Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 59

Chapter 593,580 wordsPublic domain

Van dien Deenschen tijd zijn vele gewoonten en eigenaardigheden afkomstig, die de Engelschen met de Skandinaviërs gemeen hebben. Ook vindt men sedert dien tijd in de Noordelijke provinciën van Engeland, b.v. in Northumberland en in het noordelijk Schotland, nog heden in de gebruiken, de taal en het uiterlijk type van het landvolk veel Skandinavisch.--De tot Engeland behoorende Orkneys en Shettlands-eilanden zijn sinds dien tijd bijna geheel door een volkje van Skandinavische afkomst bewoond geweest, waarbij ook nu nog een Noorweegsch dialect van het zoogenaamde "Norse" ten deele in gebruik is. Hetzelfde geldt ook van de kleine groep der 25 Schapen-eilanden of Färoër, in wier nevelrijke bergdalen en steeds bedauwde weiden, een eenvoudig, flink, Noorweegsch menschenslag van vischvangst en schapenteelt leeft.

Even als in Rusland en Groot-Brittanje, zoo is ook in Frankrijk de naam der Noormannen groot geworden.--Bij hunne dikwijls herhaalde invallen in de monden der Seine, die naar de rijke, dikwijls door hen geplunderde stad Parijs voert, hadden zij zich daar eindelijk vastgenesteld, en dat merkwaardige Hertogdom gesticht, waarin hun krachtige Noorsche geest grootere dingen gewrocht heeft dan ergens anders, en dat nog heden naar hen Normandië heet.--Ofschoon, wat taal en zeden betreft, zij spoedig in Franschen veranderd werden, bleef de heldhaftige ondernemingsgeest der ridders van Normandië, nog langen tijd geheel Noordsch-Germaansch en was dat zelfs nog, toen zij onder Willem den Veroveraar Engeland binnentrokken. Ook veel later nog, openbaarde het Germaansche karakter in deze Fransche provincie, zich nog in vele zaken. En zelfs nog heden ten dage, lacht den Germaanschen reiziger in Normandië, om zoo te zeggen, iets vaderlandsch tegen. Industrie, ontwikkeling, landbouw en de physionomie door hen aan het land gegeven, zijn in hooge mate Germaansch. Dat de bewoners van het Fransche Normandië nog heden, om hunnen strijdlust en om hunne zucht tot processen te voeren bekend zijn; dat zij, ten tijde der Hugenoten, het protestantisme bijzonder toegenegen waren, is volgens sommigen een naklank uit het Germanendom. Ook dat Frankrijk van oudsher uit Normandie zijne uitstekendste en meest volhardende zeelieden kreeg, en dat zijne beroemdste admiraals en vlootvoogden inboorlingen van Normandie waren, schrijft men aan hunne afstamming van de landslieden der "Zee Koningen" toe. Ook hoort men nog heden meermalen de Franschen hunne landgenooten uit Normandie, als wilden zij aan hunnen oorsprong uit het Noorden herinneren, _les froids Normans_ (de koude Noormannen) noemen.

Ook tot in het hart van Duitschland drongen toen de koene en ruwe mannen uit het Noorden door. De Rijnsteden brandschattende, voeren zij herhaalde malen den Rijn op, zoover als zij met hunne kleine schepen komen konden.--Bij die tochten kregen zij zelfs het verhevene Gletscher- en Alpenland, Zwitserland, in het gezicht en daar dit hun eenige gelijkenis scheen te hebben met hun vaderland, zoo besloten de aanvoerders van een hunner strooptochten, zich daar neder te zetten. Zij kozen daartoe, het nu zoogenoemde "Ober-Hasli-dal, eenige nevendalen van het Berner-Oberland en de landstreken aan het Vierwaldstädter-meer. Daar leeft nog heden ten dage een bijzonder fraaie en flinke Noordsche volksstam, die, zooals ik bij het behandelen der Zwitsers opmerkte, tot op den huidigen dag de sage zijner afstamming van de Noormannen bewaard heeft. De beste Zweedsche geschiedschrijver, Geyer, gelooft aan deze sage. Ook den naam van het kanton Schwijz en die van het geheele land Zwitserland ("Schweiz") heeft men van den naam "Zweden" (Suita) afgeleid. Zoo heeft men ook de omstandigheid, dat de sage van Willem Tell in Skandinavië eveneens, met hetzelfde appelschot, met denzelfden voor een tyran bestemden pijl, verhaald wordt als in Zwitserland, met dit indringen der Noormannen in de Alpendalen in verbinding gebracht. Oorspronkelijk zou deze mythische Willem Tell (daar "Palnatoke" geheeten) in de bergen tusschen Zweden en Noorwegen te huis behooren.

