Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 58

Chapter 583,570 wordsPublic domain

De oude Romeinen, die zoo weinig aanleg voor den handel hadden, dat zij zich bij hunne zaken meestal van de Grieken bedienden, waren hartstochtelijke landbouwers. De Engelschen, die zoo'n groote voorliefde hebben voor het aan de steden geketende handelsverkeer en de in haar welig tierende industrie, hebben zich toch niet minder ijverig dan de Romeinen toegelegd op de ontwikkeling van den grond, en op het landleven. Bij al hunne voorliefde voor fabriek- en handelspeculatiën, zijn zij toch tegelijk echte landbouwers, en verscheidene zaken in hun karakter en hunne zeden laten zich uit hunne voorliefde voor het landleven verklaren; zooals zich bij andere volken, vooral bij de gezellige Franschen en moderne Italianen, vele eigenaardigheden als _steedsche_ gewoonten en eigenschappen laten beschouwen. Van de Engelschen kan men zeggen, dat zij in de steden alleen hunne zaken doen, maar dat zij, als warme vrienden der natuur, op het land wonen en het _leven genieten_. Geen volk vóór hen, heeft eene zoo innige samensmelting van stad- en landleven gehad. Ook in dit opzicht zijn wij begonnen hunne zeden na te volgen, en dat wij met onze familiën, meer en meer uit de oude pakhuizen en magazijnen in de vrije natuur gekomen zijn, is grootendeels eene verdienste en het werk van de ons daarin voorgegane Engelschen. Al onze steden hebben sedert eene halve eeuw eene hervorming ondergaan, aan welke de steden en de manier van wonen der Engelschen tot model schijnen gediend te hebben.

De _practische_ landbouw staat nergens hooger dan in Engeland, en zij is het voorbeeld en het model van den landbouwkundigen vooruitgang voor geheel Europa geworden. "Zij hebben ieder landbouw-werktuig, iederen ploeg, ieder tuinmes de doelmatigste gedaante gegeven."--Het glanspunt hunner landhuishoudkunde is de veeteelt. Er valt nauwlijks een nuttig dier te noemen, waarvan de aankweeking door hen niet met voorliefde werd beproefd. Zij hebben de zoo ongeschikte en ruwe dieren, het paard, het rund, het schaap, het hoen, de duif enz., zooals de natuur ze leverde, ter hand genomen en hebben ze door kunst, om zoo te zeggen, zoo verwerkt, als het meest geschikt was voor het doel, dat de menschen er zich mede voorstelden, en van Engeland uit, worden voortdurend eene menigte dier veranderde rassen, over ons geheel vasteland verspreid.

Van even grooten invloed zijn zij op onzen, met de landhuishoudkunde nauw samenhangenden tuinbouw geweest. Vóór hen, werd deze kunst hoofdzakelijk door de Italianen en Franschen, dat is, door stadsche volken beoefend, en dien ten gevolge had zij iets stadsch, iets architectonisch. Ik herinner slechts aan de Italiaansche tuin-terrassen, aan de Fransche boom-_poorten_, loof-_pyramiden_ en bladen-_wanden_. De Engelschen voerden de natuur in den tuin terug, en bevrijdden de sierlijke gewassen van de pijnbank der tuin-messen en scharen. Een Engelsch landschapschilder Kent was de schepper der moderne tuinbouwkunst. Na hem namen de boomen, de koninklijke eiken, de majestueuse linden en beuken der Engelsche parken, die natuurlijke bevalligheid, die ongekunstelde schoonheid en vrijheid van wasdom aan, die alleen een Engelsche tuinman aan de gewassen te geven of te laten wist, en die met de zeden en de vrije instellingen van dit krachtige volk in zoo groote harmonie staan. De Engelsche smaak in het aanleggen van tuinen heeft zich in den laatsten tijd over geheel Europa uitgebreid, en de Engelschen, wier vaderland op een natuurlijken tuin gelijkt, zijn oorzaak, dat nu ook de vriendelijke natuur met hare licht- en kleurenpracht, met hare Dryaden en Najaden, in onze vroeger zoo sombere steden binnengedrongen is.

