Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 66

Chapter 663,512 wordsPublic domain

Hieruit trad Koning Conrad I, en later na de Otto's, het geslacht der zoogenaamde "Frankische Keizers," op. De Rhijnsche Franken waren ten tijde dezer Keizers (in de 11de eeuw) weder het eerste volk in Duitschland.--Uit hen werden de Duitsche Koningen gekozen, die ook meestal in hun land, aan den Midden-Rijn, resideerden.

Toen zich het Hertogdom Franken aan den Rijn, in eene menigte kleinere gebieden oploste, trok zich de eens in Duitschland zoo groote naam der Franken enger te samen. Sedert de 14de eeuw ging hij zelfs aan den Rijn geheel verloren. Alleen het Main-land heeft dien ten slotte bewaard. Hiertoe beperkte zich ook in het wezenlijke der zaak, de door Keizer Maximiliaan georganiseerde "Frankische Kreits." Frankisch bloed, Frankische stamverwantschap en taal, zijn daarbij ook de fundamenten van het wezen der bevolking aan den Midden-Rijn, Zuidwaarts tot aan de Neckar, Noordwaarts tot aan de Sieg en Westwaarts aan de Moezel opwaarts tot aan de Saar, en tot in de nabijheid van Metz, gebleven.

De Franken van den Main en van het daartoe behoorende deel van den Midden-Rijn, zijn een der wakkerste, begaafdste en gemoedelijkste Duitsche stammen. Bij hen bloeien de Duitsche wijngaarden. Zij stichtten de, nog heden ten dage groote handelstad Frankfort en bouwden Bamberg, Würzburg en andere steden, die een beroemden naam dragen. De machtige "Rijn-stedenbond" was hun werk. Bij hen kwam in Neurenburg het oudste, meest grootsche tijdperk van Duitschlands industrie tot bloei. Zij hebben den grootsten Duitschen schilder, Albrecht Dürer, en den meest populairen meesterzanger, Hans Sachs, voortgebracht. Door hen is de boekdrukkunst uitgevonden. [70] En in den nieuwsten tijd hebben zij, wat bijna tegen eene nieuwe uitvinding en een stedenbond opweegt, mannen als Goethe en den Vrijheer von Stein, aan het Duitsche volk geschonken.

In het Oosten en het Noorden der Rijn-landen, woonden aan de bovenste takken der Wezer, Fulda, Eder en Werra sedert oude tijden de "Katten" of "Hessen." Ook zij, evenals bijna iedere Duitsche stam, hebben eene periode van ouden roem en vroegere grootheid gehad.

Zij moeten eens ver om zich heengegrepen hebben. Want de Batavieren, de voorvaders der Nederlanders, leiden van hen hunnen oorsprong af, en aan de Romeinen verschaften zij bijna even veel werk, als hunne nakomelingen aan de zee, de Batavieren. Reeds Tacitus prijst de dapperheid van het Hessische voetvolk, dat altijd, even als eens tegen de Romeinen zoo ook in den nieuweren tijd in Amerika, waarheen zij toch slechts door hunne Vorsten verkocht werden, er maar in het blinde op los sloeg en zich dien ten gevolge het roemrijke epitheton, de "blinde Hessen" verwierf.

Staatkundig gingen zij in verschillende tijden, in de door hunne machtige en talrijke naburen, de Franken en de Thüringers gestichte Hertogdommen op, maar hebben zich ten allen tijde met een groote taaiheid en vastheid in hunne oude woonplaatsen gehandhaafd en hunnen naam bewaard; sedert de 14de eeuw brachten zij ook weder hunne eigene Vorsten voort, die echter helaas! in den nieuwsten tijd bijna nooit landsvaders voor hen geweest zijn.

Een oud Duitsch vers zegt van Hessen, "men heeft daar groote schotels maar weinig te eten; hooge kroezen maar zuren wijn: wie zou gaarne in Hessen willen zijn." Den bewoners is ook iets van de schraalheid van het land eigen geworden. Zij zijn ernstiger, nuchterder en achterhoudender van aard, dan de vroolijke bewoners van het Rijn-land en de levenslustige Thüringers, hunne naburen aan weerszijden.