Dat in de Alpen, in het zoo nabij het Hasli-dal gelegen Wallis, ook de Noordelijkste sporen der aanwezigheid van de Saraceenen of Arabieren uit het Zuiden gevonden worden, is boven reeds medegedeeld, en zoo hebben dus deze ver verspreide tijdgenooten, de Noormannen en de Arabieren, in de binnenste kern van het Centraal-gebergte, waaruit onze rivieren ontspringen, elkander even zoo ontmoet als op de Middellandsche Zee.

De zonderlingste ondernemingen echter, die de Noormannen omstreeks dezen tijd in het Noord-Westen van Europa uitvoerden, golden het ver afgelegene Thule, het groote door vulkanen gekliefde en met ijs bedekte eiland IJsland.--Daar schiepen zij, om zoo te zeggen, een geheel nieuw land en volk, stichtten en bevolkten eene hoogst merkwaardige republiek, wier burgers door heldenzin, poëzie en ontwikkeling, boven alle Skandinaviërs der 10de eeuw bijzonder uitmuntten.--Ofschoon deze eens onafhankelijke Skandinavische vrijstaat op IJsland, later aan de Noorweegsche en vervolgens aan de Deensche Koningen onderworpen geraakte, en onder hunne heerschappij tot onbeduidendheid verzonk, zoo zijn toch in taal, sagen, gezangen en in de oude geschriften van die afgelegenste aller Europeesche landen, de oudste overleveringen, de edelste taalschatten en historische heiligdommen van de Skandinavische volken beter bewaard gebleven dan ergens anders; eerst in lateren tijd zijn zij weder van onder het stof te voorschijn gebracht, om zoo te zeggen van onder sneeuw en ijs voor den dag gehaald [22] om menig duister punt in de geschiedenis van den geheelen Germaanschen volksstam op te helderen.--De IJslanders, die niet alle latere omwentelingen en veranderingen der Skandinaviërs medemaakten, spreken nog heden de primitieve Noordsche taal het zuiverst, verstaan gemakkelijk het oude, harde, ruwe Lapidair-schrift [23] der Edda (d.i. stammoeder) en lezen daarin, in den walm en het schemerdonker hunner houten hutten zittende, met den meesten ijver de heldendaden hunner voorouders.

Van uit IJsland bereikten reeds toen de Noormannen ook Groenland, en oogstten zelfs den roem in, eener ontdekking en betreding van het nieuwe vasteland van Amerika, lang voor Columbus [24].

De tijd, waarin zich dit schilderij van den grooten invloed der Skandinavische Noormannen ontvouwde, mogen wij in ronde cijfers, omstreeks het jaar 1000 n. Chr. vaststellen.

Toen hadden zij ons geheele vasteland in hunne netten ingesponnen, en waren er, om zoo te zeggen alom tegenwoordig, even als hun element, de overal in het land binnenkijkende Oceaan.--Zij trokken Europa om van de tundra [25] der Samojeden, tot de straat van Gibraltar en van deze Oostwaarts tot het Heilige land en tot den Pontus Euxinus, en vervolgens van dezen, zooals gezegd is, dwars door het breede Rusland weder terug tot hun Noordsch vaderland.--Als gebieders zetelden zij overal op de uiterste punten van het werelddeel, bij de Noordkaap en bij het Zuidelijk uiteinde van Italië, en hadden zij bovendien vele eilanden en punten van Groot-Brittanje en Gallië in hun bezit.--Wanneer ook al niet overal als _land_-heeren, zoo mochten zij toch alle havens van het werelddeel, als _zee_-heeren vrij binnenloopen, en op alle punten der kusten, als de schrik der bevolking, ongehinderd hunnen voet zetten.

