Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 60
Laten wij echter deze fijnere schakeeringen rusten en bepalen wij ons er bij, de kleur van het geheele volk in het groot te beschouwen, dan zien wij in het Zweedsche nationaal-karakter en type wel vele trekken, die het met alle stammen der groote Germaansche familie gemeen heeft, maar aan de andere zijde ook niet weinig eigenaardigheden, die het van zijne andere verwanten zeer doen verschillen.
In de reislust, die zijn borst ontgloeit, die de Zweedsche dichters even veel bezingen als de Duitsche, zoo mede in de innige en warme liefde voor de natuur, die bij hen, even als bij andere Germanen, eene reeks der uitstekendste natuurvorschers deed ontstaan, hebben de Zweden overeenkomst en verwantschap met de Germanen.--Even als het wezen en de geest der Germanen, zoo zijn ook die der Zweden in hooge mate vormbaar en vlug. Vreemde manieren, zeden, taal en gewoonten leeren zij, even als de Duitschers, gemakkelijk aan, en maken zij zich nog gemakkelijker eigen dan deze.--Even als vele andere Germanen, hebben zij ook altijd eene groote neiging gehad, voor het tot de vizioenen- en geestenwereld behoorende, en Swedenborg en consorten hebben bij de Zweden evenveel aanhangers gevonden, als bij de Duitschers Stilling, de zienster van Prevorst enz. En even als bij andere Germanen ligt ook bij de oud-Luthersche Zweden, eene groote vroomheid, eene diep ernstige godsdienstigheid, tot grondslag dezer neiging.
Daarentegen springen ons weder vele andere eigenaardigheden bij de Zweden in het oog, die met het ernstige grond-karakter der Germanen in tegenspraak schijnen te zijn. "Naast zijn Germaanschen ernst in godsdienstzaken, bezit de Zweed eene zekere onbestendigheid en eene groote neiging tot glans en praal, eene soort van lust tot pronken en schitteren, die hem niet alleen van den Duitscher, maar ook van den Noorweger en den Deen onderscheidt. Hij heeft eene bepaalde voorliefde voor uiterlijke vormen, voor het ceremonieele, en spreidt die gaarne ten toon. In _dit_ opzicht kon men de Zweden, de _Spanjaarden_ van het Noorden noemen." Zijn streven naar het liefelijke openbaart zich zelfs in zijne taal, die de welluidendste en muzikaalste onder alle Germaansche tongvallen is, even als het Italiaansch zulks is onder de Romaansche, als ook daarin dat aesthetische ontwikkeling in Zweden altijd hooger stond, dan wetenschappelijk onderzoek en werkzaamheid. "Zij zijn meer geniale kunstenaars en dichters, dan ijverige geleerden. En ook weder in hunne poëzie toonen zij, nevens het bedaarde en bedachtzame karakter en den rijkdom van gedachten, die zij met den Duitscher gemeen hebben, tegelijkertijd iets dartels, iets phantastisch, een zich overal openbarende pracht en gloed, die men genegen zou zijn als Zuidelijk te beschouwen, wanneer niet juist dat vuur in het hoogste Noorden ontgloeide."
In hoogere mate en met meer lust en behendigheid dan de adel van eenig ander Germaansch land, heeft de Zweedsche zich de gladde taal en de buigzame zeden der Fransche eigen gemaakt, en aan deze omstandigheid--de vertrouwelijkheid en gehechtheid van Zweedsche militairen met den generaal Bernadotte--hebben de Zweden het onder anderen ook te danken, dat zij in den nieuweren tijd eene dynastie van Franschen oorsprong op hunnen Vorsten-troon kregen.
Bijzonder opvallend openbaart zich onder anderen de groote neiging der natie tot blinkenden glans en klank, ook in de Zweedsche familie-namen.--"Alles, wat men melodieus en schitterends aan metalen, sterren, bloemen, vogelen vindt," zegt Arndt--"wat er ridderlijks en roemrijks in de menschelijke zaken aangetroffen wordt, schijnt het ridderhuis van den dapperen en oorlogzuchtigen Zweedschen adel geplunderd te hebben, om namen te vinden voor zijne heeren von Güldenstern en Silbersparre, zijne Baronnen von Goldgranat, von Sternen- of Liliënkrone, zijne Graven von Rosenzweig of Lorbeerkranz, von Adlersklaue en Löwenhelm. Men vindt in de gulden adels-boeken van geen land van Europa, eene tweede dergelijke vreemde verschijning.
