Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 62

Chapter 623,494 wordsPublic domain

Sedert dien tijd is het Zuidelijke Nederland of België weder bijna in dezelfde mate geromaniseerd als ten tijde der oude Romeinen zelven. In geloofszaken ontvangt het de bevelen van Rome. Zijn wetboek is het door den Gallischen Imperator gegeven Code. De hoogere en beschaafde standen van het volk bedienen zich in den regel van de Fransche taal, die ook de taal der wetgeving, van het parlement en der gerechtshoven geworden is.--In het karakter van de hoofdmassa des volks, vertoonen zich wel overwegend de eigenaardigheden van den Germaanschen Nederlander, maar ook bij hen merkt men een sterke Fransche tint op. Een Engelschman zegt van de hedendaagsche Belgen: "zij hebben het oppervlakkige van den Franschman maar niet het bevallige;--den trots en de bigotterie van den Spanjaard maar niet de ridderlijkheid;--het uiterlijke gebrek aan vormen van den Duitscher, maar niet de trouwhartigheid."--Wanneer men de scherpe kanten van dat te harde oordeel wat afrondt, verkrijgt men misschien een goed portret der Belgen [48].

Het Nederlandsch-Vlaamsche Duitsch, waarin vroeger zooveel groots gewrocht werd, en dat het volk, zooals aangemerkt is, eens zelfs zoo lief was, dat zijne Koningen het leeren en spreken moesten, daalde tot eene illiterarische boerentaal af, waarin alleen nog de Brabantsche kantwerksters hare oude liederen zongen. Tot hare herleving is echter in den nieuwsten tijd eene kleine schaar, voor al wat Germaansch is in geestdrift ontstokene Vlaamsche patriotten, opgestaan, die nu weder met de Nederlanders het algemeen Nederlandsche volkslied zingen:

Wien Neerlandsch bloed door de adren vloeit, Van vreemde smetten vrij, Wiens hart voor land en Koning gloeit Verheff' den zang als wij. Hij stell', met ons vereend van zin, Met onbeklemde borst, Het Godgevallig feestlied in Voor Vaderland en Vorst.

en die zelfs ook met de Duitschers, in den lof op de "_Brüdertreue aller Deutschen Stämme_" en "_des groszen Vaterlandes_" instemmen, zooals de Vlaamsche patriotten dat, op het groote Vlaamsch-Duitsche zangersfeest te Brussel in het jaar 1846 gedaan hebben [49].

Tegenover het, op gezegde wijze door de Spanjaarden en Franschen in Zuid-Nederland zegevierende Romanendom, stonden in het einde der 16de eeuw de Hollanders onder hunnen Prins van Oranje op, even als vroeger hunne voorvaderen, de Batavieren, onder Claudius Civilis. Het is zeer opmerkingswaardig, dat de Romeinen reeds bij die oude Batavieren menige eigenschap prezen, waarom nog heden ten dage de Nederlanders geprezen worden [50]. Zij schenen hun zeer achtenswaardige menschen toe, van meer passieven dan actieven moed, die zich tot eene dappere verdediging hunner grenzen en hunner vrijheid bepaalden. In een vijftigjarigen [51], met afwisselend geluk gevoerden oorlog tegen de Spanjaarden, de toenmalige heeren der wereld, waarin zij zegevierend hunne onafhankelijkheid bewaarden, bewezen de nakomelingen dier Batavieren, hoe sterk de patriottische, dezen edelen Neder-Duitschen stam aangeborene, vrijheidsliefde is.--De geheele heerlijkheid en kracht van dezen stam vertoonde zich nu in even heerlijke bloesems en vruchten, als eens in het oude Vlaanderen in den strijd tegen Frankrijk. Al het echt Nederlandsche verzamelde zich onder de vanen der Hollanders. De Vlaamsche dichters en vrijheidsmannen, hunne geleerden, hunne kooplieden en de kapitalen van deze laatsten, vluchtten van Gent, Brugge en Antwerpen naar het Noorden, dat nu de opvolger van het Zuiden werd. De Hollanders werden nu (nadat zij den Spanjaarden en Portugeezen een groot deel hunner koloniën afgenomen hadden), wat hunne Zuidelijke broeders, de Vlamingen, vroeger geweest waren, "de handelaars en scheepvaarders van Europa", en maakten hun land tot het groote magazijn van het werelddeel. Men kan zeggen, dat de handels-aangelegenheden driemalen in handen der Nederlanders geweest zijn: eens in de 14de en 15de eeuw, het Bourgondische tijdperk, binnen Gent en Brugge; een tweede maal in de 16de eeuw onder Karel V en Filips II te Antwerpen; een derde maal in de 17de en 18de eeuw, in het op palen in een moeras gebouwde Amsterdam.

