Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 73

Chapter 733,776 wordsPublic domain

Grietje Waal, Spanbroek. J. de Waal, Harderwijk. J. M. W. Waanders, boekh., Delft. 5 J. M. W. Waanders, boekh., Zwolle. 1 Fr. Waem & Lienders, boekhandelaar, Gent. 130 H. van Wageningen, Wageningen. H. W. Wagenaar, Arnhem. P. J. Waha, Schiedam. G. v. d. Wal, Leeuwarden. J. E. v. d. Wal, » P. F. v. d. Wal, Amsterdam. H. A. M. van Walchren, Amersfoort. H. M. van der Walle, L. Wallenga, Schalzum. Mr. P. J. Walrave, Dieren. Ds. J. van Walsem, Apeldoorn. J. Waltman Jr., boekh., Delft. 7 W. C. Wansleven, boekh., Zutphen. 11 Warburg & Co., boekh., Dordrecht. 5 Wark, Amsterdam. C. P. Was, Mijnsheerenland. H. J. Wassen, Delft. K. Wassing, Groningen. H. H. van Waveren, Hillegom. H. L. van Waveren, » G. J. Weber, Rotterdam. Albert Wedding, boekh., Middelburg. 5 J. Wedding, boekhandelaar, Harderwijk. 45 M. van Weddingen, Antwerpen. van Weelden & Mingelen, boekhandelaars, 's Hage. 2 J. ter Weele, Enschedé. J. J. de Weerd, Zierikzee. J. W. van Weerden, Zalt-Bommel. W. van Weeren, Leiden. Rommert Weerstra, Wons. Lolle Weerstra, » de Weert, Amsterdam. Eduard van Wees, boekh., Breda. 1 Weesing, Amsterdam. J. van Weezenbeek, boekh., Rotterdam. 9 H. Wegenbergh, Haarlem. Mejufvr. Wegman, Amsterdam. C. van der Weide, boekh., Vlissingen. 9 J. A. Weinbeck, boekh., Rotterdam. 3 Weiss, Amsterdam. Mr. W. J. van Welderen Baron Rengers, Leeuwarden. H. D. van Welie, Leiderdorp. D. C Wellinghoff, Amsterdam. Weltink, 's Bergh. J. Ph. Wendel, Leeuwarden. W. Wenk, boekhandelaar, Rotterdam. 18 Marcel. Wenmackers, Luik. S. Wenselaar, Huins. W. Wenselaar, Wirdum. J. Wesseling, Amersfoort. H. F. Wensing, Zutphen. Werker, Utrecht. Wed. D. P. Wermeskerken, boekhandelaar, Tiel. 7 J. C. Werner, Ambt Doetinchem. G. Wesseldijk, Leiden. Wesselink, Roozendaal. Jhr. Mr. A. P. Wesselman van Helmond, Helmond. W. Wessels, Groningen. Th. Wessels Boer, Hoogeveen. C. H. Wesser, boekh., Zevenaar. 15 R. Wind, Zwolle. J. Wind, » Winkel, Amsterdam. H. J. Winkel, Nieuwendiep. A. de Winter, Franeker. N. L. W. Winter, Nieuwendiep. J. Ph. Winterwerp, Groningen. C. Wisboom, Gorinchem. G. K. Wissink, Zwolle. J. G. W. Wissink, Donkerbroek. H. de Wit, Groningen. J. de Wit, Steenwijk. C. A. Witte, Ulft. C. J. Witte, Goes. H. G. Wittebol, Aardenburg. A. Wittentrop, 's Gravenhage. N. P. J. Woensdregt, Schiedam. A. A. C. van Woerden, Utrecht. Woerst, Amsterdam. Woerst, » Wed. Woldringh, Groningen. Mr. Th. Woldringh, Hummelo. J. Wolf, Bergen op Zoom. W. J. Wolff, boekh., Amsterdam. 1 Wolmerstett, Oudshoorn. W. Wortelaar, Leeuwarden. J. H. Wolters, Almelo. J. Wolthekker, Groningen. B. H. Wolthuis, Almelo. P. Wonder Azn., Veenhuizen. J. H. Wonn, Rotterdam. A. K. Wouters, Zwolle. C. H. Wubbenhorst, » H. Wust, Dordrecht. Ds. A. W. Wijbrands, Hoorn. J. D. van Wijk, Leiden. v. Wijk, Amsterdam. D. van Wijk, Leiden. I. I. van Wijk, Schiedam. J. J. van Wijk, Hoogwoud. O. Wijma, Leeuwarden. A. K. Wijmenga, Hoorn. B. R. Wijminga, Minterscha. de Wijn, Amsterdam. G. Wijngaarden, Oostermeer. J. Wijnhorst, Vlaardingen. J. C. Wijsman, Leiden. W. Wijsman, Rotterdam. M. Wijt en Zonen, boekh., » 3 A. van der Weste, Leiden. J. G. Wester, boekh., Leeuwarden. 30 B. J. Westerbeek v. Eerten, Doetinchem. C. J. Westerman, Amsterdam. H. Th. Westerman, » M. Westerman & Zn., boekh., » 2 Ds. J. Westrik, Cothen. Wetenschappelijk Leesgezelschap, Culemborg. T. van der Weij, Bolsward. A. v. d. Weijden, Amsterdam. Karl Weijerhorst, boekh., Heerlen. 2 Weytingh & Brave, boekh., Amsterdam. 3 v. Wezel, » B. J. W. Wiebols, Purmerend. M. W. van der Wiel, Rotterdam. G. W. v. d. Wiel & Co., boekhandelaars, Arnhem. 3 IJ. v. d. Wielen, Leeuwarden. W. M. Wientjes, Enschedé. C. P. Wierts van Coehoorn, Werkendam. J. J. Wiesemann, Pekalongan. J. Wigeri Aberson, Oosterhout. Wed. Wiggers, Arnhem. P. J. Wigtman, Alkmaar. H. de Wilde, Tjalbet. J. H. T. Wildenboer, 's Hage. Wildschut, Amsterdam. F. Wilkens, boekhandelaar, Groningen. 2 Willems, Amsterdam. Willems, » H. W. Willems, boekh., » 3 Willemsen, » J. A. Willemsen, boekh., Zutphen. 5 J. H. Willers, Leeuwarden. Willing, Amsterdam. J. Willing, Rotterdam. Mr. J. A. Willinge Gratama, Assen. Johs. Wilmes, boekh., Almelo. 29 D. J. Wilterdink, boekh., Deventer. 1

