Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 69

Chapter 693,519 wordsPublic domain

Men moet daarom gelooven, dat--ten minste gedeeltelijk--juist de Duitsche kleinsteedschheid en kleinstaatschheid de broeikas van het hun ingeplante kosmopolitisme geweest is. Juist omdat zij te veel in eene, tusschen muren eng ingeslotene Schwabische stad, aan een pijnlijk klein Thüringsch hof leven moesten, juist daarom gevoelde hun geest, nog meer dan hij het reeds van nature deed, zich tot eene grootere ideale wereld getrokken, en leed hij dan ook aan wereldsmart, aan Europa-moêheid en dergelijke kwalen. Zoo eenige natie, dan had de Duitsche, om haar van dergelijke kwalen te genezen, en om van hare "kostelijke gaven" gebruik te kunnen maken en ze voor ontaarding te bewaren, behoefte aan verzameling, concentreering en verharding.--Maar ook juist een volk van zoo groote universaliteit, van zoo groote kosmopolitische gezindheid als het Duitsche, dat veel meer humaniteit dan gevoel van eigenwaarde en egoïsme bezat, en dat in Europa een met bijna alle andere volken en machten saamgegroeid gebied bewoonde, moest zijne pogingen, om nationale en politieke eenheid bij zich in het leven te roepen, bijzonder moeielijk vallen.

Zij zijn later met elkander saamgesmolten en hebben later hunne uiterlijke vestiging tot stand gebracht, dan de meeste andere groote volken van Europa. "Het is een opstandings-proces geweest, dat eeuwen geduurd heeft, en met allerlei wisselingen en veranderingen te kampen had."

De gunstige uitslag en de zege, die de pogingen der Duitschers om tot eenheid te komen, eindelijk gehad hebben, werden aanhankelijk door Luther's kerkhervorming voorbereid. Deze groote beweging der geesten, waarbij vele andere Europeesche volken de Duitschers, die de vaan droegen, volgden, gaf hun vrijheid van denken en verschafte aan hunne philosophen een terrein, waarop zij zich vrij bewegen, waarop zij gedijen konden. Bijna alle groote nieuwere denkers en verlichte geesten van Duitschland, die aan het volk roem en kracht verschaften, ontstonden uit het protestantisme, dat, naar te hopen is, in zijne verdere ontwikkeling, in nog hoogere mate dan tot nu toe het geval geweest is, de zuurdeesem van de Duitsche eenheid worden zal.

Door zijne bijbelvertaling en wat haar volgde, gaf Luther aan de Duitschers tegelijk een begin tot eene algemeene schrijftaal, die langzamerhand ook als taal van het dagelijksch verkeer, in het gebied van alle Duitsche stammen binnendrong, en die nu allen als hunne moedertaal, als een dierbaar goed, beschouwen. Daar deze taal ook steeds meer en meer, ook in de laagste klassen van het volk, doordrong, werd zij een machtige hefboom ter versterking van het nationaal gevoel en ter vereeniging. In haar ontbloeide langzamerhand, vooral in de 18de eeuw, eene heerlijke literatuur. Groote dichters en schrijvers, die bij het volk algemeen bijval vonden, en in alle Duitsche landen met steeds toenemende geestdrift bemind werden, stonden op.

Even als in de poëzie en in de fraaie letteren, zoo stonden ook bijna gelijktijdig op het gebied van andere kunsten, vooral op dat van muziek, groote talenten en geesten onder de Duitschers op, die met hunne heerlijke composities het geheele volk aangrepen, en weldra, even als de dichters, als de geestelijke Koningen der Duitschers vereerd werden. Zij spanden en slingerden, even als de dichters, onzichtbare banden om alle stammen van het volk, die op deze wijze vele beroemde mannen verkregen, waarop zij trotsch konden zijn, en in wier bewondering zij allen eenstemmig waren.