Menig degelijk edel Duitscher, b.v. Ulrich von Hutten, vele vlijtige groote geleerden, b.v. de Grimms, weinige dichters en kunstenaars zijn uit het arme "Hessenland" voortgekomen.

"Zij zijn hunne oude gewoonten zoo trouw gebleven, dat bij hen nog heden ten dage de oude Duitsche haverbrij, in plaats van koffie als morgendrank dient." De weinige behoefte, die zij hebben, blijkt uit het spreekwoord, "waar Hessen versterven, kan niemand voedsel verwerven." Van hun geduld, zoowel als van hunne volharding in vrijheid en recht, hebben zij als hoogst lankmoedige Duitsche leeddragers bewonderingswaardige bewijzen gegeven, door onvermoeiden strijd tegen een Vorsten-geslacht, dat reeds sedert eene eeuw, zoo merkwaardig productief aan despotische en hebzuchtige Vorsten en slechte regenten is geweest, en dat eerst de nieuwste tijd gelukkig op zijde geschoven heeft.

Van het Fichtelgebergte af, gaat in Noord-Westelijke richting de hoofdrug van het Thüringer-woud, schuin door Midden-Duitschland heen, en deelt het in zijne beide hoofdhelften, de Westelijke of Frankisch-Hessische en de Oostelijke of Thüringsch-Saksische.

Reeds de Romeinen kenden, in deze deelen van Midden-Duitschland, het volk der "Duren" of "Hermunduren," waarvan men later "Thüringers" gemaakt heeft. Omstreeks de vijfde eeuw valt de tijd der vroege staatkundige grootheid van dezen stam, die toen, tusschen Elbe en Main, tusschen Bohemen en den Harz, het groote "Thüringsche Koningrijk" stichtte, van welks lotgevallen wij intusschen niet veel weten.

Aan dit Koningrijk maakten de Franken even zoo een einde, als aan het Allemannische, maar gedurende de geheele middel-eeuwen bleef een "Thüringsch Hertogdom," later "Landgraafschap" bestaan: wèl onderging dit gebied menige verandering, maar had toch in hoofdzaak het oude Thüringerland, namelijk de streek tusschen den Harz en het Thüringer-woud, aan de bovenste takken der Saale, tot kern.

Even als geheel Duitschland zijne met elkander mededingende dubbel-Keizers, zijne verbrokkelingen in verschillende rijken, zijne tusschenregeeringen en zijne dertigjarige oorlogen gehad heeft, zoo hadden ook de Thüringers dikwijls hunne dubbel-Hertogen, hunne splitsingen in verschillende stammen, hunne Thüringsche opvolgings-oorlogen, hunne provinciale tienden- en Graven-twisten, die ook dikwijls 30 jaren lang het land verwoestten.--Daarbij kwamen nog de eeuwen lang voortgezette oorlogen met de "Soraben," die het Oostelijk deel van het oude "Hermunduren-land" waren binnengetreden. Grootendeels van Thüringen uit, werden deze Slawen van Midden-Duitschland overweldigd, gedoopt, met Duitsche kolonisten en steden voorzien en ten laatste geheel tot Duitschers gemaakt.

Het Meisznische land, het tegenwoordige Koningrijk "Saksen," ofschoon het zijnen naam ontving van de Neder-Saksische Vorsten, die de mark Meiszen stichtten, kan men in hoofdzaak als eene Thüringsche kolonie beschouwen. Uit deze Thüringsche volkplanting groeide langzamerhand het groote Keurvorstendom Saksen, dat ten slotte bijna het geheele oude Hermunduren-land en al zijne koloniën, aan deze en aan gene zijde der midden-Elbe, omvatte.