IJ.

A. C. van IJsseldijk, Rotterdam. Wed. Y. IJske, Hees. Mevr. de Wed. v. IJsselsteijn, Zierikzee.

Z.

J. van der Zaag, Steenbergen. A. P. Zaalberg, Alphen en Aarlanderveen. Dames Zaalberg, Leiden. A. J. van Zadelhoff, Renkum. B. v. d. Zalm, Zierikzee. G. Ph. Zalsman, boekh., Kampen. 6 Dr. J. A. Zeegelaar, Helmond. J. K. Zeehuizen, boekh., Leeuwarden. 1 A. P. Zeilmaker, Alkmaar. D. Zeeuw, Overschie. S. J. Zeevat. Amsterdam. Zerbst, » Zerbst, » G. Zevenbergen, Heerde. I. Zillesen, Rotterdam. Zoest, Amsterdam. F. E. de Zoete Made, Breda. A. Zoot, Amsterdam. W. K. van Zutphen, Gouda. J. Ph. Zuijdam, Franeker. C. Zwaardemaker, boekh., Amsterdam. 1 G. W. A. Zwakenberg, Zwolle. A. G. de Zwart, boekh., Gorredijk. 18 B. C. E. Zwart, Amsterdam. D. Zwart, Leeuwarden. J. Zwart, Schoonhoven. W. van Zwieten, Leiden. J. A. van Zijl, boekh., Haarlem. 3 D. K. Zijlstra, Tjerkwerd. J. ten Zythoff, Ridderkerk.

AANTEEKENINGEN

[1] De trotschen te beoorlogen, den ootmoedigen genadig te zijn. Vert.

[2] Het ellendige, lasten opbrengend gemeen.

[3] Ook Nederlanders, vooral uit Overijssel, vestigden zich, althans tijdelijk, in Rusland. In 1813 stonden de Kozakken niet weinig versteld toen zij te Almelo en Vriezenveen op zijn Russisch toegesproken en behoorlijk op hun plaats gesteld werden. Toen voor weinige jaren de thans overleden onderwijzer van Vriezenveen zijn veertigjarig jubilé vierde, kwam een zijner zonen, ter bijwoning van het feest, uit Rusland over, en bracht een album mede, waarin de portretten waren van circa 40 vroegere leerlingen, toen in Rusland als handelaars gevestigd.