Nooit heeft voor hen en, met uitzondering der Engelschen, ook nooit na hen, een zeevolk het geheele water om Europa op zulk eene wijze, om zoo te zeggen, in handen gehad.--Waren zij niet de _membra disjecta_ [26] van een reus geweest, had een vereenigend organisme, een enkele staatswil ze allen bestuurd, dan zouden zij waarschijnlijk, even als eens de Romeinen, op den duur gevaarlijk voor de onafhankelijkheid van Europa geworden zijn.--Langzamerhand echter verminderde de kracht en de massa van het volk van het toch slechts spaarzaam bewoonde vaderland. Toen de andere staten en volken--ten deele zelfs met _behulp_ dezer, van hun vaderland afstand gedaan hebbende Noordsche emigranten en van hunnen frisschen geest--zich weder vermanden; toen de omstandigheden ook in Skandinavië veranderden; toen daar het christendom overwinnend binnengedrongen was, machtige monarchiën--het eerst in Denemarken, dat in alle opzichten wat de geschiedenis der beschaving aangaat, meestal het overige Noorden voorging, vervolgens in Noorwegen en ook in Zweden,--zich bevestigd en den wilden zin der stamhoofden of Zee-Koningen gebreideld hadden; toen werden de talrijke bronnen en kraters dier tallooze uitbarstingen en kruisvaarten naar het Zuiden, verstopt. De plunderings- en veroveringstochten hielden op.--Als eene slak trok Skandinavië zich in zijn eigen huis terug. En eene _dergelijke_ grootsche periode van roem en grooten invloed, heeft het Noordsche volk nimmer weder beleefd.

Wel is de stroom ook later nog herhaalde malen buiten zijne oevers getreden, maar deze overstroomingen bepaalden zich tot een kleiner gebied. Het meest ontmoeten wij na den tijd der Wikinger, de Skandinaviërs aan de overzijde der Baltische zee, op den sedert overoude tijden door hen bewandelden weg naar het Oosten, waar hunne voorvaderen het groote Rusland gesticht hadden.--Hunne nationale oorlogen tegen de Finsche stammen voortzettende, veroverden en bevolkten de Zweden daar, in de 12de eeuw, het geheele groote schiereiland Finland, dat zij met Skandinavische kolonisten vulden, en bijna 600 jaren lang als een integreerend deel van hun eigen rijk beheerschten.--Zij verloren deze groote provincie eerst in het begin dezer eeuw aan Rusland, maar tot op den huidigen dag zijn Zweedsche wetten, taal en zeden daar nog van kracht.--De kusten van het nu Russische Finland, zijn overal in de rondte door Zweedsche steden en Zweedsche bevolking omzoomd, terwijl het binnenste gedeelte, ofschoon door de Zweden voor de Luthersche kerk gewonnen, nog door de Finnen bewoond wordt.

Ook de andere, nu Russische Oostzee-provinciën, zijn door de Skandinaviërs, zooals vermoedelijk _dikwijls_ in oude tijden, zoo ook in de latere eeuwen nog herhaalde malen meer of minder lang beheerscht geworden; zoo Esthland het eerst door de Denen in de 13de eeuw, later weder door de Zweden in de 16de en 17de eeuw tot op Peter den Groote; en even zoo ook Lijfland (maar niet zoo lang) in de 17de eeuw door de Zweden. Ja! in het begin der 18de eeuw, scheen het een oogenblik, alsof een tweede Rurik, een karakter dat zeer veel overeenkomst had met dat der oude Wikingers en Warägers, de avontuurlijke en heldhaftige Karel XII, die langs de oude wegen der Noormannen, Rusland diep binnendrong, zich gereed maakte, daar een nieuw Noormannenrijk te stichten. In de stamlijsten van den Duitschen adel der Russische Oostzee-provinciën, vindt men sedert dien tijd nog menige familie van Zweedschen naam en oorsprong, opgeschreven. Ook bevinden zich langs de kusten van Esthland, even als langs die van Engeland, eenige kleine eilanden, waar nog ten huidige dage, onder Russischen schepter, Zweedsche visschers en boeren wonen, die Zweedsche gewoonten huldigen en Zweedsche taal spreken.

Ook in de Zuidwaarts gelegene landen, in Polen en Duitschland, zijn in latere tijden de Skandinaviërs meermalen binnengedrongen.--Van Oldenburg, oostwaarts over Pommeren tot naar Koerland, is nauwelijks ééne Noord-Duitsche stad of provincie te noemen, waarin niet een of meermalen Denen of Zweden geheerscht, en die zij niet sedert de 12de eeuw tijdelijk in bezit gehad hebben.--Daar behoorden ook de Polen tot de erfvijanden der Zweden, waarmede zij dikwijls hunne zwaarden kruisten, wier landen hunne legers meermalen binnen marcheerden, en met wie zij ook eens, voor een korten tijd, in het einde der 16de eeuw, onder denzelfden koning vereenigd waren.

