Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 65

Chapter 653,524 wordsPublic domain

Met den naam "_Allemannen_" en "_Beieren_," bestempelt men de beide hoofd-onderafdeelingen der Zuidelijke groep van Duitschers.--Genen bewonen het Westen, dezen het Oosten van het Zuiden.

De Noord-Zuidelijk gerichte Vogesen en de Jura, vormen met de Oost-Westelijk gerichte Alpen een hoek. In dezen hoek werden de Allemannische stammen saamgedrongen, en zij hebben zich daar in de rondte uitgebreid over het geheele bovenste derde gedeelte van het Rijngebied, in de vlakten en dalen van Zwitserland tot in de Jura en de Vogesen, zoomede naar de bronnen van den Donau. In het Oosten, tegen de Beieren, werd de Lech en zijn breed dal, hunne natuurlijke grens, en in het Noorden tegen de Midden-Duitschers, eene lijn, die door het Noordelijk uiteinde van het Schwarzwald en de Vogesen loopt.

Met de Allemannen van den beginne af verwant en tot gemeenschappelijke ondernemingen verbonden, onder dezelfde legeraanvoerders en Hertogen vereenigd, waren de "Sueven" of "Schwaben" een even beroemde Duitsche volksstam. Beide namen, Allemannen en Schwaben, versmolten daardoor in elkander, even als in zekere mate de volken zelven, zoodat Allemannen en Schwaben af en toe hetzelfde beteekent. Daar echter nog altijd tusschen de beide verwante stammen, zoowel met betrekking tot hunne gewoonten, als tot hun eigenlijk woongebied, een niet gering verschil bleef bestaan, zoo scheidden zich ook weder de namen, zoodat ieder van hen eene bijzondere onderafdeeling der geheele groep aanduidt, de _Allemannische_ in engeren zin, het meer Westelijk gedeelte aan den Rijn, en de Schwabische, de meer Oostelijke aan den Boven-Donau.

Van de Allemannen, de voorvechters der Duitschers tegen Gallië, hebben de Franschen den naam "Allemands" voor het geheele volk ontleend. Zelfs nadat zij door verovering bij het groote Frankenrijk, en later in het bijzonder bij de Oostelijke helft er van, die men langzamerhand Duitschland noemde, ingelijfd werden, waren de Allemannen en Schwaben tot een afzonderlijk groot Allemannisch-Schwabisch Hertogdom vereenigd, en speelden zij, als de ontwikkeldste en rijkste volksstam der Duitsche natie, een tijd lang een zeer groote rol in het Duitsche rijk, wiens "banierdragers" zij sedert zeer vroegen tijd genoemd werden.

Zij hebben den Duitschers het zoo gevierde Keizershuis der Hohenstaufen gegeven. Uit hunnen schoot kwamen ook de Habsburgers, en ten slotte ook de Hohenzollern voort. Door hen werden eenige der beroemdste Duitsche steden, de muzenzetel Augsburg, de handelsteden Ulm, Straatsburg, Bazel en andere, zooal niet gesticht, dan toch bevolkt en tot bloei en gewicht gebracht.

De Duitsche minnezangers noemde men de Schwabische of Allemannische dichters, omdat de meesten van hen uit dat Zuid-Westen, tusschen de Vogesen en de Alpen, geboortig waren. Zij maakten hun dialect, voor een niet korten tijd, tot het heerschende in Duitschland. Zelfs de knapsten onder de Neder-Duitschers, leerden in de 13de eeuw het Schwabische dialect en dichtten daarin, evenals in dien zelfden tijd vele Noord-Franschen in het Provençaalsche dialect.