De Heer Scholten te Groningen heeft een zijner fabrieken te Tarnow, die door een Nederlander bestuurd wordt. Vert.

[4] _Wikinger_, noemden de oude Noorwegers hunne zeehelden. Vert.

[5] Dat de Vlaamsche taal van vroeger literatuurloos is, moge de Schrijver beweren en bewijzen als hij kan. Het tegendeel te bewijzen had meer kans van slagen. Vert.

[6] Echter zijn onder de Romeinen enkele opstanden en vervolgingen der Joden voorgekomen.

[7] De Arianische leer of het Arianismus (ontstaan in de 4de eeuw) ontkende de Godheid van Jezus. Vert

[8] Waar 't goed is, daar is het vaderland. Vert.

[9] Door het _Patrimonium Petri_ verstaat men het gedeelte van den Keizerlijken Staat, waarin Orvieto, Viterbo, Toscanella, Civita Vecchia, en Monte-Fiascone liggen, welke streek gronds door Keizer Constantijn in de 4de eeuw aan den Bisschop van Rome zou gegeven zijn. In de 12de eeuw kwam het eerst aan de Pausen. Vert.

[10] Het schoone Italië, door de Apennijnen doorsneden en door de zee omzoomd. Vert.

[11] Sedert kort is dit in ons land afgeschaft, en mogen zoowel thesis als dissertatie in het Hollandsch geschreven worden. Vert.

[12] Hafis was een der beroemdste Perzische dichters uit het begin der 14de eeuw. Hij was geboren en ligt begraven te _Schiras_, eens het brandpunt der Perzische wetenschap en poëzie. Vert.

[13] Het blonde Germanie heeft te vergeefs ons zijne Franken, zijne Noormannen gezonden; ons temperament heeft niets verloren van zijne oorspronkelijke neigingen. In weerwil van de omwentelingen en de eeuwen zijn wij nog altijd het oude Gallië met zijne opvliegendheid en zijn ongeduld. Vert.

[14] Bij de oude Grieken werd onder _Cothurn_ verstaan, een hooge tooneelschoen: in het algemeen genomen moet aan dit woord de beteekenis van _treurspel_ gegeven worden. Vert.

[15] De Schrijver bedoelt de bewoners der, in vergelijking van Germania in zijn geheel, lage landstreeken langs de Noordzee, van Schelde tot Elbe, destijds onder den gemeenschappelijken naam "Friezen" samengevat. Vert.

[16] De Kymren achten zich eenigermate beleedigd, wanneer men hen Engelschen noemt, en zeggen: "_We are not Englishmen, we are Walishmen_."

Als een staaltje der taal van Wales, moge het volgende dienen:

Epistol Paul yr Apostol at yr Hebreaid.

Pennod I.

1. Duw, wedi iddo lefaru lawer gwaith, a llawer modd, gynt wrth y tadau trwy y prophwydi, yn y dyddiau diweddaf hyn a lefarodd wrthym ni yn ei Fab;

2. Yr hwn a wnaeth efe yn etifedd pob peth, trwy yr hwn hefyd y gwnaeth efe y bydoedd;

3. Yr hwn, ac efe yn ddisgleirdeb ei ogoniant ef, ac yn wir lun ei berson ef, ac yn eynnal pob peth trwy air ei nerth, wedi puro ein pechodau ni trwyddo ef ei hun, a eisteddodd ar ddeheulaw y Mawredd yn y goruwchleoedd;

4. Wedi ei wneuthur o hynny yn well nâ'r angelion o gymmaint ag yr etifeddodd efe enw mwy rhagorol nâ hwynt-hwy.

Vert.

[17] De Denen hebben Engeland niet ten onder gebracht. Hun inval was slechts een zondvloed, en deze zondvloed is slechts heengegleden over de Saksische maatschappij.

[18] Bij de Franschen over Elsasz-Lotharingen. Vert.

[19] Volgens oude overleveringen (die echter door velen zeer in twijfel getrokken worden) zou het volk der Asen uit Azië, door Saksen naar Denemarken en zoo naar Zweden en Noorwegen getrokken zijn, onder hun aanvoerder Odin. Vert.

[20] Jornandes, bisschop van Croton, leefde omstreeks 551. Vert.

