Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 64

Chapter 643,576 wordsPublic domain

Tengevolge van dezen innigen politieken band, die al de verschillende rassen in Zwitserland samen verbindt; ten gevolge hunner gemeenschappelijke herinneringen en republikeinsche staats-regelingen; zoo mede ten gevolge van het lang nevens elkander wonen en hunnen omgang, heeft zich dan ook onder hen in vele andere punten eene zekere gemeenschappelijkheid in wezen, een zeker algemeen nationaal-type gevormd, dat bij hen iets _aangetrokkens_, van den _staat_ uitgegaans schijnt, terwijl het bij andere volken aangeboren is en in het bloed zit. Vele eigenaardige dagelijksche zeden en gewoonten in het gezellige verkeer, hebben zich over geheel Zwitserland verbreid. Eene zekere republikeinsche ruwheid, stroeve nuchterheid en stijfheid, valt den Franschen bij de Fransche Zwitsers evenzeer op, als den Duitschers bij de Duitsche Zwitsers. De verhouding tusschen de beide geslachten, is in het Oostelijk Graubunderland ongeveer dezelfde als aan het Westelijk uiteinde van het meer van Genève. Bekend is het b.v. dat de jongelui zich, hier even als daar, in een zeer vrijen omgang mogen verheugen, hetgeen met de in Frankrijk ingevoerde kloosterlijke opvoeding en opzicht, een scherp contrast vormt. De spaarzame, voordeel zoekende, industrieele zin, heeft alle stammen van Zwitserland in gelijke mate aangegrepen. In het Fransche Zwitserland vindt men geheele bergstreken vol van de bekwaamste uurwerkmakers, terwijl in het Duitsche Zwitserland de dalen met zeer ijverige houtsnijders, stroovlechters, borduursters en neteldoek-wevers gevuld zijn. Ook de innige vaderlandsliefde, de bekende en treffende Zwitsersche zielsziekte, het heimwee, is aan alle vrije Alpen-zonen, welke taal zij ook spreken mogen, gemeen. Niet alleen bij Duitsche, maar ook bij de troepen uit Fransch-Zwitserland, die in den vreemde dienden, was het onder zware straffen verboden, op den koehoorn te blazen, om bij de soldaten geen ziekelijk verlangen naar het vaderland op te wekken. De naast deze diep gewortelde liefde tot den geboortegrond bestaande lust om te reizen en te trekken, een oud erfdeel aller Schwaben, is ook een erfdeel van alle Zwitsers geworden. De Zwitsersche gouvernante uit Waadland, de koekbakker uit Engadin [68], de kunstenaar uit Tessino, ontmoet men overal in de wereld, en naast deze, tot in China en Oost-Indië toe, den Zwitserschen handelaar uit Zürich, Bazel of Genève. Er is bijna geene stad in Europa, die niet eene kleine kolonie Zwitsers bezit. Zij hebben overal hunne gevolmachtigden, agenten en consuls, en spelen heden ten dage, als bevorderaars van handel en industrie, in onze geheele Europeesche volken-familie eene zeer welkome, vereffenende en vreedzame rol, die een aller-aangenaamst contrast vormt met de krijgshaftige wijze, waarop zij vroeger, als betaalde landsknechten, in de lotgevallen der volken van ons werelddeel ingrepen.

Trots de geringe getalsterkte hunner bevolking (het aantal van alle Zwitsers bedraagt niet veel meer dan 2 millioen, dus evenveel als het getal bewoners van het kleine Duitsche Koningrijk Saksen), hebben de Zwitsers, dank zij hunne geographische ligging in Europa, en ten gevolge hunner patriotische vrijheidsliefde en énergie, zoo mede ten gevolge hunner kerkhervorming, af en toe den invloed eener macht van den eersten rang bezeten en uitgeoefend, en op hunnen grooten, prachtigen Alpenburg, aan de grenzen van Italië, Frankrijk en Duitschland, geplaatst aan de bronnen van Rijn, Po en Röhne, nemen zij ook nu nog eene hoogst belangrijke en invloedrijke stelling in.

