Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 7

Chapter 73,119 wordsPublic domain

De revolutie en de afwisseling van meesters, waren bij deze rustelooze menschen, die zoo belust op nieuwigheden waren, aan de orde van den dag. In hunne geschiedenis ziet men te vergeefs uit naar een zonnig tijdpunt van rust, zooals b.v. die van Rome ten tijde van Augustus aanbood, waarin de kunsten van den vrede en de wetenschappen, naar onze begrippen gemakkelijk hadden kunnen bloeien. Het zwaard aangegord, schreven de krachtige Grieken geschiedenis, zoo kernachtig als later die niet weder geschreven is. Den giftbeker drinkende, dien de onverdraagzame medeburgers hun reikten, gaven de Grieksche wijzen zedelessen over verdraagzaamheid en liefde, die nog niet vergeten zijn. Midden in de wereldsche drukte op straat, onder de opgewondenheid van het Forum, dachten hunne philosophen rustig en kalm na over boven-aardsche dingen. Midden tusschen het eeuwige partij-getwist en bloedige wapengekletter, huldigden hunne dichters en kunstenaars de gratiën, en schiepen zij zulke volkomene, welluidende en harmonische taalbeelden, als nimmer aan een vreedzaam volk in die mate gelukte. Tusschen hunne lippen werd de Grieksche taal gevormd tot de fraaiste, deftigste, mannelijkste en tegelijkertijd zachtste taal, waarin ooit menschen gedacht en gedicht hebben, tot eene bij uitstek rijke taal, wier woordvoeging zoo gemakkelijk, zoo vloeiend is, die voor den mond zoo aangenaam te spreken, voor het verstand zoo veelbeteekenend en zoo nauw samenvoegend is, en die gedeeltelijk middellijk, gedeeltelijk onmiddellijk alle tegenwoordige talen tot voorlichtster gediend heeft. Wanneer men het doen en laten der Grieken in hun geheel beschouwt, dan meent men stoute, geniale mannen te zien, die het verstonden bloemen te doen ontluiken in de vurige kraters der vulkanen, en die aan de muzentempels gebouwd hebben op den rand van den steeds vloeienden lavastroom.

Even als in het moederland Hellas, zoo ging het ook in de koloniën. De Grieksche dochtersteden ontstonden meestal ten gevolge van inwendige tweedracht en hartstochtelijke partijtwisten, en deze koloniën zelve, waarmede zij de barbaarsche kusten der Middellandsche Zee omgaven, schijnen even vele kraters geweest te zijn, die, als de Etna, het land in de rondte tegelijkertijd verwoestten en vruchtbaar maakten. Aan de kleine golf van Tarente in Groot-Griekenland alléén, had een half dozijn van zulke vuur- en bloemenspuwende vulkanen wortel gevat: het trotsche Crotona, het weelderige Sijbaris, Heraclea, Tarente en nog eenige andere onvergetelijke steden. Even als Athene en Sparta in Hellas, als Ephesus en Milete op de kust van Klein-Azië, als Syracuse de volkrijkste en machtigste aller Grieksche koloniën, en het steeds door de Etna verwoeste en steeds weder opbloeiende Catanea op Sicilië, leefden die steden in eeuwigdurende tweedracht, en hunne burgers trokken, zoo lang zij zich roeren konden, tegen elkander te velde en hielden over en weer de onbarmhartigste strooptochten in het gebied hunner naburen. Men is somwijlen geneigd deze Grieksche republieken voor even zoovele halfwilde Montenegro's te houden. Niets van alles wat later de Turken tegen de Christenen uitgevoerd hebben, bleef door deze Hellenen onbeproefd in de schier nimmer gestilde partijwoede. Moord, brand, verwoesting, harde slavernij, ja verdelging tot den laatsten man, tot er geen steen op den ander bleef. En toch waren deze steden bij wijle rijk, groot, losbandig en weelderig, telden hunne burgers bij honderdduizenden en hadden volop dichters, schilders, beeldhouwers en leerlingen van Pythagoras.