[21] Later wordt in dit werk melding gemaakt van: "de veel bezongen Brawalla-slag die aan de grens van het Gothen- en Zwedenland geslagen werd." Op eene tamelijk uitvoerige oude kaart van Zweden, wordt de vrij breede uitmonding van het Wettermeer in de Oostzee, "golf de Brawiken" genoemd en een weinig landwaarts in ligt Braborg. Waarschijnlijk is daaromstreeks Brawalla te zoeken. Vert.

[22] Dit werk werd door Arngrim Johnson in 1628 wedergevonden. De _Edda_ is de algemeene titel van twee zeer van elkander te onderscheiden oud-Noordsche werken: de _prozaïsche_ zoogenaamde _jongere Edda_ (_Snorra Edda_), gedeeltelijk verzameld door _Snorri Sturluson_ (1178-1241) een geleerd IJslander, en de zoogenaamde _poëtische Edda_ of _Suemundar Edda_, die toegeschreven wordt aan den geleerden priester _Suemundar_ (1133). Vert.

[23] Geschreven letters, die de vormen der letters voorkomende op opschriften van gedenksteenen (lapides), trachten terug te geven, worden lapidair-schrift genoemd. Vert.

[24] Als zeker wordt beschouwd, dat in de 10de eeuw, Noormannen van IJsland uit, de Amerikaansche kusten ontdekt en bewoond hebben. Tot in de 14de eeuw werden tochten naar het vasteland van Amerika ondernomen. Vert.

[25] _Tundra_ is de Russische naam voor de groote vlakten, die in Siberië en Westelijk van het Uralisch gebergte tot aan de Witte zee en de Dwina, in Noordelijk Europa de Ijszee begrenzen. Vert.

[26] Verstrooide ledematen.

[27] De vertaler heeft gemeend, het door den schrijver gestelde, woordelijk terug te moeten geven. Niettemin neemt hij de vrijheid hier en daar in eene noot, eene naar zijne meening gegronde opmerking mede te deelen. Vert.

[28] Had de schrijver het door Karel den Groote geliefde Nijmegen, en de omstreken naar de zijde van Kleef bezocht; was hij van daar naar Duitsche wijze, over Elten naar 's Heerenberg gewandeld, en den zoogenaamden achterhoek van het Zutfensche doorgetrokken; voorts van Zutfen den straatweg gevolgd over Arnhem naar Utrecht--ongetwijfeld had hij zijn vonnis over het gemis aan alle natuurschoon wel gewijzigd.

Wanneer de schrijver zegt: "bijna al het vriendelijke, dat het land nu bezit, is het door kunst en menschenhanden gegeven," dan heeft dit voornamelijk op de mondings-gebieden van Rijn, Maas en Schelde betrekking. De oudere, Oostelijke bodem valt gemakkelijk aan zijne meer ongelijke oppervlakte te kennen. Op vele plaatsen treft men op het oudere diluvium het nieuwe alluvium, waaronder ook alle veenlagen behooren, aan; de schacht van dit alluvium heeft eene dikte van 150 tot 300 voet. Alleen in enkele gedeelten van Overijsel, Gelderland en Limburg wordt de tertiaire vorming aangetroffen.

De kusten van Holland liggen gemiddeld 2 voet boven de oppervlakte der zee; bij Katwijk, waar de zee 1/2 voet, bij Oosten-wind 3 voet beneden de oppervlakte van het land ligt, stijgt de vloed bij sommige winden tot 6 voet boven de oppervlakte van het land, zoodat het gemakkelijk te begrijpen is, hoe Nederland en de Noordzee-kusten vroeger eene andere gedaante zouden hebben dan tegenwoordig. Men wil, dat van af het begin der 6de eeuw tot 1825, Nederland door 190 groote overstroomingen geteisterd is. Ook wordt door sommigen beweerd, dat de Nederlandsche bodem zakt; het eiland Walcheren b.v. zou in 2000 jaren van 28-30 voet gezakt zijn. Als bewijs voor de bewering, dat de bodem van ons land zakkende is (men begroot deze verzakking op 1 voet per eeuw), neemt men, dat de _Arx brittanica_, die men in 1752 in de zee, in de nabijheid van Katwijk nog opmerkte, nu niet meer gezien wordt. Dijken en duinen (door zandverstuivingen langs onze kusten ontstaan) beschermen ons vaderland tegen de zee. De duinen hebben eene gemiddelde hoogte van 17 à 18 meter; enkelen echter zijn hooger, eene enkele bereikt zelfs een hoogte van 60 meter. Vert.