Het gewichtigst echter waren hier in het Zuiden, van oudsher de verwikkelingen hunner aangelegenheden met die hunner oude Duitsche stambroeders. Ja! van alle aanrakingen die zij met vreemden gehad hebben, is van oudsher geene voor de Skandinaviërs van meer invloed geweest, dan die met de Duitschers.

Van Duitschland kregen zij het eerst het oude katholieke en later ook het hervormde christendom. Door Duitschland werden zij, door het Hanze-verbond, dat reeds in de 14de en 15de eeuw geheel Skandinavië met koloniën en handelskantoren vulde, in den verkeers-kring van het Zuiden getrokken, en werden hunne oude zeeroovers langzamerhand in vreedzame, zegen aanbrengende handelaars veranderd.

Ook hunne Koningen hebben zij dikwijls aan Duitsche familiën te danken; de Zweden alleen vijf of zes maal. Vele adellijke geslachten werden hun van Duitschland toegevoerd en steeds, tot op den jongsten tijd, ontvingen zij van daar, meer steden-bewonende burgers, handwerkslieden en kolonisten, dan uit eenig ander land van het werelddeel. De weinige steden, die het aan steden arme Skandinavië bezit, werden met Duitsche hulp gebouwd. Ook hebben ten gevolge van dit alles, in het geheele Noorden, van oudsher de zeden, de ontwikkeling, de literatuur en de omgangs-taal der Duitschers, zich meer aanzien en invloed verschaft, dan die van eenig ander volk.

Met betrekking tot kunsten en wetenschappen, maakten de Skandinaviërs in zekeren zin slechts eene _provincie_ van Duitschland uit, welks bewegingen zij altijd gevolgd zijn.--De geschiedenis van de poëzie en literatuur der Zweden, Noorwegers en Denen, heeft bijna geheel dezelfde tempo's, perioden en afdeelingen als die der Duitschers, en sluit zich aan deze op gelijke wijze aan, als de geschiedenis van de ontwikkeling der Portugeezen aan die der Spanjaarden, of als die der Schotten aan die der Engelschen. _Met_ de Duitschers dommelden zij nog in de 14de en 15de eeuw, toen de muzen der Romeinen reeds lang ontwaakt waren. _Met_ de Duitschers ontwaakte hun geest tijdens de kerkhervorming. _Even_ als bij de _Duitschers_, ontstonden ook bij de Noord-Germanen, hunne moderne schrijf- en literatuur-talen, uit de kerkelijke beweging, uit de bijbelvertaling. _Even_ als de Duitschers zongen zij aanvankelijk in de 16de en 17de eeuw, niet anders dan godsdienstige liederen en psalmen. Gelijktijdig met de Duitschers, werd hun Parnassus, omstreeks het einde der 18de eeuw, bezield en verlevendigd door talenten en bloesems van anderen aard. Hunne nationale en lievelingsdichters, de Denen Ewald, Baggesen, Oehlenschläger, de Zweden Bellmann, Tegnér en Geijer, waren de tijdgenooten en gedeeltelijk de vrienden van de Duitsche Schiller en Goethe. Iets dergelijks laat zich van hun Thorwaldsen en Byström, en van hun Linnaeus en Berzelius, met betrekking tot Duitsche mannen van kunst en wetenschappen zeggen.

Van minder gewicht is van oudsher, de terugwerking der Skandinaviërs op de Duitschers geweest. Slechts eens hebben zij in latere tijden weder krachtig in de geschiedenis der Duitschers ingegrepen, in de treurige perioden van den dertigjarigen oorlog, toen hun edele koning Gustaaf Adolf (die door Napoleon zelfs naast Hannibal, Cesar en Alexander den Groote, als een der grootste veldheeren der wereldgeschiedenis werd geplaatst) het Noordelijk Duitschland voor de overmacht van het huis Habsburg, en voor het bijna reeds overwinnende Katholicisme redde, en toen Zweedsche soldaten, Zweedsche nationale kleederdrachten en zeden, in Duitschland even algemeen werden, als eene eeuw te voren de Spaansche geweest waren. Maar ook deze zoogenaamde Zweedsche tijd in Duitschland, heeft in de ontwikkeling en de taal van het volk slechts weinige sporen achtergelaten die nog aangewezen kunnen worden.

