Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 61
Er gebeuren echter geen _wonderen_ in de geschiedenis. En wij ontdekken daarom ook in de Nederlanden menige gunst en gave der natuur, die een evenwicht vormen met die misdeelingen. De mensch ontwikkelt zich immers even weinig dáár, waar de natuur geheel ondankbaar en karig _alles_ ontzeide, als dáár, waar zij welig _alles_ van zelf opleverde; het best echter ontwikkelt zij zich daar, waar zij den hoogsten prijs voor de grootste werkzaamheid uitloofde. En dit vooral was in de Nederlanden het geval.
Zeer veel hebben de Nederlanders in de eerste plaats te danken aan de omstandigheid, dat hun land het mondingsgebied der boven genoemde rivieren vormt. Deze komen met kalmen loop, uit de berglanden, als bevaarbare, breede kanalen het land binnen. Zij voeren den detritus der hoogere streken, als vet slijk met zich mede [32], en vormen in de Nederlanden, waar zij in de zee uitstroomen, eene delta, wier bodem, als men hem tegen de elementen wist te beschermen, alle moeiten even rijkelijk beloonde als Egypte, en vervolgens de schoonste weiden en krachtigste kudden, en alle producten van land- en tuinbouw in de grootste volkomenheid opleverde. De rivieren brengen tevens de waren en voortbrengselen der hoogere streken van een groot, heerlijk, en wel voorzien gedeelte van Europa mede, die hier een uitweg in den Oceaan en een middel om aan het wereldverkeer deel te nemen, zoeken. De rivieren verdeelen zich verder in verscheidene armen, die als aderen door het geheele land heen loopen, en die, terwijl zij overal zijne door de natuur of kunst gevormde kanalen spijzigen, in alle hoeken des lands tot verkeer en scheepvaart uitnoodigen.--Reeds als het natuurlijke mondingsland, als het hoofd en het doel, waarheen Rijn, Maas en Schelde afsnellen, moet Nederland dus als een zeer bevoorrecht land beschouwd worden.
Van even groot gewicht echter is het, dat de uitwatering dezer rivieren juist plaats heeft op een punt welks geographische ligging, ten gevolge der gedaante van het geheele Europeesche vastland, van zeer groot belang is. Alle groote rivieren van het oostelijk Europa aan gene zijde van den Rijn en de Elbe, de Donau, de Weichsel, de Oder enz. verliezen zich in meer of minder geslotene of verborgene zeebekkens. De rivieren der Nederlanden zijn in westelijke richting de eerste, die den vrijen Oceaan bereiken, en wèl in de nabijheid van het groote zee-kanaal, dat de Noordelijke en Zuidelijke zeeën van ons vaste land verbindt. Hare mondingsgebieden (de Nederlanden) liggen juist op de grenzen van het Noorden en het Zuiden van ons werelddeel, in het midden der lange kusten van het Europeesche schiereiland. Het verkeer en de onderlinge ruiling van Noord en Zuid, ontmoetten elkander hier op het natuurlijkst. Het is deze zelfde gelukkige ligging, die aan de andere zijde van dit kanaal (de Noordzee) ook Engeland en vooral Londen groot gemaakt heeft.
Hieruit laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat bij zoo groote aansporing tot werkzaamheid, als de natuurlijke gesteldheid, naast al het boven aangegeven gemis, den bewoners gaf, zich hier een degelijk volk vormen moest. Merkwaardig genoeg hebben ook de omstandigheden en gebeurtenissen, hier een menschengeslacht aangevoerd, dat reeds van nature vele eigenschappen bezat, die wenschenswaardig waren, zoowèl ter benutting der natuurlijke voordeelen, als ter overwinning der natuurlijke hinderpalen dezer streken.--De ernstige, geduldige, volhardende, praktische, vrijheidlievende stam der Neder-Duitschers, die zich over de geheele Westelijke helft der Noord-Europeesche vlakte uitbreidde, heeft ook alras het in vele opzichten belangrijkste stuk dier vlakte, haar Westelijk uiteinde aan Schelde en Rijn, in bezit genomen en heeft eenige zijner krachtigste takken daarheen verplant.