[29] Land en water mogen voor zeer vele eeuwen in sommige gedeelten van het land slechts _schets_ geweest zijn, zelfs de Zuiderzee, de Biesbosch en de Dollard van land in water zijn veranderd--gedurende de laatste eeuwen is menige vrij uitgestrekte vlakte aan het water ontwoekerd en in vruchtbaar land herschapen, en daarmede wordt nog steeds voortgegaan, zoodat land en water thans behoorlijk gescheiden zijn. Vert.

[30] Aan Nederland te verwijten, dat zijn hemel niet zoo helder was als in Italië, is niet billijk. Thans is hier te lande de hemel wel niet altijd even helder, maar een zoo zware mist als dikwijls in het zuiden van Engeland heerscht, is hier eene zeldzaamheid, vooral in onze Oostelijke grenzen, die niet aan zee liggen. Vert.

[31] Wouden wijken overal voor eene beschaafde bevolking. Dat in oude voortijden, hier te lande houtgewas veelvuldig was, blijkt uit het vele hout dat in den ondergrond der veenen wordt gevonden. Op de Veluwe bestaan nog uitgestrekte bosschen van opgaand geboomte. De heuvelrij, die van Arnhem tot tegenover Zwolle zich uitstrekt, draagt den naam van _Woldberg_. Ook bij den Haag, Haarlem, Alkmaar en elders zijn nog overblijfselen van overoude wouden.

Edelgesteenten of goud en zilver mochten de naburen te vergeefs uit den bodem van Nederland wachten, maar de Duitschers halen thans ijzererts bij scheepsladingen uit Overijsel, en ook steenkolen uit Limburg. Vert.

[32] Over het ontstaan van het aangeslijkte land en de aanslijking, vergelijke men Dr. R. Westerhoff, de _Kwelder-Kwestie_ bl. 53 en verder. Groningen 1844. Vert.

[33] Tijdens de Romeinen droeg ons vaderland den naam van _Germania inferior_ (Neder-Duitschland), in tegenstelling met de hoogere, bergachtige streken, die _Germania superior_ (Opper-Duitschland) genoemd werden. Vert.

[34] Sommigen zijn van oordeel, dat de Friezen uit Klein-Azië, en wel uit Troje afstammen. Zij gronden hunne bewering op sagen. Een dier sagen vermeldt, dat de Friezen onder zekeren Marcomir uit Phrygië of Troje (433 v. Chr.) herwaarts zouden gekomen zijn. Eene andere sage wil, dat de Petroklers (een stam in Klein-Azië) na den dood van Alexander den Groote, op schepen verhuisd en op de Saksische en Pruissische kusten geland zijn. Friso zou deelgenoot van dezen tocht geweest zijn, hij zou de kusten van de Elve tot aan het Vlie in bezit genomen hebben. Nog eene andere sage doet de drie gebroeders Saxo, Bruno en Friso, 313 j.v. Chr., na lang omzwerven uit Indië, op de kusten der Noordzee landen; zij onderwierpen zich de inwoners, verdeelden het land, en aan Friso viel Friesland ten deel, dus genaamd naar een landschap in Indië, Fresia genaamd.

Volgens "Der Friezen herkomst," naar het boek van Adela (Thet Oera Linda Bok, zie hierachter pag 472 noot) is Friso uit Indië gekomen en wel met de vloot van Nearchus, maar is hij geen Indiër, maar behoort tot Frya's volk. Hij behoorde namenlijk tot eene kolonie Friezen, die na den dood van Nyhellênia, 15 1/2 eeuw v. Chr., onder aanvoering eener priesteres Geert, zich aan den Pangab neergezet hebben en den naam Geertmannen aannamen. Onder dien naam worden ze bij Strabo vermeld.

Aangaande de Batavieren vermeldt Tacitus: "dat de in dapperheid al de door hem reeds vermelde Rijnbewoners overtreffende Batavieren, voornamelijk het Rijneiland, maar toch ook een deel van zijnen oever of den uitersten zoom van Gallië bewoonden; dat zij vroeger geheel over den Rijn hadden gewoond en een deel der Katten hadden uitgemaakt, maar bij een opstand onder dit volk waren verdreven, en zich in die nieuwe woonstreken, die toen nog onbevolkt waren, hadden neergezet, waar zij een deel van het Romeinsche gebied uitmaakten. Vert.