Er bestaat in Noordelijk Europa geen land, waarvan het zoo gematigde, om zoo te zeggen neutrale klimaat, voor zoo velerlei soort van planten zoo gunstig is, en waarheen het zoo gemakkelijk valt, de kinderen der Flora uit het afgelegenste Zuiden, naast de planten van het hooge Noorden te plaatsen. _Dien ten gevolge_--en ook ten gevolge zijner uitgebreide connecties--is Engeland de stapelplaats van alle planten der wereld, en voor ons Europeanen het land van aankomst en doortocht dier planten geworden. Van daar uit worden onze broeikassen gevuld, en er zijn weinige in den laatsten tijd beroemd geworden bloemen, sierplanten of planten van nut, wier verbreidingsgeschiedenis door Europa, ons niet naar de Engelsche tuinen en broeikassen, als tot hare bron, terug voert.--Met de planten zijn ook Engelsche tuiniers, onder wie vooral de Schotsche uitmunten, de wereld doorgetrokken. Men treft ze tot in de verste deelen van Rusland en Amerika aan, en zelfs bij ons staan zij dikwijls aan het hoofd van tuinbouw en bloemkweekerij.

Eene zoo eminente natie als de Engelschen, die door haar vast karakter, hare macht, haren rijkdom, hare literatuur geheel Europa ontzag inboezemde, moest ten slotte ook wel in andere minder wezenlijke zaken geacht en nagevolgd worden, en zoo kwamen langzamerhand niet alleen hare taal, hare dichtwerken, maar ook hare kleeding en keuken bij ons in de mode, en in beiden is haar invloed een zeer weldadige geweest.

Even als bij andere zaken, zoo hebben de Engelsche ook bij hunne kleeding altijd het doelmatige en tevens het nette voor oogen gehad. Van oudsher zijn hunne nationale-kleederdrachten minder sierlijk en prachtig, dan wel gemakkelijk en met het menschelijk lichaam overeenkomende geweest. Hunne gemakkelijke overjassen, hunne wijde, breedschouderige wandeljassen van solide stoffen, die wij bijna algemeen aannamen, hebben ons ten deele uit de ketenen der engsluitende Fransche kleeding bevrijd.

Er zijn volken in Europa, die _in het geheel_ geen of slechts een _geringen_ invloed op de kleedij der bewoners van ons werelddeel gehad hebben, zooals bijvoorbeeld de Duitschers, die nooit recht wisten, hoe zij zich kleeden wilden of moesten. De Engelschen hebben na de Franschen den meesten invloed op modezaken. Wij dragen verscheidene kleedingstukken, die, zooals de "Macintosh," het "Spencer," hunne namen aan Engelsche individuën ontleenden, die ze het eerst in zwang brachten.

Denzelfden geest, hetzelfde streven naar het natuurlijke, naar het substantieele en voedzame, die uit het wezen der Engelschen overal tot ons spreken, ontmoeten wij ook in hunne keuken. Hier, even als in de inspiratiën hunner Muzen, verwaarloozen zij den smaakvollen vorm, maar letten zij des te meer op kracht van stof en goede hoedanigheid van het voedingsmiddel.

De producten hunner kookkunst hebben geheel het solide en krachtige, soms eenigzins kolossale, dat ook de scheppingen hunner bouwkunst en men kan zeggen alle openbaringen van hunnen geest eigen is. Hunne vleeschspijzen, die zij, om er maar weinig van de natuurlijke kracht aan te onttrekken maar zeer kort aan den verterenden invloed van het vuur blootstellen, is een soort heroën-kost, hun drank, bij voorbeeld het porter-bier, is een vloeibaar voedsel.

In nieuweren tijd is ook van deze kracht en natuurlijkheid der Engelsche kookkunst veel in onze keukens overgegaan, en misschien zou het voor ons zeer heilzaam wezen, wanneer wij (met eenige beperking) nog meer aan dien invloed toegaven.