Misschien zijn hiermede ook andere tegenstrijdigheden verbonden, die men in het Zweedsche nationaal-karakter ontdekt. Zoo b.v. de avontuurlijke, heftige, belachelijke, ruwe manier van doen, die alle Koningen en groote mannen van Zweden gekenmerkt heeft; eene kenmerkende eigenschap, die met de ook den Zweden toegeschrevene Germaansche bedachtzaamheid, zoo weinig schijnt te harmonieeren.--Er is nauwelijks in Europa nog een land, waarin nog gedurende de laatste eeuwen--om van vroegere avontuurlijke tijden niet eens te spreken--middel-eeuwsche geschiedenissen, hevige staatkundige woelingen, onttrooningen, voorgekomen zijn, als in Zweden, dat zich in dit opzicht als een tweede Hoog-Schotland aan ons voordoet.
Even als de werkdadig optredende mannen, even als ook de heldhaftige vrouwen, waaraan de Zweedsche geschiedenis zoo rijk is, zoo hebben ook de gebeurtenissen zelve, in dit land altijd iets krampachtigs, iets losbarstends en hoog-tragisch gehad, wat alles ook met het scherpe verschil der standen, het ijverzuchtig streven naar glans en onderscheiding, en hunne aristokratische bemoeiingen samenhangt.
Een in het oog vallend contrast vormt de Zweed in bijna al die opzichten, trots eenige gelijksoortigheid in ras, taal en bloed, met zijn Noorweegschen broeder.--De Noorweger bewoont het _Skandinavische Zwitserland_. In de lange en enge dalen dezer groote klippen en gletschers, waarin het bebouwbare aardrijk slechts schaars vertegenwoordigd is, was geene ruimte voor groot grondbezit, voor adellijke landheeren met een uitgestrekt gebied, zooals in in Zweden. In de natuur van dit Noordsche Alpenland, heeft het democratische principe diepe wortels geschoten. Alleen zoolang zij als zeeroovers de overige wereld plunderden en den roof naar hunne rotshavens sleepten, konden de Noorwegers inheemsche hofhoudingen, Zee-Koningen, aristokraten, ridders in hun land onderhouden. Maar toen de Wikinger-tochten, de aanhoudende oorlogen ter zee ophielden, ging de adel langzamerhand te niet, zonder dat men met zekerheid zeggen kan, hoe en wanneer. De Noorwegers werden weer een eenvoudig en vrij boeren-, visschers- en schippers-volk, wat zij in hoofdzaak _altijd_ geweest waren en gebleven zijn.
Op de Noorwegers is nog altijd van toepassing, wat Tacitus gezegd heeft van den aard der Germaansche wijze om zich hier of daar neder te zetten. Zij leven verstrooid over het geheele lang uitgestrekte land aan de rivieren, fjorden, en de hellingen der bergen op afzonderlijke landhoeven, in zoogenaamde "Gards." Ter nauwernood hebben zij dorpen. Van de verdere wereld gescheiden, in hunne rust sedert onheugelijke tijden door vreemde invloeden nog minder gestoord dan de Zweden, hebben zij hunne oude manier van zijn, nog onveranderder dan deze voortgeplant. Dat afgesloten leven heeft den Germaanschen stam in zeldzame zuiverheid bewaard. In ieder der diep ingesnedene dalen, volgt op groote afstanden het eene gehucht op het andere. Ieder dal vormt op zich zelf een district, en staat slechts in geringe gemeenschap met de naburige districten. Dikwijls zijn de scheidende bergruggen, dagreizen ver, woest en onbewoond.
De bewoners dezer elkander naburige dalen, die ieder genoeg aan zich zelf hebben, onderscheiden zich onder elkander zeer in zeden, gewoonten en taal, welk onderscheid dikwijls niet minder scherp en in het oogvallend is, dan dat der Zweden, Denen en Noorwegers onder elkander.