[35] De overeenkomst van het boeren-Friesch met het Engelsch schijnt aan te duiden, dat de Friezen Angel-Saksers waren, dus uit de streken van Wezer en Elbe; terwijl het vestigen van de Batavieren aan den Rijn, en de meening dat zij op vlotten waren gekomen, doet vermoeden, dat zij uit de Rijn-streken afkomstig waren. Vert.

[36] De Friezen brachten aan de Romeinen huiden en hoorns op; de Batavieren daarentegen niets, maar deze versterkten de Romeinsche legers met hunne ruiterij, die de beste onder de Germanen genoemd werd. Gedurende vier eeuwen treffen wij Batavieren bij de Romeinsche legers aan. Nadat de Batavieren uit de geschiedenis verdwenen waren, zijn de Friezen als een vrij volk blijven bestaan. Men mag aannemen dat het oude Bataafsche element in het Friesche is opgenomen Vert.

[37] De Romeinen verbeterden den moerassigen grond, wierpen dijken op, vervaardigden wegen en groeven kanalen. Drusus deed de gracht (Drusus-gracht) graven, die den middelsten arm van den Rijn met den IJssel verbindt, en maakte een begin met het, later door Corbulo voltooide kanaal, dat bovengenoemden arm van den Rijn met den Zuidelijken Rijnmond verbindt.

Sommige schrijvers, o.a. Dr. Acker Strating in zijn _aloude staat en geschiedenis des Vaderlands_, beweren dat noch de Romeinen de eersten zouden geweest zijn, die in ons land dijken aangelegd hebben, noch Drusus de Drusnsgracht heeft laten graven. Deze laatste bewering grondt de schrijver op eene plaats in Tacitus, waarin uitdrukkelijk gezegd wordt, "dat P. Pompejus (tusschen het jaar 50 en 60) voltooid heeft den dijk, voor 63 jaar door Drusus begonnen, ter beteugeling van den Rijn." Ten bewijze, dat die dijk niet langs den oever van den Midden-Rijn kan gelegen hebben, maar ter plaatse, waar de Waal zich van den Rijn scheidt, en blijkbaar met het doel is aangelegd, om den stroom alleen langs de Waal of den Gallischen Rijnarm te keeren, strekt de geheele samenhang, waarin de vermelding van den dijk met het overige verhaal aldaar (bij Tacitus) voorkomt. De daar vermelde vernieling toch had plaats bij Vetera Castra, toen Civilis naar het eiland der Batavieren terug week. Zoo weinig belang nu de Romeinen er bij hadden, om het eiland der Batavieren te beveiligen tegen het Rijnwater, zoo belangrijk was het voor hen, om zulks te doen ten aanzien van Gallië of hun Rijk. Hier langs stroomde de Waal, en door deze rivier af te dammen van den Rijn, werd zij belet de oevers van den Rijn te overstroomen. Dezen dam vernielde Civilis, die daardoor weer aan den Rijn vrijen loop door de Waal gaf en zoo de Romeinen belette hem te volgen, daar hij, zooals Tacitus er bij voegt, wist dat de Romeinen geen schepen hadden, om eene brug te maken, en dat zij de rivier niet op eene andere wijze konden oversteken. Door het doorsteken van den Rijndijk zou Civilis zijn toevluchtsoord (het eiland der Batavieren) onder water gezet hebben, maar door het doorsteken van den Waaldam stelde hij zich daarmede in verbinding, immers de Rijn liep nu nagenoeg geheel droog, en de Waal nam het weggeloopen water op. (_Acker Stratingh: Aloude staat en geschiedenis des vaderlands_ Dl. 1 bladz. 48).