Toch lag vermoedelijk in de bijzonder heftige en vurige natuur der Grieken opgesloten, dat de geheele tijd van hunnen bloei en hunne fraaiste scheppingen, slechts kort was, en dat zich hunne geheele scheppende kracht slechts in een, als een vluchtigen droom voorbij zwevend oogenblik, samenvatte. Ten tijde van Perikles, in de 5de eeuw voor Christus geboorte, hadden zij het toppunt van hunnen bloei bereikt. Om de persoon van dezen "hellenischten aller Hellenen", groepeeren zich de uitstekendste Grieksche namen, die door hetgeen zij volbracht hebben, over de geheele wereld bekend en verheerlijkt zijn geworden. Men heeft de Grieken eene jongelings-natie genoemd. Ja! Hegel noemde hun geheel nationaal zijn en streven, "een enkele jongelings-daad". Men kan hun nationaal maatschappelijk leven met het eigenaardige bestaan van andere geniale, naar het grootsche strevende jongelings-naturen vergelijken, b.v. met die van een Raphaël, die zich in de vurige opwelling zijner werkkracht vroegtijdig ontwikkelde, maar daarop aan de nakomelingschap eene erfenis van zijne werken vermaakte, waarover zij zich, door alle tijden heen, verheugen kan. Met zulk eene erfenis in de hand, welke de tijdgenooten van Pericles achterlieten, heeft de nationale geest der oude Grieken zich steeds, tot op onze dagen, machtig en invloedrijk getoond; ofschoon sedert den dood van Perikles bij hen slechts de eene overheersching door vreemden op de andere volgde, en zij nimmer weder tot eene zoo krachtvolle zelfstandigheid geraakten, als in die korte jaren, toen zij ongestraft onder elkander vechten en om den palm der overwinning strijden konden.

Het allereerst kwamen zij onder Philippus en Alexander. Maar deze barbaarsche Koningen van het Noorden helleniseerden zich, huldigden den geest der Grieken, namen hunne taal over, en verbreidden beiden, te gelijk met hunne veroveringen, over het geheele Oosten. Aan de grenzen van Indië en de Mongolen en vervolgens ook aan den Nijl, stichtten zij rijken, die men naar de aldaar heerschende taal en ontwikkeling, als Grieksche stichtingen moet aanmerken.

De Macedoniërs werden, zoowel in de wereldheerschappij als in het bezit der heerschappij over Griekenland, door de Romeinen afgelost, en even als gene werden ook deze de scholieren hunner Hellenische onderdanen. Hebben de Romeinen ook al niet, als de naburige Macedoniërs, de taal en de zeden der Grieken overgenomen, zoo moesten zij hen toch, daar zij zelven niets beters konden te voorschijn brengen, als hunne meesters en modellen beschouwen. Het gevangene Griekenland nam zelf zijne wilde gebieders gevangen en bracht de kunst over naar het boersche land der Latijnen. De Romeinen gingen bij de Grieksche redenaars in de leer. Hunne gedichten waren niet anders dan een weerklank der Grieksche gezangen, hunne musici, hunne paedagogen waren Grieksche slaven. Hunne tempels, hunne steden, hunne marktplaatsen werden versierd en verlevendigd door standbeelden, die een eeuwig leven ademen en gered waren uit den ondergang van Griekenland. Op de vleugelen van den Romeinschen adelaar verbreidde zich Grieksche beschaving over het geheele Westen, even als vroeger de Macedonische phalanx haar tot aan den Indus en Himalayah, die bronnen van alle Hellenisch en Indo-Germaansch leven, baan gebroken had.

Met het goud des verstands, dat de Romeinen uit Griekenland gehaald hadden, hebben zij om zoo te zeggen de geheele wereld verguld, en de Grieken zijn op die wijze, in het gevolg der over de Aarde marcheerende Macedonische en Romeinsche infanteristen, ook in het binnenste van alle landen gekomen, waarheen zij als een oud zeevaarders- en kustvolk, alleen misschien nooit gekomen waren.

De Macedoniërs, die van oudsher naburen en stamverwanten der Grieken waren, zijn met taal, verstand en zeden, zooals ik reeds zeide, in de Grieken, om zoo te zeggen, opgegaan. Waar zij geboden en vertoefden, daar geboden ook de Grieken zelven. De Romeinen daarentegen, bewoners van een ander schiereiland en van een vreemd geslacht, ofschoon in alle aangegevene opzichten de kweekelingen der Grieken, bleven toch altijd Romeinen en verspreidden het ontvangene op hunne wijze. Daardoor kwam het, dat de Grieken zich in het Westen, waar zij bijna niet anders dan als dienaren verschenen, nooit zoo te huis gevoelden als in het Oosten, het schouwtooneel der verrichtingen van de Macedoniërs. Ja! de Romeinen romaniseerden zelfs dààr geheele streken, waar in vroegeren tijd Grieksche zeden, taal en bloed de overhand hadden, b.v. Zuid-Italië en Sicilië. Daardoor kwam het dan ook dat, toen het Romeinsche rijk zich in twee groote helften verdeelde, van deze beide helften, het Westersch Romeinsche rijk en het Oostersch-Romeinsche rijk, het eene aan zijn uiteinde een geheel geromaniseerd, het andere een predomineerend Grieksch, met Macedonisch-Grieksche ontwikkelings-elementen bezwangerd, karakter had.