Dezelfde beweging, die de algemeene Duitsche schrijf- en literatuur-taal en dichters en denkers in het leven riep, deed ook onder de Duitschers eene sterke staatsmacht, waarom zij zich scharen konden, ontstaan. Het protestantsche Pruissen greep, klein beginnende, steeds verder om zich heen. Reeds in de 17de en 18de eeuw verrichtte het, onder flinke Vorsten en veldheeren, groote daden, die aan de wapens der Duitschers algemeene achting verschaften, en in het begin der 19de eeuw redde het in roemrijke volkenslagen--wel niet zonder de hulp van vreemdelingen,--Duitschlands onafhankelijkheid uit de klauwen van zijn erfvijand aan gene zijde van den Rijn. Steeds toenemende in aanzien, getalsterkte en gebied, werd het van nu af aan, als Duitschlands zwaard gevierd. Daar echter in den, na den val van Napoleon opgerichten, Duitschen Bond, nevens Pruissen nog eene andere groote macht, het slechts half-Duitsche Oostenrijk opgetreden was, zoo ontstond nu tusschen beide machten een langdurig tijdperk, waarin steeds onbeslist, een politieken strijd om de opperheerschappij gestreden werd.

Hoe treurig het er ook, gedurende de geheele eerste helft der 19de eeuw, met die uitwendige of staatkundige eenheid der Duitschers dikwijls uitzag, zoo werkte het volk zelf toch, den eens ontvangen spoorslag volgende, in vele takken en gebieden des levens, aan zijne innerlijke samensmelting voort. Er ontstonden groote vereenigingen en vergaderingen der Duitsche natuur-onderzoekers, de Germanisten, Turners, zangers en later ook de algemeene Duitsche "Schützenbund", die patriotten uit alle klassen en uit alle streken des lands samenbrachten, en niet weinig bijdroegen tot eene inniger verbroedering van alle Duitsche stammen, landen en steden; ook begon de natie al ras, de herinnering aan hunne meest populaire "geestelijke Koningen," in de "Schiller-feesten" en dergelijke, met algemeene deelname te vieren.

Ook de vroeger zoo universeele geleerden en onderzoekers werden steeds patriotischer. Vooral begonnen zij hunne moedertaal, de bron van alle nationale gevoel, hare geschiedenis, hare vorming, hare verbreiding, grondiger dan te voren te bestudeeren. Zelfs de afzonderlijke dialecten der Duitsche taal werden ijverig bestudeerd. En dit geschiedde niet meer, zooals vroeger, met kleingeestige en partikularistische bedoelingen, maar met betrekking tot het geheel, zoodat dan ook schrijvers of dichters in een bijzonderen tongval optraden en veel voortreffelijks voortbrachten, zooals b.v. de Alleman Hebel, of later de Neder-Saksische Fritz Reuter, Klaus Groth enz. of de Beier Kobel en niet alleen in hunne provincie roem inoogstten, maar hunne werken door geheel Duitschland genoten en toegejuicht werden.

Niet minder ijverig legde men zich toe op de studie en de opheldering der geschiedenis van het eigen volk en van het vaderland. Zelfs de Duitsche Bond eischte dien arbeid, doordien hij het, reeds door den grooten Duitschen Stein opgevatte denkbeeld, ter daarstelling eener authentieke verzameling van alle bronnen der Duitsche geschiedenis, hielp verwezenlijken. Ook enkele Duitsche Vorsten, zooals b.v. de Beiersche, werden door dezen ijver bezield en riepen stichtingen in het leven, die datzelfde doel beoogden, het Germaansche museum in Neurenburg, de historische commissie in München enz. "Het veld der Duitsche geschiedenis werd ten slotte," zooals Giesebrecht zich uitdrukt, "mikroskopisch bearbeid." Iedere Duitsche historische vraag, ieder tijdperk der geschiedenis, iedere Duitsche provincie, iedere stad kreeg haren onderzoeker, hare "monumenta", hare beschrijvers. Dit alles was een gevolg van de algemeene patriotische vlucht in Duitschland, die het tegelijkertijd bevorderlijk was.