Met deze opmerking ben ik dus, in eene vluchtige schets van den Engelschen nationalen-geest, tot het laagste departement hunner nationale huishouding, in keuken en kelder afgedaald. En ofschoon ik den lezer nog door talrijke andere afdeelingen van een zoo uitvoerig labyrinth, als het wezen van een onzer grootste ontwikkelde volken aanbiedt, zou kunnen voeren, wil ik hiermede besluiten, en door een achterdeur van dit souterrain, eene verdere uitweiding van dit onuitputtelijk thema trachten te ontkomen.

DE ZWEDEN, NOORWEGERS EN DENEN.

Uit steen en erts gebouwd, om zoo te zeggen één enkel kolossaal van vele kloven voorzien graniet- en ijzerblok--strekt zich het groote Skandinavische schiereiland ver in het ijs en het schemerlicht der poolstreken uit.--Zich in de gedaante eener groote halve maan van ons werelddeel losmakende, zweeft zij als een getrokken zwaard over het middelste lichaam van Europa heen.--Aan alle zijden is het door zeewater omgeven, en slechts een gedeelte is door uitgestrekte sneeuwvelden met het overige vasteland verbonden, zooals zulks gedeeltelijk ten Zuiden bij Denemarken, gedeeltelijk ten Oosten bij Finland, door eilanden groepen, die als bruggen zouden kunnen beschouwd worden, geschiedt.

Van het Zuiden naar het Noorden gaande--in tegenstelling met het van het Oosten naar het Westen loopende hoofdgedeelte van ons vasteland--gaat het door 20 breedtegraden, 300 mijlen opwaarts tot in die streken, waar men aardappelen en erwten in bloempotten moet aankweeken, en strekt zich tot hoogere parallellen uit, dan zelfs het land der Samojeden, waar men alleen onder den grond bescherming vindt tegen koude en orkanen. Met recht noemen wij Europeanen het dus, bij voorkeur "_het Noorden_" van ons werelddeel, en zeer opmerkelijk is het, dat de Romeinen, toen zij dat zoo eigenaardige land het eerst leerden kennen, het "_eene andere wereld_" noemden.

Even als een oude, knoestige en rimpelige eik boven het lage hout der elzen- en hazelnooten-boschjes uitsteekt, zoo steekt dit Noordsche gletscherrots- en Alpengebied, boven de lage vlaklanden uit, die aan gene zijde der zee er in het Zuiden en Oosten om heen gelegen zijn. En als een eik heeft het van oudsher in zijne geïsoleerdheid, vrij, eigenaardig en onafhankelijk daar gestaan, zelden lijdende van de volksoverstroomingen en veranderingen, die het hoofdlichaam van Europa doorwoelden, en daarvan slechts de laatste golfslagen gevoelende; daarentegen heeft het van zijn hoogen zetel, dikwijls op de lotgevallen van het Zuiden ingewerkt en genoemde stormen zelfs aangeblazen.

Even als door het geheele Oosten van ons werelddeel heen, zoo hadden ook de eerste herders- en jagersvolken van den Finschen stam, reeds in overoude tijden, den weg naar de bosschen en bergkloven van Skandinavië gevonden en daar hunne rookerige hutten gebouwd. Nog heden ten dage beroemen de Lappen, de broeders der Finnen, er zich op, dat zij het oudste volk in het Zweedsche rijk zijn, en dat het geheele land hun eens toebehoord heeft. Deze Lappen zijn waarschijnlijk de overblijfselen der merkwaardige Aborigines, van die oorspronkelijke bevolkingsstof, waarop de sagen der tegenwoordige Germaansche Skandinaviërs wijzen, en wier met gras begroeide grafheuvelen wij overal in het land, naast de heldengraven hunner nakomelingen, verstrooid vinden. De latere Germanen, die het land binnentrokken, roeiden die Finnen of Lappen ten deele uit, of dreven hen naar het hoogste Noorden terug.