Eene Noorweegsche taal, die men naast de Zweedsche of Deensche zou kunnen plaatsen, is er nog niet. Even als in het _Duitsche_ Zwitserland, zoo bestaan ook in dit _Skandinavische_, alleen patois en dialecten, die echter gedeeltelijk nog oude eigenaardige leden van de oorspronkelijke Noordsche taal zeer trouw bewaard hebben. Even als in Zwitserland de taal van Luther, zoo is in Noorwegen die der Denen de spreek-taal der beschaafde klasse, en de schrijf- en literatuur-taal geworden. De verstandelijk veel werkzamer Denen, die alles wat invloed had op de beschaving, uit het Zuiden, uit de eerste hand ontvingen, die aan het hoofd der meeste wetenschappelijke bewegingen van het Noorden stonden, en die Noorwegen zelf lang overheerschten, hebben de hoogere standen van het volk in menigerlei opzicht verdeenscht. Ten opzichte van literatuur, kunst, geleerdheid en poëzie, vormt Noorwegen nog heden eene provincie van Denemarken; evenwel hebben de Noorwegers, sedert zij staatkundig van de Denen onafhankelijk werden, al het mogelijke gedaan om hunne Deensche literatuur-taal eene eigenaardige en zelfstandige tint te geven, ze uit de bronnen der inheemsche dialecten te versterken, en eene eigene Noorweegsche nationaal-poëzie en redekunst te vormen.
Het lange schiereiland eindelijk en de groep vriendelijke eilanden, welke de Denen bewonen, staan met Duitschland in het innigste physisch verband. Zij hebben het klimaat, den plantengroei, de heiden, de wouden, het landschapskarakter van Noordelijk Duitschland. Zij zijn, even als dit, vlak en wijd en zijd bebouwbaar, en vormen in al deze opzichten een opvallend contrast met het groote, rotsachtige Skandinavische schiereiland in het Noorden; van den beginne af aan, hebben daarom waarschijnlijk de Duitschers het geheel, als een hun van nature toekomend gebied beschouwd.--Geheel Jutland en de naburige eilanden waren in den tijd, toen de geschiedenis haar eerste schemerlicht over deze streken wierp, niet door Skandinaviërs, maar door Duitsche Angeln en Saksers bewoond.--Eerst sedert de 5de eeuw, nadat de Angeln en Saksers een groot deel van hun volk naar Engeland overgeplaatst hadden, drongen de Denen uit het Noorden, en wel uit het Zuidelijk Skandinavië, hunne verlatene woonplaatsen binnen, geheel op dezelfde wijze, als in denzelfden tijd en om dezelfde redenen, de Slawen van het Oosten uit, in andere streken van Duitschland, die eveneens gedurende de groote volksverhuizing door de Duitschers verlaten waren, binnen trokken.
Vele kenteekenen bevestigen de door de Duitsche historici aangenomene bewering, dat de tegenwoordige Denen _niet vóór_ de Duitschers, in het land, dat zij thans het hunne noemen, te huis behoorden, maar dat zij het veeleer eerst in een lateren tijd, van uit het Noorden binnengetrokken zijn.
In het binnenste gedeelte van Zweden ten noorden van het Meler-meer, treft men nog heden hunnen naam aan, onder anderen in het kerspel "Danmark," en in het gehucht "Danemora". Daar zullen zich waarschijnlijk de oorspronkelijke woonplaatsen der Denen bevonden hebben. Van het Meler-meer zegt ook nog de sage, dat daar eens een hunner halfgoden geploegd heeft. Zijne vier ossen hadden zoo sterk aangetrokken, dat zij een groot stuk land uit den bodem scheurden. Dit uitgescheurde stuk land hadden de zonen van Odin in het Westen van den Sond in de zee gelegd, en daaruit zou het fraaie eiland Seeland ontstaan zijn. De ontstane kuil vulde zich met water en zoo ontstond het Meler-meer.--Ook deze sage wijst naar eene verplaatsing van het Denendom, uit Zweden naar zijne tegenwoordige Zuidelijke ligging.
Zij zelven ook beschouwen algemeen het zuidelijke Zweden, het land "Schonen" of "Skone" of "Scandia", waarvan de naam "Skandinavië" afgeleid is, als hun oudste vaderland aan den Sond, van waar uit zij hunne godensteden en offerplaatsen, eerst Leire, daarna Roeskild, later Kopenhagen, naar Seeland verplaatsten.
Toen de Denen naar het schoone weide- en beuken-eiland der oude Saksers en Angeln kwamen, brachten zij uit het Zuidelijk Zweden een anderen, met hen verbroederden Skandinavischen volksstam mede, de Jüten of Güten, vermoedelijk identiek met de Zuid-Zweedsche Gothen, die zich bij voorkeur langs de met bosschen omgroeide fiorden, en over de wouden van het Cimbrische of Anglische schiereiland verbreidden, en aan het land den naam "Jutland" gaven.