De Romeinen, wier schrijvers het eerste licht op de bevolking der Nederlanden werpen, stieten hier op Germaansche volken [33], die hun bijzonder dapper en flink toeschenen. Onder de vele namen, die zij noemen, zijn die der "Friezen" en der "Batavieren" [34] de voornaamste. Deze, die de Noordelijke helft der Nederlanden bewoonden, worden door de Romeinen als zuivere, onvermengde Germanen aangegeven. Van de Batavieren hoorden zij, dat die van de landstreken aan den Wezer afkomstig waren [35]. In de Zuidelijke helft van het land echter, vonden reeds de Romeinen zulk eene vermenging van Germaansche en Celtische stammen, als wij daar nu nog aantreffen, en die den ouden naam "Belgen" behouden hebben.
Waarschijnlijk streden dus de Celten (de bewoners van Frankrijk) en de Germanen, reeds _lang_ voor den tijd der Romeinen om de heerschappij over het land. En ook lang na hen, tot op den nieuweren tijd toe, is deze strijd voortgezet, zoodat men schier de geheele ethnographische geschiedenis der Nederlanden als een, nu en dan afgebroken, strijd tusschen Germanen en Celto-Romanen, om het bezit der zoo gewichtige mondingen van Schelde en Rijn beschouwen kan.--Het is een strijd, die wel vele wisselvalligheden heeft, maar waarbij toch meestal het beste, wat in die streken verricht werd, van Germaansche zijde uitging.
Het eerst verschaften de Romeinen de overhand aan het Zuiden. Zij maakten het Zuidelijk gedeelte der Nederlanden tot eene Romeinsche provincie, en dwongen zelfs de dappere Batavieren en de vrije Friezen, ten Noorden van den Rijn, door kracht van wapenen en staatkunde, tot een bondgenootschap [36].--Even als later Napoleon, gebruikten zij de Nederlanden en de monden van den Rijn, als operatie-basis tegen Noordelijk-Duitschland. Maar zij hadden daar de opstanden der vrijheidlievende bevolking onder den beroemden Batavier Claudius Civilis te bestrijden, die in zeer veel opzichten overeenkwamen met den lateren opstand en oorlog der Hollanders onder Willem van Oranje tegen de Spanjaarden.
De Romeinen, die het kanaal- en dijkwezen, in het Nijl-dal hadden leeren kennen, hebben, naar men meent, deze kunsten, die later door de landskinderen zulk eene hooge mate van volkomenheid bereikten, het eerst in de Nederlanden ingevoerd [37].
Op den terugtocht der Romeinen volgde in de Nederlanden, even als overal, een overwicht van het Duitsche ras. Uit dezelfde streken, waaruit aan de Nederlanden hunne eerste Germaansche bevolking toegestroomd was, van den Wezer en van den midden-Rijn, uit het land der Katten en Brukteren, kwam een nieuw Duitsch volk, de zoogenaamde Salische Franken, dat de Friezen, de Batavieren en de andere Duitsche stammen der Nederlanden van het juk der Romeinen bevrijdde en ze in eene Duitsche monarchie, de Frankische, vereenigde.--Deze "Franken" zelven waren, even als de oude Batavieren, oorspronkelijk een Nederduitsch volk-mengsel. Zij smolten gemakkelijk met de inboorlingen samen, en brachten de oude Germaansche wetten en zeden van dezen, die met hunne eigene overeenstemden, weder in zwang. Even als de Romeinen tegen Noord-Duitschland, zoo maakten nu de Franken bij hunne voorwaartsche bewegingen naar het Zuiden, tegen Gallië, de Nederlanden tot hunne operatie-basis.
Men kan de stichting der groote Frankische monarchie in Frankrijk, als van de Nederlanden uitgegaan, in zekeren zin als eene Nederlandsche verovering beschouwen. Merwig, de stichter van het Merowingische Koningsgeslacht, is een Nederlandsche naam, zooals ook de naam der zoogenaamde Salische Franken in de Nederlanden (aan den "Isala") te huis behoort. "Heristall"--"Landen" zijn Nederlandsche plaatsen, waaraan Pepijn van Heristall en Pepijn van Landen, de stichters der Karolingische dynastie, hunne namen ontleend hebben, zooals dan ook de Koningen van dit geslacht, zelfs Karel de Groote, hunne residentiën en hunne huis- en familiegoederen in of nabij de Nederlanden bezaten.--In het Frankische tijdperk werd de grond tot den tegenwoordigen toestand en geest der Duitsche Nederlanden gelegd. Duitsche grondbevolking verspreidde zich langs de zijtakken der Schelde tot diep in het Gallische gebied en langs de kusten tot naar Calais toe. In dien tijd heeft zich de eenheid der Germaansche taal gevormd, die de inboorlingen nu met de woorden "Neder-Duitsch" bestempelen, en die men nu in twee, zeer weinig van elkander verschillende deelen, den Vlaamschen en den Hollandschen tak, splitsen kan, alsook de volkssoort uit eene versmelting der oude Batavieren met de Franken, Friezen en Neder-Saksers.