In het Oostersch-Romeinsche rijk, dat Nieuw-Rome of Bijzantium tot hoofdstad had, kregen na de afscheiding Grieksche taal, Grieksche volksstammen, Grieksche geslachts-adel, Grieksche beschaving weder de overhand, en men kan deze verdeeling van het rijk in zekeren zin als eene politieke wedergeboorte der Grieken beschouwen, ofschoon het wedergeborene kind van toen af aan bij de Oostersche volken niet slechts den naam "Rome" (Rum, Rumili) droeg, maar zelfs de Grieken zelve, zich eeuwenlang "Romaier," hunne Grieksche taal de Romaiische noemden. Daar in het geheele Oosten de Grieksche taal bij voorkeur de taal der letterkundigen was, zoo werd zij dan ook van den eersten tijd af aan de draagster van het, ten tijde van den bloei der Romeinsche macht opkomende, _nieuwe geloof_. Het Christendom werd, zoodra het Jeruzalem verlaten had, het allermeest door de Grieksche taal over de wereld verspreid.

Het bekken van den Archipelagus met zijne eilanden en zijne vooruitstekende landen, dat het best met een naar het Oosten geopend net vergeleken kan worden, ving nu de eerste, aan de Phoenicische kusten ingescheepte, christen-apostelen op, zooals het duizend jaren te voren de van daar scheep gegane professoren der oud-Egyptische wijsheid ontving. Het Grieksche volk bood den grooten zaaier het eerst een terrein aan, waar zijne zaadkorrels niet op een steenachtigen bodem vielen, maar waar zij integendeel al spoedig in Korinthe, Thessalonika, Ephesus en andere steden diepe wortels schoten. Ook in de Aziatische steden bestonden de eerste Christen-gemeenten schier zonder uitzondering uit Grieken. In hunne taal werd de eenige God overal aangebeden, en de eerste predikatiën der zendelingen gehouden. In hunne taal werden onze heilige boeken geschreven. Ook was zij de taal der eerste christelijke conciliën. Grieken brachten het christendom naar Rome en verbreidden het over het overig Europa; vandaar zijn dan ook tot op heden in geheel Europa de meeste uitdrukkingen voor kerkelijke zaken, zelfs de naam der "kerk" en die van het boek der boeken, den "bijbel", van Griekschen oorsprong.

Van alle christelijke kerken is de Grieksche de oudste; van Griekenland uit werd het heidendom het eerst door het Christendom ondermijnd en eindelijk tijdens de stichting van Nieuw-Rome of Constantinopel geheel afgeschaft. Gedurende de invallen der barbaren, die op de verdeeling van het Romeinsche rijk weldra volgden, bleef het Oostelijk Keizerrijk der Grieken veel langer bestaan dan dat der Westelijke Romeinen. De onbuigzame, barsche Romeinen, die hun rijk hoofdzakelijk op hunne dapperheid en stoffelijke overmacht gegrondvest hadden, moesten het onderspit delven, toen hun die dapperheid begon te ontbreken en eene grootere macht dan de hunne zich tegen hen over begon te stellen. De Grieken, die zich tijdens hunnen bloei, behalve den moed en de vaderlandsliefde die hun eigen waren, ook eene hooge mate van verstandelijke ontwikkeling, eene bijzonder groote mate van politieke behendigheid en andere daarmede in betrekking staande eigenschappen, hadden eigengemaakt,--bewaarden, nadat de bandelooze overmoed en vrijheidszin gebreideld waren, toch deze taaiere eigenschappen, en bleven, even als de Chineezen in hunnen strijd met de Mongolen, zelfs na hunne nederlagen, meermalen overwinnaars. Terwijl het geheele Westelijk Europa door Noordsche horden overstroomd en eeuwen lang weder in eene diepe duisternis gestort werd, ontvingen ook de Grieken vele hun land diep binnendringende benden. Maar zij wisten, als vlugge strijders, behendig de stooten te ontwijken en ze dikwijls van zich af te wenden, of, wanneer zij somwijlen het onderspit moesten delven, zoo stonden zij toch, even als het door de stormen heen- en weer gezweepte struikgewas der hoog-gebergten, steeds, van frissche loten voorzien, weder op.