Ten bewijze verder, dat Civilis en zijne Batavieren even goed dammen wisten aan te leggen als de Romeinen, verwijst Dr. A. S. ons weder naar Tacitus Hist. V. 14 en C. 18 waaruit blijkt, dat Civilis vóór het gevecht van Castra Vetera, een dwarsdam door den Rijn legde, om de naburige oeverstreken onder water te zetten (Dr. A. S. Dl. 1 bladz. 50). Wat meer is, zegt Dr. A. S. "bij denzelfden geschiedschrijver (Tacitus Hist. V. 23) vindt men eene stellige bewijsplaats, dat het eiland der Batavieren in dien tijd niet bedijkt was. Meldende namelijk, dat Civilis eindelijk ook uit het eiland der Batavieren moest wijken en Cerealis dit eiland toen innam en plunderde, voegt Tacitus er bij, hoe intusschen met het invallen van den herfst en ten gevolge van hevige regenbuien, de Rijn het moerassige en lage eiland overstroomde en als in een poel herschiep, waardoor de Romeinen in geene geringe ongelegenheid geraakten, daar hunne legerplaatsen op het vlakke veld met den geweldigen stroom weggerukt werden en zij vloot noch leeftocht hadden, zoodat de Romeinsche legioenen toen gemakkelijk door de Germanen hadden kunnen vernield worden." Ook de door velen voor van Romeinschen oorsprong gehoudene, op verscheidene plaatsen in en aan de Zuiderzee ontdekte muren of steenen wegen, die ook wel voor dijken gehouden worden, beweert Dr. A.S. dat die niet aan de Romeinen moeten toegeschreven worden, (meergemeld werk van Dr. A. S. blad. 55). Vert.

[38] Wanneer men België in twee deelen scheidt, door eene lijn getrokken van Menin naar Tongeren, dan mag men de Noordelijke helft beschouwen als bewoond door de Vlamingen (bijna 2 1/2 millioen zielen), terwijl de Walen (bijna 2 millioen zielen) de Zuidelijke helft tot woonplaats hebben. Het Vlaamsche deel der bevolking tracht de Vlaamsche letterkunde hoe langer zoo meer te ontwikkelen en zoo doende zijne taal te verheffen. Het Waalsch mag als niet veel meer, dan een bedorven Fransch beschouwd worden. Vert.

[39] Dit geschiedde in 1548. De Nederlanden moesten wel aan de rijkslasten deelnemen maar waren overigens aan de macht en de rechtspleging van het Duitsche rijk onttrokken. Vert.

[40] Karel V werd in het jaar 1500 te Gent geboren. Vert.

[41] Hoe telt de Schrijver die 150 jaren? Van 1543 tot 1579 is slechts 36 en telt men tot 1648 dan is het nog weinig meer dan 100 jaren. Mogelijk rekent hij van 1648 tot 1795. Vert.

[42] In het jaar 1476. Vert.

[43] Tegen het einde van de 12e eeuw schijnt men met de steenkool in België bekend geworden te zijn. Volgens sommigen zouden de steenkolenbeddingen het eerst in de nabijheid van Luik op den Mont Public, in het jaar 1198, door een smid van Plenivaux, _Houilleux_ genaamd, ontdekt zijn, waardoor de Fransche benaming van _houille_ zou zijn ontstaan.

In het midden der 14e eeuw was het mijnwezen in België reeds zoo aanzienlijk, dat een groot gedeelte van het Luiksche leger uit kolenmijnwerkers bestond. Vert.

[44] Ofschoon Engeland het vaderland is der levensverzekeringen, zoo mag men toch Nederland beschouwen, als het land, waar de eerste degelijke grond voor de theorie der levensverzekeringen werd gelegd. Huyghens behoorde tot de eersten, die eene studie maakten van de kans-rekening, die er de basis van is. Vert.

[45] Zoo b.v. was Orlando Lasso, eigenlijk Roland Delattre genaamd, in 1520 te Bergen in Henegouwen geboren, naast Palestrina de grootste componist der 16de eeuw. Zijne tijdgenooten geven hem den eernaam van "Vorst der toonkunst." Ook zijne zonen Ferdinand en Rudolf (gestorven in 1609 en in 1625) en zijn kleinzoon Ferdinand (gestorven 1636) waren componisten. Vert.

[46] De geschilderde glazen in de St. Jans-kerk te Gouda, vervaardigd door de gebroeders Crabeth, zijn alom beroemd. Vert.

[47] Sommigen willen, dat het aangeslijkte land in Sleeswijk en Holstein, reeds vóór de 10de eeuw door Friezen, uit ons land afkomstig, zou bedijkt zijn; de Oosterkade aan den Wezer zou zulks in 1020, het Alte-land in 1106 eveneens door de Friezen gedaan zijn. Vergelijk: _A. von Wersebe, über die Niederl. Coloniën, welche im Nörd Deutschlande im 12ten Jahrh: gestiftet worden_. Vert.