Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 68
Eenige andere eigenaardigheden, die Tacitus aan de voorvaderen der Duitschers berispt, schijnen echter eene eigenaardige wending genomen te hebben. Hij schildert hen als ware dagdieven. "In het zweet huns aanschijns iets te verdienen, wat zij door geweld verkrijgen kunnen," zegt hij, "houden zij voor zwakheid. Zij waren bezwaarlijk zoo gemakkelijk te overreden het land te bebouwen als wonden te verdienen. Als zij niet ten oorlog of op de jacht gaan, is bij hen zelfs de dapperste werkeloos. Dan leven zij, geheel overgegeven aan ledigheid en slaap, in trage rust."
Zou men het kunnen gelooven, dat uit die luie beerenhuid-hoeders van Tacitus, met den tijd het werkzaamste volk der wereld geworden is; menschen, die zich door hunne spreekwoordelijk gewordene vlijt in alle landen welkom maken, die meer in de ware beteekenis van het woord dan eenig ander volk, het gebod vervullen: in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen;--bij wie de _lust_ tot den arbeid zelfs tot geluk in arbeid geworden is.
De Duitschers hebben zich, niet _moeielijk_, zooals Tacitus vreesde, maar veeleer _bijzonder gemakkelijk_ laten overhalen, de ijverigste landbouwers der wereld te worden. Niet alleen hunne eigene Hercynische [74] wouden en vuile moerassen hebben zij in bouwgrond en tuinen veranderd, maar ook overal, waarheen in het buitenland hunne landlieden geroepen werden, in Skythië (Rusland), in Dacië en Pannonië (Hongarije), in Amerika, daar is de woeste natuur vriendelijk en productief geworden.
Niet tevreden met de bebouwing van de oppervlakte der Aarde, hebben de Duitschers ook vlijtig den bodem doorgewroet, en het moeielijkste aller werkzaamheden, de bergbouw, is een echt Duitsch nationaal-handwerk geworden. In alle bergwerken der wereld bedient men zich het liefst van de ijverige, onvermoeide steenbrekers en ertsklovers, en zij zijn in dezen kunsttak overal onontbeerlijk en toonaangevend.
Het bebouwen van het land, het woelen, het kloven, het graven naar schatten voor een karig loon, is zoozeer eene eigenschap der Duitschers geworden, ook bij hunne letterkundigen en geleerden, die overal in verborgen schuilhoeken zoeken, ziften, verzamelen, schrapen, als in bergwerken arbeiden en goudkorrels aan het licht brengen.
Wanneer Tacitus, met betrekking hierop, ook al geen profeet was, zoo merkte hij daarentegen, van de godsdienstige beschouwing zijner Germanen, weder iets op, wat als echt Duitsch bewaard is gebleven. "De Germanen houden het," zegt hij, "de grootheid der Godheid onwaardig, dat men haar binnen muren insluit of haar eene menschelijke gedaante verleent. Zij aanbidden hunne Godheden in bosschen en wouden, die bij hen geheiligd zijn en waarin zij iets geheimzinnigs met eerbied aanschouwen.
Van dezen, door Tacitus met zulke opmerkelijke bewoordingen geschilderden natuur-godsdienst, is den Duitschers, zelfs nadat zij Christenen geworden waren, altijd nog veel eigen gebleven; eene groote liefde voor Gods heerlijke schepping, die ook zeer goed overeenstemt met de godsdienstleer van hem, die sprak: "ziet de leliën op het veld, hoe zij groeien."--Op alle wegen der natuur ziet hij (de Duitscher) het spoor eener Godheid. Meer dan de helft van alle door Duitschers gedichte liederen, bevatten eene verheerlijking der natuur, zijn lente- herfst- of winterliederen, nacht-, morgen- of avondliederen, en bezingen op honderdvoudige wijze den wind, de zee, de rozen, de viooltjes, de vogelen en alles, waarin slechts de wereldziel ademt, geurt, suist of ruischt.--En wat meer in het bijzonder de door Tacitus vermelde geheimzinnige bosschen en wouden aanbelangt, zoo heeft geen volk eene zoo innige vereering en heilighouding voor hen bewaard, dan de Duitschers. Voor "dat, wat het woud vertelt," voor de "eenzaamheid des wouds," voor "droomen des wouds" enz. hebben hunne dichters steeds het meest opene oog en oor gehad. Duizende uitdrukkingen in de Duitsche taal, en tallooze thema's van Duitsche gedichten zijn aan het woud ontleend, en de bosch-cultuur is eene lievelings-wetenschap en kunst der Duitschers.
