Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 6
Deze Bucharen zijn, wat lichaamsbouw betreft, een slank, goed gebouwd volk, met frissche, heldere gelaatskleur, groote zwarte en sprekende oogen, edel gebogene haviksneus, zwart haar en dichten baard. Zij zijn bedaarder, buigzamer en minder trotsch dan de Turksche Tartaren, en hebben geen lust voor veeteelt en een zwervend leven, maar hebben aanleg voor de kunsten des vredes en zijn door handel en nijverheid zeer welvarend. Zij noemen zich zelve "Tadschicks", dat de oude naam der Perzen is. Daar zij over het algemeen Perzisch spreken, zoo zijn zij ongetwijfeld niet, zooals men weleens beweerde, van Mongoolsche maar van Perzische afkomst. Gewoonlijk brengen zij aan Europa niet dan zeer vluchtige bezoeken, en keeren, als zij hunne zaken gedaan hebben, naar hun geboorteland, ten zuiden van het meer Aral terug. Ook worden in Astrakan, Kasan en eenige andere Russische steden, rijk gewordene Bucharen, die zich daar met der woon gevestigd hebben, aangetroffen.
Zooals gezegd is, zien wij eindelijk de ver verwijderde Hindostansche volkenwereld, om zoo te zeggen met het puntje van den vinger, ons werelddeel aanraken. Aan de Wolga, in Astrakan bestaat eene kleine kolonie van Hindoes die de leer van Brahma omhelzen. Men gelooft, dat zij eerst tegen het einde der 14de eeuw, ten gevolge van een inval der Mongolen onder Timur, daarheen getrokken zijn. Dit is dezelfde Timur, wiens opvolger ook de Zigeuners uit Indië verjaagd en naar Europa gevoerd heeft, zoo men meent althans.
Het gezamentlijke getal van alle, als nakomelingen der door de Uralisch-Kaspische volken-poort binnengestroomde Middel-Aziatische volkeren, en nog heden ten dage onder ons levende menschen, der Hindoes, der Bucharen, der Kalmücken, der Kasansche-, Astrakansche- en Krimsche Tartaren, zal hoogstens 2 millioen bedragen. Wij zouden echter te weinig waarde hechten aan den invloed dezer volkenbeweging op Europa, zoo wij hen alleen naar hun aantal, in vergelijking met de bevolking van het werelddeel, wilden schatten.
De Tartaren en Mongolen hebben nog veel grootere overblijfselen en sporen hunner aanwezigheid bij ons achter gelaten, dan die weinige rechtstreeksche afstammelingen. Afgezien daarvan, dat zij verscheidene onzer oorspronkelijk Finsche natiën, de Bulgaren, de Tschuwaschen, de Baschkiren, door vermenging min of meer geturkiseerd of gemongoliseerd, en hun gedeeltelijk hunne taal en zelfs hunnen godsdienst, den Islam, opgedrongen hebben--(van deze geturkiseerde Finsche volkeren zal ik bij de beschouwing van den Finschen volksstam spreken)--afgezien daarvan, hebben de Tartaren en Mongolen ook op een onzer grootste Europeesche rijken en volken, dat der Russen, vrij wat invloed uitgeoefend en zijn er in versmolten. De eens aan de Tartaren onderworpene Russische natie, openbaart zoowel in haren politieken toestand, als in haar physieken en psychischen type, menigen trek, neiging en instelling, waarvan wij het voorbeeld waarschijnlijk in het binnenste van Azië, bij de Nomaden der Mongolen en van de Kaspische laaglanden, moeten zoeken. De geheel onbeperkte heerschappij der Czaren zelve, heeft veel van de regeeringswijze dier Aziatische opperhoofden. De hardheid der bij hen gebruikelijke straffen, herinnert aan het bamboes-riet bij de Chineesche Mongolen. De geringschatting en het kwistig omspringen met menschenlevens bij krijgstochten en andere gelegenheden, is bij hen niet veel geringer dan zulks bij de krijgstochten der Mongolen was. Hunne lastige volgorde in maatschappelijken rang, hunne zoogenaamde "Tschin", schijnt naar naam en daad eene kopie van de bij de Mongolen en Chineezen heerschende etiquette te zijn. Ook hunne melancholieke en roerende volksgezangen, persen den toehoorder de tranen uit de oogen, even als zulks de Mongoolsche zangen vermochten.