Door de beroemde land-verdeeling onder Albert en Ernst, de zonen van den Keurvorst Frederik den Zachtmoedige, en door vele op deze volgende verdeelingen en splitsingen in verschillende Vorsten-liniën, zoomede later in nieuweren tijd door de verbrokkeling van Keur-Saksen, kwam langzamerhand de Thüringsche stam onder eene menigte Vorsten en Staten.

"In hun eigenlijk oud stamland, doen de Thüringers zich als een degelijk, eerlijk, goedhartig en poëtisch Duitsch volk voor." Zij zijn zachter en vroolijker dan de ernstige Hessen, bekwamer dan de Neder-Saksers aan gene zijde van den Hartz, degelijker dan hunne kolonisten in "Meiszen", de tegenwoordige "Opper-Saksers", gematigder dan de levendige Franken aan den Rijn. "Een kostbaar kleinood van den Thüringschen stam is hunne gezonde en levenslustige gemoedelijkheid, hunne vertrouwdheid met poëzie, muziek en zang, die reeds in oude tijden bleek, uit den bij hen gevierden zangerswedstrijd op den Wartburg, en waarvan ook het wijd en zijd bekende spreekwoord: "in twee huizen, drie violen," getuigt.

Uit hunnen schoot is menig Duitsch man van gewicht voortgekomen. In de allereerste plaats Dr. Martin Luther, wiens ouders, even als zijn degelijk karakter en zijn vroolijke zanglust, uit Thüringen afstammen. Ook de Luther der muziek, Sebastiaan Bach, was uit Thüringen geboortig. Lang na den Wartburg-strijd bloeide bij hen nog eens, ten tijde van Karel August, een Duitsch Athene, het onvergelijkelijke muzenhof te Weimar op.--Ook heeft deze stam vele edele Vorsten-geslachten opgeleverd, van welke in nieuweren tijd het Saksen-Coburg-Gotha'sche huis aan buitenlandsche volken, de Belgen, Engelschen en Portugeezen, Vorsten gegeven heeft.

Bij de nakomelingen der uit Thüringen Oostwaarts getrokkene kolonisten, de bewoners van het land Meiszen en van het tegenwoordige Koningrijk Saksen, mist men het flinke hunner stamvaders in Thüringen. Zij zijn oppervlakkiger, zachter en weekhartiger. In geest en in werkzaamheid van het verstand echter, staan zij nog boven de Thüringers, en buitenslands hebben zij zich, zoowel in oorlog als in vrede, door hunne humaniteit en welgemanierdheid bemind gemaakt. Allerlei takken van kunst- en fabriekwezen bloeien door hun geheele, langs den Noordelijken voet van het Ertzgebergte gelegen, land, "met betrekking tot nijverheid het toonbeeld voor Duitschland." Hunne beide groote steden Leipzig en Dresden munten uit, de eene door hare commercieele en industrieele ondernemingen en als middelpunt van de literarische markt der Duitschers, en de andere "het Duitsche Florence", als Vorstelijke residentie door hare kunstschatten, en als verzamelplaats van vele beschaafde kringen uit alle landen.

Wat poëzie en humor betreft staan deze zoogenaamde "Opper-Saksers," die men liever "Nieuw-Thüringers" noemen moest, bij alle andere Duitsche stammen ten achter. Daarentegen hebben zij en hunne vroegere Vorsten zich een blijvenden roem in de Duitsche geschiedenis verzekerd, door den ijver waarmede zij tot de, op hunne hoogescholen het eerst geproclameerde, kerkhervorming van Luther toetraden, en de bescherming die zij haar verleenden, zoo mede door de verstandelijke ontwikkeling en het, in hun land overal verbreide, schoolonderwijs en de algemeen verspreide kennis.