Sedert de 5de en 6de eeuw trok de groote Slaven-vloed met overmacht het Grieksche schier-eiland binnen, en drong in alle tot het Europeesche vasteland behoorende provinciën van het Grieksche rijk, tot aan Athene en tot in den Peleponnesus. De Slaven kwamen daar nu niet alleen als soldaten en gebieders, maar met vrouwen, kinderen en kudden zetten zij zich in deze landen met der woon neder, begonnen na eenigen tijd den grond te bebouwen, stichtten talrijke Slavische dorpen en vlekken, en gaven aan landen, bergen, dalen, rivieren, beken en grotten, Slavische namen. Maar te midden dezer Slavische overstrooming, bleven de steden en havens aan de kusten, overal langs de Aegeïsche zee, zelfs in de bangste tijden, in het bezit der Grieksche burgers en der Byzantijnsche bezettingen. Daar de Slaven geene schepen hadden, zoo lieten zij de eilanden der Aegeïsche zee grootendeels ongemoeid. Zelfs in de gevaarlijkste oogenblikken, toen Avaren, Bulgaren en Serviërs Constantinopel bestormden en te gelijkertijd aan de Aziatische zijde van den Bosphorus, bij Scutari de Perzen onder de wapens stonden; zelfs in zulke oogenblikken, waarin alles verloren scheen, hielden de Grieken zich staande op hunne vloot, met behulp waarvan de verbinding tusschen het middelpunt van het rijk en de eilanden en kusten nauwelijks een oogenblik verbroken was, en werd ook telkens weder in de vertwijfeldste omstandigheden, de buitenste omtrek en het ruwe getimmerte van de oude Hellenen-wieg, de Archipelagus (de hoofdzee) met haar toebehooren gered. Rondom deze wieg dus, bleef altijd een overblijfsel van het Hellenendom bestaan, en van dit oude tehuis en geboorteplaats uit, dat wil zeggen van uit de schepen, van uit de havenplaatsen Korinthe, Thessalonika, Patras, Monembasi en vele anderen, verspreidde zich in de 9de eeuw andermaal dit Hellenendom. Nadat de inval der Slaven in den loop van 300 jaren hun aanvankelijk zoo woest karakter verloren had, nadat zij uit roovers, verwoesters en plunderaars, landbouwers en grondeigenaars geworden waren, toonden zij zich ontvankelijk voor de, van de Grieksche kusten het land binnendringende, beschaving. Ook de Grieksche wapens, voornamentlijk onder de regeering van Keizer Basilius I, in de tweede helft de 9de eeuw, waren weder gelukkig tegen hen, en vele der door de Slaven bezette provinciën en landschappen werden toen weder door de Grieken heroverd.

Eene duizenden tellende en Grieksch sprekende geestelijkheid trok de nieuw bekeerde provinciën binnen. Kloosters en kerken werden gebouwd, nieuwe steden en versterkte plaatsen aangelegd en in deze zetten zich bij voorkeur weder Grieken neder. Ten gevolge van dit een en ander verstonden en spraken de Bulgaren, die er hun intrek genomen hadden, spoedig even goed Grieksch als Slavisch, en werden in den Peleponnesus en aan de kuststreken van Thessalië, Macedonië en Thracië, de Slavische namen weder òf verdrongen òf verhelleniseerd. Het nieuwe door Grieken of Grieksch-sprekenden bevolkte Griekenland, dat zich op deze wijze weder oprichtte, had in hoofdzaak denzelfden omvang, als het eens door de oude Hellenen bezette land.

Zoo viel dus toen in Griekenland iets dergelijks voor, als ter zelfder tijd (na Karel den Groote) in Duitschland plaats greep. Ook in Duitschland, even als in Griekenland, hadden de Slaven, tijdens hunne eerste woeste overstrooming van eene menigte oud-Duitsche landstreken, schier de geheele oostelijke helft van het oude Germanië met hunne stammen gevuld. Maar ook daar werd weerwraak genomen. Karel de Groote en de Duitsche Keizers die hem opvolgden, herstelden, terwijl zij de binnengedrongene Slaven onderwierpen en doopten en ze dwongen de Duitsche taal en gewoonten aan te nemen, weder de grenzen van het oude Germanië, even als Basilius en de hem opvolgende Grieksche Keizers, Griekenland zijne oude grenzen terug gaf. In de groote landschappen, meer binnenwaarts in het Byzantynsche schiereiland gelegen, won de van de kusten komende vergrieking minder voet. Daar behielden de vele binnengedrongene barbaren hunne taal en gewoonten. Slechts nu en dan kwamen Grieken bij hen in de steden en vestingen wonen. Ook dit was weder juist zoo, als ten tijde der oude Hellenen, met dit onderscheid dat nu, in stede der vroegere Macedoniërs, Thraciërs en Illyriërs, de Slavische Bulgaren, Serviërs, Kroaten enz. de oude, steeds barbaarsche plaatsen bewoonden, die nooit door Grieksche schepen en kustbewoners in grooten getale bevolkt waren geworden.

