Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 67

Chapter 673,576 wordsPublic domain

Ook de Slawische stammen (Sorben), die over de Midden-Elbe tot naar Thüringen doorgedrongen waren, overstelpten de Saksers en hunne Koningen met doop en oorlog, en de Saksische Keizers stichtten hier aan weerszijden der Elbe, verscheidene Markgraaf-schappen en Bisdommen (Merseburg, Meiszen, de Lausitzen enz.) waarmede zij in de 11de eeuw, een beroemden Neder-Saksischen Vorstenstam, de Graven von Wettin, beleenden.

Door dit Saksische Vorstenhuis, dat zijn oorsprong van den ouden Sakser Wittekind afleidde, en het stamhuis aller tegenwoordige Saksische Vorsten-familiën geworden is, werd de naam "Saksen" op dit Duitsche kolonie-land, ten Noorden van het Ertz-gebergte, overgedragen, ofschoon, zooals boven reeds aangemerkt is, de kolonisten dezer streek, de Duitsche edellieden, stad- en landbewoners, voor het meerendeel niet van de Noord-Duitsche Neder-Saksers maar veeleer van de Midden-Duitschers en Thüringers afkomstig waren; hiervan was het gevolg, dat ten laatste de naam "Saksers," die in het eigenlijke vaderland der Saksers uitstierf, ten laatste aan een Midden-Duitsch volk verbleef, dat van de Saksers in hoofdzaak niets dan de eerste Vorsten ontvangen had.

Ook in het Slawenland Oostwaarts van de Midden-Elbe, drongen de Saksers reeds vroeg binnen onder Karel den Groote en Koning Hendrik I. Eerst omstreeks het midden der 12de eeuw grepen zij hier ver en belangrijk om zich heen, onder hunnen Hertog Albrecht den Beer, die van de Altmark uit, de oude Slawische Vorsten-residentie "Brennabor" (Brandenburg) veroverde, of voor altijd heroverde en haar tot het middelpunt van een Markgraafschap maakte, dat in vervolg van tijd de voornaamste provincie en de grondslag van een machtig Koningrijk geworden is, en wier bewoners, als nakomelingen van koene, door zucht tot het verrichten van groote daden en door strijdlust gelokte immigranten, ten allen tijd een krijgshaftigen geest bewaard hebben.

In het midden van het zandige land der oude Slawische Havellers, Wilzen en Ukriers, groeide de hedendaagsche Koninklijke en kerkelijke residentie op, waarin zich het verstandige maar ietwat harde, meer kritische dan poëtische, het heldere, intelligente, bedrijvige, werkzame en scheppende karakter en geest van het "moderne Markerdom," dat zich op het met groote moeite tot groote beschaving gebrachte Brandenburgsche zand, om Berlijn heen ontwikkelde en concentreerde.

Minder oorlogzuchtig en gewelddadig, dan de verduitsching der Brandenburgsche Marken, schijnt die van het land der Obotriten aan de Oostzee, geweest te zijn. De inheemsche Slawische Vorsten hebben zich daar, kort na de bloedige oorlogen van Hendrik den Leeuw, die hunne macht braken, tamelijk goedschiks naar het Duitschdom gevoegd, hebben het Christendom aangenomen, Duitsche geestelijken, burgers en kolonisten tot zich geroepen, en de Duitsche taal bevorderd. Ook zijn zij zelfs reeds vroegtijdig, als Duitsche rijks-vorsten in het rijksverband opgenomen en hebben ook aan het land zijnen tegenwoordigen naam Mecklenburg gegeven, die afkomstig zijn zou van een oud Slawisch Vorsten-slot "Mikilin-burgt."