Vele Tartaren, Mongolen, Kalmücken en andere Aziaten werden van oudsher, als men hen als krijgsgevangenen naar de binnenlanden van Rusland overbracht, wanneer de Czaren hen met Russische eereblijken beloonen of winnen wilden, in den schoot der Russisch-Slavische nationaliteit opgenomen. Zelfs onder de voornaamste familiën des rijks ontdekt men nog namen, die reeds dadelijk de Tartaarsche afkomst van het geslacht verraden. Zoo, om een voorbeeld aan te halen, de naam van den bekenden, nu Russischen Vorst Kotschubey, d.i. "de kleine bey." Misschien is den lezer somwijlen wel eens de naam der vorstelijke familie Dunderkoff-Korakow voorgekomen. Het zijn nu Russische Magnaten, wier stamboom echter oorspronkelijk in eene Kalmuksche herderstent ontkiemde.
De schedelvorm en de gelaatstrekken van het Mongoolsche type, het vierhoekige hoofd, de vooruitstekende wangbeenderen, de kleine wipneus, de langwerpige oogen, het vlakke gelaat, al is een en ander bij hen zoo opvallend niet als bij de eigentlijke Mongolen, schemeren ook bij de Russische nationaal-trekken, onder de anders meer ronde en ovale liniën van den Indo-Europeeschen stam zeer duidelijk door.
En als men dan eindelijk bedenkt, dat diezelfde gelaatsvormen ook bij alle stammen van het Chineesche rijk, die zeer beslissend het Mongoolsche type dragen, weder teruggevonden worden, dat verder ook zelfs de Indiaansche stammen van Noord-Amerika, in hunne lichamelijke gesteldheid, wederom slechts ietwat getemperde uit- en afdrukken van datzelfde model schijnen te zijn, dan staat men werkelijk verbaasd over de buitengewone verspreiding van dit type over de oppervlakte der Aarde, en men kan schier zeggen, dat wel een derde gedeelte van het menschelijk geslacht tot het Tartaarsch-Mongoolsch of Mongoolsch-achtig ras behoort.
Ja! zelfs in de gebergten van midden-Europa, in het zuid-oostelijke punt van Duitschland heeft men--en met deze opmerking zal ik deze beschouwing sluiten--sporen van Mongolen of van Mongoolsche type willen vinden. Aan den voet van den Orteles, in de hoogere dalen van het Etsch-dal, in de zoogenaamde Bintch-Gau is, volgens de onderzoekingen van Dr. Goldrainer, de schedelbouw der daar nu Duitsch sprekende bewoners, "Mongoolsch". Men heeft gemeend, dat in die gebergten een verstrooide troep van de soldaten van Attila achtergebleven is, en men heeft getracht, de daar aangetroffen wordende zonderlinge on-Duitsche plaatsnamen, "Tschars, Tartsch, Latsch, Compatsch" enz, uit de Aziatische talen te verklaren. De Zwitsers gelooven, dat dit volk afstamt van een vreemdsoortig volkje in Annisiers, een dal in Boven-Wallis op zes uren afstands van Sitten, en dat zij "Hunnen" (d.i. Mongolen) noemen, van hetwelk echter Slavische oudheidkenners gelooven, dat het afstamt van Slaven, waarschijnlijk echter toch van Slaven die Attila volgden, en zich in de bergen van zijne legers verwijderden. Ik heb er reeds in het vorige hoofdstuk opmerkzaam op gemaakt, dat men in dit zelfde kanton Wallis ook de oostelijkste sporen van Saraceensche of Arabische volksverstrooiing aanwijst. En zoo is dat daar dus eene zeer merkwaardige plaats, waarin nog heden ten dage de uiterste sporen herkend worden van twee groote volksstroomen, die in het hart van Europa tegen elkander over stonden; de eene, die van Arabië en West-Azië en van de noordkust van Afrika, den gloeioven van Europa, over Spanje kwam aanstroomen, en zich in Frankrijk en tegen de Alpen verloor--en de andere, die uit het binnenste van Azië, uit den Europa in het Oosten, als het ware, aanhangenden "Tartarus", losscheurde, de Uralisch-Kaspische volken-poort passeerde, het geheele Oostelijk Europa herhaalde malen overstroomde, en eveneens tegen Frankrijk en de Alpen wegstierf, waar zij midden in de bergholen de duidelijkste sporen achterlieten.
