste klassieke dichters, waaronder vooral Jacob v. Maerlant. Deze heeft, door de zuiverheid en regelmatigheid zijner spelling, grooten invloed op de vorming der taal uitgeoefend. Onder het Bourgondische stamhuis kwijnde ten gevolge van den Franschen invloed, het Midden-Nederlandsch. Met het verzet tegen de Spaansche overheersching, kwam in het noordelijk gedeelte des rijks, het Nieuw-Nederlandsch of het Hollandsch tot stand. Door Coornhert (1552-1590) en Marnix, heer van St. Aldegonde (1538-1598) werd het tot eene schrijftaal ontwikkeld. Hooft (1581-1647) en Vondel (1587-1679), veredelden, de eerste het proza, de tweede de poëzie. In het einde der 17de eeuw geraakte de letterkunde in verval, waaruit zij zich eerst tegen het einde der 18de eeuw weder oprichtte. Als grondslag voor de wetenschappelijke studie der Nederlandsche taal, noemt men het _woordenboek van Kilianus_. Zooals gezegd is, was het tijdvak van 1700--1800, niet gunstig voor verdere ontwikkeling; wel brachten een _ten Kate_ en een _Huydecoper_ veel bij tot de kennis en de wetenschappelijke en wijsgeerige behandeling der taal, maar daarentegen vormden zich verscheidene letterkundige genootschappen, die door overdreven zuivering, veelal verderfelijk werkten op de kernachtigheid en sierlijkheid. In het laatste gedeelte dier eeuw begon Bilderdijk zijne taalkundige onderzoekingen, terwijl het bestuur der Bataafsche republiek aandrong op een bepaald stelsel voor het onderwijs in de scholen en voor staatsstukken. Aan den hoogleeraar Siegenbeek en eenige andere taalkenners werd de vervaardiging eener spraakleer opgedragen, ten gevolge waarvan in 1805 van staatswege de _Neder-Duitsche spraakkunst_ van Siegenbeek werd aangenomen, en dus eene eenparige spelling was vastgesteld. Bilderdijk trad op als hevig tegenstander en grondig bestrijder van de werken van Siegenbeek en Weiland. Jonckbloet en M. de Vries staan sedert eenigen tijd bij ons aan het hoofd der nieuwe school van Nederl. taalstudie. De taalregels door laatstgenoemden, in vereeniging met te Winkel, voorgesteld en blootgelegd in het op groote schaal aangelegde _Woordenboek der Nederlandsche taal_, ofschoon lang niet door alle taalkenners onvoorwaardelijk goed gekeurd, winnen in onze dagen hoe langer zoo meer veld.
De geschiedenis der Nederlandsche taal, kan men verdeelen in 4 tijdperken. Het eerste tijdperk loopt van 1200-1600: het tweede bevat de 17de eeuw; het derde loopt van 1700-1795 en het vierde van 1795 tot op onzen tijd.
De oudste onzer klassieke schrijvers is Jakob v. Maerlandt (1235--1300). De voornaamste van hem bekende dichtwerken (meest vertalingen uit het Latijn) zijn: de _rijmbijbel_, de _Bestiaris_ of _der naturen-bloeme_. Een oorspronkelijk gedicht van hem is: _verkeerde Martijn_. Verder behooren in het 1ste tijdperk te huis: _Melis Stoke, Jan van Heelu, Gheraert van Lienhout_. In de romantische letterkunde hebben wij oudere voortbrengselen dan de hierboven genoemde, zoo b.v. behoort het 1ste gedeelte van _Reinaart de Vos_ tot de 12de eeuw. Uit de 13de eeuw bezitten wij: _de cyklus der Karolingische romans, de cyklus van de romans van Koning Arthur en de ridders van de tafelronde_ enz.
Als klassieke schrijvers in de 14de eeuw noemen wij Lodewijk v. Velthem, Jan Boendale.
Tot de 15de en 16de eeuw, behooren Erasmus, Agricola, Hanna Byns, Coornhert, Marnix van St. Aldegonde, Roemer Visscher, Spieghel.
Als dichters hebben zich in de 17de eeuw naam gemaakt: Hooft, Maria Tesselschade Visscher, Huygens, Cats, Hugo de Groot, Camphuyzen, v. Heemskerk, Gijsbert Japiks, Jeremias de Decker, Joost van den Vondel. Ook op proza-schrijvers mag deze eeuw boogen, als zoodanige noemen wij: Hooft, Brandt, v. Heemskerk, Hugo de Groot.
Dichters in het 3de tijdperk (1700-1795) waren Rotgans, Poot, Langendijk, Hoogvliet, Smits, Willem en Onno Zwier v. Haren, v. Winter en Lucretia van Merken, v. Alphen, Bellamy, Nieuwland, terwijl in dit tijdperk zich naam als prozaschrijvers verwierven, v. Loon, Wagenaar, Stijl, Justus v. Effen, Elisabeth Wolf, Agatha Deken, Fokke Simons, Lambert ten Cate, Balthasar Huijdecooper.
Ook het vierde tijdperk is niet arm aan dichters of prozaschrijvers, getuige dichters als Rhynvis Feith, Bilderdijk, Helmers, Kinker, v. Hall, Spandaw, Tollens, da Costa, Borger, Staring, v. Lennep, Beets, Bogaers, ter Haar, de Genestet, ten Kate, de Bull, de kinderdichters Gouverneur en Heye; terwijl prozaschrijvers als v.d. Palm, Borger, Bilderdijk, Bosscha, Loosjes, v. Lennep, Oltmans, Mevr. Bosboom-Toussaint, Beets, Hazebroek, Kneppelhout, en anderen, den roem der vaderlandsche letterkunde waardig hebben opgehouden. Vert.