Hieruit laat het zich verklaren, dat Mecklenburg, ofschoon in den loop der tijden met betrekking tot de taal, geheel verduitscht, nu nog ongeveer denzelfden omvang heeft, als de oude Obotriden-Vorsten het gegeven hebben, zooals ook zijn adel voor een groot deel van Slawischen oorsprong is, alsmede dat de boeren daar nu nog in eene groote afhankelijkheid smachten, en over het algemeen de geheele wetgeving en ook de sociale toestanden van het land, nog zooveel ouderwets bewaard hebben.

Aan de "breitspurigen Mecklenburger" [72] en aan de stramme, hoekige, oorlogzuchtige Markers, sluiten zich in het Noorden en Oosten, de ruwe bewoners van Pommeren aan, wier geschiedenis en verduitsching zeer veel overeenkomst heeft met die hunner Westelijke naburen.

De Pommeranen, een Slawische stam, wiens naam zooveel beteekent als "bewoners van de oevers der zee," leefden aan weerszijden van den Beneden-Oder aan de Oostzee, onder hunne inheemsche Hertogen, die echter reeds omstreeks het einde der 12de eeuw Duitsche rijks-Vorsten werden, tot aan de 17de eeuw toe, toen deze oude Slawische Vorstenstam in Pommeren uitstierf, en zijne rechten en landen door erfenis op de Vorsten van Brandenburg overgingen.

Slawische taal en zeden zijn daar langzamerhand in het Duitsch opgegaan. Reeds in de 14de eeuw, was het, door de het land binnengetrokkene West- en Oostfalen, ingevoerde Neder-Saksisch (plat-Duitsch), de volks- en rijkstaal in Pommeren geworden, en de oude Wendische adel, met de daarheen verplante Duitsche adellijke geslachten, versmolten.

Vele Pommersche steden, Stettin, Colberg enz. schoeiden hun bestuur en hunne wetgeving op denzelfden voet als de Neder-Saksische stad Lubeck, wier wetten langs de zeekusten over eene even groote uitgestrektheid werden nagevolgd, als die van het eveneens Saksische Maagdenburg in het binnenland.

De Duitsche Pommeranen worden door hun ouden kroniekschrijver Kantzow, reeds voor drie honderd jaren met de volgende woorden geschilderd: "zij zijn een oprecht, trouw, stilzwijgend volk, dat alle vleitaal haat; zij zijn meer goedhartig dan vriendelijk, meer eenvoudig dan verstandig, niet lichtzinnig, ook niet vroolijk, maar eenigzins grof en zwaarmoedig. Zij plegen altijd met hunne naburen overhoop te liggen. Zoodra echter de eerste toorn voorbij is, schijnt die zich spoedig weer te stillen. Zij verzoeken gaarne gasten bij zich en komen op hunne beurt ook gaarne weder bij anderen te gast." Hunne "grofheid" heeft zich, in vele veldslagen die zij tegen de Franschen en anderen vochten, goed bewaard, en zij hebben den roem behaald, de kern van het Pruissische leger uit te maken.

Met Pommeren in het Oosten van den Oder, werd de samenhangende uitbreiding van den Neder-Saksischen stam afgebroken; want hier bij de monding van den Weichsel, heeft het langen tijd machtige Polen een dwarsstreep gemaakt. Door het Oostelijke Pommeren of het zoogenaamde "Pomerellen", gaat eene breede strook, nog heden ten dage niet-Duitsch, Slawisch gebied, het land der zoogenaamde Kassuben, dat de Poolsche Koningen, met de geheele Weichselmonding en de stad Dantzig, langen tijd onder hunne macht gehad hebben.

Die Duitsche kolonie, die tamelijk geïsoleerd van het lichaam van het overige Duitschland, aan het Frische en het Kurische Haf in het land der Lithauers gesticht werd, had bij haar eerste ontstaan weinig met het oude land en volk der Neder-Saksers te maken. Zij werd op verzoek van in het nauw gebrachte Poolsche Vorsten, en op aansporing van den Paus, door de orde der Duitsche ridders, die hare bezittingen in _geheel_ Duitschland had, en hare leden zoowel uit Noord-, als uit Midden- en Zuid-Duitschland trok, gesticht.