In hoofdzaak is dit, met eenige geringe wijziging zoo gebleven tot aan den volgenden grooten inval die Griekenland trof, tot den inval der Turken. De tusschen beide groote invallen, den Slavischen in de 6de eeuw en den Turkschen in de 14de eeuw, gelegene invallen der westelijke volken van Europa, die onder den naam van kruistochten bekend zijn, kunnen in eene geschiedenis van den Griekschen volkstam, zooals ik die tracht te schetsen, niet dan van minder belang beschouwd worden, want op taal, zeden en bloed der natie hebben zij betrekkelijk slechts geringen invloed uitgeoefend. Ten dezen opzichte moet men de algemeene opmerking voor oogen houden, dat de Grieken over het algemeen als de Oostersche volken van Europa te beschouwen zijn; dat zij als zoodanig, van oudsher minder van de Westersch-Europeesche volken overgenomen hebben, dan zelfs van de Aziaten. In de oudste tijden waren de volken van West-Europa, de volken van Italië enz., ruwe barbaren, en stond de Grieksche beschaving in veel nauwere betrekking met de toenmaals hoogst beschaafde Aziaten. De bewoners van Italië hebben, ofschoon zij op verschillende tijden Griekenland geheel of ten deele overheerden, de nationaliteit daar slechts zeer weinig gewijzigd.--Zelfs de Romeinen, die langer dan 400 jaren in Griekenland de teugels van het bewind in handen hadden, die daar geheele volkrijke steden b.v. Korinthe uitmoordden en haar weder met Italische (Romeinsche) burgers bevolkten, konden de Grieksche nationaliteit niet in de hunne doen opgaan. Men vindt nu, en vond reeds spoedig na het einde der Romeinsche opper-heerschappij, nauwelijks hun spoor meer in Griekenland. Zij hebben geen streek des lands geitaliseerd of geromaniseerd. Geen overblijfsel hunner taal laat zich in Hellas bespeuren, zooals zulks in het land der Daken of der tegenwoordige Wallachijers nog heden ten dage het geval is. Alle Romeinsche kolonisten in Griekenland werden spoedig uit den weg geruimd of tot Grieken vervormd.

Datzelfde nu laat zich ook zeggen van den inval dier Italiaansche kruisvaarders en der andere Westelijke Europeanen, die in het begin der 13de eeuw het Byzantijnsche rijk veroverden en het een tijdlang onder elkander verdeelden. Venetianen, Genueezen, Franschen en adellijke geslachten van andere volken van West-Europa hebben, ten gevolge dier gebeurtenis, zich wel in Griekenland opgehouden, hebben op de eilanden en in Grieksche kust-plaatsen vele kleine Vorstendommen gesticht en deze korteren of langeren tijd beheerd, ja de Venetianen hebben tijdens hunne grootste macht den geheelen Peleponnesus, de meeste eilanden der Aegeïsche zee, verscheidene kuststreken van Noord-Griekenland, ook Cyprus en Creta, om zoo te zeggen, in één woord dus het geheele stamgebied der Grieken onder hunne heerschappij gehad, en toch neemt dit niet weg dat op het karakter, op de taal en het bloed van dit volk, de heerschappij ook dezer Westelijke Europeanen geen beslissenden invloed gehad heeft. Alleen op de Jonische eilanden heeft de volkstaal vele Italiaansche uitdrukkingen aangenomen, en op de Cycladen zijn nog heden ten dage eenige nakomelingen van Fransche en Italiaansche familiën, die de Roomsch-Katholieke kerk trouw gebleven zijn. Ook deze Roomsch-Katholieke kerk der Westelijke Europeanen heeft even min als hunne taal en gewoonten, ooit bij de Grieken wortel geschoten, welke pogingen de Pausen daartoe ook aanwendden. Hier moet ik nog de volgende opmerking, die gemakkelijk verder uitgewerkt kan worden, maken, dat evenmin de Germanen, zoo dikwijls zij op verschillende tijden in Griekenland verschenen zijn, het eerst als Gothen, die geheele provinciën van het schiereiland overmeesterd hadden, vervolgens als Noormannen, die dikwijls als Keizerlijke trawanten, als zeeroovers, als bedreigers van Constantinopel, onder de Grieken vertoefden, eindelijk in den nieuweren tijd als Beieren, die het jonge Koningrijk Griekenland in de 19de eeuw organiseerden, belangrijke sporen bij het volk of zijn karakter hebben achtergelaten.