De Hollanders staken de banier der onafhankelijkheid niet alleen voor zich zelven op, zij lieten veeleer de vrijheidskleur hoog door geheel Europa wapperen. Alle door despoten vervolgden vluchtten (even als eens de Venetianen naar de Lagunen de wijk namen voor Attila) onder de machtige bescherming der Hollandsche moerasbewoners. Evenals hunne eigene landgenooten uit Antwerpen en Brabant, zoo namen zij ook de door dezelfde harde Koninklijke decreten gedrukte Israëlieten uit Portugal en Spanje op, die sedert eene zeer belangrijke kolonie onder hen gesticht hebben. De dertigjarige oorlog bracht hun ook grooten toevloed van krachten uit het toenmaals zoo ongelukkige Duitschland. En toen Lodewijk XIV in Frankrijk het edict van Nantes ophief, stroomde eene zoo groote menigte Fransche protestanten, kunstenaars en geleerden naar Holland, dat deze immigratie zelfs een weinig het Duitschdom der Hollanders schaadde, en het Fransche wezen bij hen het burgerrecht verkreeg. Vele beroemde Fransche geleerden en aanzienlijke mannen, vonden bescherming en erkenning hunner verdiensten bij hen. Een der grootste Fransche denkers, Des Cartes, schreef te midden der Hollanders zijne scherpzinnige en door de wereld bewonderde werken, die zijn naam onsterfelijk gemaakt hebben [52].--Ook de godsdienst-onlusten in Engeland dreven talrijke vervolgden naar Holland, en van hier uit en met Hollandsche schepen zeilden die Engelsche pelgrims uit, die de merkwaardige staten van Nieuw-Engeland in Amerika stichtten. Zelfs de grondvesting der nieuwe vrijheid in Oud-Engeland, kwam niet zonder medewerking der Hollanders tot stand. Het was een Hollander van geboorte en van karakter, Willem III, die met Hollandsche troepen aan de willekeur der Stuarts een einde maakte, en aan wien de Engelschen hunne "revolution", de eindelijke vaststelling hunner kerkelijke en staatkundige vrijheid, te danken hebben.

Zoo kan men dus zeggen, dat de Nederlanders dikwijls, vooral echter tweemaal, de voorvechters der politieke onafhankelijkheid voor geheel Europa geweest zijn, eens in oude tijden onder de Vlamingen, wien de eer toekomt, reeds in de midden-eeuwen den grondslag tot de burgerlijke en stedelijke vrijheid in Noordelijk Europa gelegd te hebben; en een tweede maal onder de Hollanders, wier vrijheidsoorlogen tegen de Spanjaarden en later tegen Lodewijk XIV, zooveel overeenkomst hebben met de oorlogen der Vlamingen tegen de oude Koningen van Frankrijk.

De inrichtingen, die de Hollanders ter bewaring hunner herkregene vrijheid, in het leven riepen, gingen uit van een bewonderenswaardigen geest van orde en omzichtigheid. Niet alleen was hunne vloot, toen ter tijd, een der best georganiseerde, maar ook, wat men van een handels- en zeevolk niet verwachten zou, in de kunst landtroepen te werven, discipline onder hen te brengen en te bewaren, werden zij een voorbeeld voor andere volken.--Hunne verstandige opwekkingen, hunne punctueele uitbetaling der soldij, verschafte hun de beste officieren en soldaten. Zij verwierven zich den roem, ook in militaire zaken, het eerst eene goede orde gebracht te hebben.--De organisatie hunner zee- en landmacht was zoo voorbeeldig, dat Christiaan V van Denemarken, Gustaaf Adolf van Zweden en andere Koningen, vele grondstellingen over krijgs- en legerzaken van de Hollanders overnamen. Zelfs Peter de Groote, de groote despoot van het Noorden, begaf zich, opgetogen van bewondering over dit vrije volk, naar de Hollanders, om hun leerling te worden; hij riep ze vervolgens naar zijn land, om met hunne hulp zijne vloot en zijne nieuwe residentie te bouwen.