[57] Vreemd is het, dat hier niet gedacht is aan Vondel, wiens "Lucifer," naar men beweert, aanleiding heeft gegeven aan Milton, tot diens wereldberoemd "Paradise lost." Vert.
[58] Menig voorbeeld uit de geschiedenis van ons land geput, zou deze bewering van den schrijver geheel logenstraffen. Vert.
[59] "Gemakkelijkheid" is den Nederlander op verre na niet zoo in den mond bestorven als den Engelschen hun "comfort, comfortable." Het schijnt, dat hier vroegere zeden en gewoonten geschetst zijn. Bejaarde lieden wenschen zeer, dat het met hartelijkheid en huiselijkheid nog zoo ware als in hunne jeugd, en toen en zelfs vroeger klaagde men, dat pracht en kostbare vermaken, de oude eenvoudige gezelligheid hadden verdrongen. Vert.
[60] Wenschelijk ware het dat zulks algemeen kon gezegd worden, maar veeleer tracht elke stand, tot de laagste toe, er naar, in woning, huisraad, kleeding, zich groot voor te doen en de hoogeren op zijde of zelfs voorbij te streven. De moraal van Lafontaine's fabel "de os en de kikvorsch," is ook in Nederland van toepassing. Vert.
[61] In 1315 Vert.
[62] In 1386, 1388 en 1443. Vert.
[63] 1477. Vert.
[64] Beide eerstgenoemde kantons 1501, Schaffhausen in 1513. Vert.
[65] Tengevolge der ontevredenheid, die zich na de Fransche omwenteling van 1830 in sommige kantons openbaarde, werd voorgesteld in het bondsverdrag veranderingen te maken. Op den tot dat einde, in dat jaar gehouden buitengewonen landdag, riepen 8 kantons hunne afgevaardigden terug, welke handeling door binnenlandsche onlusten (waarin zich ook de godsdienst mengde) gevolgd werd. In het jaar 1843 vereenigden zich de Katholieke kantons Lucern, Uri, Schwijz, Unterwalden, Zug, Freiburg en Wallis tot een of- en defensief verbond (_Sonderbund_). In 1844 werd tegen dezen Sonderbund door den landdag een leger saamgebracht, binnen kort was de rust hersteld, en in 1848, werd de nu nog van kracht zijnde staatsregeling tot stand gebracht. Vert.
[66] Albrecht von Haller in 1708 te Bern geboren, was een beroemd ontleedkundige, physioloog, plantenkenner, geneesheer en dichter. Zijn kleinzoon Karel Ludwig von Haller, in 1768 te Bern geboren, heeft zich beroemd gemaakt door zijn werk: _Restauration der Staatswissenschaft_. Vert.
[67] De eigenlijke naam van Lorenz Okens, geboren in 1799 te Bohlsbach (Zwaben), was Ockenfusz. Hij was hoogleeraar in de natuurkundige wetenschappen te Jena, en heeft zich vooral bekend gemaakt door zijn doel, een algemeen natuursysteem tot stand te brengen, dat alle rijken der natuur en hare grondstoffen zou omvatten. Vert.
[68] Engadin is het grootste dal van het kanton Graubunderland. Vert.
[69] De Brenner is de spits der Rhaetische Alpen in Tyrol. Vert.
[70] Dit beweren der Duitschers stemmen wij Nederlanders niet als bewezen toe. Vert.
[71] Dithmarschen is de naam van het meest Westelijke der zes landschappen van het Hertogdom Holstein. Het is gelegen tusschen de Elbe, de Noordzee en Westmarschen. Vert.
[72] Wat met dezen bijnaam bedoeld wordt, is mij niet duidelijk. Mogelijk zijn zij wat onbehouwen, en zetten bij het gaan de voeten wat ver van elkander, zoodat zij bij het loopen, over de sneeuw b.v. een breed spoor maken. Vert.
[73] De geestelijke orde der Zwaardbroeders werd omstreeks 1200 door bisschop Albert, ter verspreiding van het Christendom in het Noorden, gesticht. In 1237 vereenigde zij zich met de orde der Duitsche ridders. Vert.
[74] Door de _Hercynii Montes_, verstaat men de geheele uitgestrekte bergketen, welke bij het Zwarte-woud, aan den Rijn, begint, zich door het Thüringer-woud, den Fichtelberg, het Boheemsche woud en de Karpathen tot door Hongarije uitstrekt. Vert.
[75] De Spanjaarden hadden, sedert hunne vereeniging tot één rijk, niet veel reden zich op hunne Koningen te beroemen. De krachtige verdediging tegen de Franschen in het eerste vierde dezer eeuw, deden de Spanjaarden in veler achting rijzen, ofschoon hunne daartoe gebezigde middelen deden ijzen. Te bejammeren is het, dat sedert dien tijd de nietige Vorsten en Vorstinnen niet in staat waren de partijtwisten te bedwingen en de ruime hulpmiddelen tot bloei te doen benuttigen. De verdrijving van Isabella beloofde eene schooner toekomst, die zich, helaas! tot heden nog niet verwezenlijkt, daar--wel verre van eendrachtig, met den zoo welwillenden Koning Amadeus, samen te werken tot nationale verheffingopstanden en burgeroorlog schatten goed en bloed verspillen, de natie in welvaren doen zinken en in de schatting van Europa doen dalen.
Dat onder zulke omstandigheden de Portugeezen, thans minder dan ooit, genegen zouden zijn zich met de Spanjaarden te verbroederen, behoeft geen betoog. Vert.
End of Project Gutenberg's Geschiedenis der Europeesche Volken, by J.G. Kohl