DE HELLENEN EN NIEUW-GRIEKEN.
Tusschen Klein-Azië, het Grieksche schiereiland en het eiland Creta is het vierhoekige bassin eener kleine binnenzee van het overige der Middellandsche waterwereld afgesloten. Dit water-parallelogram mag als eene groote binnenzee, met verscheidene uitgangen die naar groote zee-partijen voeren, beschouwd worden. Het binnenste van het bassin is als bezaaid en bestrooid met eene menigte bergachtige eilanden van vulkanischen oorsprong, die, wat natuurschoon, vruchtbaarheid en andere voordeelen betreft, met weinig andere eilandgroepen van Europa vergeleken kunnen worden.
Een schitterende hemel welft zich er over heen. Zij genieten een zachten winter en worden door de zeelucht voor eene overmatige hitte bewaard. Zij zijn allen bewoonbaar, en in het bezit van liefelijke dalen, afgewisseld door vlakten, die zeer geschikt zijn ter aankweeking van den wijnstok; de olijf- en citroenboomen bieden de bijen eene massa van honigrijke tuinen aan.
Even als de eilanden zoo doen ook de kusten van het omliggende vasteland zich zeer afwisselend voor. Van het noorden, oosten en westen uit loopen de landen met vele fraaie schiereilanden in het zee-bassin uit. Diepe bochten en golven en bijzonder veilige havens dringen het land in en noodigen overal ter scheepvaart uit. Men zou de geheele Aegeïsche zee, ten gevolge van haren rijkdom aan ankerplaatsen en reeden, als eene enkele groote haven kunnen beschouwen. En zeer goed zou men Griekenland in zijn geheel een Europa in het klein kunnen noemen.
Even als Europa door zijne verschillende onderdeelen, door zijne bijzonder goede verhouding van vastland en water boven al de andere deelen der Aarde uitmunt, zoo munt Griekenland boven het overig Europa uit. En even als de Europeesche volken, toen zij eenmaal wakker waren geschud, bestemd schenen alle andere volken der wereld, scheepvaart, handel, verkeer, werkzaamheid, énergie, beschaving en wetenschap te leeren kennen, zoo schijnt de Aegeïsche- of Grieksche zee van nature bestemd, de wieg en leerschool dezer Europeesche werkzaamheid en kracht te zijn.
Wanneer en hoe zich de eerste menschelijke bevolking over dit heerlijk schoone bassin, over die vriendelijke eilanden en schiereilanden verspreidde, is in een ondoordringbaar duister gehuld. Maar zooveel valt uit de taal der Hellenen op te maken, dat zij en hunne stamvaders, als hoedanig men gewoon is de "Pelasgen" te noemen, uit het Oosten over Klein-Azië gekomen zijn en tot den grooten Indo-Germaanschen volkstam behooren, die aan ons Europa, zijne voornaamste en ontwikkeldste volken gegeven heeft. Uit hunne taal blijkt, dat zij innig verwant zijn met de Keltische, Romaansche, Germaansche en Slavische volkeren. Even als van deze, zoo moet ook de oorsprong der Grieken in Indië en aan den Himalayah gezocht worden.
Onder wiens aanvoering, onder welke omstandigheden en lotgevallen, de voorvaderen der Hellenen, de zoogenaamde Pelasgen zich vandaar losrukten; waardoor zij zich reeds in dezen tijd onderscheiden konden, en hoe zij toen door het westelijk gedeelte van Azië en door Klein-Azië zich een doortocht wisten te banen, dat alles is ons niet zoo nauwkeurig overgeleverd geworden, als b.v. de oorsprong en de vroegste geschiedenis der Israëliten.