De germaniseering van het land onder de Franken, ging echter slechts zoo ver, als het eigenlijke vlak- of Nederland reikte. Zij stootte haar hoofd aan de wouden en bergen der Ardennen. In deze Ardennen, in hare rotskloven en in de diep ingesnedene rivierdalen der Sambre en Midden-Maas bleef een gedeelte der door de Romeinen geromaniseerde Celtische bevolking bestaan, het volk der zoogenaamde "Walen", die wel meestal in de politieke lotgevallen hunner Duitsche naburen deelden en van hen menigen wijzigenden invloed erlangden, maar zich in hoofdzaak nog altijd als een Romano-Gallisch volk van bijzonderen aard en eigenaardige zeden vertoonen; zij hebben een gedrongen, middelmatigen lichaamsbouw, zwart hoofdhaar, zijn levendiger en bewegelijker, maar minder gestadig dan de Duitsche Nederlanders en bezitten eene taal, die slechts eene onderafdeeling van het dialect van Noord-Frankrijk is.
Deze Walen, van wie de Vlamingen het oude spreekwoord hadden: "_wat Walsch is, valsch is_," of van wie zij ook wel zeggen: "_de Vlamingen mogen den Walschman met zout noch smout_," hebben meermalen storend op de ontwikkeling der Nederlanden gewerkt, en het zou voor hen heilzaam geweest zijn, als zij dezen vreemdsoortigen druppel hadden kunnen kwijt raken. Tijdens de kerkhervorming waren zij de steunpilaren van het katholicisme, en hielpen zij de Jezuïten de hervorming in het Zuidelijke gedeelte der Duitsche Nederlanden tegenwerken. De Waalsche regimenten hebben zich, in Spaanschen en Oostenrijkschen dienst, op eene den Noord-Duitschers zeer onwelkome wijze, beroemd gemaakt. Ook in den nieuweren tijd waren het hoofdzakelijk weder de Walen, die als aanvoerders de toestanden der Belgische zaken op Fransche leest schoeiden, en die daar met de leiders der Vlaamsche of Duitsche beweging streden en nu nog strijden, ten behoeve van Fransche taal en zeden. [38]
Even als de groepeering van de beide hoofd-massa's der bevolking van de Nederlanden, zoo stammen ook uit dien Frankischen, en vooral uit den Karolingischen tijd, de nu nog bestaande vele onder-afdeelingen van het land, af. De Koningen der Franschen plaatsten aan het hoofd van verscheidene districten, Stadhouders en Graven, wier betrekkingen weldra in de door hen gegrondveste Vorstengeslachten erfelijk werden. Op deze wijze ontstonden de graafschappen Vlaanderen en Holland, de hertogdommen Brabant en Gelre, zoo ook het bisdom Luik, het aartsbisdom Utrecht en al die andere kleine, merkwaardige landjes, die nog heden als provinciën der Koningrijken Nederland en België bestaan.
Ten tijde van den bloei der Duitsche macht, onder de Saksische en Hohenstaufische Keizers, waren bijna al die Nederlandsche Vorsten vazallen van het Duitsche Rijk, maakten er op dezelfde wijze een deel van uit als Schwaben of Saksen, en werden onder den naam Neder-Lotharingen samengevat. Ook namen toen alle Nederlanders deel aan alles, wat het Duitsche volk aanging. Graven van Holland trokken onder de banier der Duitsche Keizers naar het Heilige land, en Hertogen van Brabant worden in de geschiedenis der Duitsche literatuur, onder de Duitsche minnezangers genoemd.