DUITSCHLAND EN DE DUITSCHERS.

Spanje, Engeland, Frankrijk, Italië en ook Skandinavië zijn tusschen zeeën en bergen gevatte en scherp van elkander onderscheidene, leden van ons werelddeel, met zeer duidelijk afgeteekende physionomie. Het zijn stevig gebouwde, natuurlijk begrensde volken-gebouwen. Duitschland dat in het midden dier landen geplaatst is, doet zich als het hoofdstuk van den romp van Europa voor, waaraan genoemde leden zich vasthechten.

Terwijl Italië, Spanje, Engeland hunne lichamen in eene en dezelfde zee baden, is Duitschland als tusschen drie verschillende zee-bekkens uitgespannen.

In het Noord-Westen heeft het eenige lucht naar den Oceaan, in het Noord-Oosten omslingert het met een langen arm de Oost Zee, en in het Zuiden stapt het met eenen teen in de Middellandsche Zee.

Terwijl de rivieren van andere landen, b.v. van Frankrijk een compact geheel, een innig in elkander gevlochten systeem vormen, loopen de stroomende wateren van Duitschland, om zoo te zeggen, naar alle windstreken uit een. Behalve de Wezer is er bijna geen een andere, zuiver Duitsche rivier te noemen. De Rijn grijpt met zijne zijtakken, Maas en Moezel, en ook met zijne bronnen in Romaansche gebieden in. De Elbe en Oder reiken met hunne bovenste gedeelten tot in Slawische streken. De Weichsel is alleen bij hare monding Duitsch. En de Donau stroomt met de helft van haren loop ver buiten de Duitsche grenzen in Oostelijke richting, terwijl zij zich in het binnenbekken van den ver verwijderden Pontus verliest.

Laten zich de natuurlijke grenzen van Duitschland, met betrekking tot zeeën en water-afloop, moeielijk bepalen, zoo is het ook, wat de gesteldheid van den bodem en de oppervlakte betreft, ver verwijderd van den eenvoud, dien men bij andere landen waarneemt. Rusland vormt, over het algemeen genomen, eene onmetelijke, samenhangende, zeer gelijkvormige vlakte. Het Illyrisch-Grieksche schiereiland is in al zijne deelen een doolhof van bergen en rotsen; het Italiaansche, eene alleen door eene bergketen gespleten landtong; het Pyreneesche een, overal door dalen en bergruggen doorsneden, vierkant hoogplateau; Frankrijk een door bergen omgevene, golfvormige vlakte; Engeland bijna geheel eene liefelijke heuvelenrij midden in de zee; Skandinavië in hoofdzaak een kolossaal granietblok.

Voor Duitschland is geen zoo eenvoudig, alles omvattend, de natuur van het land zoo duidelijk uitdrukkend beeld te vinden. In het Noorden helt het langzamerhand af, tot het eindelijk eene breede, effene vlakte vormt. In het Zuiden verheft het zich tot hooge bergmassa's. In het midden is het verbrokkeld in verscheidene met elkander verbondene hooggelegen streken, bergketels en berg-plateaux, die, even als die Noordelijke vlakte en die Zuidelijke bergen, zich niet tot Duitschland alleen bepalen, maar zich rechts en links in de naburige landen voortzetten, door de Karpathen naar de Slawen, door de Argonnen en Ardennen naar de Galliërs.

Ook met betrekking tot klimaat, lucht en temperatuur, laat zich in Duitschland moeielijker eene eenheid bepalen, dan bij menig ander land van Europa. Terwijl b.v. Rusland van den Pontus tot aan de Witte Zee, een Noordsch klimaat, dat overal _hetzelfde karakter_ heeft, bezit; terwijl Italië _van Sicilië tot aan den Zuidelijken voet der Alpen_ Zuidelijk, half tropisch is; terwijl Frankrijk zich schier overal als een wijnland met eene gematigde temperatuur voordoet; terwijl Groot-Brittanje zich van het eene eind tot het andere in de, uit den Oceaan opstijgende dampen, doopt, neemt _Duitschland_ in meerdere of mindere mate aan al deze toestanden deel.