Wanneer al anders niets, dan zou reeds de omstandigheid, dat zulke groote denkers en zulke ontwikkelde koppen, als Leibnitz, Lessing, Fichte, aan den voet van het Ertzgebergte geboren werden, voldoende bewijzen welke groote begaafdheid ook dezen stam eigen is. Een groot gedeelte der Opper-Saksers, is sedert 50 jaren met Pruissen vereenigd, en heeft sedert dien tijd, als met Pruissischen nationalen geest vervuld, meermalen eene tegenstelling gevormd, met zijne oude stamgenooten in Oud-Thüringen en in Opper-Saksen.

Silezië vormt het Oostelijk uiteinde van Midden-Duitschland. Even als Saksen is het grootendeels een kolonie-land van Thüringen, op Slawischen onderbodem, maar ook Neder-Duitschers, Franken, Beieren, Oostenrijkers, zijn toegestroomd om die streken te bevolken. "De Sileziërs deelen met alle Midden-Duitschers, de hoofdtrekken der taal, zeden en denkwijze," ofschoon zich alles bij dit aan den boven-Oder geplante Duitschdom, dat andere lotgevallen deelachtig werd, eerst onder den invloed van Polen, en later van Bohemen en Oostenrijk kwam en door dezen beheerscht werd, naar de eigenaardigheden van het land natuurlijk wijzigde. Zij hebben in taal en wezen iets zuidelijks behouden.

Ofschoon de Silezische Duitschers, nu bijna drie millioen sterk, langen tijd eigenlijk niet tot het Duitsche rijk behoorden, en eerst door Pruissen staatkundig bij den Duitschen bond ingelijfd werden, zoo namen zij toch sedert de 14de eeuw deel aan al het lijden en aan al den vooruitgang van het Duitsche volk. Even als in geheel Midden- en Neder-Duitschland, vond de hervorming hier grooten bijval. Ook is het opmerkingswaardig, dat het deze, aan het einde van het Duitsche vaderland wonende en met Slawen vermengde, Sileziërs geweest zijn, die in hunne beide beroemde dichter-scholen, in de 17de eeuw, de eerste hervorming in den poëtischen smaak der Duitschers te weeg brachten. Dit intelligente en ondernemende volk, maakt nu een hoofdpilaar van het gebouw der Pruissische monarchie uit; om hunne annexeering werden, door de grootste Pruissische Koningen, drie groote oorlogen gevoerd.

Het bovengezegde geldt intusschen vooral voor de bewoners van het benedenste en middelste gedeelte des lands. Want de "Opper-Sileziërs," in de hoogte aan de Moravische en Boheemsche grenzen, in de Sudeten en in het Reuzen-gebergte, vormen een heel ander slag menschen, dat van eene zeer oude, wellicht nog uit de tijden der volksverhuizing dateerende grondbevolking afkomstig is. Men rekent hen en hunne taal, tot het zoogenaamde Opper-Silezische- of Sudeten-dialect, niet tot de Midden-Duitschers, maar tot de Zuid-Duitschers, en wel tot den grooten Beiersch-Oostenrijkschen tak.

In de oudste tijden schijnt het geheele vlakke Noord-Duitschland, van Holland tot Rusland, door Duitsche stammen bewoond te zijn geweest. De Cimbren en Teutonen, die in het Jutsche schier-eiland woonden, zijn waarschijnlijk van dit Noorden uitgegaan, even als de Longobarden, wier oorspronkelijke woonplaatsen men aan de Beneden-Elbe zoekt, alsmede de Vandalen in Mecklenburg en Pommeren, de Gothen in het tegenwoordige Pruissen, de Bourgondiërs, de Herulers en andere aan den Beneden- en Midden-Oder en Weichsel.

Bij de volksverhuizing verlieten deze en andere Noord-Duitschers hun land, om in het Zuiden rijken te stichten, en in hun vaderland, dat door de uit het Oosten opdringende Slawen en Lithauers bezet werd, bleven weinige sporen van hen over. Meer dan de helft van het oude Noord-Germanië, Westwaarts tot aan de Elbe, werd Slawisch. _Alleen_ in het Noord-Westelijk gedeelte, tusschen Elbe en Rijn, bleef het Duitsch. De Romeinen leerden in dien hoek de Batavieren, de Friezen, de Chauken, de Cheruskers, Brukteren en meer andere Neder-Duitsche stammen kennen.