De edellieden, die deze orde aan de monding van den Memel en het Kurische Haf overbrachten, hadden hunne voorvaderen bij _alle_ Duitsche stammen.--De officieele taal dezer kolonie, werd dus ook niet de Neder-Duitsche, maar de Hoog-Duitsche. Ook altijd zijn daarheen kolonisten en immigranten uit _alle_ deelen van Duitschland, soms uit Thüringen, van het Ertz-gebergte, uit Boheme en later zelfs uit Salzburg, in dit land der ridders van de Duitsche orde gekomen. Wel trok de orde de nieuwe kolonisten, tot wederbevolking van het door haar veroverde land, waarin zij de oude Lithauïsche oorspronkelijke bevolking uitroeide, uit alle landstreken, maar bij voorkeur bezigde zij daartoe de bevolking der dichtbij gelegene Saksische provinciën. Ook kwamen de burgers en kooplieden der Neder-Saksische Hanze-steden langs de zeekusten, en bevolkten de handelsteden der orde, Elbing, Dantzig en andere. En zoo kreeg dan ten slotte ook _deze_ Oost-Duitsche kolonie, langzamerhand eene hoofdzakelijk Neder-Saksische tint en eene plat-Duitsche taal tot heerschend dialect.

Door dezelfde Hanzeatische schippers en kooplieden was het Neder-Saksische kolonie-gebied, reeds sedert het midden der 12de eeuw, nog verder Oostwaarts tot aan de rivier de Duna in het land der Liven vooruitgeschoven. Zij en de aartsbisschoppen van Bremen stichtten hier de Hanzeatische dochterstad Riga, als ook de "Zwaardbroederen-orde" [73] die zijne leden voornamelijk uit Saksen en Westfalen trok, en langzamerhand Lijf-, Esth- en Koerland veroverde en bezette.

Daar deze kleine orde, zich intusschen in het groote land te zwak gevoelde, zoo sloot zij zich bij de orde der Duitsche ridders in Pruissen aan, en erkende het opper-bestuur van deze. In de 14de eeuw was deze Duitsche orde op het toppunt harer macht. Zij beheerschte toen een groot land, dat met Duitsche steden versierd en in het bezit van Duitsche grondeigenaars was; welk land van de Weichsel tot in de nabijheid der Newa reikte, "en een tijdlang een der bloeiendste en best bestuurde rijken van Europa was."

De opperhoofden van dit rijk, de grootmeesters, hadden zitting en stem, in den Duitschen rijksraad, en de politieke invloed van den Duitschen naam strekte zich toen hooger noordwaarts uit, dan ooit vroeger of later. Sedert het midden der 14de eeuw zonk de zedelijke tucht, en daarmede ook de macht der edele orde-ridders. Hun Duitsche kolonie-staat werd verbrokkeld en kwam onder vreemde opperheerschappij.

De Polen, die reeds vroeger met de Duitschers om het bezit dier streken gestreden hadden, veroverden bijna alle aan de orde behoorende landen, eerst West-Pruissen als eigen land en Oost-Pruissen als leen, daarop in de 16de eeuw Lijfland als eigen land en Koerland als leen.

In die provinciën had echter het Duitsche wezen zoo diepe wortelen geschoten, dat bij alle wisselingen van bestuur en bij alle verbrokkelingen, overal, zelfs in Lijfland, waar in de laatste 200 jaren, Poolsche, Zweedsche en Russische opperheerschappen elkander afgelost hebben, het is blijven bestaan.

In Oost-Pruissen, dat in de 16de eeuw, door de keuze van Albrecht van Brandenburg tot grootmeester der Duitsche orde, en daarna door de erfelijk-verklaring van dit Hertogdom, in het Hohenzollernsche huis met Brandenburg verbonden werd, heeft zich eene samenhangende Duitsche grondbevolking over de helft van het land uitgebreid. Niet te min werd of bleef de naam van dit Hertogdom, en van den grooten met hem ten slotte verbonden Duitschen staat "Pruissen", helaas! niet Duitsch; veeleer ontleende men dien aan de oude Lithauïsche bewoners van die streek.