In zijne Noordelijke Oostzee-provinciën, heeft het de lange winters en de producten van Sarmatië. In zijne Noord-Westelijke laaglanden, druppelt het even als in Engeland van nevel en regen. In het Zuid-Westen is het even als Frankrijk, een zacht wijn- en ooftland, en in vele zijner Alpendalen dringen zelfs Italiaansche luchten, jaargetijden en vruchten binnen.

Met het oog op al deze geographische en de daaruit ontstane politieke toestanden, hebben de Franschen Duitschland te recht "l'indécise Allemagne" (het onbepaalde, vage, onduidelijk begrensde Duitschland) genoemd, en het heeft lang genoeg geduurd voor de Duitschers dit verwijt konden afwijzen. Zij zijn later dan schier alle andere Europeesche volken, wien de natuur een vaster huis gebouwd had, tot politieke en nationale eenheid gekomen.

Dat dit groote centrale hoofdstuk van den romp van Europa eens, nog voor de Duitschers het bezetten, door andere rassen bewoond werd, is vrij zeker; want daar de geheele bevolking van Europa uit het _Oosten_ kwam, zoo lijdt het geen twijfel, dat de voorouders van alle bewoners van het Westen: van Engeland, Spanje, Frankrijk enz.--ten minste grootendeels--door de bosschen en bergen van Duitschland getrokken zijn.

De steen-monumenten in het Noorden van Duitschland, worden door verscheidene onderzoekers, aan een vroeger hier woonachtigen, geheel vreemdsoortigen, vermoedelijk Finschen stam toegeschreven, en in het Zuiden van Duitschland schijnen nog kort voor de tijden der Romeinen Celtische volken gewoond te hebben. Ook hadden de Celten aan de linker zijde van de Rijn-linie, toen eene nog grootere uitbreiding naar het Oosten, dan nu.

De _Germaansche_ stammen, wier komst in Europa, die der, eene andere geaardheid hebbende, oorspronkelijke bewoners, en ook vooral die der Celten opvolgde, terwijl zij deze langzamerhand naar het Westen drongen, kwamen even als _zij_, uit Midden-Azië, waar zij bij de Zend-volken, de voorouders der Perzen en der zoogenaamde "Ariërs," hunne oudste stamvaders gehad hebben. Verscheidene geleerden en reizigers hebben nog heden ten dage, verscheidene kenteekenen van het Germanendom: blond haar, blauwe oogen, blanke tint, nu bij dezen, dan bij genen hedendaagschen Aziatischen volksstam meenen te ontdekken, zooals bij de Osseten, in de bergkloven van den hoogen Kaukasus en aan de bronnen van den Tezek, bij de bergbewoners in de Krim en bij andere volken.

Het schijnt, dat de Germanen van Perzië, van den Kaukasus en van den Pontus, het eerst naar de vlakten van Oost-Europa, westwaarts gestroomd zijn, en, de Karpathen en gebergten van Midden-Europa omtrekkende, zich oorspronkelijk over het vlakke Noorden van Duitschland verbreid hebben. Want hunne traditiën wijzen naar de oevers der Oost-Zee, als het door hen aanvankelijk bezette deel van hun nieuw Europeesch vaderland, als naar het _oudste_ Duitschland, van waar uit zij zich het Zuidelijke en Westelijke deel, dat nog langen tijd na hunne eerste komst in Europa, door anderen bezet bleef, veroverden. Even als de overleveringen van het volk, zoo schijnt ook de hooge ouderdom der Duitsche taal in de noordelijke lage streken, datzelfde te bewijzen. De _Noord-Duitsche_ dialecten hebben in hunne woorden en de vorming hunner klanken, meest de oudste vormen, die zich nauwer aansluiten aan die der Perzen en andere oorspronkelijke Indo-Germanen, dan die der Zuid- en West-Duitschers, die meer het kenmerk van nieuw ontstane talen dragen.