"De tempeldienst en de _vorm_ der kerken is den Duitschers nooit zoo diep in het vleesch gedrongen, als den Romaanschen volken." Hunne philosofen zijn de universeelste en meest omvattende der wereld geweest. Hunne Keizers hebben altijd tegen de priesters en Pausen gestreden, die daarentegen in Frankrijk verdedigers vonden. De, den Duitschers door Rome opgedrongen, beeldendienst hebben zij laten varen, toen, ten tijde van Luther, hun oude, vrije, godsdienstige geest, "die geene muren en beelden voor de Godheid wilde," die reeds in den heidenschen tijd geene Druïden-kasten, zooals die bij de Galliërs bestonden, duldde, zich weder verhief. Dat deze godsdienstige vrijheid den Duitschers een diepe, nationale ernst was, is wel ten duidelijkste daardoor gebleken, dat hunne kerkhervorming de echte, en voor langen tijd de eenige omwenteling geweest is, die zij vast en duidelijk, zelfstandig en alleen voor zich, en ten bate ook van andere Germaansche stammen, doorgezet hebben, terwijl zij in hunne staatkundige omwentelingen bijna altijd--tot op onze dagen--den spoorslag van buiten ontvangen hebben en bijna niet dan navolgers geweest zijn.
Maar in de menschelijke borst ligt naast ieder goeds, iets kwaads. "Dezelfde ruimhartige, de wereldziel in al hare openbaringen bespiedende Duitscher, neemt niet zelden eene geheele tegenovergestelde richting aan,--wordt erge, ongeneeslijke twijfelaar, die tusschen geloof en ongeloof heen en weer geslingerd wordt, die nu eens met het hart zijne overtuigingen opbouwt, dan weder met het verstand zijn eigen werk verwoest, en bij deze wankelmoedigheid niet tot _stellige_ zekerheid en vastheid komt.--De schrik voor dezen, onder de Duitschers zoo veelvuldig voorkomenden ziels-toestand, is door eene geheele eigenaardige Duitsche sage, op afschuw-inboezemde wijze verzinnelijkt, en Goethe heeft deze stof gekozen tot het onderwerp van zijn meest afgewerkt en meest nationaal Duitsch kunstwerk, waarin het van een geretene van deze zijde van het Duitsche karakter, op klassieke wijze blootgelegd en vereeuwigd geworden is, en waarin duivelbezweringen en heksenkunsten, naast natuur-philosophie en het gevoelen van het bestaan van eenen wereldgeest, eene even groote rol spelen, als zij het in de geheele geschiedenis der ontwikkeling van het Duitsche volk doen.
Wanneer nu de Duitsche schrijvers melding maken van de contrasten, die tusschen hunne landslieden en andere Europeesche volken bestaan, dan hoort men hen meermalen spreken over hetgeen zij "romaansch formalisme" noemen. Zij willen daarmede wijzen op den bepaald aangewezen vorm van het wezen, de scherp afgeteekende nationaal-physionomie der geheele uiterlijke verschijning, der zeden en der denkwijze van de Franschen, Italianen, Spanjaarden enz., zoomede ook op de geneigdheid dezer volken, om den innerlijken inhoud, terwille van den uiterlijken vorm, over het hoofd te zien. In overeenstemming daarmede valt onzen Romaanschen naburen hunnerzijds bij ons Duitschers, in al onze uitingen en uiterlijkheden, eene groote mate van vormloosheid op. Zij vergelijken zich zelven somwijlen met slakken, die zich een hecht en lief huisje bouwden, en ons--ietwat dichterlijk--met weekdieren zonder huis, figuur of schaal.