Juist de beide volken, die in de oudheid het grootste gewicht verkregen en het meest ontwikkeld waren, de Grieken en Romeinen, deelen het lot, dat over hunne oudste geschiedenis en over de vroegste bewoners dier landen eene schier nog grootere onzekerheid bestaat, dan over menig ander, minder ontwikkeld ras, en dit is ten deele een natuurlijk gevolg juist van hunne vroegtijdig gerijpte ontwikkeling en bloei, die alles wat aan vroegere tijden herinnerde en van ouderen datum afkomstig was, als "barbaarsch" verduisterde, verachtte en aan de vergetelheid ten prooi gaf. Ja! zelfs hebben wij niet dan eene hoogst onduidelijke en zeer twijfelachtige voorstelling van de manier en de wijze, waarop de Hellenen zich in taal en ontwikkeling, uit den grooten moederstam hunner Pelasgische voorouders of voorgangers, te voorschijn werkten en zich als een zelfstandig volk neerzetten en leerden gevoelen. Dergelijke zaken zijn in de geschiedenis der menschheid meermalen even moeielijk te doorgronden, als b.v. in de natuur, de manier en de wijze, hoe en door welke chemische werking in den wortel van den rozenstruik, de droppel die bestemd is den knop te vormen, opstijgt en zich bevestigt, en hoe zich uit het knopje de schoone bloem ontvouwt. Weldra staat de volle centifolie heerlijk riekend daar, voor wij nog kunnen aantoonen, hoe en waarom zij zóó en niet anders werd.
Alles wat wij zeggen kunnen, is: dat de zoogenaamde Pelasgen, vooral echter hunne opvolgers of kinderen, de "Hellenen," een van oudsher met voortreffelijken aanleg toegerust geslacht moet geweest zijn, en dat hun goed gesternte hen een tehuis binnenleidde, dat zoo gunstig, als maar bij mogelijkheid gewenscht kon worden, geschikt was ter ontwikkeling van zulken voortreffelijken aanleg, namentlijk in dat bont getooide bekken der Aegeïsche zee, waarvan ik zooeven de voornaamste eigenaardigheden mededeelde.
Trots deze gunst en gaven der natuur schijnt het niet te min, dat zelfs ook bij de Grieken, even als bij alle andere Europeesche volken, de aanstekende vonk van buiten moest aangebracht worden.--De sagen der Hellenen wijzen naar landverhuizers, die van buiten af het land binnenkwamen, als gebeurtenissen, die hun den lust tot een welgeordend leven inboezemden: op eene uit den vreemde komende onderwijzeres in den landbouw, Demeter (Ceres) die den echt stichtte, den vijgeboom naar Griekenland bracht, even als Minerva den olijfboom--op een buitenlandschen Prometheus, die den Grieken alle kunsten leerde, waarbij zij van het vuur moesten gebruik maken. Zelfs het gebruik van het ijzer, ontvingen zij uit den vreemde. De invoering van het paard, de kunst van spinnen en weven werden aan Poseidon, den god der zee toegeschreven, dat wellicht even veel zeggen wil als: zij kwam in schepen naar het tot nu toe onkundige eilanden-volk.
Even zoo kwamen uit Phenicië en Egypte te scheep tot hen, door Kadmus, Danaüs, Pelops, de eerste wetgevers, staten-regelaars en de stichters hunner burgten en steden,--hunne orakels--een groot deel der namen hunner goden en hunne godsdienstige fabelen en instellingen. Alle beginselen van beschaving werden den Grieken door zeevaarders en handelaars gebracht. Hunne ontwikkeling was, met één woord, uit de zee geboren. Ten gevolge der ligging en grondsgesteldheid groeide die vervolgens bij hen, met behulp der zee, verder aan. Van de vroegste tijden af werden de Grieken zelven een volk van zeevaarders en handelaars. De oudste naam der bewoners van het land "Pelasgen" zou ook (volgens de meening van sommigen ten minste) af te leiden zijn van het Grieksche woord Pelagos (Zee) en niets anders dan "zeelieden" beteekenen. Na den grooten God van den alles omvattenden Hemel, den ongeëvennaarden Zeus, was Poseidon, de god der wateren en der winden, bij hen de voornaamste godheid. Hij was machtiger en had meer invloed op hun lot dan de andere goden. Tot hem stegen in de talrijke, op de eilanden en voorgebergten opgerichte tempels, hunne vurigste gebeden omhoog. Uit de zilte baren verrees Aphrodite, hunne godin der schoonheid, en in de zee zelve had de zonnegod Helios zijn paleis, waar hij in de armen der onder de wateren heerschende Thetis rustte.