Toen de Romeinen Duitschland leerden kennen, en het licht der geschiedenis het eerst op dat land viel, was intusschen ook de Germaniseering van het geheele nieuwe of Zuidelijke en Westelijke Duitschland, hare voltooiing nabij. Den Rijn hadden de Duitschers in zijne middelste en benedenste gedeelten reeds bijna geheel in hun bezit. Alleen ten Zuiden van den Donau, in Zwitserland, in de Alpen en ook in den bergketel van Bohemen, woonden toen nog niet-Duitsche (Celtische) stammen.

De Romeinen, die het geheele Celtenland met hun rijk vereenigden, hielden den voortgang der Duitschers naar het Westen en Zuiden tegen. Zij bezetten de heele linker zijde van den Rijn, van af de bron tot aan de monding, en even zoo ook de geheele Zuidzijde van den Donau; bouwden langs deze beide stroomlijnen vestingen en steden, en maakten zoowel de daar nog wonende Celten, als de ook reeds tot daar doorgedrongene Duitschers, die zij met elkander tot Romeinen vermengden, aan zich onderdanig. Het groote Duitschland, dat zij _niet_ veroveren konden, was het middelste en noordelijke deel van het land, en in de Neder-Duitsche vlakten leden de Romeinen de nederlagen, die het hoofdlichaam van het Duitsche volk van eene romaniseering redden.

Gedurende twee of driehonderd jaren na de veldslagen in het Teutoburgerwoud, bleven de grenzen van het Romeinsche rijk tegen Duitschland, aan den Rijn en den Donau ongeveer dezelfde. Toen, na de 3de en 4de eeuw Rome's macht verminderde, braken de Duitschers in herhaalde aanvallen deze grensliniën en de tegen hen opgerichte wallen door, en zetten hunne, door de Romeinen _slechts een tijd lang_ tegengehoudene veroveringen naar het Zuiden en het Westen voort.

De Franken drongen over den Rijn, de Allemannen en Bojoariërs (Schwaben en Beieren) over den Donau en breidden de grenzen van het oude Duitschland uit. Zij trokken de door de Romeinen gebouwde Rijn- en Donausteden: Keulen, Trier, Mainz, Augsburg, Regensburg en andere, binnen; verjoegen het meeste wat zich daar aan Romeinen of geromaniseerden bevond, maakten een einde aan Romeinsche taal en gewoonten, en vulden het geheele Rijn en boven-Donau-land, tot diep in de Alpendalen toe, met van nu af aan niet meer uitgewischte Duitsche volks-elementen.

Van de Romeinen bleef hier niets meer over, dan de nu nog bestaande namen van verscheidene plaatsen, en misschien ook iets van de stedelijke inrichtingen, die op de Duitsche burgers overgingen. Van de Celten, die nu Duitsche taal en Duitsche zeden aangenomen hadden, bleef veel in de gewoonten en het ras des volks bestaan. In vele, nu Duitsch sprekende Alpenbewoners van Zwitserland en Tyrol, kunnen wij nog heden ten dage de gegermaniseerde Celten herkennen.