In Oost-Pruissen ("Pomerellen"), dat nog lang Poolsch bleef, en eerst in het jaar 1772 (zijne hoofdstad Dantzig eerst in 1793) met Pruissen verbonden werd, is de Duitsche grondbevolking minder talrijk. In de afgelegene provinciën Lijf-, Koer- en Esthland, waarheen de Duitschers nooit in groote menigte kwamen, heeft zich de vreemdsoortige grondbevolking op het land staande gehouden, terwijl in de talrijke sloten en steden, nog heden Duitsche burgerlijke en adellijke geslachten bloeien.

Daar bij de verovering door de Duitsche ridders, de ingeborene Slawen, Polen, Lithauers, Lyven en Esthen, hunnen oorspronkelijken adel geheel verloren, en Duitsche geslachten het land onder elkander verdeelden, zoo is dien ten gevolge de oorsprong van den adel dezer landen zuiverder Duitsch, dan b.v. die in Pommeren en Mecklenburg, waar zooals reeds aangemerkt is, de Wendische adel door zijne Vorsten in massa, en slechts langzamerhand verduitscht werd. Men vindt daarom noch in de rollen van den adel in Oost-Pruissen, noch in die van Koer- en Lijfland zooveel Slawische "ows", "tzows", "itz" en "plitz", als in de landen, nader bij Duitschland gelegen.

Ook onder de burgers der steden bleef de aangeborene Duitsche nationale geest in hoogen graad bestaan. De Duitsche geest heeft daarom ook daar vele krachten opgewekt, en Duitsche ontwikkeling heeft ook, van die Noord-Oostelijke koloniën, geene geringe opwekking en steun ontvangen.

Wij behoeven ons slechts de philosophische zadelmakers-zoon uit Koningsbergen, den grooten Kant, te herinneren. Ook de groote Herder en later de scherpe denker Arthur Schopenhauer, zijn den Duitschers uit die Noord-Oostelijke provinciën geworden, even als zij reeds vroeger den grooten Copernicus, uit een Westfaalsch geslacht, hebben voortgebracht.

Zelfs Koer-, Lijf- en Esthland hebben aan de Duitsche literatuur en wetenschap, menigen geleerden onderzoeker en dichter geschonken. Ik moet hier ook opmerken, dat de hoogere standen uit die streken, een bijzonder welluidend en aangenaam klinkend Duitsch dialect spreken, daar zij geene onontwikkelde Duitsch-sprekende klassen onder zich hebben, door wier dialect zij hunnen tongval bederven kunnen.

In de steden Riga, Libau, Reval is bij de geringere volksklasse, nog tot op onze tijden toe, een eigendommelijk plat-Duitsch in gebruik geweest.

Ook de meer dan 60.000 zielen tellende Duitsche bevolking der Russische Keizerstad Petersburg, welke stad een Duitschen naam draagt, is vooral uit den schoot van Noord-Duitschland voortgekomen, de kooplieden en burgers uit de Hanze-steden en uit de Pruissische zeeplaatsen, de adel uit de kreitsen der Oostzee-provinciën. Men kan haar eenigermate als de alleruiterste Noord-Duitsche of Neder-Saksische kolonie in het verre Noord-Oosten beschouwen.

Hoe talrijk en menigvuldig naar het boven gezegde, de stammen en stammetjes verschijnen, waarin ten allen tijde de Duitschers verdeeld waren; hoe ver zich de natie ook verbreid en verstrooid heeft, zoo hebben zich toch ten allen tijde zekere karakter- en gemoedseigenschappen geopenbaard, die hun allen van den beginne af eigen waren en gebleven zijn. Reeds de Romeinsche schrijvers hebben veel gemeenschappelijks bij de Duitschers ontdekt, en hebben gezegd dat men daaruit wel de gevolgtrekking kon maken, dat zij allen van denzelfden stam en hetzelfde bloed, dat zij broeders waren.