In andere zaken, vooral in hunne financieele- en handelsinrichtingen, hadden zij reeds lang vóór dien grooten Czaar, vreemde Koningen en staatslieden ten voorbeeld gediend. Reeds Hendrik IV van Frankrijk was een bewonderaar der Hollanders geweest, en zijn groote minister Sully had hen bij zijn weg-, kanaal- en havenbouw, en bij zijne andere inrichtingen en hervormingen in Frankrijk dikwijls, even als later Peter de Groote, te hulp geroepen.

Men heeft de Nederlanders, wat betreft hunne orde op hunne zaken, met het oog op hunne handels-grondbeginselen, hunne militaire- en maritieme inrichtingen, en in menig ander punt, dikwijls met de Karthagers vergeleken. Zoo heeft men onder anderen opgemerkt, dat de Hollanders naast de Karthagers, het eenige volk in de geschiedenis geweest zijn, waaronder rijkdommen hunne gewone uitwerking, om eens weelde, verkwisting en verval van zeden te bewerken, niet gehad hebben. Een geest van spaarzaamheid, onthouding en bedachtzaamheid, is den Hollanders steeds eigen gebleven, zelfs toen zij de heeren van een groot deel van Indië waren, even als die geest den Karthagers steeds eigen gebleven is, zelfs toen hun uit de bergwerken van Spanje, de edele metalen bij massa's toevloeiden.

Met betrekking tot hetgeen zij op het gebied van kunsten en wetenschappen geleverd hebben, staan de Hollanders echter ver boven die oude Puniërs. Aan groote geleerden heeft het hun, sedert hunne zelfstandigheid, nooit ontbroken. Klassieke vorming was tot in den nieuwsten tijd bij de Hollanders bijzonder gezien. Als philologen hebben zij lang aan het hoofd gestaan der Europeesche geleerden.

Het meest echter hebben de natuur-wetenschappen te danken aan de Hollanders, aan wie, even als aan alle Neder-Duitschers, eene groote liefde voor de natuur eigen is. Hunne Swammerdams, hunne Boerhave's, hunne Huygens, hebben zich door geheel Europa beroemd gemaakt. En zelfs de grootste natuur-onderzoeker der vorige eeuw, Linnaeus, studeerde en leefde in Holland en schreef daar een gedeelte zijner beste werken.--Men zal moeielijk een land aanwijzen, waar men, zelfs in particuliere huizen, zooveel verzamelingen voor natuurlijke-historie aantreft als in Holland. Ook mag het in dit opzicht karakteristiek genoemd worden, dat eenige der uitvindingen, die het meeste nut voor de natuur-wetenschappen hadden, die van den telescoop, den microscoop en van den thermometer, in Holland gedaan zijn [53].

In geene kunst hebben niet alleen de Hollanders, maar _alle_ Nederlanders meer geleverd, dan in de schilderkunst [54]. Zij nemen in dit vak de tweede plaats na de Italianen in, die zij, wat rijkdom aan talenten en menigte van voortbrengselen betreft, bijna evenaren, maar met wie zij, wat betreft het karakter der schilderscholen, een opmerkelijk contrast vormen.--De zachte bevalligheid, de hooge idealiteit en het poëtisch schilderachtige der in geestdrift ontstokene Italianen, hebben de strenge Hollanders niet kunnen bereiken. In het teruggeven der _natuur_ en van het werkelijke, hun omgevende _leven_, toonden zij hunne hoofdkracht. Hunne groote meesters van Veen [55], van Dijck, Rembrandt waren in de opvatting van het individueele, als nabootsers van natuurverschijnselen, als portretschilders het grootst. Zelfs van Rubens zegt men in dit opzicht, kenmerkend genoeg, dat hij zijne schoone echtgenooten, die dikwijls voor hem zaten, veel beter terug gaf, als hij ze alleen portretteerde, dan wanneer hij ze idealiseerde.--Aan dier- en landschapschilders hebben de Nederlanders, even als aan stille natuurvorschers, een grooten rijkdom. Het bij hen zoo beminde, zoogenaamde "stilleven", is eene der voor hen meest karakteristieke kunsttakken, en op het schilderen van bloemen hebben deze bedaarde, natuurkundige, vlijtige menschen zich, even als op de bloemkweekerij, met eene voorliefde als geen ander volk, toegelegd. Het origineel dier geschilderde stillevens, bloem- en boomstukken, ziet men nog in duizend bevallige vormen bij hunne landgoederen, hunne geliefde buitenplaatsen, die, wat hunnen omvang betreft slechts hutten, maar inwendig paleizen zijn, waarin een geest van reinheid en nette sierlijkheid ieder voorwerp verfraait.