Een zeer duidelijk bewijs er voor, dat "formalisme" den Duitscher niet in hart en nieren zit, ziet men daarin, dat zij allen zoo weinig overeenstemmen in hunne uiterlijke of lichamelijke gedaante. Het is bij de Duitschers moeielijker dan bij eenig ander volk, eene nationaal-physionomie en een familie-type duidelijk aan te geven. Er zijn volken, waarin ieder individu onmiskenbaar den stempel van den geheelen stam op het gezicht draagt. De Israëlieten zien er allen uit als broeders van een zelfden stam. De Armeniërs, als waren zij gezamenlijk in éénen vorm gegoten. Ook bij de Britten is het bijna onmogelijk zich te vergissen. De Italianen en Spanjaarden hebben zeer scherpe, duidelijk denzelfden stempel dragende, trekken. De uiterlijke nationaal-physionomie daarentegen, heeft even als de geographie van dat "_indécise Allemagne_", iets zeer onzeker en vaags. Van de Adriatische zee tot aan den Eider, vindt men de meest afwijkende wijzigingen in lichaams-grootte, tint, kleur van het haar, vorm van het gelaat, ja! in iedere Duitsche provincie, in iedere stad en in elk stadje stooten de waarnemers op de meest bonte variëteiten en schakeeringen. Het komt iemand meermalen voor, als had ieder Duitscher zijn eigen individueel uiterlijk voor zich.
Hoe onzeker en onvast de Duitsche vorm is, kan men onder anderen daaraan waarnemen, dat hij zich onder vreemden zoo gemakkelijk verandert. Duitschers, die lang buiten hun vaderland gewoond hebben, of hunne kinderen die in het buitenland geboren zijn, herkent men later dikwijls niet meer. Zij hebben zeer spoedig geheel en al de trekken van het vreemde volk aangenomen. Bij vele andere volken (moet ik weder de Israëlieten noemen--ik kan even goed van de Engelschen of de Franschen melding maken) valt het kenmerk van het ras nog bij de laatste kindskinderen duidelijk in het oog.
Evenals in het lichamelijk omhulsel, zijn de Duitschers ook in hunne zeden, in hunnen omgang, in het geheele gezellig verkeer, veel vormloozer, veel minder gebonden dan andere volken. "Elders, niet alleen in Frankrijk maar ook in Engeland, en zelfs bij de republikeinsche Noord-Amerikanen, treft men eene bepaalde regeling aan in den omgang, het gesprek, den briefstijl, in alle onderdeelen en uiterlijkheden; eene regeling, die den Duitschers dikwijls eene tyranieke keten toeschijnt, ofschoon zij, wanneer men er zich eens aan gewend heeft, veel gemak oplevert."
Ook in de hoogere sfeeren van het menschelijke kunnen en voortbrengen, ook in de voortbrengselen van den geest, der poëzie en literatuur, spreekt bij de andere volken duidelijk hun zoogenaamd "formalisme" evenals bij de Duitschers hun gebrek aan vaste en conventioneele vormen. In de dichtkunst hebben de Romanen zich gewoonlijk meer dan de Duitschers, gehouden aan de wetten der bekoorlijke en kunstrechterlijke vormen. Bijna alle in Europa van kracht zijnde metrische en prosodische soorten en regels, zijn afkomstig van de Grieken, Italianen, Spanjaarden en Franschen. De poëtische voortbrengselen der Duitschers hebben meer hunne zwakke zijde in gebrek aan bevallig uiterlijk, dan wel in het innerlijk gehalte. De treurspelen der Duitsche dichters bezitten zelden het rechte effect, den kunstigen vorm. Hunne verhalen, novellen en romans, ontbreekt het ook maar al te dikwijls aan den bondigen vorm en aan een goed slot. Ook die hebben iets van dat _indécise Allemagne_, iets breeds, vaags en vervloeiends. De Franschen en Engelschen hebben (echter meer vroeger dan tegenwoordig) aan de Duitsche geleerden verweten, dat zij geene boeken wisten te maken, dat zij hunne werken niet recht wisten te rangschikken en af te ronden. Al de voortbrengselen van hunnen geest, schenen hun toe in zekere eigenaardig nationale wolken te drijven. Ook ontbrak het hun, evenals het Duitsche familie-gelaat, aan duidelijke omtrekken en aan vorm.