Ook in nieuweren tijd heeft de poëtische ader van dezen volksstam zich weder op uitstekende wijze doen kennen. Want zij gaven aan de Duitschers hunnen Schiller, Wieland, Schwab, Uhland en nog eene geheele reeks uitstekende moderne dichters. Bij hen rijpten ook de uitstekendste koppen en de grootste denkers van Duitschland, zooals een Keppler, een Hegel en Schelling. Onder hunne talrijke kunstenaars zijn Hans Holbein, Martin Schongauer en Adam Krafft wereldberoemd geworden. De heerlijke dommen van Ulm, Freibürg en Straatsburg, zijn de in geheel Duitschland populairste werken der Schwabische kunst, en bijna even beroemd in het geheele rijk zijn de schoone Schwabische vrouwen, Agnes Bernauer en Philippine Welser. De schoonste Schwabenstreek volbrachten de Schwabische vrouwen van Weinsberg.

Kort na den tijd der Hohenstaufen, nam de politieke grootheid der Schwaben, als het voornaamste volk der Duitschers, zoo mede ook de eenheid van het groote, geheel Zuid-Westelijk Duitschland omvattende Schwabische Hertogdom, een einde.

Even als geheel Duitschland, zoo begonnen ook vooral Allemannië en Schwaben, zich in eene menigte kleine staten te versnipperen. Maar ook in deze versnippering bewezen zij nog groote diensten aan Duitschland, door de stichting van het, van hen uitgaande, invloedrijke, zoogenaamde "Schwabische steden-verbond," waartoe ook vele niet-Schwabische steden toetraden, en dat den Keizer Maximiliaan hielp, den landsvrede in het geheele rijk tot stand te brengen, en een einde te maken aan den roofridder-tijd en aan het vuistrecht.

Tot een krachtig politiek geheel, dat den geheelen stam omvatte, kwamen de Allemannen en Schwaben echter niet weder. Hunne Zwitsersche stamgenooten scheidden zich in de 13de en 14de eeuw geheel van hen af, en werden een afzonderlijk volk, dat dikwijls vijandig tegen zijne broeders in Duitschland over stond. Uit de Schwaben aan den Donau en den boven-Neckar ontstond langzamerhand de Wurtembergsche staat, en de Allemannen tusschen het Schwarzwald en den Rijn, werden langzamerhand in het bloeiende Hertogdom Baden samengevat. De Westelijke Allemannen in den Elsasz daarentegen, werden in lateren tijd bijna geheel van hun volk vervreemd. Zij vervielen aan Frankrijk, dat aan hen vele hunner voornaamste mannen, bij voorbeeld hunne veldheeren Kleber, Rapp en Westermann te danken had. Aan de Duitschers hebben zij in denzelfden tijd de dichters Pfeffel, Nicolaï gegeven, alsmede verscheidene dichters, wier vaderlandslievende liederen bewijzen, dat daar nog altijd vele harten warm sloegen voor het oude Duitsche moederland. In de jongste, voor Duitschland zoo roemrijke tijden, is de verlorene dochter weder tot hare moeder, die zoo lang om haar getreurd heeft, teruggebracht, en de geheele Allemanno-Schwabische stam staat nu weder in de schaduw van het Duitsche rijk.

Het "lustige Schwaben," zooals velen het noemen,--anderen zeggen, misschien met meer recht, het "tobberige Schwaben"--eindigt, zooals gezegd is, in het Oosten bij den Lech, waar ook het wijnland ophoudt. En hier beginnen de woonplaatsen van het tweede Zuid-Duitsche hoofdvolk, de van de Allemannen en Schwaben zeer verschillende Beieren. Zij leiden hunnen naam en oorsprong af van de "Bojen" (vandaar Bojariër, Baïern, Beieren), een ouden, òf Celtischen òf Germaanschen stam, die zich met verscheidene andere stammen verbond, en na de verdrijving der Romeinen zich aan het benedenste gedeelte van den boven-Donau, aan den Isar en op het plateau tusschen de Alpen en het Bohemer-woud, woonplaatsen wist te verwerven, en daar langzamerhand tot eene gelijkvormige massa saamsmeltende, het Beiersche Hertogdom stichtte, wiens eerste hoofdstad, het reeds door de Romeinen gebouwde Regensburg werd.