Nadat de Zweden in het begin dezer eeuw, hunne laatste uit den dertigjarigen oorlog afkomstige bezitting ten zuiden der Oostzee, het eiland Rügen en een gedeelte van Pommeren, verlaten hebben, zijn daar van hen geene kolonisten en afstammelingen, geene taal overblijfselen, overgebleven, wel misschien nog iets in de gebruiken dier streek, en den hier en daar spreekwoordelijk geworden schrik voor den Zweedschen naam, waarmede men nog heden ten dage in Pommeren de kinderen naar bed jaagt. Skandinaviërs en Duitschers hebben zich hier overal duidelijk en scherp van elkander afgescheiden, en hebben zich naar hunne natuurlijke grenzen aan deze en gene zijde der zee teruggetrokken.

Zooveel, wat betreft de punten van aanraking der Skandinaviërs met vreemde volken, hunne koloniën, staat-stichtingen en zijtakken, en hunne voetstappen, sporen en overblijfselen buiten hun vaderland. Beschouwen wij hen nu in hun vaderland zelf, dan kan men beginnen met te zeggen, dat het geheele Skandinavië, in hoofdzaak ten gevolge van geographische- en historische verhoudingen, in drie groote hoofd-landen en volken-groepen, die der Zweden, der Noorwegers en der Denen, gesplitst is.

Even als door de zee en de noordelijke ligging, van het overige der wereld afgescheiden, zoo is het Skandinavische schiereiland over zijne geheele lengte door een groote bergstreek in twee deelen gesplitst, Oostelijk Zweden en Westelijk Noorwegen.

Zweden is veel bergachtiger, hooger, boschachtiger dan het vlakke Denemarken, maar vergeleken met Noorwegen schijnt het een laag heuvel- en rotsplateau-land, dat vóór de groote Noorweegsche bergruggen gelegen is.

Terwijl Noorwegen en zijne kusten naar den Westelijken Oceaan gekeerd zijn, is Zweden gekeerd naar het binnen-bekken der Oostzee, en dit heeft een beslissenden invloed op de natuur der beide groote helften van het schiereiland, en op de lotgevallen zijner bewoners uitgeoefend. De eene helft, de Noorweegsche, is overal toegankelijk voor de nevelen, de wolken, de gematigde winden der wereldzee, die zich aan hare bergen legeren en die haar een zachten regenrijken winter en vochtigen zomer, een eiland-klimaat geven.--De andere helft daarentegen, de Zweedsche, ontvangt met open armen alle invloeden van het Oosten, meer zonneschijn, meer helderheid, zeer koude en scherpe winters en korte, heete zomers. Noorwegen is een der grootste regenlanden van Europa, op Zweden daarentegen valt slechts een vierde der Noorweegsche regenmassa.

Het is gemakkelijk te begrijpen, dat wanneer ook al niet, beide zoo opvallend van elkander verschillende streken, van den beginne af aan door twee verschillende stammen _bewoond_ werden, zich toch ten slotte een groot verschil in karakter en nationaliteit _vormen_ moest.--De Noorwegers vooral waren het, die de groote daden der Skandinaviërs, op de door hen zoo dikwijls bezongene zeeën, verrichtten. Van hen zijn de meeste dier trans-oceanische Skandinavische koloniën in IJsland, Groot-Brittanje enz. uitgegaan.--De Zweden daarentegen hebben zich altijd in het breede, dicht voor hen liggende Oosten verdiept. Van _hen_ vooral waren de _Waräger_ afkomstig, die tot Constantinopel doordrongen en aan Rusland zijnen naam gaven. De koloniseering van het groote Finland is hun werk.

Aan de Denen kan men in dit opzicht onder de Skandinavische volken, eene middel- en dubbele plaats toekennen. Aan de vereeniging van de Oostzee met den Oceaan gevestigd, namen zij aan de beide richtingen der werkzaamheden hunner stamgenooten deel. Zij voeren met de Noorwegers in Westelijke richting den Oceaan in, en werden daar, even als deze, machtig--en aan de andere zijde in Oostelijke richting gingen hunne ondernemingen dikwijls parallel met die der Zweden, soms tot diep in Rusland, Polen en Duitschland.

Dat de Zweden, ten gevolge der aangegevene omstandigheden, tot een door ligging en gesteldheid van hun land verbonden geheel te samensmelten, en zich van de Noorwegers en Denen scheiden moesten, is natuurlijk.--Maar uit eene verdere onderverdeeling van het land ontstaat op even natuurlijke wijze eene verdere onderverdeeling van het volk.--In het Zuiden maakt zich het Zweedsche vasteland van zijne aaneengroeiing met Noorwegen los. Het loopt Zuidwaarts in een breeden landentop uit, die zoowel eene Oostzeekust heeft, als voor een gedeelte door den Oceaan begrensd wordt.--Deze Zuidelijke helft van Zweden is van het Noordelijke hoofdlichaam van het land, verder door eene reeks groote zeeboezems, en eindelijk nog door een breede streek van vroeger ondoordringbare en eerst in lateren tijd gedunde wouden gescheiden.