Dat deze, het land binnengetrokken Jüten, daar nog vele Duitsche Angeln en Saksers aantroffen, zich met dezen vermengden en vele Germaansche invloeden van hen ondergingen, bewijst onder anderen de physionomie hunner taal, die veel eigenaardigheden bezit, die bepaald Duitsch, en niet Deensch of Skandinavisch zijn. Deze Jütische taal plaatst, bij voorbeeld, om slechts eene zaak aan te roeren, even als alle Duitsche talen, het lidwoord _voor_ het zelfstandige naamwoord en niet, zoo als alle Skandinavische talen, er _achter_.
Reeds iets voor den tijd van Karel den Groote, hadden de Denen en Jüten hunne veroveringen, koloniën en politieke grenzen tot aan den Eider voortgeschoven, maar ook reeds toen bleven binnen deze grenzen, verscheidene kleine streken van het land, midden onder de Denen, door hunne oude Duitsche bewoners bevolkt, zooals bij voorbeeld het kleine land Angeln, waarin zich nu de eens zoo ver verspreide stam en naam der Angeln terugtrokken, zoo ook de Marsch-eilanden ten westen van Jutland, die van oudsher door Duitsche Friezen bevolkt waren, en die nu ook onder Deensche heerschappij bleven. Ook werd de Deensche grond-bevolking in Zuidelijk Jutland, door den uit het Zuiden terugkeerenden vloed van Duitsche nationaliteit, beschaving en taal weder Noordwaarts teruggedrongen. Het land binnentrekkende Duitsche Vorsten, adellijke geslachten, landbouwers, zendelingen, kooplieden en kunstenaars, die de steden Schleeswijk, Flensburg en andere bouwden, hebben dit Zuid-Jutland grootendeels weder Duitsch gemaakt, zonder dat echter de Denen ooit geheel geweken waren, en het is dien ten gevolge sedert Karel den Groote, aanhoudend een twistappel tusschen beide nationaliteiten geweest tot op onze dagen toe, toen de Duitschers hun oud nationaalgebied weder tot aan de Königsau vooruitgeschoven hebben.
Niet alleen de Zuidelijke gedeelten van Jutland echter, maar ook de geheele Deensche stam, zijn in den langen strijd met hunne Duitsche naburen, nog meer aan Duitsche invloeden blootgesteld geweest, dan hunne overige Skandinavische broeders, de Zweden en Noorwegers.
Bijna ten allen tijde waren Duitsche provinciën, òf ten gevolge van erfenissen òf ten gevolge van oorlogen, met het Deensche rijk verbonden. Deze hunne veroveringen strekten de Denen somwijlen, zooals b.v. eens in de 13de eeuw, toen de Duitsche kracht in de oorlogen om het Zuiden zich naar Italië verloor, zoover in Noord-Duitschland uit, dat hun staat meer _Duitsche_ dan _Deensche_ landstreken en onderdanen had. Hunne Koningen waren dien ten gevolge vasallen of bondgenooten der Duitsche Keizers, en zijn ook in lateren tijd, om hunne Duitsche provinciën, leden van den Duitschen bond geweest.
Het Deensche volk, zijne zeden, zijne ontwikkeling en literatuur hebben, ten gevolge van al deze menigvuldige vermengingen hunner aangelegenheden met die der Duitschers, een veel meer Duitschen stempel verkregen, dan die der Noorwegers en Zweden.
Ook van de, den Duitschers naburige, Slawen heeft de Deensche stam _meer_ ontvangen dan zijne Noordsche broeders. Tijdens de Deensche zeerooverstochten, werden de kusten der Slawische Obotriten en Pommeranen voortdurend door de Denen opgezocht. Eeuwen lang trokken zij van daar hunne slaven en krijgsgevangenen. Geheele scheepsladingen tot dienstbaarheid gebrachte Wenden, werden van daar naar de Deensche eilanden gevoerd en moesten zich daar nederzetten.--Zoo hadden ook de Deensche Koningen in hunnen titel het attribuut: "Koningen der Wenden en Slawen."
Ook van deze Slawische inmengingen ontdekken wij nog heden onder de Denen der eilanden, menig duidelijk spoor. Het menschenslag op Seeland en de naburige eilanden is kleiner dan de Skandinaviërs gewoonlijk zijn. Het blonde Germaansche haar treft men daar weinig aan. Even als bij de Slawen, heeft het _gevoel_ bij deze Seelanders de overhand, en even als in de Slawenlanden, heeft nergens de macht van den grondbezittenden adel meer de bevolking gedrukt dan op dit hoofdeiland der tegenwoordige Denen.--"Ook op het aan de Denen toebehoorende eiland in het midden der Oostzee, op Bornholm, vertoont zich eene inmenging der Slawische elementen. Het noordelijk gedeelte van dit eiland is door een krachtig, groot, sterk, ernstig en weinig woorden gebruikend menschenslag bewoond, dat alle echte trekken van den Skandinavischen stam bezit, terwijl in het Zuiden kleinere, luchtiger, beweeglijker menschen met bruine oogen en donker haar leven, die nu wel Deensch spreken, maar voor het overige vele karakteristieke eigenaardigheden der Slawen bezitten.