De Duitschers werden, toen het machtige gebouw van het Romeinsche rijk, als een uitgebrande krater in elkander zonk, door eene wonderbare zucht tot werkzaamheid en verplaatsing aangegrepen. Zij stormden over het geheele vasteland heen, en losten de Romeinen in de wereldheerschappij af.--Of het bij de oplossing van het vergane, groote rijkslichaam, aan de Westelijke Europeesche volken zou gelukt zijn, door eigene kracht en door hervormingen en omwentelingen in eigen boezem, en met behulp van het christendom, uit de algemeene zwakte en het algemeene zedenbederf zich weder op te richten, en onder zich zelf te voorschijn geroepene, duurzame en bloeiende rijken te stichten, blijft eene vraag, die niet te beantwoorden is. De geschiedenis leert echter, dat hun inderdaad eene dergelijke wedergeboorte, _slechts_ met behulp der Duitschers werkelijk gelukt is.--Deze kernachtige, jeugdig frissche barbaren hebben, schier in iedere provincie van het Romeinsche rijk, een onafhankelijken staat gesticht, en daaruit een zelfstandig volk gemaakt. Van _hunne_ stichtingen dagteekent de oorsprong van bijna alle moderne natiën en rijken van ons werelddeel, die ten getuige daarvan nog ten huidigen dage grootendeels Duitsche namen dragen, zooals de Engelschen, de Franschen, de Russen, zoo ook de Lombarden, de Andalusiërs en andere.

Buiten de Romeinen is er geen volk in Europa te noemen, dat zoo veel gewerkt en uitgevoerd heeft als het Duitsche. Alle politieke scheppingen en werken der Iberische, Celtische, Finsche en Slawische rassen, zijn in vergelijking daarmede onbeduidend en gebrekkig geweest. "Uit het _romanisme_ en het _germanisme_, verklaren zich in hoofdzaak de Europeesche toestanden en verhoudingen." Wie den geest en de geschiedenis der Romeinen en der Duitschers kent, die heeft de beide uiteinden der as, waarom zich de geheele nieuwere volkengeschiedenis van Europa gedraaid heeft, in zijne hand.

Wat in den zonderlingen tijd, dien men de volksverhuizing noemt, Duitschland aan het buitenland gegeven heeft, welke Duitsche volken daarhenen togen, welke nieuwe rijken en natiën zij daar hielpen stichten, heeft men reeds getracht bij de betreffende landen en volken op te geven en aan te toonen. Hier zullen wij ons dus bepalen tot den voortgang der nationale ontwikkeling, binnen de grenzen van het moederland zelf.

Voor dit moederland was het eerste gevolg dier beweging en verhuizing, eene aanzienlijke verandering zijner grenzen, en een invloedrijk binnentrekken van vreemde stammen en vermenging met deze. Een _nieuw_ Duitschland, zooals ik zeide, werd daarbij gewonnen. De gezamenlijke Rijn- en Donaulanden, die te voren maar _half_ Duitsch, grootendeels Celtisch en Romaansch geweest waren, de Nederlanden, Lotharingen, de Elsaz, de Alpenlanden, Zwitserland, Vindeliciä, Rhaetie en Noricum, werden daarbij bijna geheel Duitsch gemaakt. Gelijktijdig echter ging daarbij een groot stuk van het oude Duitschland, de Noordelijke en Oostelijke gedeelten, voor langeren of korteren tijd verloren.

Het eerst kwamen, door de volksbewegingen in Europa gelokt, de Mongoolsche Hunnen uit het binnenland van Azië. Zij maakten onder hunnen machtigen Attila bijna geheel Oost-Duitschland, maar slechts voor korten tijd, van zich afhankelijk; zeer kort na de overwinning op Attila in de Catalaunische velden, door de West-Gothen, Bourgondiërs, Franken en Saksers onder Aetius behaald, maakte zich geheel Duitschland weder vrij, en ofschoon de opvolgers en stamverwanten der Hunnen, de Avaren, en vervolgens de Magyaren ook in latere eeuwen van uit dezelfde Zuid-Russische en Hongaarsche steppen-landen, nog herhaaldelijk in Duitschland verschenen, en gedeelten er van verwoest of bezet hebben, zoo is toch de invloed van al die Mongoolsche en Finsche indringers, op de Duitsche nationaliteit over het geheel slechts gering te achten.--Menige Mongoolsche en Finsche uitdrukking echter is aan de Duitsche taal blijven kleven, en ook is het bekend, dat de Duitschers aan de aanvallen dezer ruitervolken, en de pogingen die zij deden om ze te wederstaan, de meer algemeene verbreiding van den burchten- en stedenbouw te danken hebben.