Hunne stelling in het opper-Duitsche Donau-bekken bracht als van zelve mede, dat het de taak der Beieren was, Duitschlands voorposten en beschermers tegen de beneden Donau-volken te zijn. Zij hoofdzakelijk hebben den strijd tegen de Avaren en Magyaren gestreden, en de op dezen en op de Slawen gewonnene landstreken met hunne kolonisten bevolkt. Al deze, nu Oostenrijksche, landen zijn als kweekerijen en koloniën van den Beierschen stam te beschouwen, waarom men ook wel het Duitsche dialect in al deze streken, onder den naam van _Beiersch-Oostenrijksch_ dialect samenvat. De eigenlijke moederstam van het oud-Beiersche volk, heeft zich echter met eene merkwaardige volharding en vastheid, binnen zijne oorspronkelijke grenzen tusschen de Alpen en het Bohemer-woud, tusschen Lech en Inn gehandhaafd, en vormt nog heden ten dage de kern van den, na Oostenrijk en Pruissen, machtigsten Duitschen staat en stam. Terwijl het meerendeel der overige Duitsche stamnamen, die der Allemannen, der Franken, der Neder-Duitschers, geene politieke beteekenis meer hebben, is die der Beieren tot nu toe nog steeds die van souverein Duitsch volk, en is hij, als naam van een staat in Duitschland, veel ouder dan die van het nieuwere Baden, Nassau, Hannover, Pruissen enz.

"De den oud-Beieren kenmerkende eigenschappen, de trots op hunnen stam en eene groote mate van provincialisme, hebben bewerkt dat zij met den vrijen, geestelijken omgang der Duitsche natie, geruimen tijd niet zeer gewillig instemden." Reeds in de middeneeuwen, hebben zij onder zich, minder minne- en meesterzangers gehad dan hunne naburen, de gevoeliger Schwaben, Allemannen en Franken. Ook zijn zij, terwijl bij dezen het protestantisme ingang vond, midden in het katholicisme en pausdom blijven steken. Zij waren altijd, zooals Sebastiaan Frank zegt: "een goed Roomsch, godsdienstig volk, dat gaarne bedevaarten doet,--ook nu is het geen zeer hoffelijk volk, maar ruw in zeden en taal."

Met groote voorliefde zijn zij aan hun provinciaal dialect gehecht gebleven, en daar zij het moderne schrijf-hoogduitsch, dat zij "Lutheraansch Duitsch," noemden, langen tijd niet wilden aannemen, hebben zij ook eerst later dan anderen aan de ontwikkeling der literatuur deelgenomen. Nog in het begin dezer eeuw gold Beieren voor eene der donkerste partijen, op de kaart van Duitsche beschaving en ontwikkeling.

Sedert den tijd van Maximiliaan Jozef, toen in Beieren veel hervormd, en in de kloosters en kerken veel opgeruimd werd, en later vooral ook sedert de regeering van Koning Lodewijk, is dit echter veel veranderd, en de door dezen werkzamen en onvermoeiden regent uit den slaap geschudde Beieren, zijn nu met de vele zich bij hen verzamelende kunstenaars en geleerden, met hunne akademiën en universiteiten, met hunne Münchener praalgebouwen en verzamelingen, brug- weg- en kanaalwerken, met de van hen uitgegane lithographie en stenographie, met hunne bekwaamheid in het vervaardigen van optische instrumenten, zeer roemvol onder de Duitschers opgetreden.

Daarbij echter is, helaas! het streven, meer den Beierschen naam dan den Duitschen te verheerlijken, te levendig op den voorgrond getreden. Ook Koning Lodewijk I was het, in weerwil van zijn beroemd Duitsch patriotisme, vooral daarom te doen, een sterk Beiersch wezen te voorschijn te roepen, en bij al de, in zijn Koningrijk vereenigde Schwabische, Frankische en andere stamdeelen, een Beiersch nationaal gevoel op te wekken.