Echter werden de meeste hunner, in den loop der gebeurtenissen, onder één naam, dien der Saksers, vereenigd, welke naam, ten gevolge der onder zijne banier volbrachte daden, ten slotte in het geheele Noorden zoo beroemd werd, dat men (soms nog zelfs wel in de 12de eeuw) met den naam "Sakser-land", de geheele Noordelijke helft van Duitschland betitelde, en dat nog heden ten dage, zoowel de Celtische Ieren in het afgelegen Westen, als de Finnen en Esthen in het verre Oosten, met de woorden "_Saksen_" en "_Saksisch_", ongeveer hetzelfde bedoelen, wat wij Germaansch of Duitsch noemen.

Het oorspronkelijk vaderland dezer "Saksers", zou in het Cimbrische schiereiland, in het tegenwoordige Schleeswijk-Holstein en Jutland, gezocht moeten worden. Van daar uit verbreidden zij zich, het eerst naar het Zuiden en Westen en vereenigden de boven opgenoemde, met de hun verwante stammen aan de Wezer, onder hunnen naam. Een gedeelte van hen trok met de Jüten en de Friezen de zee over, en maakte Engeland tot een "Saksisch" land, dat echter zijne eigene lotgevallen volgende, weldra met het moeder-volk (dien ten gevolge ook wel Oud-Saksen genaamd) weinig meer te maken had.

Tot aan de 8ste eeuw, leidden deze Oud-Saksers, onder hunne Vorsten, als heidensche, de vrijheid lievende barbaren, een van de andere Duitschers afgescheiden leven. Deze waren, aan den Rijn en aan den Donau, reeds lang Christenen geworden en met het groote Franken-rijk vereenigd.

In eene reeks bloedige oorlogen temde Karel de Groote gene eerst volkomen. Hij lijfde ze in bij de Frankische monarchie en bij het, zich hier uit vervolgens ontwikkelende, Duitsche rijk. De buitengewone energie, waarmede de Saksers zoolang aan de Franken weerstand geboden hadden, bewerkte, dat zij aanvankelijk eene zeer voorname plaats in dit rijk innamen.

Behalve de Hertogdommen Allemannië en Beieren in Zuid-Duitschland, en naast het door Midden-Duitschland gaande Hertogdom Franken, ontstond ook een groot "Hertogdom Saksen," dat geheel Noord-Westelijk Duitschland, tusschen Elbe en Rijn bevatte. Na het uitsterven der Karolingers en na Konrad I, viel zelfs den Saksers en hunnen Hertogen de Duitsche Keizerskroon toe, die hun Vorstengeslacht gedurende eenige generaties behield. Zij hebben het Duitsche rijk eenige zijner degelijkste en roemrijkste Keizers, Hendrik den Vogelaar en de Otto's gegeven. Maar later is de Duitsche Keizerskroon--tot op den allernieuwsten tijd--niet weder blijvend aan Noord-Duitschland gekomen.

Ook heeft de Saksische of plat-Duitsche taal van dien Keizer-glans geene winst gehad. Hunne Otto's, welke die taal spraken, konden haar den voorrang boven de reeds veel ontwikkelder Opper-Duitsche dialecten niet doen verwerven. Niet Zuid-Duitschland te leiden, maar veeleer het geheele vroegere Noord-Duitschland Oostwaarts weder te herstellen, het daar diep doorgedrongene Slawendom terug te werpen, en langs de Oostzee tot aan Rusland eene reeks nieuwe of vernieuwde Duitsche landen en volken te stichten, werd de eerste taak der Saksers.