Van meer invloed voor de Duitschers was de verschijning van een ander ras, en hunne, tengevolge der groote Germaansche volksverhuizing, plaats vindende uitbreiding, de inval der Slawen, die een groot gedeelte van het oude, door zijne vroegere bewoners verlatene Germanië, niet tijdelijk, zooals de Hunnen, bemachtigden, maar duurzaam als grondbevolking bezetten en met hunne stammen en geslachten vulden.

De Slawische Tschechen trokken de groote Boheemsche en Moravische bergketels binnen, waaruit de Duitsche Markomannen en hunne opvolgers, de Bojoariërs of Beieren vertrokken waren, en verbreidden zich van hier uit naar het Frankenland en in het Mainland. In het Zuiden van Boheme drongen, nadat de Longobarden Pannonië (Westelijk-Hongarije) verlaten hadden, de Slawische Wenden of Slovenzen in de Alpen-streken door, en bevolkten vele dalen van Karinthië, Krain, Stiermarken tot aan Tyrol toe, zoomede het Donau-dal zelfs tot aan de grenzen van Salzburg en Beieren. In het Noorden van Boheme echter grepen aan de Weichsel, Oder en Elbe, en langs den geheelen Zuidelijken rand der Oost-Zee, vele andere Slawische volken om zich heen, en bezetten de oude woonplaatsen der Duitsche Gothen, Bourgondiërs, Vandalen en Longobarden. De Slawische Wagriërs en Obotrieten rukten in het over de Elbe gelegen land der Saksers in Holstein; en de Polaben en Sorben drongen zelfs over de Elbe voorwaarts, tot in de Lünenburgerheide en tot het hart van Thüringen.

Gedurende de drie eeuwen vóór Karel den Groote, was de geheele Oostelijke helft van het land, dat wij nu Duitschland noemen, bijna _zonder_ Duitschers, bijna geheel door Slawen bewoond. De Duitschers moesten later, bij hun terugkeeren uit het Westen, zich hun oud vaderland terug _veroveren_. Bij de hardnekkigheid en de talrijkheid in bevolking der Slawen, is dit een zeer langdurig proces geweest, waaruit een nieuw of vernieuwd groot Oost-Duitschland, met gedeeltelijk Slawische fundamenten ontstaan is. Alle Duitsche stammen hebben deelgenomen aan dezen nationalen strijd, die als eene gedeeltelijke wedergeboorte van Duitschland, of als eene herstelling zijner oude grenzen beschouwd worden kan. Sedert den tijd van Karel den Groote, hebben zij langs de geheele lange lijn, van de Adriatische Zee tot aan de Oost-Zee, tegen de Slawen gestreden, en hebben zich daarbij zoowel in vredes- als in oorlogswerken hunne meesters betoond. Naast de ineenstorting van het Romeinsche rijk, en de vernieuwde herleving zijner deelen, is deze vervorming, beschaving en verduitsching van het Slawendom, als eene der grootste nationale zaken der Duitschers te beschouwen.

Behalve de Oostelijke Slawische gebieden, ging bij de volksverhuizing en de daaruit volgende uitbreiding van Duitschland naar het Westen, nog een ander land voor de Duitschers verloren, namelijk het Cimbrische schiereiland of Jutland, waaruit de Duitsche Anglen en Saksers naar Engeland trokken, en dat daarna door de Skandinavische Denen tot aan den Eider bezet werd. Ook om de herwinning van dit gebied hebben de Duitschers lang gestreden, somwijlen ook reeds in oude tijden overwinningen behaald, tot het hun eindelijk in den jongsten tijd gelukt is, ook hier hunne oude grenzen te herwinnen, en het verlorene ten minste grootendeels terug te krijgen.