In den nieuwsten tijd is echter dit Groot-Beiersche nationaal gevoel, nog meer tot een algemeen Duitsch verruimd. "De Beieren, vroeger dikwijls een steen des aanstoots voor het streven naar eene Duitsche eenheid, zijn onder hunne laatste Koningen een Duitsche hoeksteen geworden. Zij hebben, in de roemrijke oorlogen der Duitschers in de laatste jaren, dapper medegestreden, hebben het eerst den Duitschen Keizer geproclameerd, en zijn ook zelfs in godsdienst en geloofszaken de denkbeelden der Duitschers een weinig genaderd.

Van uit het vlakke land aan den Donau, hebben zich stam en taal der Beieren tot diep in de Alpenlanden uitgebreid, het eerst in de Oostelijke deelen van het oude Rhaetië, waar hunne naburen Tyrolers geworden zijn.

Geheel en _uitsluitend_ kan men deze "Tyrolers" wel niet als een dochter-volk der Beieren beschouwen. Want ongetwijfeld bleven gedurende den dikwijls herhaalden doormarsch van Duitsche natiën, in hunne dalen afstammelingen van zeer verschillende stammen achter. Bij dit mengelmoes zullen waarschijnlijk ook nog de oude Rhaetiërs, oorspronkelijk Celtische bewoners, gekomen zijn. Maar de Beieren hebben toch, in de eerste tijden na de volksverhuizing, het land het langst beheerscht en er den meesten invloed op uitgeoefend, en hebben hunne aanspraken daarop ook in lateren tijd niet willen opgeven. Daar intusschen na de verbrokkeling van het groote "Bavaria,"--alle bewoners van dat gedeelte der Rhaetische Alpen, langzamerhand onder de heerschappij van afzonderlijke Graven kwamen, die in het slot Teriolis of Tyrol bij Meran resideerden, zoo vormde zich met behulp der evengenoemde bijmengingen, onder den naam "Tyrolers," een afzonderlijk volk, dat zich aanmerkelijk onderscheidde van de logge Beieren, en ten laatste zoo weinig met dezen sympathiseerde, dat het integendeel voor zijne zelfstandigheid, voor zijne Graven en later voor zijne Oostenrijksche Vorsten, de bloedigste oorlogen tegen hen voerde.

Geen der Duitsche stammen is langs de oude wegen en bergpassen van den Brenner [69] zoover in het Italiaansche land en klimaat vooruitgedrongen als de Tyrolers. Zij zijn tot diep in het schoone Etsch-dal afgedaald en hebben Duitsch sprekende districten en volkjes--_Sette en Tredeci communi_, zelfs nog tot in nabijheid van Vicenza en Verona vooruitgedreven. In den nieuweren tijd echter zijn Duitschdom en Duitsche taal door de bewegelijke en daar woonachtige Italianen overstelpt en teruggedrongen.

Eenige overeenkomst met de uitbreiding der Duitschers in Tyrol, heeft de geschiedenis der bevolking der meer Oostelijke landschappen Stiermarken, Karinthië en Krain. Ook hier was in oude tijden, in het zoogenaamde Noricum, een Celtischen grondslag. Ook hier trokken verscheidene Duitsche volken door, en lieten velen der hunnen in het land achter. Gedurende de volksverhuizing werden deze landen grootendeels met Slawen opgevuld, bij wier latere germaniseering de Beiersche Hertogen en de Bisschoppen van Salzburg weer werkzaam waren.

Een overblijfsel der Slawen deelt nog heden ten dage met de Duitschers het bezit dezer heerlijke Alpenlanden. Maar ook hier, even als elders, gaven de Duitschers den toon aan, en hebben zij de voornaamste zetels der beschaving dier landen, de fraaie door hen gebouwde steden Gräz, Laibach, Klagenfurt enz. in hun bezit.