Slaat men, bij een kort overzicht dezer scheppingen der Saksers, het eerst den blik op hunne vroegste woonplaats, het land ten Noorden van de Elbe, het zoogenaamde "_transalbingsche Saksen_," dan mag men wel zeggen, dat de Neder-Saksische stam daar steeds eene bijzondere degelijkheid bewaard heeft, en dat zijne geschiedenis dikwijls roemrijk, ofschoon ook tevens vooral weder in den laatsten tijd, dikwijls vol lijden geweest is.

Tegen de Slawische Wagriërs, die hun land binnendrongen, hebben zij zich met goed gevolg verweerd en hen in Duitschers veranderd. In Dithmarschen [71] hebben zij eene boeren-republiek gesticht, welker roem bijna met die der oude Zwitsersche kantons overeenkomt. Met hunne Noordelijke naburen, de Denen, die steeds op hen instormden, hebben zij meermalen heldhaftig gestreden en tegen hen, in den loop der tijden, roemrijke slagen geleverd. Ofschoon in den nieuweren tijd hunne ondernemingen tegen de Denen ongelukkig waren, en deze met verdeensching en vele, aan de Duitsche nationaliteit vijandige, maatregelen tot hen kwamen, hebben zij altijd aan hunne Neder-Saksische taal en gewoonten vastgehouden, en deze zelfs nog verder in het Denenland, ver over den Eider, de oude Duitsche rijksgrens, tot in Schleeswijk verbreid. Zelfs als zij aan de Denen staatkundig onderworpen waren, toonden zij zich toch zoowel voor de intellectueele als voor de materieele uit- en aanbouw van het Cimbrische schiereiland (Jutland) en van geheel Denemarken, even invloedrijk als b.v. de Duitschers der "Oostzee-provinciën" voor Rusland.--De allernieuwste tijd heeft hen van de Denen, waarmede zij als het ware samengegroeid waren, ook staatkundig weder losgemaakt, en hen weder aan hunne oude Noord-Duitsche stamgenooten, wien zij den ouden naam gegeven hebben, en vervolgens ook aan geheel Duitschland toegevoerd.

De _Neder-Saksers, ten Zuid-Westen van de Elbe_, waren in drie hoofdstammen verdeeld, de "Engern," de "Oostfalen", en de "Westfalen," wier ligging en woonplaatsen hoofdzakelijk door de Wezer bepaald werden. "Engern" noemden zich de Saksers in het dal van de Wezer zelf, "Oostfalen," die ten Oosten van de Wezer wonende, en de "Westfalen" waren de Saksers ten Westen van de Wezer, tot aan den Rijn en de Eems toe.

De namen _Oostfalen_ en _Engern_ zijn verdwenen. Hunne nakomelingen werden in den loop der tijden onder vele Vorsten en Staten verdeeld. Ten slotte echter vereenigde de Luneburgsche tak van het oude Saksische Hertogelijke huis, het een langen tijd gelukkige "Huis Hannover", het grootste gedeelte der voormalige Neder-Saksische Engern en Oostfalen, door erfenissen en verdragen, tot een staatkundig geheel; zijn Koningshuis trachtte onder de stam-verwante, het toegevallene, bevolkingen, een Hannoveraansch volk en nationaal-gevoel te voorschijn te roepen; gelijk het Beiersche Koningshuis bij de, het toegevallene, Duitsche deelen, een Beiersch volks- en nationaal gevoel trachtte op te wekken. Gelukkig is, ten gevolge der jongste gebeurtenissen, dit proces aan de Elbe en de Wezer evenzoo gestoord geworden als dat aan den Donau, en in beide gebieden hebben ruimere sympathiën en neigingen eene plaats gevonden. Pruissen heeft ze weder in den grooten schoot hunner moeder geplaatst.

De "Westfalen" hebben tot op den huidigen dag in weerwil van alle scheidingen van stammen, en trots de verschillende heerschappijen waaronder ook zij geraakten, hunnen naam en ook in hooge mate hun oud karakter en zin bewaard. Zij wonen aan de Westelijke rivieren van de Midden-Wezer, aan de bronnen der Eems, en aan de groote vlakte tusschen de Rijn- en Wezergebergten, waaruit de Roer en de Lippe naar den Rijn stroomen.