Gedurende de geheele middel-eeuwen, traden de _Zuidelijke- of Belgische Nederlanden_ het meest op den voorgrond. Van de Noordelijke Nederlanders was toen weinig sprake. Vooral de aan de zeekust wonende, dappere, manhaftige Vlaanderen of Vlamingen stonden aan het hoofd. Aan hen is daarom ook de volksnaam voor alle Zuidelijke Nederlanden van Duitschen stam ontleend.--De Vlaamsche steden Gent, Brugge en andere, werden vroegtijdig door den handel rijk aan volk en goed. Bij hen begonnen handwerken en kunsten zulk een hoogen trap van bloei te bereiken, als buiten Italië, toen in geen ander land yan Europa aangetroffen werd. In hunne oorlogen met de Koningen van Frankrijk, brachten zij legers op de been die zoo talrijk waren, en leverden zij hun overwinnende veldslagen, die zoo bloedig waren, dat men met recht over zulke reusachtige krachtsinspanning verbaasd staat, en dat zelfs de in den slag der gouden sporen en andere ontmoetingen, door hen dikwijls geslagen Koning van Frankrijk, Filips de Schoone, eens uitriep: "dat het scheen alsof het in dat kleine Vlaanderen krijgslieden spuwde en regende."
De Graven van Vlaanderen behoorden tot de aanzienlijkste en rijkste Vorsten van Europa. Zij, zooals alle Belgische Nederlanders, speelden eene groote rol in die merkwaardige expeditiën der Europeanen, die men kruistochten noemt. Godfried van Bouillon en de eerste Koningen van Jeruzalem waren Belgen van geboorte, en een Graaf van Vlaanderen zette zich in Constantinopel de Keizerskroon op het hoofd.
Toen met het verval zijner macht, het Duitsche Keizerrijk ook zijn invloed en zijne bezittingen aan gene zijde der Jura en der Vogesen langzamerhand verloor, verhief zich hier, onder den zoon van den Koning van Frankrijk, het huis der Hertogen van Bourgondië, dat zoo gelukkig was, deels door huwelijken en erfenissen, deels door veroveringen in den loop der 15de eeuw, alle Nederlandsche landschappen, tot aan de grenzen van Oost-Friesland, te verkrijgen en tot één grooten staat te vereenigen.--Het was sedert de tijden der Merowingers voor den eersten keer, dat alle Nederlanden onder één Vorst, de hoofdkern en het gewichtigste deel van een opkomend rijk vormden.--De Bourgondische Hertogen waren, tengevolge van hunnen Franschen oorspong, de Fransche taal en Fransche zeden zeer genegen, en hunne heerschappij heeft het meest er toe bijgedragen, om beiden in de Zuidelijke Nederlanden ingang te doen vinden, vooral bij den adel en de Vorsten van het land, ofschoon het volk zich nog dikwijls en lang daar tegen verzette, en zich het gebruik zijner Neder-Duitsche taal, in openbare verhandelingen liet verzekeren.
Al de, toen 16, Nederlandsche provinciën, werden wel door Keizer Maximiliaan I, aan wien ze door zijne gemalin Maria van Bourgondië, na het uitsterven van den Bourgondischen mannelijken stam, toevielen, onder den naam "_Bourgondische Kreits_," weder met het Duitsche rijk verbonden [39], maar deze verbinding bestond eigenlijk slechts in naam en was tijdelijk. Want reeds de kleinzoon van dien Duitschen Keizer, Karel V, vereenigde ze 40 jaren later, als een, zooals hij zeide, voor eeuwig onscheidbaar land, met de kroon van Spanje. Onder dezen Keizer, die een geboren Nederlander was [40], die met voorliefde de Nederlandsche taal sprak, en dien daarom de Nederlanders nog heden met trots een hunner grootste landslieden noemen en in zekeren zin als een Belgisch Vorst beschouwen, ("als een der schoonste paarlen," zooals een patriotisch geschiedschrijver uitdrukt, aan den krans van Belgiës roem)--onder dezen Karel V, zeg ik, en ten deele ook nog onder zijn zoon Filips II, bleven alle Nederlanders, even als onder de Hertogen van Bourgondië, onder ééne macht vereenigd.--De duur dezer vereeniging omvat eene tijdruimte van ongeveer 150 jaren [41]. Het was het tijdperk van den hoogsten bloei in het vereenigde land.