Dat daarbij ook een deel der oorspronkelijke bewoners met de Germaansche stammen versmolt, bewijst de Zweedsche taal, die een groot getal uitdrukkingen voor huisraad en visschers gereedschap, aan het Finsch en Lapsch ontleend heeft. Ook merkt men hier en daar in het Noorden van Skandinavië, dal-bevolkingen op, die in lichaamsbouw en gelaat duidelijk het Finsche of Lapsche type hebben, ofschoon zij nu Noorweegsch of Zweedsch spreken. Ook de Loffodische eilanden, bij Noorwegen, zijn, naar men meent, nog heden door zulk een Germaansch-Finsch volk bewoond. De tijd, waarin deze zaken voorbereid werden, ligt buiten het bereik der geschiedenis. Wij weten noch wanneer, noch hoe en langs welken weg die Germaansche inval plaats had. De eigenaardigheid van het afgelegene en door zeeën afgescheidene groote land, waarin zij kwamen, moest de daarheen trekkende Germanen, wanneer zij het van nature niet reeds waren, tot een bijzonder, van de overige Germanen verschillend volk maken.

Men kan zeggen, dat al het in Europa door Germanen bewoonde land, geographisch uit twee hoofddeelen bestaat, uit het groote in het midden van Europa tusschen de Noordzee en de Middellandsche zee ingewrongene stuk (Duitschland) en uit het even groote door de zee daarvan gescheidene, Noordsche schiereiland. Dat in deze beide groote, zulk een scherp contrast met elkander makende, gedeelten van het Germaansch Europa, zich ook twee groote takken van den volksstam, een Noord-Germaansche (of zooals de Skandinaviërs zelven liever zeggen _Gothische_) en een Zuid-Germaansche of Duitsche tak, òf vormen moesten, òf moesten blijven bestaan, was, zeg ik, zeer natuurlijk.

Behalve de oorspronkelijke Lappen of Finnen en de het land binnengetrokkene Germanen, weten wij van geen ander eenigzins gewichtig volk af, dat zich blijvend op het groote schiereiland nedergezet of uitgebreid heeft. De ethnographische geschiedenis der Skandinaviërs is daarom vrij eenvoudig. Al die ontelbare volken-vermengingen in al de overige gedeelten van Europa, hebben het, buiten de bewegings-richting liggende, Skandinavië niet aangedaan. Nooit is het, na die eerste Germaansche verovering, andermaal door vreemden bezet of zelfs gekoloniseerd geworden.

Phenicische zeevaarders zouden echter, naar de meening van een nieuweren Zweedschen onderzoeker, tot naar Skandinavië doorgedrongen zijn, en daar menig spoor hunner aanwezigheid achtergelaten hebben. Hunne inwerking was echter in alle geval noch van zoo ingrijpenden aard, noch zoo langdurig, als b.v. in Spanje. De Grieken hebben hier geene handelskantoren of factorijen gehad. Romeinsche soldaten of kolonisten hebben het land nooit onderworpen. Vooral ook is het schier van alle latere Aziatische en Oostersche invallen bevrijd gebleven. Nooit is het--zooals Duitschland en zelfs Frankrijk somwijlen--door de invallen der Hunnen, Mongolen, Turken en Tataren verontrust geworden. Ook de Slawen, die bij massa's tot in het hart van Duitschland doordrongen, deden dit Noorden slechts even terloops aan. Zelfs van de overal zijne vertakkingen hebbende immigratie der Israëlieten, en de door hen veroorzaakte harrewarrerijen en vermengingen, is dit land vrij gebleven. En in dit, evenals nog in menig ander opzicht, is dit land eenig in Europa.