Beiersche bisschoppen, vooral die van Passau, hebben eindelijk ook, terwijl zij ijverig Donau-afwaarts koloniseerden, het eigenlijke Oostenrijk, dat vóór hen bijna geheel door Slawen en Avaren bewoond was, Duitsch gemaakt.

Verscheidene overblijfselen van deze niet-Duitschers zullen aanvankelijk wel onder de, het land binnentrekkende, Beiersche planters achtergebleven zijn. En daar later, behalve de Beieren, ook nog vele bewoners uit Schwaben en Franken, langs den Donau naar dat land kwamen, zoo zijn hunne met elkander vermengde nakomelingen, langzamerhand van hunne Beiersche stamvaders meer of minder vervreemd geraakt, en heeft zich daaruit een eigenaardig Oostenrijksch volkswezen gevormd, dat voor het oud-Béiersche ten lange laatste zooveel antipathie koesterde, dat Keizer Maximiliaan eens gezegd heeft, dat wanneer men èn Beiersch èn Oostenrijksch bloed in een ketel wilde laten koken, het een het andere zou doen overkoken.

Zorgeloosheid en natuurlijke vroolijkheid zijn veel geprezene eigenschappen der Oostenrijksche Duitschers, die op verre na niet zoo hard en niet zoo ruw schijnen, als hunne stamvaders, de oud-Beieren. "Gastvrijheid, zooals die in oud-patriarchalen tijd uitgeoefend werd, treft men daar bij de burgers en boeren, in de rijke Donau-sloten en in de kloosters aan. Het is een land waar men genoegen schept in muziek en dans." Van daar uit hebben zich de Duitsche nationale dansen, de tirolienne en de wals, door de wereld verspreid, en de Oostenrijksche Donau- en Alpen-landschappen zijn de eenige streken in Duitschland, waar de danskunst met eene bevalligheid, als bij de Spanjaarden en andere vluggere volken, beoefend wordt.

In de 13de eeuw was het hof der Oostenrijksche Hertogen de verzamelplaats van vele dichters. Walter von der Vogelweide, Heinrich von Osterdingen, de Tannhäuser en andere werden daar zeer gevierd. Ook werd in Oostenrijk het "Nibelungen-lied" zoo bij elkander gevoegd, als wij het nu bezitten. Mozart, de Vorst der toonkunst, en de bijna met hem op gelijke lijn staande componist der "Jahreszeiten" werden aan den voet der Oostenrijksche Alpen geboren, en Strausz, Lanner en dergelijke nieuwere Duitsche componisten gingen van daar uit.

Maar bij alle "zang en muziek, bij al hunne trouwhartige vroolijkheid," bij hunne, zooals men zegt, "geborneerde" naïviteit, moet toch een fond van degelijke, Duitsche kernachtigheid in die Oostenrijkers steken. Want juist dit "land van het Duitsche epicurisme," met zijne prachtige en luxurieuse hoofdstad Weenen, is de kern eener groote Duitsche monarchie geworden, die vele Slawische, Romaansche en Finsche volken, tot een politiek geheel vereenigd en tot nu toe ook gehouden heeft. Duitsche taal, Duitsche wetten, Duitsche beschaving, hebben door de Oostenrijkers invloed verkregen tot aan den voet van den Balkan en tot aan de Zwarte Zee toe.--Oostwaarts van de Alpen, in de uitgestrekte Donau-vlakten en om de Karpathen heen, bloeien nog Duitsche zeden en Duitsche vlijt, in vele honderden, door hen gestichte en opgesierde steden en bekoorlijke dorpen, midden onder de Daciërs en Pannoniërs.

Dat echter behalve de Oostenrijkers en Beieren, wier dialect zij meerendeels aangenomen hebben, ook andere Duitsche stammen, vooral de Westelijke naburen der Beieren, de aan de bronnen van den Donau woonachtige Schwaben, aan de ontwikkeling van Hongarije en Zevenburgen medegewerkt hebben, bewijst alleen reeds de omstandigheid, dat daar overal de naam "Schwaab" de algemeene benaming voor een Duitscher is.