Toen was in de Zuidelijke Nederlanden, het eerst, gedurende den Bourgondischen tijd in Brugge, later gedurende den Spaanschen tijd in Antwerpen, de wereldhandel op dezelfde wijze geconcentreerd, als hij het nu in Londen is. Daar waren ook de fabriceerende Manchesters van het toenmalige Europa.--Er waren in België steden, als Yperen, die nu nauwelijks meer genoemd worden, waarin gedurende den Bourgondischen tijd 200.000 handwerkslieden en kunstenaars aangetroffen werden. Niet minder telde men in de stad Leuven. Gent alleen bezat 40,000 weefstoelen. De stad Damme, nu een dorp, was toen zoo sterk, dat Koning Karel VI van Frankrijk, die haar belegerde, daartoe te vergeefs een leger van 80,000 man aanwendde.--De burgers dezer Vlaamsche steden spreidden een zoo groote pracht ten toon, dat eene Koningin van Frankrijk, (Johanna, gemalin van Filips den Schoone), toen zij eens naar Brugge kwam, verwonderd uitriep, dat zij gedacht had hier de eenige Koningin te zijn, maar dat zij door de burgervrouwen der stad zich als door honderd Koninginnen omgeven vond; en toen later de Spaansche soldaten, dit land en zijne zich dicht bij elkander bevindende plaatsen, te zien kregen, meenden zij en berichtten zulks naar Spanje, dat geheel Nederland ééne enkele stad was.
Toen werden ook door de Vlaamsche Nederlanders, eenige der voornaamste en voor de Europeesche beschaving meest belangrijke uitvindingen gedaan of over de wereld verbreid. Laken- en tapijtweverijen vooral, bloeiden nergens zoo sterk als daar, en hebben zich van de Nederlanden naar Duitschland, Frankrijk en Engeland verbreid. De kunst, allerlei figuren in het lijnwaad te weven, heeft in Vlaanderen haren oorsprong gehad.
De Brabantsche kant-fabricatie, was een geheel eigenaardige tak van industrie der Nederlanders, waarin nog geen ander volk het hun afgewonnen heeft, en met wier kostbare en smaakvolle producten zij, sedert het Bourgondische tijdvak, de schoonen van alle landen der wereld versierd hebben.--Lodewijk Berken uit Brugge [42], vond de kunst uit, de diamanten op ijzeren platen met hun eigen stof te slijpen.--Ook de steenkolen, eene stof, die tegenwoordig eene zoo groote rol in de wereld speelt, zijn door de Nederlanders het eerst ontdekt [43], gegraven en gebruikt, en de Vlaming Willem Beukelszoon, heeft door zijne uitvinding van het haringkaken, de nu in alle Europeesche huishoudingen zooveel gebruikte haringen, het eerst tot algemeen nut gemaakt, en aan de haringvisscherijen haar, zelfs in de politiek niet te miskennen, gewicht gegeven.--Door Vlaamsche kooplieden werden de in Italië uitgedachte wissels het eerst in den Noord-Europeeschen handel ingevoerd.--Zij hadden reeds in het begin der 14de eeuw _kamers van verzekering_, de _eerste_ die in Europa ontstonden [44]. Ook moet de handels "beurs" van eene Vlaamsche familie, de heeren "van Beurse", in wier huis de handelsheeren van Brugge hunne bijeenkomsten hielden, haren overal in Europa in zwang zijnden naam ontvangen hebben.
Uit de bronnen van den rijkdom des lands ontsprong een opgewekt leven op het gebied der kunst. De fraaiste kerken verhieven zich op den bodem des lands. De bouwkunst, de schilderkunst, de muziek hebben aan de Schelde en aan den Neder-Rijn een hunner voornaamste wiegen en zetels gehad.--De Hertogen van Bourgondië, die toen gedurende eenigen tijd de Europeesche mode beheerschten, die in de 15de eeuw den toon gaven in alles wat kleederdracht, kunst en industrie betrof, waren ook groote liefhebbers der muziek, die gedurende hunne heerschappij door de Vlaamsche Belgen met meer succès dan door andere natiën beoefend werd [45]. Het waren Neder-Duitsche of Vlaamsche Belgen, die in Frankrijk en Italië de muziek als eene wetenschap invoerden, en als kapelmeesters aan de hoven der Koningen, zelfs aan het hof der zoo ver van hun land verwijderde Vorsten van Arragon schitterden.--Jan van Eyk, een tijdgenoot van den Bourgondischen Hertog Filips den Goede, een der grootste schilders uit de oudere Vlaamsche school, vond het schilderen met olieverf uit of voerde die kunst ten minste algemeen in, en gaf daardoor aan de kleuren, die men vroeger met gomwater, eiwit of was aanmengde, dien frisschen gloed, dien wij nu niet gaarne bij haar zouden ontberen. Ook verbeterde hij de kunst om op glas te schilderen in die mate, dat zij eene geheel nieuwe kunst werd [46].