De Duitsche natie heeft het zeldzame voorrecht gehad, reeds toen zij nog in de wieg lag, door een Tacitus in haren natuurlijken aanleg bestudeerd, met meesterhand geportretteerd te worden. De Duitschers zijn daardoor, wat niet bij alle volken het geval is, in staat, het bestaan en de geschiedenis van dien, al de Duitschers in hooge mate eigen zijnden aanleg, eigenaardigheden in geest en in zeden, tot zeer hoog op na te gaan.

Het beeld, dat Tacitus van die voorvaderen der Duitschers ontwerpt, is nog heden in hoofdtrekken waar. Weinige eigenschappen, die hij hun toekent, zijn bij de Duitschers verloren gegaan. In vele aanduidingen, die in zijn kleinen ethnographischen katechismus voorkomen, erkent men de kiemen en zaden der later daaruit voortgekomene, en ten deele eerst in onze dagen gerijpte vruchten. En ofschoon deze katechismus reeds zoo oud is, kan men den inhoud er van nog steeds zeer goed bezigen, als grondslag eener algemeene karakterschildering der Duitschers.

In de eerste plaats en boven alles, prijst Tacitus de huiselijke gewoonten en het familie-leven der oude Duitschers. "Heilig," zegt hij, "is bij hen de band des huwelijks; hunne vrouwen, afstand doende van alle verdere verwachtingen en hoop, bezitten even als een lichaam en leven, ook slechts één echtgenoot, die het laatste doel harer gevoelens en gedachten is.--Zij zijn de eenige onder de barbaren die slechts _ééne_ vrouw nemen."

Is men niet bijna geneigd te gelooven, dat de oude heiden Tacitus, de grondregels en geloften, waarmede onze jonge christelijke paren zich aan elkander verbinden, in deze woorden geformuleerd heeft. Die opmerking van den Romein alleen, is reeds voldoende om te bewijzen, hoe ontvankelijk deze barbaren van den beginne af aan, voor het christendom en zijne zuiverder zedeleer geweest zijn.

"De vrouw," zegt Tacitus verder, "staat bij de Duitschers in hooge achting. Zij verachten hare raadgevingen niet, en gelooven zelfs, dat er iets heiligs, iets profetisch in de vrouwen woont. Men heeft voorbeelden gehad, dat eenige onder haar, onder anderen de Duitsche Vorstin Veleda, als heiligen vereerd zijn geworden."

Eene dergelijke meening omtrent het schoone of zwakkere geslacht bij barbaren, is eveneens iets zeer ongewoons; het was iets, dat de Duitschers bijzonder kenmerkte. Zelfs te midden der hitte van twisten en oorlogen, luisterden zij naar hunne vrouwen. "Het is wel bij de Duitschers voorgekomen," zegt Tacitus, "dat hunne vrouwen door beden en vermaningen de reeds geslagene mannen naar het tooneel van den strijd terugvoerden, en dat deze, in de vrees dat hunne vrouwen den vijand in handen mochten vallen, de overwinning bevochten."

Deze vereering der vrouwen, is door alle tijden heen, den Germaanschen volken eigen gebleven. Niet zeer lang, nadat zij van het Romeinsche rijk bezit genomen hadden, en tot het christendom toegetreden waren, geraakte in het geheele, in meerdere of mindere mate gegermaniseerde, Europa, de vereering "onzer lieve vrouw", van moeder Maria, tot eene te voren nooit gekende hoogte. Ook ontwikkelde zich bij alle volken, bij welke een oorspronkelijk Germaansche adel de kern uitmaakte, de romantische en ridderlijke vrouwen-dienst, die zich gedeeltelijk met de aanbidding der maagd Maria vermengde. De diep zedelijke hoogachting, die de Engelschen voor de vrouwen hebben, en die ook den Noord-Amerikanen eigen geworden is, hebben zij aan het vaderland van Veleda te danken.