Datzelfde gebrek aan figuur, vorm, slot, bondigheid en kenmerkenden stempel heeft zich niet slechts in zulke, diep uit den volks- en menschelijken geest te voorschijn tredende, openbaringen getoond, als gedichten en literarische producten zulks zijn, maar ook in oogenschijnlijk van geen wezenlijk belang zijnde kleinigheden, zooals b.v. in kleeding en nationaal kostuum.--Bij vele Europeesche volken heeft men in den loop der tijden, zoowel voor man als vrouw een, wat snit en maaksel betreft, zeer eigenaardig fatsoen van kleedingstukken gemaakt. De Hongaren, de Polen, de Russen, ja schier alle Slawische stammen, bezitten zeker, dikwijls zeer schilderachtig, nationaal-kostuum, waaraan zij met voorliefde vasthouden, en bij het gebruik waarvan zich hun vaderlandsch gevoel evenzeer opgewekt gevoelt, als het poëtische bij den toon-meester Arion, wanneer hij zegt: "alleen in tooi, verrukt Apollo mij." Verscheidene dezer volken, hebben zelfs aan hunne nationale kleedingen zoo vast gehouden, dat zij daar moeielijker afstand van deden, dan van hunnen godsdienst, hunne taal, zeden en al het overige hunner nationaliteit. Ik herinner, ten bewijze daarvan, slechts aan de Altenburgers in Thüringen, de nakomelingen der Serben, die zich nu nog op zijn Oud-Slawisch kleeden, ofschoon zij voor het overige geheel Duitsch geworden zijn.
Eenige volken hebben zelfs, als zij tot invloed kwamen, aan het geheele overige Europa, meer of minder hunne kleederdracht opgedrongen. Zoo b.v. eens de Spanjaarden, een ander maal de Zweden, het langst de Franschen, ten deele ook de Engelschen. De Duitschers hebben zoo iets nooit tot stand gebracht. Menig kostuum en kleedingsLuk van deze of gene natie, is geheel of gedeeltelijk in de geheele Europeesche wijze van zich te kleeden overgegaan. Wilde men de geheele kostumeering van alle klassen der Europeesche maatschappij analiseeren, zoo zou men vinden, dat bijna alle volken van ons werelddeel nu en dan daartoe een of ander stuk hebben bijgedragen. Op de rekening der van uiterlijkheden weinig werk makende Duitschers, zou daarbij wel het kleinste gedeelte komen.
"Als wij," zegt Falk, "de Duitsche kostumes, van de herders en herderinnen uit het Berner-Hoogland af, tot aan de Friezen en Hollanders toe, van den Rijn tot aan den Memel, onderzoeken, dan zullen wij bijna overal, in de vormen dezer zoogenaamde Duitsche volks- en landsdrachten, niets dan de verboerschte representanten van het kostuum-tijdperk van een Lodewijk XIV en XVI, of misschien ook nog een overblijfsel van den Slawischen volksdracht vinden.
Den Duitscher heeft dus op het veld der kostumeering, en over het geheel in alles, wat op het uiterlijke betrekking heeft, nooit iets recht goed willen gelukken. De kracht van het Duitsche genie was naar eene andere zijde gekeerd.
Een geestig schrijver vergelijkt, terwijl hij eene parallel maakt tusschen de constellatie onzer groote Europeesche volken-groepen en ons planetenstelsel, de Franschen en andere Romaansche volken met Mercurius en Mars, die zich dicht bij de zon bevinden, en langs bepaalde, sluitende, nauwe, duidelijke banen loopen; Engeland, dat zich vooral op het poëtische toelegt, geeft hij het teeken der Aarde. De Slawen vergelijkt hij met Uranus en Saturnus. Zij verspreiden evenals deze sterren een mat licht, zijn schemerdonker, ver verwijderd en bewegen zich slechts langzaam,
De Duitschers echter, deelt hij in bij de kometen, daar zij dikwijls even als deze, ver van de aardsche zon verwijderd, naar de onmetelijke ruimte henen zweven, en dan eens door verlangen gedreven weder naderen, terwijl zij zich krachtig en roerig in het licht dringen. Dit komeetachtige in den Duitschen aard, de in hun geheele wezen ingewevene lust tot reizen, hangt innig met hun geheelen verderen zin en karakter samen. Overal, in hunne geschiedenis zoowel als in hun dagelijksch leven, werken en denken, ontmoet men het.
Evenals dwaalsterren, spatten eens in de jeugd der natie hunne stammen uit elkander, en verspreidden zij zich naar alle uiteinden van ons werelddeel. Als kometen drongen eeuwenlang, hunne Keizers en rijkslegers zuidwaarts Italië binnen, versmolten en verdampten daar in het eene jaar, en zonden in het volgende nieuwe slachtoffers van dien lust naar buiten, waardoor onder anderen bewerkt werd, dat van oudsher in Duitschland eene talrijke menschenklasse, die der zoogenaamde ruiters en voetknechten, bestond, die bereidwillig iederen wenk in de verte gevolgd zijn.