Reeds de vroegste voorouders der Westfalen die ons genoemd worden, de dappere Brukteren boden aan de Romeinen een hevigen wederstand. Op Westfaalsch gebied werden de Varus-slagen gestreden. Later, toen de naam "Hertogdom Saksen" reeds verdwenen was, bestond er nog geruimen tijd een groot "Hertogdom Westfalen," evenals na de verdeeling van het Duitsche rijk in kreitsen, een even groote "Westfaalsche kreits." Ook Napoleon weder, maakte gebruik van den ouden beroemden volksnaam, om zijn, gelukkig slechts kort bestaan hebbend, "Westfaalsch Koningrijk," in het Midden- en Opper-Wezerland te doopen.

"De Oud-Saksische vastheid van karakter, waardoor de Westfalen van oudsher uitmuntten," is zeker de hoofdreden van den langen duur van hunnen naam en roem geweest. Het lange menschenras, heeft nu nog veel overeenkomst met de, door de Romeinen beschrevene Germanen. Hunne manier van wonen en hunne zeden zijn overoud. Bijna de geheele stam is nu bij den Pruissischen staat ingelijfd.

Ook in de landstreek, die het Rijndal van Wezel tot aan Keulen en Bonn vormt, zijn stam, bloed en taal der Neder-Saksers verspreid geworden. Maar het daar gebruikelijke dialect, "het Neder-Rijnsche" bewijst, dat ook afwaarts van den Rijn, reeds Opper-Duitsche elementen uit Franken of Midden-Duitschland, zich met hen vermengd hebben.

Hoe de Neder-Duitsche stammen, nog verder naar het Westen doordringende en zich met de Friezen en Batavieren vermengende, de bevolking van België en Nederland gevormd hebben, heb ik reeds vroeger trachten aan te toonen en ik zal dus nu overgaan tot de behandeling der later gevolgde uitbreiding der Neder-Saksers, over het Oostelijk gedeelte der Noord-Duitsche vlakte.

De oorlogen der Saksers met hunne Oostelijke Slawische naburen hadden vermoedelijk reeds lang geduurd, maar zij begonnen eerst invloed te hebben op de geschiedenis der ontwikkeling, en tot blijvende veroveringen te leiden, toen de Saksers sedert het einde der 8ste eeuw het christendom aangenomen hadden, en nu met den doop, met het stichten van kerken en kloosters, met monniken en kruisridders tegen de Slawen optrokken.

Een gedeelte der Slawen was zelfs Westwaarts over de Elbe in het tegenwoordige Luneburgsche en Maagdenburgsche doorgedrongen, en kwam het eerst met den naar het Oosten terugkeerenden Slawen-vloed in aanraking. Zij werden reeds ten tijde van Karel den Groote onderdanig aan de Saksers, en reeds toen begon de bloei der bij hen gestichte stad Maagdenburg, die het lievelingsoord van den Saksischen Keizer Otto I werd, en die met hare aartsbisschoppen en haar, overal in het Oosten tot diep in Polen nagevolgd, stadsbestuur, een zoo grooten invloed op de Zuid-Baltische Slawenlanden zou uitoefenen.

In het gebied der Slawen, aan deze zijde der Elbe, ontstond onder Hendrik den Vogelaar, de Duitsche kolonie de Altmark, de wieg van den Keur-Brandenburgschen staat. Zoo betrekkelijk snel het Slawische in _politiek_ en _heerschappij_ ineenstortte, zoo langzaam is het--op sommige plaatsen ten minste--in taal en _zeden_ verdwenen. Nog in het einde der vorige eeuw predikte en sprak men aan deze zijde der Elbe, Slawisch; en nog heden ten dage vindt men in het Lüneburgsche, midden in Neder-Saksen, eene streek, het "Wendland" genoemd, waarin Slawische kleeding, bouwtrant en gebruiken nog in zwang zijn.