Evenveel als men deed voor de verduidelijking der politieke geschiedenis van het volk, deed men ook voor die zijner literatuur. Ook daaraan werd "met ijverige miskroskopie" gearbeid, zoodat bijna iederen Duitschen dichter, niet alleen een Lessing, Schiller en Goethe, waar ook bijna iederen ouden minnezanger, eene eigene, door eene menigte lichtjes geïllumineerde kapel gebouwd werd, en dat het geheele volk in de scholen en elders, alle bijzonderheden in het leven en werken hunner dichters en in de wijze waarop de werken van hunnen geest ontstonden, om zoo te zeggen van buiten leerde.

Een nog hechter en sterker band ter vereeniging, brachten echter de practische en handige Pruissen tot stand, namelijk het Duitsche "Zollverein", dat, verscheidene phasen doorloopende, langzamerhand schier alle Duitsche staten en stammen omslingerde, eene menigte oude scheidingsmuren tusschen de staten en stammen afbrak, en ten slotte eene bijna algemeene eenheid in Duitschen handel en verkeer in het leven riep. Het werd, door het zich langzamerhand over geheel Duitschland uitbreidend spoorwegnet, aanzienlijk in de hand gewerkt.

Op deze en andere wijze werden de wegen tot vereeniging, in vele richtingen gebaand. De geest der Duitschers, hun nationaal-gevoel, hunne gezindheid was reeds één geworden. Het kwam er nu nog alleen maar op aan, dien geest den uiterlijken vorm te geven, de _staatkundige_ banden der eenheid te smeden. De gebeurtenissen, die dit bewerkten, volgden slag op slag, en de Pruissen stonden ook daarbij weder als vaandeldragers vooraan. Zij gaven zich eene vrijzinniger wetgeving. Zij schiepen een groot parlement, waarin zich vele politieke talenten ontwikkelden en vormden. Pruissen werd dien ten gevolge weldra zoozeer en algemeen aangezien als het hoofd van Duitschland, dat zijnen Koning reeds in het jaar 1848, door liberaal gezinde en vaderlandslievende mannen, die te Frankfort samenkwamen en poogden een algemeen, eenig Duitsch parlement tot stand te brengen, de Duitsche Keizerskroon aangeboden werd. Maar ter aanneming eener dergelijke opdracht waren de zaken toen nog niet rijp genoeg. Keizerskroonen zijn in de geschiedenis zelden door parlements-besluiten of besprekingen van geleerden en ontwikkelden, in het leven geroepen. Zij kunnen ook niet saamgeschreven of gezongen worden. Meestal worden zij op slagvelden geboren. Zeker was steeds de geboorte gemakkelijker, als zij door zangvereenigingen, dichters en allerlei andere gunstige uitwerking hebbende bemoeiingen, voorafgegaan werd, maar de meeste menschen zijn niet door zingen of door praten, maar door daden te overreden. "Alleen de veldslagen, die voor het bestaan van een volk geleverd worden, wekken de massa, ook de bloodsten, op, en brengen geestdrift en een waas van het hoogere, tot zelfs in de armste hut. Bloed en ijzer moesten Duitschland aaneensmelten.

Het eerst werd dat kleine, vijandige Noordsche volk, dat zoo dikwijls den toorn van Duitschland opgewekt had, met schitterend gevolg binnen zijne grenzen teruggeworpen. Vervolgens nam Pruissen den strijd met de half-Slawische Donau-macht op, voerde dien met gunstig gevolg en maakte een einde aan het, de eenheid meer dan iets anders hinderlijke, dualismus der opperheerschappij in het inwendige van Duitschland. Het met Slawen, Magyaren en Italianen saamgegroeide Oostenrijk, werd in weinige, krachtig gevoerde veldslagen uit Duitschland geschoven, en in dit land gebood nu slechts één wil, eene enkele politieke macht en wèl eene Duitsche. Zeer beslist trad deze echter in midden- en Noord-Duitschland op. De Zuidelijke Duitschers, de Allemannen, Schwaben en Beieren, aarzelden een weinig, en wisten nog niet goed wat zij doen zouden.