Het minst hebben de Nederlanders in de poëzie uitgeblonken, waarin trouwens alle Neder-Duitschers niet alleen bij de andere volken, maar in het bijzonder ook bij de Hoog-Duitsche stammen ten achter stonden [56]. Zij bezitten wel, even als andere volken, hunne oude volksliederen, en ook hunne "Maerlants", "Cats", "Tollens" en andere aan de Schelde en den IJssel gevierde muzen-jongeren [57], maar geen hunner heeft als een Portugeesche Camoëns, als een Italiaansche Petrarca, of als een Engelsche Shakespeare, de lier zoo luid en schoon getokkeld, dat men de echo zijner gezangen, ook in andere landen, krachtig en op den duur vernomen heeft. Ik zeg krachtig en op den duur, want wij Duitschers mogen niet vergeten, dat toch een korten tijd (in de 17de eeuw) onze Duitsche poëzie zoo laag en de Hollandsche zoo hoog stond, dat toen onze Opitz, en de andere eerste grondleggers onzer moderne literatuur, naar de Nederlanden gingen, om daar aan de Hollandsche hippokrene te putten.

In den aanhoudenden strijd met de elementen, waartoe hen de natuur van hun land, zijne _vochtige dampen_, die, als men niet aanhoudend poetst en schuurt, alles met roest en schimmel bedekken, zijne _wateren_, die, als men niet aanhoudend graaft en plaveit, alles in slik doen verzinken, waren de Nederlanders genoodzaakt met verstand, overleg, omzichtigheid en bedachtzaamheid te rade te gaan. Tucht, ordelievendheid, zindelijkheid, helderheid van oordeel, zijn op die wijze eene eigenaardigheid van hun karakter geworden. "Daarom haat deze berekenende en practische Nederlandsche mensch, al het vervloeiende en onbepaalde in gevoel en gedachten," wat hij, even als de Engelschman, den Duitschers verwijt. Maar niet zelden vervalt hij daarbij tot kleingeestigheid en middelmatigheid, even als wij Duitschers tot dweeperij en verwardheid.

Alle neigingen en begeerten zijn bij de Hollanders ietwat mat en koel, wat hun bij de volken van Europa den roep van groote, zich afzonderende en niet meer dan de hoog noodige woorden gebruikende flegmatici te zijn, gegeven heeft. Gloeiende wraak, jaloezie en andere hartstochten zijn, naar de meening van een Spanjaard, bij hen "onbekend." Hunne liefde vlamt niet, maar glimt slechts. Eer geldt bij hen minder dan geld [58]. Wanneer het echter op geldverdienen aankomt, zijn zij daar even tuk op, als de Romeinen op eene "verovering." Zij hebben meer gezond verstand dan vernuft en geest, meer natuurlijke goedhartigheid dan warm gevoel, en streven meer naar dat, wat zij gemakkelijkheid [59] (een der groote woorden in hunne dictionnaire) noemen, dan naar de vroolijke genoegens, die smaak en gezelligheid opleveren. Hunne genoegens zijn eenvoudig, en bepalen zich grootendeels tot den kring hunner huisgenooten, hunner familie en hunner beste vrienden. Men vindt bij hen meer menschen, die men hoogachten moet, dan menschen waarmee men zou kunnen dweepen, en hun land, dat den opmerker zooveel merkwaardigs en leerzaams aanbiedt, beloont meer de moeite het te bereizen, dan het aangenaam is te bewonen.