Ook in nieuwere tijden is in geen land een vreemden legioen opgericht, dat men niet juister een Duitsch-legioen had kunnen noemen. Alle naburen hebben steeds bij Duitschland gerekruteerd, de Nederlanders en Engelschen voor hunne Oost-Indische bezittingen, de Franschen voor hunne Afrikaansche veroveringen.
Geen oorlogskreet is in eenig vreemd land geslaakt, waaraan niet de reislustige en avontuurlijke Duitschers deelgenomen hebben, en zelfs niet zelden bij beide tegenover elkander staande partijen.
Aan beweeglijke en op avonturen uitgaande figuren van anderen aard, aan reizende handwerkslieden, rondtrekkende scholieren of speellieden en reizigers van allerlei soort, hadden de Duitschers van oudsher grooten overvloed. Hunne schilders, kunstenaars en geleerden begeven zich allen op reis, niet alleen, zooals de Engelschen en Franschen, om een bepaald nationaal of op hunne zaken betrekking hebbend doel te bereiken, maar uit bloot poëtische lust tot reizen, evenals de trekvogels de onmetelijke ruimte ingedreven worden, alleen ter wille der schoonheid van de groote schepping en om algemeene aesthetische of wetenschappelijke doeleinden na te jagen.
En dergelijk zwerven en dweepen, van even als duiven uitvliegende toeristen, van afwisseling zoekende badgasten, van voetreizen makende jeugd, van over den Rijn en de Belt bedevaarten doende studenten-gezelschappen, zooals men iedere lente in Duitschland ziet ondernemen, kent men noch in Italië, noch in Frankrijk of Spanje.
Zooveel liederen die betrekking hebben op den reislust, zooveel "Oden" aan de wolken, de stuurlieden der lucht, aan de trekvogels, de kraanvogels van Ibicus,--"wandelaars nachtliederen",--lofzangen op eene wandeling, op eene herfstreis of een wintertocht--op herberg--verblijf of tehuiskomst, op scheiden en vertrekken,--zooveel poëtische vragen aan den bruisenden wind, vanwaar hij komt en waarheen hij gaat,--aan de eenig landschap doortrekkende bronnen en rivieren,--als in de Duitsche literatuur voorkomen, vindt men bij geen ander volk. De helderblauwe lucht, de zich bewegende zon, maan en sterren, de groote eindelooze horizon--de schemerende verte--zijn zaken die bij de Duitsche dichters eene niet minder opmerkelijk groote rol spelen.
De reis-novelle is eene nieuwere literatuur-soort, die door de Duitschers en hunne Engelsche broeders met voorliefde beoefend wordt, en bij de Franschen en Italianen nauwelijks bekend is. Reisverhalen hebben de Duitschers met de Engelschen, die als Germanen den lust tot reizen met dezen deelen, meer geproduceerd en gepubliceerd dan alle andere volken te samen. Verzamelingen van nieuwe en merkwaardige reizen te land en te water, heeft geen volk zoo veel en uit zoovele boekdeelen bestaande, als de Duitschers.
En toen de Engelschman Defoe, de lotgevallen van den eiland-bewoner Robinson Crusoë, in zulke aantrekkelijke vormen schilderde, toen werd dit boek in geen land zoo ijverig en zoo algemeen als in Duitschland, 150 jaren lang, bewonderd, in honderde uitgaven gelezen en nagevolgd. Zelfs in de laatste tien jaren, hielden eenige der beste Duitsche teekenaars zich onledig, het met nieuwe teekeningen te versieren. Naar het model van dien wilden Robinson van het eiland Juan Fernandez, ontstonden bij de Duitschers ook Silezische, Thüringsche, Schwartzwalder, Westfaalsche en Harts-Robinsons. De massa's navolgingen van dien roman, bij de Duitschers, wien een ver afgelegen woest eiland, een eenzaam leven in de vrije natuur en in het woud, zoo bijzonder aanlokkelijk toescheen, werd zoo groot, dat de Robinsonaden bij hen een afzonderlijke tak van literatuur uitmaakte.
Ook de pen der Duitsche geleerden toefde altijd gaarne, zoowel in het Oosten en in het Westen, als in het hooge Noorden en het heete Zuiden; zij haalden de stof voor hunne werken van verre af, om partij te trekken van alles wat vreemd was. Even als bijen zijn zij overal heengevlogen en hebben zij van alle kanten honig aangehaald. "De Duitschers doorzoeken de geheele wereld. Zoo ver de zonnestralen schieten en de winden waaien, willen zij naar buiten om alles te zien, te leeren, te begrijpen, en te erkennen; om de talen, gewoonten, eigenaardigheden, kunsten, te leeren en zich toe te eigenen."--Veel vond bij de Duitschers alleen daardoor ingang, dat het "uit de verte" kwam.