Bezwaarlijk zal men ergens anders een minder vermengd oud ras, een oorspronkelijker Indo-Germaansch volk vinden, dan in Skandinavië, in welks granietrotsen en gebergten ook, even als in zijne bevolking, de oorspronkelijke vormingen zichtbaar zijn, terwijl deze, in zuidelijker gelegene landen, door vele jongere vervormingen bedekt zijn. Vooral is dit Noorden, in menigerlei opzicht, de oud-Germaansche geaardheid trouwer gebleven, dan het Duitsche hoofdland zelf, en is het in verscheidene opzichten de bewaarplaats en beschermer der traditiën van den geheelen grooten Duitschen stam geworden. Dààr bleven de mythen van den ouden Odins-dienst zeer lang bestaan. Dààr weerklonken nog langer de vroegste helden-liederen en sagen, die misschien nog zinspelen op de daden der Germanen onder de Asen [19] en in Azië, en die naar de getuigenis van den Gooth Jornandes, [20] eens ook in den mond der stammen van Duitschland zelf leefden. Dààr ook, aan gene zijde van de Belten en van den Sond, vindt men nog onveranderder dan ergens anders, de goudgele lokken, de helder blauwe oogen, de slanke taille, de hooge gestalte der oude Germanen, die eens door Tacitus geschilderd werden.

Hoe ongedeerd, volgens dit alles, dit land van buiten gebleven is, zoo weinig rust heeft het van vroege tijden af inwendig genoten. Reeds zijne oudste geschiedenis is zoo rijk aan omwentelingen, aan bloedige burger- en broederoorlogen, als eenig ander land. De verschillende stammen, waarin de Skandinaviërs verdeeld waren, waren over en weer dikwijls met elkander in oorlog, en hebben meer dan één vreeselijken Brawalla-slag [21] onder elkander gevochten, waarvan het aandenken en de helden die er in uitmuntten, in hunne liederen gevierd werden, als waren het zegepralen over vreemdelingen. Deze inwendige, van de vroegste tijden af dagteekenende, wijzingen en vijandelijkheden,--de rustelooze en ondernemende zin van het volk--de karige en armelijke natuur van het land, die de bewoners wel verstaalde en verhardde, maar dikwijls met hongersnood en ellende plaagde, hebben dien ten gevolge dikwijls tot verhuizingen en krijgstochten naar den vreemde aanleiding gegeven.

Af en toe hebben zich de onrustige onweerswolken van het Noorden ontladen en zich, van uit het machtige schiereiland, naar alle zijden heen doen gevoelen, en tengevolge daarvan hebben de Skandinaviërs, in het overig Europa veel meer verwoestingen aangericht en er veel meer koloniën heen _gezonden_, dan zij van daar _ontvingen_.

Deze tochten der Skandinaviërs naar het buitenland waren vermoedelijk overoude, dikwijls herhaalde gebeurtenissen. Want reeds Tacitus vermeldt in de eerste eeuw na de geboorte van Christus, dat Suionen (Zweden, Skandinaviërs) sterk door hun getal, door hunne wapens en vloten waren. De Germaansche kolonisten, die de Romeinen, reeds lang voor de Anglo-Saksers het land binnentrokken, in Schotland vonden, zijn misschien wel uit Skandinavië overgekomen. Ook zou voor Christus geboorte, de beroemde tocht der Cimbren en Teutonen,--die, zooals het heet, door overbevolking, honger en watersnood veroorzaakt werd,--in Skandinavië zijn oorsprong gevonden hebben.

Even als de tocht der Cimbren en Teutonen, zoo willen de Skandinavische patriotten, de geheele verdienste en ook de geheele verantwoording der zoogenaamde volks-verhuizing op zich nemen. Zij beweren, dat niet alleen de Oost- en West-Gothen, maar ook de Longobarden en de Vandalen, ja zelfs ook de Franken en de Saksers, of toch ten minste de Koningen, stichters en helden dezer volkenbonden uit Skandinavië, deze, zooals zij het noemen, wieg en werkplaats van tallooze volksstammen, af te leiden zijn. Zij hebben zelfs het portret van den Oost-Gothischen Koning Theodorik, te Upsala onder de rij portretten van Zweedsche Koningen opgenomen, en hebben daar ook den beroemden zilveren codex, het kostbare met zilveren letters op purperkleurig perkament geschreven brokstuk, van het oude in Duitsche (Gothische) taal opgestelde boek, als iets wat hun het meest aanging, bewaard; ofschoon juist dit boek, waarvan de taal veel meer met het Hoog-Duitsch dan met het Skandinavisch gemeen heeft, het best bewijst, dat de Gothen der volks-verhuizing die het schreven, niets minder dan Gothen uit Skandinavië of minstens dit zeker niet _uitsluitend_ en in hoofdzaak waren.