Vooral stonden bij de Duitschers de vrouwen in hoog aanzien, ter wille harer kinderen. Hare zuigelingen brachten zij aan eigen boezem groot, en lieten zij niet, zooals in de Romaansche landen nog heden even als ook reeds ten tijde van Tacitus, dikwijls het gebruik is, aan minnen en bedienden over. "Hare knapen," zoo meldt Tacitus verder, "spelen onder het opzicht der moeders tusschen de huisdieren op de deel en het erve rond, en groeien tot stevige knapen op."

Het huiselijk geluk, de liberale inrichting der huishouding, het daarin ingevoerde stille medebestuur der vrouwen, de vrijere beweging en opvoeding der kinderen, zijn zoovele heerlijke gaven, die de donkere wouden van Germanië aan het nieuwe Europa geschonken hebben, en die ook nog heden ten dage, vooral in de Germaansche landen op hoogen prijs gesteld worden: in Duitschland, waar zooveel over huis, huiselijkheid, familie en opvoeding gephilosopheerd, gedacht en geschreven is, en in Skandinavië en in Engeland, waar de woorden "_home_", "_hjem_", even hoog staan als in Duitschland het zooveel zeggende "_daheim_".

Een der schoonste getuigenissen, die Tacitus van de Duitschers geeft, is vervat in deze weinige woorden: "niemand lacht bij hen om de ondeugd." Dit woord van Tacitus zou men tot tekst kunnen nemen voor eene lange lofrede op het Duitsche wezen, dat zich in den regel afkeerig betoonde van het lichtzinnige, en daarentegen het ernstige gaarne ernstig opvatte; dat een vijand was van vergoelijking, en het woord "_frivolité_" niet eens in zijne taal teruggeven kon. Den spot te drijven met heilige zaken, is den Duitschers van oudsher eene afkeurenswaardige handeling geweest, en zij verschillen in dezen karaktertrek niet weinig van het spotachtiger en lichtzinniger karakter hunner naburen, de Franschen.

Ook wat Tacitus zegt over de wijze, waarop de Germanen hunne dooden beklagen, schijnt een Duitscher recht uit het hart gesproken te zijn. "Klagen en weenen," zegt hij, "geven zij _spoedig_ op, smart en treurigheid zeer _laat_,--zij _gedenken_."--Moet men niet gelooven, dat Tacitus een diepen blik geslagen heeft in het wezen der Germaansche psyche, die niet van hartstochtelijken aard is, die niet verlangt zich naar buiten te openbaren en de gevoelens van het hart openbaar te maken; die haar leed in zich zelve verbergt; die geen "smartkreet" kent, en geene Grieksche of Iersche zich zelve pijnigende klaagvrouwen, maar alleen slechts "_leeddragers_." "Zij gedenken," zegt Tacitus. Wie eens gelegenheid gehad heeft, de wijze, waarop onze Germaansche broeders, de Engelschen en Nederlanders, treuren--om van ons zelven te zwijgen--gade te slaan, dien zal de waarheid dezer opmerking van den Romein, over het karakter der Germanen niet weinig opgevallen zijn. Reeds alleen de woorden "_Eingedenk_", "_Erinnerung_," waaraan de Duitsche dichters zooveel strophen wijdden, doen eene snaar in ons binnenste trillen.