Maar tot geluk der Duitschers, maakten hunne oude tegenstanders aan gene zijde van den Rijn, de Franschen, die reeds lang het begin van het vereenigings-werk der Duitschers met bezorgdheid en jaloezie hadden gadeslagen, zich op en vermanden zij zich tot het doen eener poging, om den voortgang van het werk der Duitschers tegen te houden. Plotseling vielen zij Duitschland aan, in de hoop, even als vroeger meermalen, een gedeelte van het volk op hunne zijde te zullen vinden. Tot hun schrik en nadeel bemerkten zij, dat zij te laat gekomen waren, dat door al de boven aangegeven voorvallen en gebeurtenissen, eene niet geringe versmelting en vereeniging in gezindheid en nationaal-gevoel reeds tot stand gekomen was. De Duitsche stammen en Vorsten volgden allen hunnen vaandeldrager Pruissen en bevochten--ditmaal alleen en zonder de hulp van vreemde machten--eene reeks der roemrijkste overwinningen op hunnen Westelijken erfvijand. In een zeer korten, met bewonderingswaardig talent geleiden en door een ongehoord succès bekroonden veldtocht, wierpen zij Frankrijk ter neder en namen het de beide oude heerlijke Duitsche provinciën, die het eens aan het Duitsche rijk en volk ontroofd had, weder af. En nu, nu de oude rijks-grenzen weder hersteld waren en de geheele natie van de ergste der haar dreigende gevaren gered was, nu nam ook Pruissen, de hem door de dankbare Duitsche Vorsten en volken andermaal aangebodene Keizerskroon aan.

Op deze wijze is dus een rijk in het leven geroepen, dat ten minste de verreweg grootste massa der Duitschers, tot een machtig en een vereenigd lichaam samenvat. Wanneer ook al nog niet alles, wat men zou kunnen wenschen, bereikt is, en wanneer het ook al niet op die wijze bereikt is, als velen het verwacht hadden, zoo is ons (den Duitschers) toch meer ten deel geworden, dan de meesten der levenden durfden te droomen, of hoogstens als iets durfden te beschouwen, dat zij misschien in het verloop der tijden zouden kunnen verkrijgen.

De gevolgen en resultaten van den grooten oorlog van 1870 en 1871, zijn niet alleen voor de Duitschers, maar ook voor alle volken van Europa gelukkig. Het vasteland kon zich niet rustig en wel te moede gevoelen, zoo lang zijn hart- en middel-volk zwak was, en tot aanhoudende aanvallen, botsingen en verwikkelingen, van alle zijden uitnoodigde. Nu is dit rustige, dit beschaafde midden-volk van Europa, dat zooveel scholen doorloopen heeft, tot kracht gekomen en heeft het onrustige, vredelooze volk der Galliërs, den ouden Europeeschen rustverstoorder, den schepter uit de hand gewrongen. Dat het Duitsche rijk van heden, niet met zulke ver reikende ideeën van wereld-heerschappij, zooals het vroegere oude "Romeinsche Keizerrijk der Duitsche natie," in den kring der Europeesche machten getreden is; dat het niets wil dan de herstelling der onafhankelijkheid en de bevestiging van het eigenlijke Duitschland; dat het er niet aan denkt, buiten-Duitsche veroveringen te maken; dat het een rijk des vredes is, heeft de tegenwoordige Duitsche Keizer Willem, reeds bij verscheidene gelegenheden geproclameerd. Maar ook het gezamenlijke Duitsche volk heeft het reeds sedert geruimen tijd bewezen, dat het gebroken heeft met de, den vrede van Europa verstorende, neigingen van hun middeneeuwsch Keizerschap. Het dweept niet meer met tochten naar Rome, met Donau-expedities en zulke, ver naar buiten voerende ondernemingen. Door al zijne organen (dichters, staatslieden, patriotten enz.) heeft het verklaard, dat het niets wil, dan hun Duitsch vaderland, den ouden Duitschen bodem, en het oude Duitsche taalgebied. Zeer duidelijk heeft het juist daardoor te kennen gegeven, dat het er reeds sinds langen tijd naaf gestreefd heeft, zich te scheiden van dien staat, dien nog veel van de oude verkeerde Duitsche Keizer-politiek der Otto's en der Hohenstaufens aanhing; die Italië, Hongarije enz. niet wilde laten varen; dat het zich daarentegen liet leiden door dien Noord-Duitschen staat, die, evenals eens de edele Duitsche koning Hendrik de Vogelaar, niets dan Duitschland wil.