In het bijeenverzamelen en het overnemen van alles wat vreemd is, zijn de Duitschers onvermoeid geweest. Er is geene literatuur in Europa, die aan vertalingen uit alle oude en nieuwe talen zoo rijk is als de Duitsche. Geen volk kan zich beroemen, zich de voortbrengselen van den geest van alle landen en volken, zoo eigen gemaakt te hebben als de Duitschers. "Zij hebben zich door hunne literarische veroveringen, de geestelijke rijken der volken van den aardbol ontsloten, de bloesems der poëzie, alsmede de vruchten der wetenschappen van de meest verschillende luchtstreken en uit de meeste verschillende tijden, bij zich inheemsch gemaakt," Het Duitsch is daardoor de sleutel tot groote schatten geworden, en zeker schijnt het, dat als een vreemdeling zich een levend taaleigen zou willen eigen maken, waardoor hij zich in alle overige literaturen het gemakkelijkst te huis zou willen gevoelen, hij geen ander zou moeten kiezen, dan het Duitsche.
"Hierdoor is den Duitscher, bij al zijne uiterlijke stijfheid, eene innerlijke geestelijke vlugheid en buigzaamheid in hooge mate eigen geworden, waardoor hij het niet-Duitsch verstaan, het vreemdste in zich opnemen kan, waardoor hij zich zelven zoo gaarne uitdrukt, vermag te verplaatsen in het wezen van anderen, en het hem mogelijk is zich vreemde gedachten en zienswijzen eigen te maken." "En dit," zegt een Duitsche schrijver (Arndt), "is een onzer kostelijkste gaven."--Zeer waar. Maar merkwaardig is het toch, dat ook hier de uitersten elkander raken en contrasten vormen. "Bij alle ontvankelijkheid hunner borst voor groote gedachten uit het boek van het menschelijke natuurrecht, bij al hunne gemakkelijk op te wekken deelname in de smart en de vreugde dezer wereld, gaan zij toch ook van oudsher mank aan geheel tegenovergestelde kwalen, aan klein-steedschheid en burgerlijkheid.
Wie zou het gelooven "de meest kosmopolitische aller wereldburgers, zijn tegelijkertijd ook dikwijls genoeg de eenvoudigste kleinburgers geweest." De breedvoerigste, Duitsche wandelaars zijn ook de echtste huishennen geweest. Naast de waarachtig meest ruime zienswijzen en de groothartigste gevoelens, die hunnen grooten geesten eigen waren, en die een hunner dichters het vers ingaven: "Seid umschlungen Millionen!" vindt men niet zelden juist onder de Duitschers "de kleingeestigste beschouwingen, de kortzichtigste hoofden, de bekrompenste verstanden, menschen van het meest beperkte begrip."
Duitschland, het land der Leibnitzen en Kanten, is tegelijk het vaderland der echte Schöppenstädter en Schildaër. "Zulke kostelijke botterikken (Einfalts-pinsel)," zegt een geschiedschrijver der Duitsche nationaliteit (Prof. Wachsmuth), "als overal in Duitschland, vindt men nauwelijks bij eenig ander volk, noch bij de Engelschen die daartoe te weinig naïve kinderlijkheid hebben, noch bij de Franschen wien het daartoe aan humor ontbreekt, noch ook bij de Slawische rassen die daarvoor in den regel te veel sluwheid bezitten."
De vertelseltjes van Schwabische of Pommersche staaltjes van eenvoudigheid, zijn volstrekt niet bij de Duitschers afzonderlijk gebleven. Veeleer is het zaad daarvoor in alle Duitsche landen opgekomen. Iedere volkstam, iedere provincie heeft bij hen zijne plaats, die om hare onnoozelheid bekend is.
Ja! bij hen bestaan niet alleen de onbevooroordeeldste en vrijgevigste geesten, _naast_ de meest beperkte verstanden; maar juist hunne burgerluitjes (Philister, Kannegiesser, Spiessburger), die, waar het praktische zaken geldt, op duizend hinderpalen stooten, zijn meestal juist dezelfde menschen, die met betrekking tot het ver van hen verwijderd liggende, een waar wereldburgerschap huldigen.