Voor de oudste en zuiverste Denen beschouwen zich de bewoners van Fünen. Zij beschouwen zich als het hart van Denemarken. "Wij Denen," hoort men hen somwijlen zeggen, niet in tegenstelling met de Duitschers of Franschen, maar met de "Jüten" en "Seelanders."
Overigens zou men de bevolking van elk der vele Deensche eilanden, even als in Noorwegen die van elk dal, een eigen karakter kunnen geven. Op ieder schijnt zich een bijzondere stam van eiland-bewoners gevormd te hebben.
Het meerendeel en de hoofdkracht (ten minste de physische) van den Deensche stam, wordt gevormd door de Jüten. Uit hen rekruteeren de Denen de kern hunner nationale troepen. "De Jüten zijn in tegenstelling met de Deensche Seelanders en Fünen langzaam en omslachtig in hunne bewegingen, maar volhardend en ijverig in alles wat zij ondernemen. En met al hunne gemakkelijkheid, weten zij toch het gebrek uitstekend van de deur te houden. Men vindt nergens in Denemarken zulke welgezetene, nette en knappe boerenplaatsen als bij de Jüten, terwijl men bij de boeren op Seeland somwijlen een weinig aan hetgeen wij eene Poolsche huishouding noemen, herinnerd wordt.
Deze Jüten zijn in Denemarken beroemd om hun handels-talent en om hunne huishoudelijke spaarzaamheid. Daarin kan men ze met de Schotten in Engeland vergelijken. Het "iets met iets, geeft iets," is bij de volhardende Jüten een zeer geliefd spreekwoord. De aankweeking van rundvee is naast den handel, hunne meest geliefkoosde bezigheid.
Ook zijn zij de bewaarders der oudste zeden en traditiën der Denen. Bij hen worden ook oude volksfeesten gevierd, waarvan de sporen op de eilanden en bij Kopenhagen verdwenen zijn. Ook leven in het Noordelijk en Westelijk gedeelte van het land tot aan het, met de beenderen en ribben van walvisschen en het wrakhout van gestrande schepen altijd bezaaide voorgebergte Skagen toe, in den mond der bewoners nog oude volksliederen en heldensagen, even als op IJsland. Gewoonlijk is de Jüt niet weinig ingenomen met zijn, in het overig Europa zoo onbekende en geignoreerde, schiereiland.
De magere grond der bruine heide Ziet hij altoos het liefst. Bij de voorvaderlijke, met heide begroeide grafplaatsen, Wil ook hij zijn grafstee hebben.
"Bij dit alles, is toch de lang uitgegroeide en lichamelijk krachtig gebouwde Jüt, in het politieke en ontwikkelingsleven der Denen, slechts een nevenpersoon, zonder eene beslissende stem in den raad van het rijk. De kleinere Deen, uit het midden des rijks, de _Seelander_, de lichamelijk zwakkere, geestelijk echter meer opgewekte eiland-bewoner, leidt de politieke en moreele beweging van het volk." Hij vormt en vult de bevolking der hoofdstad Kopenhagen, van het Skandinavisch Athene, aan. Hij levert ook de beste ambtenaren aan de regeering, aan het Deensche parlement de staatslieden en redenaars. Op Seeland werden de Oehlenschläger, de Ewalds, de Baggesen's, bijna alle groote Deensche dichters en literatoren geboren. En de, in Denemarken en Noorwegen heerschende taal der literatuur en beschaving, heeft zich ten gevolge van dien, ook het meest uit het dialect der Seelanders ontwikkeld.
"Deze Seelanders zijn vooral die prikkelbare, die met zich zelven ingenomene Denen, met een ras besluit en brutalen moed, wier eigenaardige nationale-ijdelheid zelfs bij hunne broeders in Zweden berucht is." Het is een gebrek, dat wel zeer opvallend en onaangenaam is, maar zeer natuurlijk bij een klein volk, dat eens ver gebood, dat eene niet arme literatuur ontwikkelde, dat lang aan het hoofd der beschaving en somwijlen ook der politieke macht van het geheele Skandinavische Noorden stond, maar nu daarentegen zich tot enge grenzen moet bepalen, en zich, even als alle kleine volken, bijzonder gevoelig toont bij de gedachte, dat het eenmaal met taal, zeden en politieke zelfstandigheid in het lichaam van een grooteren nabuur zou kunnen opgaan.