De eerste belangrijke, gemeenschappelijke ondernemingen der Grieken, waarin zij als een op zich zelf staand volk optraden en zich leerden gevoelen, de tocht der Argonauten, de Troyaansche oorlog, waren groote vloot- en zee-expedities, en even als ten tijde van Agamemnon geheel Griekenland uit de Aegeïsche zee opdaagde, zoo heeft het uit diezelfde zee, uit hare eilanden, havens, schepen, ook later meermalen zijne kracht getrokken--eene wedergeboorte te weeg gebracht. Even als de door Herkules nedergevelde Antaüs, die steeds van zijne moeder, de Aarde, nieuw leven ontving, zoo is Griekenland, als het nedergeveld was (zelfs in onze dagen) uit zijne moeder, de zee, weder opgestaan.
Hunne oudste en ook bij hen meest gebruikelijke liederen, de gedichten van Homerus, hebben zeerooverijen, zeeavonturen en scheepvaart tot onderwerp. Het zijn gedichten, die nog heden ten dage even als voor 3000 jaren, door het Grieksche volk het best begrepen worden, even als bij de Nomaden-volken der Arabieren de tradities van hunne herders-patriarchen Abraham en Ismael.
Eenmaal door invloeden van buiten wakker gemaakt, ontwikkelde de vruchtbare, en even als het water beweegbare, genius der Grieken eene verwonderlijk veelzijdige werkzaamheid naar alle richtingen van den menschelijken geest. Tot enthusiasmus--dit fraaie woord is van Grieksche vinding--geneigd, begaafd met eene levendige phantasie en een levendig voorstellingsvermogen, ontdekten zij op de hooge toppen hunner bergachtige eilanden, in de wouden hunner langs de kusten gelegene dalen, op de met bloemen bedekte en door liefelijke bronnen en stroomen bevochtigde, langs de oevers gelegene landschappen, overal het spoor eener godheid. Ieder hoekje van hun land werd door de poëzie verheerlijkt en vereeuwigd. Zij leerden die goden vereeren, en in alle oorden van Griekenland ontstonden orakel-plaatsen, tempels en bedevaartsplaatsen. Iedere duim gronds van het land werd klassiek en geheiligd.
Al de hoogten zijn door Oreaden bewoond, In ieder boomke leeft eene Drijade, En het helder, rein, schuimend rivierwater stroomt Uit de urnen der aanminn'ge Najaden.
Even als hun land, zoo bood ook hun leven de scherpste contrasten aan. Het scheepsleven was rijk aan afwisseling en merkwaardige gebeurtenissen, en zou alleen reeds voldoende geweest zijn, om den vertellers, den redenaars, den dichters den mond te openen. Maar op den achtergrond van dit veelbewogen, stormachtig zeeleven lagen de kleine, bekoorlijke woonplaatsen in de hoekjes der eilanden, de huisselijke haard aan de helling der bergen, de vruchtbare akkers langs de heldere stroomen en het idyllische herdersleven op de bergen Ida, Pelion, Helikon en in het boomenland van Arcadië.
Noodwendig moesten de Grieken onder dusdanige natuurlijke gesteldheid en contrasten, zich dichterlijk gestemd gevoelen. Zij grepen naar de lier en hebben gespeeld en gezongen als geen anderen na hen.
Naar het model der door de Egyptenaren en Pheniciërs bij hen gestichte gemeenten, stichtten en bestuurden zij bloeiende steden, republieken en staten in 't rond om den Archipelagus. Daar versterkt, zeilden zij verder langs de natte paden der zee, stichtten zij in Italië en Sicilië hunne koloniën, ontstaken de vuurtorens der beschaving aan alle barbaarsche kusten der Zwarte Zee, verlichtten daarmede ook, als met een helder schitterend garneersel de geheele noordkust van Afrika, entten van Massilia uit, het verre Gallicië de eerste beginselen der beschaving in, ja voeren zelfs door de zuilen van Herkules, den Oceaan op.
Terwijl zij op die wijze de grootte der wereld leerden kennen, begonnen zij, wier geest van eene even ideale als praktische natuur was, over het geheele wereldrond handelsondernemingen te doen, en traden, midden op hunne met waren opgevulde markten en in hunne van handel en menschen wemelende en levendige havens, als even zoo scherpe als diepzinnige denkers, natuurvorschers en wijsgeeren op, die ieder naar hunne wijze van wereldbeschouwing, verschillende systemen, scholen en sekten oprichtten.