Even als in de, in de steden te huis behoorende, kunsten en handwerken, bereikten de Nederlanders ook reeds vroeg eene groote volkomenheid in den landbouw en werden daarin reeds in de 12de eeuw zoo beroemd, dat men hen dikwijls naar vreemde landen riep. Ten gevolge van de oorspronkelijke natuur van hun land, werden zij vooral zeer bekwaam in het bruikbaar maken van waterige of moerassige landstreken. Het ontbrak in hun stormachtig en door partijschappen verdeeld land nooit aan vervolgde en onderdrukte klassen der maatschappij, die gaarne zulke uitnoodigingen naar het buitenland aannamen.--Reeds in de meergemelde 12de eeuw, gingen Hollanders, Zeeuwen en Vlamingen in grooten getale naar de Havel en de Spree. Hunne kolonisten namen een groot deel van de tegenwoordige Pruissische Altmark in bezit, waar zij Tangermünde, Seehausen, Stendal, en andere steden stichtten [47]. Ook zouden door hen Keulen aan de Spree en andere gedeelten van Berlijn, gebouwd zijn.--Van grooten invloed waren deze Nederduitsche kolonisten op de lage streken aan de Eems, Wezer en Elbe. Men kan zeggen dat de geheele Noord-Duitsche vlakte tot aan Pommeren en Kopenhagen toe met hunne nederzettingen doorweefd werd. Vele der Noord-Duitsche broeklanden brachten zij tot den bloei, waarin wij ze nog heden ten dage zien. In het Noord-Duitsche dijk- en kanaalwezen, in de Noord-Duitsche veen- en turfkoloniën, hebben de Duitschers zich hen tot model gekozen. Bij den Noord-Duitschen weg- en waterbouw, zijn zij in den nieuweren tijd nagevolgd en heeft men zich van hunne hulp bediend.--Toen de Spanjaarden de vrijheid en levenskracht der Zuidelijke Nederlanders braken, ging een groot deel hunner fabrikanten en handwerkslieden naar Engeland, waarheen zij hunne kunsten en handwerken overbrachten, en eerst van dien tijd af begon Engeland in stede der Nederlanden, aan het hoofd der Europeesche industrie te staan. Meermalen zijn de Engelschen de scholieren en leerlingen der Nederlanders geweest.
De, tot op den Spaanschen tijd, staatkundig vereenigde Nederlandsche volksstam werd tengevolge der Kerkhervorming, in eene Zuidelijke of Belgische, en eene Noordelijke of Hollandsche helft gesplitst.--Aanvankelijk schenen alle Nederlanders van Duitschen stam, uit oude sympathie, de van hunne Noord-Duitsche naburen en broeders uitgaande beweging te willen volgen. Ook in Vlaanderen en Brabant werden, evenals in Holland en Friesland ten tijde van Luther, de beelden op zij gezet en de godsdienst gezuiverd; maar de Koning van Spanje herstelde, met behulp der Walen en een deel van den geromaniseerden adel, zijne macht en die van den Paus in de Zuidelijke provinciën. Na dien tijd bleven deze ook onder de, den Spanjaarden opvolgende Oostenrijkers, de Romeinsche wereld toegedaan, en van hunne Neder-Duitsche broeders in het Noorden, die hunne kerkhervorming doorzetten en hunne vrijheid handhaafden, afkeerig.
Aanzienlijke gedeelten van het oude land van Vlaanderen, werden in de bloedige oorlogen, die Lodewijk XIV om hun bezit vernieuwde, zelfs geheel van de Nederlanden gescheiden, van het Germaansche lichaam losgemaakt en onder Fransche heerschappij bijna geheel verfranscht. Maar ook de rest der Zuidelijke, zoogenaamde Spaansche of Oostenrijksche Nederlanden, werd nu in hoogere mate dan in het Bourgondische tijdperk geschied was, in het net van Fransche taal en zeden getrokken, gedeeltelijk ten gevolge der vrijwillige bewondering, die de bloeiende literatuur en kunst hunner hierin uitmuntende naburen hun afdwong, gedeeltelijk tengevolge van het veelvuldige verkeer met de Fransche ambtenaren en legers, die het geheele land herhaalde malen veroverden en op Fransche leest schoeiden, zooals b.v. in den Oostenrijkschen successie-oorlog van 1744 tot 1748, en later weder eens ten tijde van Napoleon van 1794 tot 1814.