DE NEDERLANDERS. [27]
Het geheele middelste gedeelte van het hoofd-lichaam van het Europeesche schiereiland, bestaat met betrekking tot de grondsgesteldheid, uit twee deelen, uit eene met bergen doorsnedene Zuidelijke helft en uit eene ver uitgestrekte vlakte in het Noorden. Deze Noord-Europeesche vlakte begint met een breed Oostelijk uiteinde in Siberië en Rusland, gaat door Polen en Duitschland, terwijl zij hoe langer zoo smaller wordt, en eindelijk in het Noorden van Frankrijk en het Ardenner-woud ophoudt, waar zij zoo laag gelegen is, dat zij gedeeltelijk zelfs onder het niveau der zee ligt.--Verscheidene groote rivieren, de Rijn, de Maas, de Schelde stroomen naar deze lage streken toe. Duitschers en Franschen hebben haar daarom den naam "_Nederlanden_" gegeven, en deze naam is niet alleen in alle overige Europeesche talen vertaald opgenomen "_Netherlands_," "_Pays-Bas_," "_Paeses-Baxos_," maar zelfs ook door de bewoners van het land, als de nationale naam (zij noemen zich zelven "Nederlanders") aangenomen geworden.
Bij den eersten aanblik schijnt het, dat de natuur weinig voor dit land gedaan heeft. Natuurlijke bekoorlijkheden, zoogenaamde romantische schoonheid bezit het niet. De deels zandige, deels moerassige vlakten, strekken zich in groote eenvormigheid uit. Bijna al het vriendelijke, dat het land nu bezit, is het door kunst en menschenhanden gegeven [28]
Nauwelijks scheen de, den choas ordenende schepping, hier geheel ten einde gebracht te zijn geworden. De slijkerige grond en het water vermengden zich nog zoo, dat men, zooals de Romein Tacitus zeide, in de meeste gevallen nauwelijks durfde zeggen, of men vastland dan wel water voor zich had, of dat, volgens een geestigen Nederlander, den beroemden Hugo de Groot, "alle zaken die een land constitueeren, in de Nederlanden slechts aangeduid, slechts bij wijze van schets aanwezig schijnen te zijn."
Het _water_ slechts eene schets, zich verliezende in en vermengende met zand en veen; niet, zooals in een bergland, in diep uitgegravene vaarten besloten, of in stevig gebouwde zeeboezems verzameld. Het _land_ ook slechts eene schets, nauwelijks boven het water uitkomende, overal druipende, ten gevolge van overstroomingen [29] zelfs _de hemel_ slechts eene schets, niet een schoon, scherp geteekend, aetherisch gewelf, zooals in Italië, maar met nevelen en dampen opgevuld en bijna altijd met wolken bedekt [30]. De mensch eerst moest met scheppende hand in deze vormlooze massa ingrijpen, om er een bewoonbaar vaderland uit te vormen. Ook eenige waarde hebbende en den mensch welkome natuurvoortbrengselen kan men bijna niet opnoemen, die het land van den beginne af in overvloed gehad heeft. Om van goud en zilver en andere dergelijke kostbare zaken niet te spreken, die sommige landen beroemd hebben gemaakt, heeft het zelfs geene streken, waar men wouden of steengroeven aantreft, om door hout of bouwsteenen of door metalen zich bij zijne naburen bemind te maken [31].
Alles, wat den menschen nuttig is en wat eene maatschappij, die rijk aan behoeften is, vordert, moest hier eerst met moeite aangeplant of uit de verte aangevoerd worden.
Ja! zelfs de havens voor de schepen, moesten de bewoners eerst kunstmatig aanleggen. Want merkwaardig genoeg bezitten de Nederlanders, die eene zoo groote rol in de handelswereld spelen zouden, nauwelijks een of twee door de natuur eenigzins goed gevormde havens.--Ook in dit opzicht, zijn zij van eersten af aan stiefmoederlijker bedeeld, dan de meeste andere landen van Europa, en bezit het land niet dan zandige, vlakke, bochtenlooze kusten, met ondiepe en gevaarlijke toegangen, zonder bescherming of beschutting voor de vaartuigen.