Er ontstaat op die wijze een _Zuidelijk_ Zweden, dat zich bijna als een groot eiland voordoet, en een _Noordelijk_, dat meer met het Noorden van het vasteland vastgegroeid is.--Deze verdeeling van het land in twee deelen heeft ook van de oudste tijden af, eene verdeeling in twee deelen van het Zweedsche volk veroorzaakt, die nog heden ten dage uit een ethnologisch oogpunt eene meerdere of mindere waarde heeft.

In de Zuidelijke breede landenpunt, woonden de zoogenaamde Gothen of Guthen, die lang hier hun eigen koningrijk "Gothland" of "Götarike," hadden; in het Noorden der bosschen en merenrij daarentegen, de in naam, zeden en dialect van genen afwijkende, _eigenlijke_ Zweden. De wieg en oorspronkelijke woonplaats van laatstgenoemden, is in de vlakke en vruchtbare landschappen rondom den grooten fiord, die men het Meler-meer noemt.

Hier vormde zich het oude koningrijk en volk "Suithiod" of "Swearike," het eigenlijke Zweden, dat langzamerhand echter verder om zich heengreep en ook het Zuidelijk land en volk der Gothen, ten deele door geweld en bloedige oorlogen, met zich vereenigde.--De veel bezongene Brawalla-slag, die op de grens van het land der Zweden en dat der Gothen plaats vond, mag als een dezer gevechten tusschen de Zuidelijke en Noordelijke Skandinaviërs beschouwd worden. Die vijandelijkheden en verschillen tusschen Zweden en Gothen, waren dergelijke als die tusschen Noord- en Zuid-Duitschland, en meestal was het de vraag of de "Gothen" dan wel de "Zweden," aan het geheele rijk een opperhoofd zouden geven.

Eerst in nieuweren tijd hebben de Denen hunne uiterste en laatste bezitting op het Skandinavische vasteland, in het oude land vanwaar zij herkomstig zijn, het landschap Schonen opgegeven.--En eerst sedert dien tijd, sedert de Roeskilder-vrede in het jaar 1658, omvat de Zweedsche naam het geheele tesamenhangende en natuurlijk begrensde land ten Oosten van den Noorweegschen bergrug.--Desniettemin echter is er nog tot op den huidigen dag, altijd een onderscheid tusschen de Zuidelijke Zweden aan deze zijde van het groote woud en de meren--de Gothen--en de eigenlijke Zweden in het Noorden, in het stamland aan het Meler-meer. En nu nog verdeelt men de Zweedsche taal in twee hoofd-dialecten, het Gothische en het Zweedsche, het Zuidelijke en het Noordelijke.

De oude en de nieuwe koninklijke residenties der Zweden, Sigtuna (de Odins-stad), Upsala, Stockholm, liggen om het Meler-meer. Daar is nog heden het hart van het volk, even als dat van het Deensche volk rondom Kopenhagen. Daar zijn de hoofdzetels van den Zweedschen adel. Niet ver van daar ligt het oude IJzerland, de woonplaats der dappere Dalekarliërs (dalkerels), van uit wier dalen in nieuwere tijden Gustaaf Wasa, een tweede Sigurd Ring, het oude Noordsche Zweden van de opperheerschappij der Denen bevrijdde, en het moderne Zweden grondvestte. Daar ook, aan het Meler-meer, wordt het dialect gesproken, dat zich tot de hoofdtaal van het volk en van de literatuur in Zweden verheven heeft.

Het laat zich begrijpen, dat er buiten de beide genoemde hoofdafdeelingen der Zweedsche natie (de Gothen en de eigenlijke Zweden) nog vele andere plaatselijke schakeeringen van den volkstam en zijne taal bestaan. Men treft b.v. binnen het Gothische gedeelte alleen, nog een half dozijn meer of minder verbreide dialecten.--Ja! men kan zeggen dat in al de tallooze dalen van Zweden, die als smalle strooken bewoonbaar en bebouwd land uit het dichte oorspronkelijke woud uitgesneden zijn, even zoo vele kleine eigenaardige volks-zeden en taal-gebieden bestaan, als er sporten aan eene ladder zijn.