Ook op eenige andere eigenaardigheden der Duitschers, waarvan twijfelachtig zou kunnen zijn, of men ze deugden moet noemen, wijst Tacitus ons. Zoo, bij voorbeeld, is het zeer merkwaardig, dat hij bij zijne ruwe Germanen ook reeds eene hun aangeborene gehechtheid aan hunne Vorsten ontdekt heeft. "Bij hunne Vorsten de eerste plaats in te nemen," zegt hij, "is bij alle Duitschers eene zeer begeerige zaak, waarop zij allen ijverzuchtig zijn. Zij rekenen zich vooral verplicht, hunne Vorsten te verdedigen en te beschermen, ja zelfs hunne eigene daden tot den roem van dezen te rekenen, en het schijnt hun zeer vernederend en voor het geheele leven onteerend toe, _na_ den val van hunnen Vorst levend uit den slag teruggekeerd te zijn."

Als Tacitus gezien had, wat de Duitschers al niet voor hunne Vorsten gedaan en _geduld_ hebben, en welk een machtige spoorslag, zelfs nog bij hunne jongste heldendaden, hunne liefde en toewijding aan hunne Vorsten geweest is, dan zou hij geene redenen gevonden hebben iets van die uitspraak terug te nemen.

Ook op menige der nationale _ondeugden_ en _gebreken_ der Duitschers, die nog heden bij hen opgemerkt worden, op hunne overmaat in het drinken en eten, op hunne speelzucht, op hunne neiging tot bijgeloof, heeft Tacitus reeds gezinspeeld. Van den lust tot drinken der Duitschers spreekt hij bijna op dezelfde wijze, als wij over die der Indianen in Amerika. "Zij zijn daarin," zegt hij, "zoo onmatig, dat, wilden wij deze neiging ondersteunen, en hun zooveel geven als zij begeeren, zij gemakkelijk het onderspit voor ons zouden moeten delven. Geen volk geeft zich hartstochtelijker over aan feestmalen en aan de genoegens van drinkgelagen, dan zij."

Dit gebrek heeft zich bij eene vroegere gelegenheid, reeds vóór Tacitus, bij de Duitschers geopenbaard. Reeds Cesar klaagde er over, dat zijne Duitsche ruiters, die hij mede nam naar den slag van Pharsalus, op den dag van den strijd niet strijdvaardig waren, omdat zij niet nuchter waren. En van af dezen slag bij Pharsalus, hebben de Zuidelijke volken bij al hunne ontmoetingen met de Duitschers, geklaagd over dit gebrek, dat ook Luther veroordeelde, toen hij in zijne aanmerking op den 10den psalm schreef: "daar nu eenmaal ieder land zijn eigen duivel hebben moet, zoo heeft Duitschland als zoodanig een wijnzak gekregen."

Volgens Lichtenberg heeft de Duitsche taal meer dan 50 uitdrukkingen voor de verscheidenheden en graden, van den met behulp van Bacchus verhoogden geestes-toestand, waarvoor de andere talen betrekkelijk arm zijn. De Duitsche taal duidt met die uitdrukkingen zelfs gevoelens en sensaties aan van geheel verschillenden aard, en spreekt b.v. van "een _roes_ van genot", van "_dronken_ van wellust", van "_dorst_ naar daden"; schenkt in stede van waarheid zuiveren wijn in, en verklaart van een mensch met wien niets aan te vangen is, dat "_Hopfen und Malz_ an ihm verloren sei" (dat het met hem den moriaan geschuurd is), in het oorspronkelijke Duitsche spreekwoord heeft men zich de ziel van den onverbeterlijken mensch, als bierstof gedacht. De Duitsche dichters zingen zelfs: "wer niemals einen Rausch gehabt, der ist kein braver Mann" (die nimmer een roes aan gehad heeft, die is geen braaf man), en verklaart hem "für einen Narren, der nicht liebt Wein und Gesang" (voor een gek, die niet bemint wijn en gezang). Inderdaad, geloof ik: het zou te wenschen zijn, dat de helft van alle wijn- drink- en punschliederen uit de literatuur der Duitschers, en de voorliefde tot het daarmede verwante, uit hun wezen kon weggewischt worden.