Ook zelfs de Neder-Duitschers hebben aan dit werk deel genomen. Want de beroemde Zevenburgsche Saksers, een kleine tak van den grooten Duitschen eik, die in het Oosten tot een sierlijk boompje opgroeide, stammen oorspronkelijk van den Neder-Rijn af.

Deze Saksische Duitschers in Zevenburgen hangen nog heden, ofschoon door een grooten afstand en sedert 600 jaren van den moederstam gescheiden, nauw met hem te samen, en voeden zich op de Duitsche universiteiten, die zij voortdurend bezoeken, met de melk der Duitsche wetenschap, en hebben ook, als ijverige Lutheranen, de Duitsche kerkelijke hervormingen en onlusten medegemaakt.

Niet alleen uit de talrijke, _geheel_ Duitsche provinciën van Oostenrijk, maar ook zelfs uit het midden dezer in Hongarije en Zevenburgen verstrooide Duitschers, zijn van oudsher, ter vermeerdering van den roem der geheele Duitsche natie, vele uitstekende staatslieden, edele Vorsten en militairen, talrijke dichters, geleerden en kunstenaars voortgekomen.

Uit den nieuweren tijd, noem ik onder de Duitsch-Hongaarsche Muzen-zonen als voorbeeld, den armen Lenau, den dichtenden Hongaarschen aartsbisschop Pyrker, den lyrischen dichter Beek en den grooten musicus Franz Liszt, die allen op de grenzen der "Püsten" geboren zijn, maar hunne groote talenten, uit het met hen verwante Duitschdom geput hebben.

Waar intusschen blijft het, en dat is wel karakteristiek voor het geheele Beiersch-Oostenrijksche Zuid-Oosten, dat van daar geene, zulke groote hervormingen veroorzakende, naam makende denkers, zulke alom licht om zich heen verspreidende Koningen op het gebied der ontwikkeling, voortgekomen zijn, als een Keppler, een Leibnitz, een Kant, een Fichte, een Goethe, een Humboldt waren. Grondige critiek is geen in het oog springende karaktertrek van dit gedeelte van Duitschland. Zij behoort meer in het Noorden van Duitschland te huis, even als muziek, dans en poëzie meer te huis behooren in het Zuiden.

De stambetrekkingen van het Zuidelijk derde gedeelte van Duitschland zijn, zooals reeds gezegd is, onder de beide groote rubrieken "Allemanno-Schwaben" en "Bavaro-Oostenrijkers," gemakkelijk te overzien. De groote vlakten en tafellanden en de groote Donau hebben daar ook, wat staatkundige indeeling betreft, alles meer in groote gedeelten en onderdeelen doen samen vatten.

In Midden-Duitschland daarentegen is alles veel bonter geschakeerd en veel meer ingewikkeld. Dit derde gedeelte van het Duitsche vaderland, vormt van af Lotharingen tot aan Silezië, een groot schaakbord van eene menigte--tot een, met verscheidene mazen voorzien net samengeweefd--bergketenen, heuvellandschappen en daar tusschen gevoegde vlakten en dalen. Het is, zoowel in geographische als in geologische beteekenis, het bontste stuk van Duitschland. Ook de cultuur-planten, koren, wijn enz. wisselen hier menigvuldig op de kleinste oppervlakte af. Daar praedomineert geen groote, alles vereenigende stroom, geen uitgestrekt dal-bekken. Talrijke rivieren hebben daar hare bronnen, en zelfs de groote Rijn is daar in het midden van zijn loop, zich op engere baan en meer verbrokkeld tusschen rotsen door slingerende, dan in zijn verder Zuidelijk bekken en in zijne Noordelijke Nederlanden.