Er worden ons in oude tijden vele Duitsche volkstammen genoemd, wier namen nu verdwenen zijn. De Romeinen spreken over de "Brukteren," de "Angrivariërs," de "Cheruskers," de "Chauken," de "Markomannen" en anderen. Gedurende de volksverhuizing zien wij de "West"- en "Oost-Gothen," de "Longobarden," de "Bourgondiërs," de "Vandalen," de "Gepiden," de "Herulers" en nog vele andere uit de wouden van Duitschland te voorschijn treden. Van verscheidene dezer namen weten wij niet, welke takken van den tegenwoordigen Duitschen eik tot hen behooren. Gedeeltelijk kunnen wij niet eens uitmaken, of door die namen werkelijk verschillende bloed- en taalverwante _volks_-afdeelingen, dan wel slechts onder een veldheer vereenigde wapengenooten aangeduid worden, die uit de verschillende brokstukken van geheel verschillende oorspronkelijke stammen bestonden en zich daarom onder dezelfde benaming aaneensloten, omdat zij tot eene zelfde onderneming uittrokken, zooals nog heden de volks-benamingen "Hannoveranen," "Baden," "Wurtembergers," "Pruissen," geene Duitsche stamverscheidenheid, maar slechts verschil in regeeringen of Koningen aanduiden. Verscheidene dier namen mogen echter werkelijk bijzondere volkstammen met eigenaardig dialect, gewoonten en bloed aangeduid hebben, en in hen mogen dan ook in der daad eenige gedeelten van het groote kapitaal van taal, karakter en ras der Duitschers afkomstig zijn. De meesten van hen echter zijn naar het wezen, nog wel nu in het Duitsche nationaal-lichaam voorhanden, alleen zijn hunne namen zoo veranderd, en hebben zij zelven door vermenging met anderen zooveel verandering ondergaan, dat wij ze niet duidelijk meer kunnen onderscheiden.

Ten tijde van Karel den Groote, die alle Duitschers onder één bestuur bracht, zien wij de voornaamste Duitsche stammen reeds onder de benamingen welke zij heden dragen, in hunne woonplaatsen zoo verdeeld, als zij ze nu nog in bezit hebben.

Vervolgens echter hebben zich, sedert den tijd van Karel den Groote, in den loop dier eeuwen-durende herwinning van het, door de Slawen en andere vreemde indringers bezette, Oostelijk-Germanië, uit deze oorspronkelijke stammen weder vele andere spruiten der natie ontwikkeld, die met nieuwe namen en nieuw gevormde taal- en karakter-eigenaardigheden, in de plaats dier in de volksverhuizing verdwenenen getreden zijn. Van een "Duitsch-Oostenrijker," een "Tyroler," een "Sileziër," een "Boven-Sakser" of "Meiszner," een "Brandenburger," een "Mecklenburger" of een "Lijflander," wisten noch de Romeinen, noch ook Karel de Groote iets af. Het zijn nieuw ontstane variëteiten van het Duitsche ras.

Wij zullen trachten, deze hoofd-variëteiten van het Duitsche nationaal-wezen, of de verschillende Duitsche volksstammen, vluchtig de revue te laten passeeren, en ze met weinig woorden te schilderen; zoo mede voor zoo veel ons bestek dat toelaat, op eenige hunner hoofdverdiensten voor het geheele volk en land te wijzen.

Om verscheidene redenen, die ik hier niet in het breede ontwikkelen kan, schijnt het mij het beste toe ze allen onder drie groepen, eene Zuidelijke, eene midden en eene Noordelijke groep, te rangschikken, en ze daarbij in die volgorde op te voeren, dat ik met het Zuiden en Westen begin, en zoo van den Rijn uit, naar het Oosten en Noorden ga.