Hun nationaal-karakter bestaat uit werkzaamheid, rechtschapenheid en pedanterie. Wanneer men de koelheid van hun bloed, hun stijf, stil en langzaam wezen nagaat, verwondert men er zich over, hoe zulke flegmatische menschen zulke groote dingen tot stand hebben kunnen brengen. Maar de hun zoo eigene volharding, het hun natuurlijke, mannelijk volhouden in het moedig verdragen van ongevallen, en in de standvastige bestrijding van hinderpalen, is hun zoowel in hun privaat- als in hun publiek leven, het meest er bij behulpzaam geweest, dat zij--een volkje, dat nauwelijks ooit meer dan 2 millioen zielen telde--zoo hoog en vast gestaan, zoo diep ingewerkt en zoover om zich heen gewerkt hebben, als weinige der volkrijkste natiën. Als men, zooals de beroemde Sir William Temple mededeelt, in Holland eens menschen vinden kon, die 24 jaren aan eene volkomene herstelling eener aardglobe--of zelfs 30 jaren aan het mozaïkwerk van een tafelblad werkten,--of, zooals de kunstgeschiedenis leert, landschapschilders, die drie dagen bezig waren om een bezemsteel trouw weder te geven--of, natuuronderzoekers, die hun leven en hunne geleerdheid daartoe bezigden (en alleen daarom ook het graveeren in koper leerden), om eene enkele soort rups in al hare inrichtingen en haar geheele organismus te kunnen schilderen en portretteeren, dan begrijpt men gemakkelijk, dat zulke menschen iets solieds en van blijvende waarde moesten in het leven roepen.

In al hunne openbare betrekkingen hebben de Hollanders eene groote liefde voor rechtvaardigheid bewaard, want nauwelijks maakt de geschiedenis gewag van eene regeering, die door hare onpartijdige, onomkoopbare, en voor alle standen der maatschappij gelijke wetgeving en rechtswezen, beroemder geweest zou zijn, dan die der Nederlanders.--De oude Hollandsche bank was er beroemd voor, dat zij nooit meer bankpapier in omloop bracht dan waarvoor zij baar geld bezat. Zich groot voor te doen is nooit een nationaal-gebrek der Hollanders geweest; zij zijn niets minder dan pralers en zwetsers. Zij verachten of belachen het declamatorische bij hunne naburen, de Franschen. Nimmer hebben zij "Magnaten", of "Grandes" gehad. Die namen hebben wij (de Duitschers) uit Hongarije en Spanje ontvangen. De Nederlandsche grooten, rijken en machtigen, muntten steeds uit door eene groote mate van bescheidenheid. Hunne machtigen gebruikten hunne macht alleen daar, waar zij noodig was, maar brachten weinig daarvan in het particuliere leven over. Zelfs, toen zij over de schatten van Indië geboden, zag men hunne staatslieden, wier invloed somwijlen met dien van Koningen gelijk stond, zonder bedienden en te voet wandelen. En ook nu nog leven bij hen de rijken, ofschoon niet zonder eene zeer soliede luxe, toch stiller en gewoonlijk eenvoudiger en spaarzamer dan ergens anders [60].

Den grootsten dank echter is de wereld den Nederlanders daarvoor verschuldigd, dat zij in hunne geschiedenis het bewijs geven voor de waarheid, dat een volk, zelfs het kleinste, door eenstemmigheid in denkwijze onoverwinlijk wordt, en dat bovendien bij alle menschelijke werkzaamheden, standvastigheid en vlijt nooit hun doel missen. Het standpunt der uiterlijke macht der Hollanders staat nu niet meer zoo hoog als vroeger. "Zij gelijken een oud beroemd handelshuis, waarvan de draagbalken broos geworden zijn." Toch echter zijn bij de tegenwoordige vermindering van hun staatkundig gewicht, hunne zeden, hun volks-karakter, hun welstand volstrekt niet tot zulk een verval geraakt, als b.v. bij de Portugeezen, met wie men het lot der Nederlanders in menig opzicht het best vergelijken kan, het geval geweest is. Veeleer hebben zij, evenals toen zij op het toppunt hunner macht waren, toen hunne ster begon te tanen, dezelfde bedachtzaamheid, dezelfde huishoudelijke geest en hunne oude, goede zeden onveranderd bewaard, en de groote rust, die gedurende de laatste politieke stormen in Europa bij hen geheerscht heeft, schijnt een teeken te zijn, dat zij minstens nu niet ongelukkiger zijn, dan in de tijden, toen hunne Trompen en de Ruiters triumfeerend en zegevierend, met den bezem in den mast, op de door hen schoongeveegde zeeën rondvoeren, of toen hunne Oldenbarnevelds en de Witten in den raad der Europeesche Souvereinen veel te zeggen hadden.

DE ZWITSERS.