De handel met volken, die zoo verschillend van aard waren, deed bij hen rijkdom en weelde ontstaan, en liet een streven naar de verfraaiing van het alledaagsche leven bij hen ontwaken en de schoone kunsten bloeien. Een Apelles, een Praxiteles en de tallooze scholieren dezer meesters traden op; onder hunne handen kreeg het marmer gestalte en leven, en verrezen de heerlijkste tempels en zalen, op wier wanden de fraaiste schilderstukken aangebracht werden.
Daar in het vaderland der Grieken geen vorstelijke, alles uitsluitend naar zijne nukken schikkende Nijl, geen groote gebiedende Ganges, geen onmetelijk groot en eentoonig Mesopotamië was; daar hier integendeel alles verbrokkeld, verschillend en sierlijk gevormd was--eene gemakkelijk te overwinnen en den menschen niet overweldigende natuur--kleine dalen, smalle vlakten, talrijke tamelijk hooge bergen, en dat alles toch door den gladden spiegel der zee nauw verbonden en saamgesmolten, zoo is ook ten gevolge daarvan de aard van den Griekschen volksgeest zelf een veelhoekig, een aan alle zijden geslepen edelgesteente geworden.
Geheel in tegenstelling met andere volken, b.v. met de eentoonige en eenvormige massa, die nog heden ten dage ons de Russische land- en volksgeest biedt, gelijken de Hellenen een boom, die in bevallige groepeering zijne vele takken naar alle zijden uitbreidt. Hunne taal scheidde zich in verschillende dialekten, hun stam in talrijke geslachten, die allen zeer verschillende eigenschappen en toch allen uitstekende hoofddeugden bezaten, en die ook allen, trots hunne uitbreiding in zeer tegenovergestelde richtingen, toch, even als hunne eilanden door de daar tusschen stroomende zee, door den band van gemeenschappelijke sympathieën en doeleinden aan elkander verbonden en vastgeknoopt waren.
Dezelfde verhoudingen, die de verschillende dialekten, bouwstijlen en wijsgeerscholen der Dorische, Jonische en Aeolische Grieken in het leven riepen, kweekten bij hen ook een even groot verschil van politieke inrichting en burgerlijke toestanden. In dezen zin, hebben zij gedurende hun bestaan, om zoo te zeggen, alles in het leven geroepen wat maar denkbaar is. Democratiën, monarchiën, oligarchiën en aristokratiën, heerschappij van het volk en van het geld, militair-despotismus en priestergeweld, wisselden elkander bij hen af, al naar mate afstamming, tijd en plaats. De geheele overige wereld biedt geen staatsvorm aan, waarvoor de kleine Grieksche wereld niet een model geleverd en waarvoor de Grieksche taal geene bepaalde benaming uitgedacht heeft, die nu nog bij alle beschaafde volken der Aarde in zwang zijn. De Grieksche Aristoteles philosofeert, ofschoon hij niets dan de politieke scheppingen van zijne landslieden en hunne naaste buren kende, over alle mogelijke vormen van staatsregeling, als had hij, even als wij, alle politieke toestanden der wereld voor oogen gehad.
Vergelijkt men de staats-regeling, het burgerlijke zijn en de politieke strekking van twee Grieksche staten, b.v. het ernstige, harde, krijgshaftige, monarchale of aristokratische, om zoo te zeggen Britsche Sparta, met het fijne, vernuftige, schitterende, weelderige, demokratische, ietwat Fransche Athene, zoo houdt men het schier voor onmogelijk, dat menschen, die eene zelfde taal spraken en zich eene zelfde nationaliteit toeschreven, een, wat karakter en verstand betreft, zoo scherp contrast kunnen vormen. Men zou eerder gelooven de vreemdsoortigste bestanddeelen--Noordpool en Zuidpool--op steenworps afstand naast elkander te zien huizen. De uitersten, teugellooze vrijheid en onbarmhartige tyrannie onder het juk van één enkelen, schijnen elkander bij de Grieken de hand te reiken, en midden tusschen deze beide uitersten, vinden wij dan weder een menigte staats-inrichtingen, die uit het verstandigst overleg, en uit het zorgvuldigst overwegen der menschelijke natuur en der verschillende bestanddeelen der maatschappij ontstonden.