Schijnt het na het bovengezegde, dat men de vereeniging en versterking der Duitschers, als eene voor geheel Europa nuttige gebeurtenis beschouwen mag, zoo mag men uit een ethnographisch gezichtspunt ook op al de ontwikkelingsprocessen, die de meeste hoofdvolken van Europa in den loop der laatste drie of vier eeuwen doorgemaakt hebben, en op de resultaten, welke zij met behulp van het, hun meer en meer beheerschende "nationaliteits-principe," en van het steeds krachtiger geworden streven naar het verkrijgen van "natuurlijke grenzen," met eenige bevrediging terugzien.--

De _Spanjaarden_ hebben niet alleen de hun land binnengedrongene Afrikanen van hunnen bodem verjaagd, maar ook al de kleine rijkjes, waarin zij gesplitst waren, tot eene monarchie vereenigd. Zij hebben eene algemeene schrijf- en omgang-taal bij zich ontwikkeld, in Madrid een politiek en nationaal middelpunt, en de door zee en Pyreneën gevormde natuurlijke grenzen gewonnen.--Wel is hun verlangen, ook de Portugeezen, hunne broeders, naburen en medebewoners op het Pyreneesche schiereiland, politiek en nationaal met zich te vereenigen, nog niet tot vervulling gekomen. [75]

De _Italianen_ hebben, nadat bij hen eene gemeenschappelijke taal en literatuur tot bloei en in zwang gekomen is, in den jongsten tijd hun geheele schiereiland, met de er toe behoorende eilanden, van staatkundig particularisme gezuiverd, en van de Alpen tot Sicilië, een, het geheele volk vereenigend, Koningrijk tot stand gebracht.

De _Franschen_ hebben, deels door verovering, deels door gelukkige erfenissen die hunne Koningen deden, alle deelen van het oude Gallië om hun Parijs vereenigd, en zijn nu tusschen de Vogezen, Pyreneën en Alpen, alsmede door de zee, als hunne natuurlijke grenzen, ingesloten.

De _Nederlanders_ hebben eene scheiding der beide hoofdelementen der bevolking van hun land, de Germaansche Nederlanders en de Fransche Walen en Belgen, wier grenzen volgens het nationaliteits-principe over het geheel op bevredigende wijze aangegeven werden, tot stand gebracht.

De _Engelschen_ hebben bijna al hunne vroegere, zoo groote Europeesche veroveringen en bezittingen op ons vasteland opgegeven, hebben zich tot hunne beide groote eilanden bepaald, en hunne bevolkingen, in taalkundige en politieke beteekenis, meer en meer vereenigd, ofschoon Ierland hen altijd slechts met tegenzin volgt.

De _Denen_ zijn uit Noorwegen en Zweden geweken, en het groote Skandinavische schiereiland is tot aan den rand in het politiek bezit hunner oorspronkelijke bewoners, de Zweden en Noorwegers, die beiden binnen hunne natuurlijke grenzen tot een dubbel-staat vereenigd zijn. Ook tegen de Duitschers hebben zich de Denen binnen het natuurlijk gebied van hun eilanden-archipel en het daarmede samenhangende schiereiland Jutland teruggetrokken.