In overeenstemming hiermede zijn de Duitsche stammen en dialecten--hier in het midden nog meer dan ergens anders--uit elkander gegaan, en voor "de vorming van kleine staten en voor particularismus is het hier het ware land." Hier zijn de bergtoppen te vinden, van wier kruinen men tegelijkertijd zes of meer Duitsche staten binnen ziet. Hier is ook het land der kleine of middelmatige Duitsche steden, die er talrijker zijn dan in eenig ander gedeelte van Duitschland. De groote Duitsche steden Berlijn, Hamburg, Weenen, Praag, München enz. vallen in de uitgestrekte vlakten, de groote, hooge plateaux en de breede hoofddalen aan de eene of de andere zijde van dat centraal-gebied.

Trots deze verbrokkeling, laat Midden-Duitschland zich als een geheel samenvatten, en kan men, als iets wat al zijne bewoners met elkander gemeen hebben, aannemen, dat zij allen met elkander tot de groote Hoog-Duitsche familie behooren, maar toch wederom van de Zuidelijke Opper-Duitschers, de Schwaben en Beieren, merkbaar verschillen, en in taal en bloed een overgang en gemengd gebied vormen, tusschen deze en de Neder-Duitschers.

Even als de Duitschers van het Zuiden, zoo hebben ook de stammen van het midden, van den Rijn als hunne basis, naar het Oosten gewerkt. Deze Rijn is de eenige der groote rivieren, die in het leven van alle drie hoofdafdeelingen van het Duitsche volk, dus ook in het hart van allen ingegroeid is. De Donau gaat bijna alleen de Zuid-Duitschers aan. De Wezer, Elbe en Oder zijn in hunne voornaamste gedeelten Noord-Duitsch. Van den Rijn daarentegen hebben de Zuid-Duitschers het bovenste gedeelte, de Neder-Duitschers het onderste gedeelte en de Midden-Duitschers de rest in bezit. Aan zijne oevers hoort men _alle_ Duitsche hoofd-dialecten. En _daaruit_ laat zich _gedeeltelijk_ de liefde van _alle_ Duitschers verklaren voor hunnen "Vader Rijn," wiens gebied de geographische basis hunner geheele ontwikkeling is, en wiens verheerlijking door de ontwikkeling van het volksleven van alle stammen heentrekt.--De Midden-Duitschers bezitten wel het schoonste stuk der rivier, alle bekoorlijke landschappen aan zijne oevers, van af Carlsruhe tot aan Bonn, en aan zijne door natuur, kunst en geschiedenis zoo rijk gesierde voorname zijrivieren Main, Moezel enz.

De Romeinen vonden in deze streken verscheidene Duitsche stammen, die zij ten deele afhankelijk van zich maakten, terwijl zij aan den Rijn de vestingen Mainz, Coblenz en andere bouwden, en ook den Italiaanschen wijnstok daarheen verplantten.

Vroegtijdig, reeds tijdens het begin van het verval van het Romeinsche rijk, ontstond aan den beneden-Rijn, onder den naam van "Franken" ("Vrijen"), een machtig bondgenootschap van Neder-Duitsche volksstammen. Na de 4de eeuw splitsten deze zich in twee groote afdeelingen, de zoogenaamde "Salische" en de "Ripuarische Franken." Gene veroverden, van den Neder-Rijn en de Schelde uit, het Noordelijk Gallië, waarop zij hunnen naam (Frankrijk) overbrachten, terwijl deze naam in Noordelijk Duitschland geheel verloren ging. De Ripuarische Franken zetten hunne veroveringen, aan de oevers van den Rijn, opwaarts voort, vereenigden de volken aan den midden-Rijn, en werden vervolgens met de groote, door hunne Salische broeders gestichte Frankische monarchie vereenigd. Bij de oplossing van het Karolingische wereldrijk, traden zij in het Oost-Frankische of Duitsche Koningrijk als "het Frankische Hertogdom," dat tamelijk wel het voornaamste stuk van het geheele Midden-Duitschland, van den Rijn tot de bronnen van den Main en tot aan het Thuringerwoud, bevatte.