Van de Nederlanders wend ik mij nu tot de Zwitsersche Alpenbewoners, van de golven aan het strand der zee naar de bergen en hunne hemelhooge toppen. Op het eerste gezicht schijnt dit een enorme sprong te zijn en toch blijkt bij eene nadere beschouwing, dat die niet zoo groot is. Want, vreemd genoeg, hebben niet alleen de politieke toestanden maar ook de aanleg van het volk, in de hooge Alpen en in de lage moerassen, in vele punten zooveel overeenkomst, dat men bijna geneigd is aan eene geheime keurverwantschap tusschen beide landen en volken te gelooven.

Geographisch zijn zij reeds door den Rijn, die bij de Zwitsers ontspringt en bij de Hollanders in zee loopt, verbonden. Zoowel de bronnen als de mondingen van dezen grooten stroom, waren van oudsher de schouwplaatsen van merkwaardige vermengingen en oorlogen van het Celtisch-Romaansche en het Germaansche ras, zoodat wij dien ten gevolge in de Nederlanden, even als in Zwitserland, bijna in alle tijden der geschiedenis, deelen van beide groote stammen, tot een en hetzelfde nationaal of politiek geheel, vereenigd zien.

De vele breede stroom-armen en zeeboezems, die de Nederlanden in eene menigte eilanden en deelen verdeelen, hebben daar dezelfde uitwerking gehad, als in Zwitserland de bergen en bergruggen, die het hooge land evenzoo in onderdeelen splitsen, en in beide landen heeft zich daardoor een veelzijdig leven en werken van kleine vrijstaten, nevens, met en tegen elkander ontwikkeld.--De moerassen en onderwaterzettingen in de lage landen, hielpen de vrijheid der bewoners even zoo verdedigen, als in de hooge bergstreken de ontoegankelijke ijsvelden en ongenaakbare bergtoppen deden, en gene hebben bij de Hollandsche visschers eene even groote zucht tot onafhankelijkheid doen ontstaan, als deze het bij de arme herders der Alpen deden. Ook de natuurlijke gesteldheid des lands, de strijd met de elementen, dààr met de zee, hier met de aan sneeuwvelden en gletschers verbondene bezwaren, heeft in beide landen een volhardend en dapper geslacht doen ontstaan, en tegelijkertijd heeft bij beide volken de oorspronkelijke armoede van het land, de ondernemingsgeest der bewoners opgewekt.--De Zwitsers, aan de grenzen en bergpassen tusschen het Noorden en het Zuiden, aan de uitgangs punten van groote stroomen op post gesteld, werden op het vaste land even ijverige tusschenhandelaars als de Nederlanders op de zee. Ook hebben gene naar hunne bergdalen, even als deze op hunne duinen en heidevelden, verscheidene takken van industrie overgeplant, waardoor zij welgesteld en voor de geschiedenis der ontwikkeling belangrijk geworden zijn.

In de republikeinsche gewoonten, in den godsdienstigen zin, in de kerkelijke zaken van beide volken, vinden wij menigmaal (somwijlen tot in de kleinste bijzonderheden toe) eene verrassende overeenkomst. Beide zoover van elkander verwijderde volken, Nederlanders en Zwitsers, waren eens op gelijke wijze met het Duitsche rijk verbonden, zooals zij zich eens, ook weder op gelijke wijze, er van gescheiden hebben.

Met betrekking tot de allervroegste bewoners van Zwitserland, heeft men in de laatste jaren hoogst merkwaardige ontdekkingen gedaan en onderzoekingen ingesteld.--In eenige zeer drooge zomers, waarin de Zwitsersche meren, ver binnen hunne gewone oevers, zich terugtrokken, heeft men aan hunne randen, eeuwenoude, in het water staande paalwerken, en naast deze palen, op den bodem der meren verzonken, gereedschappen, werktuigen, wapens, huisraad, visschers-booten van de ruwste en eigenaardigste gedaante gevonden. Waarschijnlijk was het toen aan de oevers der fraaie Zwitsersche meren wonende en visschende volk, verwant met en van denzelfden tijd als de primitive rassen, van welke men ook in Denemarken, Frankrijk en Engeland in den laatsten tijd zulke belangrijke sporen ontdekt heeft, en van welke menigeen vermoed heeft, dat het Finsche stammen geweest zijn, die eens (misschien verscheidene duizende jaren voor Christus geboorte) het geheele nog uit moerassen en wouden bestaande Noord- en Midden-Europa bewoond hebben.