De _Duitschers_ hebben de Zweden uit Pommeren, de Polen uit Pruissen, de Denen uit Schleeswijk-Holstein en onlangs de Franschen uit Elsasz en Lotharingen verdreven, en hun oude Germania tusschen Alpen en zee bijna geheel weder bijeengebracht en het taalkundig, krijgs- en staatkundig in hooge mate vereenigd, ofschoon hun daarbij echter nog veel te wenschen en te voltooien overblijft.

De _Russen_ hebben zich van de opperheerschappij der Tataren bevrijd en tusschen de hun als natuurlijke grenzen gegevene zeeën, een krachtig, in taal en nationaliteit vereenigd, rijk gesticht.

De _Magyaren_ hebben, met behulp der Oostenrijkers, de Turken uit hun land verdreven, en zijn onder het Oostenrijksche Vorstenhuis, tot de herstelling van een nationaal staats-organisme en tot literarische en taalkundige zelfstandigheid gekomen.

De _Grieken_ zijn insgelijks, nadat zij zoo lang onderdrukt en van het schouwtooneel der gebeurtenissen afgetreden waren, als een nieuwgeboren en zelfstandig geworden volk, weder in den kring der Europeesche volken opgenomen.

Zelfs den _Rumeenen_ is het gelukt, zich tusschen den beneden-Donau en de Karpathen een huis te bouwen, en eene soort nationale zelfstandigheid te erlangen.

In elk geval, zeg ik, zijn dit voor een ethnograaf toch eenige zeer merkwaardige, en stof tot dankbaarheid gevende uitkomsten van het, in de natuur als ingeweven, nationaliteits-principe, dat de Europeesche volken sedert meer of minder langen tijd, gehuldigd hebben. Echter hebben geschiedenis en politiek eenige zeer grootsche ethnographische vraagstukken en knoopen, vooral de Poolsche quaestie en mede de zoogenaamde Oostersche vraag, die hoofdzakelijk draait om de grondvesting of het herstel der zelfstandigheid van de Slawische volken van Europeesch Turkije, nog niet opgelost. En zeker zullen in geheel Europa wel _nimmer_ toestanden in het leven geroepen worden, die in staat zijn alle nationale belangen en wenschen en _détail_ te bevredigen, en waarop een ethnograaf en vriend der ongestoorde ontwikkeling van het nationaal-karakter, met onverdeelde vreugde blikken kan. Nog minder kan helaas de vervaardiger der hier medegedeelde proeve van schildering dier toestanden en ontwikkelingen er op hopen, de eischen van zich zelven en van zijne lezers op voldoende wijze bevredigd te hebben. Misschien zal men wel geneigd zijn, hier de spreuk: _in magnis voluisse sat est_, (In groote zaken is het voldoende, gewild te hebben), een weinig in zijn voordeel te doen gelden. Mocht het hem slechts gelukt zijn, ten minste hier en daar het rechte getroffen, en op aangename wijze tot verder nadenken opgewekt te hebben.

ERRATA.

Pag. 42 tot en met pag. 56, staat aan het hoofd der pagina: _Oostelijke naburen van Europa_, lees _Hellenen en Nieuw-Grieken_

Pag. 167 regel 4 v.o. staat: _Pac is dit paleis_, lees _dit paleis behoort aan Pac_.

Pag. 488. Onder de plaat staat: _Duitschland_, _Vlieland_, lees: _Duitschland_.

INHOUD.

Europa. 1 Zuidelijke naburen van Europa (Pheniciërs, Arabieren, Mooren, Barbarijers) 10 Oostelijke naburen van Europa (Tataren, Mongoolen) 26 De Hellenen en Nieuw-Grieken 42 De Osmanen 64 De Zuidelijke Slawen en Albaneezen 82 De Bulgaren 84 De Serviërs 90 De Walachyers of Romaenen 103 De Magyaren 124 De Tschechen en Polen 146 De Russen 171 De Litauers en Letten 198 De Finnen, Lappen en Samojeden 222 De Joden 251 De Armeniërs 275 De Zigeuners 282 De Italianen 303 De Spanjaarden 332 De Portugeezen 356 Gallië en de Franschen 363 De Britten en hunne eilanden 393 De Zweden, Noorwegers en Denen 435 De Nederlanders 455 De Zwitsers 477 Duitschland en de Duitschers 488

DE PLATEN MOETEN GEPLAATST WORDEN, ALS VOLGT;

Nederland tegenover den titel. Arabieren en Mooren pag. 10. Polen pag. 146. Spanje pag. 332. Schotland pag. 393. Noorwegen pag. 435. Zwitserland pag. 477. Duitschland pag. 488.

NAAMLIJST DER INTEEKENAREN.

A.

E. van Aalderink, Kampen. J. Aanstoods, Gorinchem. H. P. van den Aardweg, Purmerend. W. C. Abbema, 's Hertogenbosch. Abels, Amsterdam. I. N. Abendrooth, Utrecht. A. Abrahams, Zoutelande. J. Ackema, Rotterdam. J. Acqerlin, Antwerpen. Adelaar, Amersfoort. Dames van Adrichem, Zierikzee. J. C. Alberti, Leeuwarden. van Alderwereldt, Groningen. H. Allan, Nijmegen. D. Allart, boekhandelaar, Amsterdam. 5 J. S. Alma, Schalzum. J. F. Almekinders, Groede. A. van Altena Arnzn., Dordrecht. Altmann & Roosenburg, boekhandelaars, Rotterdam. 2 W. L. van Amerom, Leiden. K. van Ammers, Medemblik. J. Amoreus, Schiedam. W. U. Amweg, Boxtel. Mr. J. v. Andel, Mijnsheerenland. W. A. van Andel, Delft. Wed. van Andel, Rotterdam. H. C. Anderson, Dieren. Andretsch, Amsterdam. Andretsch, » G. A. Anjema, 's Hage. L. Antoni, Dordrecht. W. B. Ansink, Zutphen. J. D. K. Apken, Purmerend. J. A. C. Apol, Leiden. J. Arendse, Opheusden. J. Aris Jr., Amsterdam. C. A. J. Arkesteijn, 's Bosch. J. J. van Arkesteijn, boekh., » 1 J. J. Arnd & Zoon, boekh., Amsterdam. 4

F. Arntzenius, Leiden. G. M. R. Asmus, » Asp. Kweekelingen Armenschool, Culemborg. C. van Asperen, Phillipine. E. van Asperen, Leeuwarden. H. van Asperen, » v. Asperen v. d. Velde & Co., boekhandelaars, Haarlem. 9 C. van Assen, Tjummarum. Augustinus, Rotterdam. I. B. Aukes, Amsterdam. Wed. J. G. Aukes, » Wed. J. G. Aukes, boekh., » 30 J. Avé, Schiedam. A. M. Averes, Hengelo.

B.

J.van Baalen en zonen, boekhandelaars, Rotterdam. 2 P. H. van Baasbank, Vlijmen. J. van Baaren Jr., Apeldoorn. G. Baars, Rotterdam. Baars Jzn., Zwolle. J. F. Backerus, Nijmegen. J. J. Bächer, Wageningen. Baffel, Amsterdam. Wed. C. D. L. Bähler, Leiden. R. F. Bakelman, Dockum. Bakels, Amsterdam. L. van Bakkenes, boekh., » 1 C. G. Bakker, Rotterdam. E. J. Bakker, boekh., Veendam. 1 Jb. Bakker, Haarlemmermeer. H. Bakker, Amsterdam. Hk. Bakker, Leeuwarden. K. Bakker, Hoogwoud. P. K. Bakker, Ee. W. Bakker, Alkmaar. G. J. Bakkes, Gebr. van Bakum, Rotterdam.