De volksverhuizing, die de oorzaak van den ondergang van het Romeinsche rijk was, was veeleer een uitspruitsel der groote beweging van het geheele Germaansche Europa, en waarschijnlijk had hierop,--niet, zooals de Zweden en Denen meenen, op het altijd slechts schaars bevolkte Skandinavië _alleen_,--dikwijls herhaalde uitdrukking van een Romeinschen schrijver, als hij spreekt over _de wieg en de werkplaatsen der volkeren_, betrekking. Bezwaarlijk zal zich nu nog het aandeel, dat de Skandinaviërs aan die, de wereld in rep en roer brengende gebeurtenissen hadden, laten onderscheiden van het aandeel dat de eigenlijke Duitschers daaraan namen.

Veel meer uitsluitend Skandinavisch en veel belangrijker in hare gevolgen en voor ons onderwerp, was eene tweede reeks van onweersbuien en volks-ontladingen uit het Noorden, die eerst begon, nadat de stormen in het hart van Europa waren gaan liggen, al de door elkander woelende natiën hare vaste woonplaatsen reeds ingenomen en duurzame Christelijke rijken gegrondvest hadden.

Een geheele stilstand en volkomen vrede, zal bij de Skandinaviërs tot op de groote, zoogenaamde _Wikinger-_ of _Nooren-tochten_, die ten tijde van Karel den Groote een aanvang namen, wel nooit geheerscht hebben.--Hongersnood, inwendige verdeeldheid en andere oorzaken tot tochten op den Oceaan, vond men daar voortdurend. Ook was het in het Noorden een oud gebruik, dat het jongere volk, daartoe door het lot aangewezen, zijn geluk als "Vikinger" (krijgslieden) in vreemde landen zoeken moest. Maar in rustige tijden bepaalden die zich tot de nabuurschap.

Waardoor deze, van oudsher dagteekenende Wikinger-tochten, in het aangegevene tijdperk, een zoo grooten sprong en uitbreiding namen, dat zij, om zoo te zeggen, het geheele werelddeel als eene algemeene branding bestormden, is ten deele uit den toenmaligen toestand van Europa, ten deele uit bijzonder sterke innerlijke bewegingen in Skandinavië zelf, te verklaren.--Het Christendom, dat bij zijne aankomst overal stormen verwekte, drong toen ten tijde het Noorden binnen en te gelijk de vorming eener overwegende, vereenigende, koninklijke- en staatsmacht.--Dit nu dreef de kleine stamhoofden of zeekoningen en hunne zonen, die noch hun oud Odinsgeloof, noch hunne even zoo oude persoonlijke onafhankelijkheid wilden opgeven, meer dan ooit naar de zee, en wel met het bepaalde doel, niet zooals vroeger alleen om te plunderen, maar ook om hun oud, door die nieuwigheden aangetast vaderland te verlaten, en zich in het overig Europa nieuwe _vaderlanden_ te veroveren.

Dit overig Europa echter was toen, na de oplossing van het groote Karolingische huis, in een toestand van erge ontbinding.--Vooral was het zwak ter zee; alle staten waren zonder vloten, de kusten zonder verdediging. Op de geheele Middellandsche Zee heerschten de Arabieren, de vijanden van het Christendom, en even als deze in het Zuiden, zoo vulden de zeevaartkundige Noormannen weldra de geheele Noordzee met al hare zeeboezems en kusten.--Tuk op schatten, voeren zij in kleine, onder het kommando van stoute zeekoningen vereenigde eskaders, door alle wateren, en vonden zij den waterweg naar Spanje en tot naar de Middellandsche Zee. Als eene eeuwig dreigende onweerswolk, waaruit men ieder oogenblik hagel en bliksem verwachten kon, verbreidde zich het woeste Skandinavendom over den Oceaan. "Als zee-monsters stortten zij uit de golven op de landen, drongen de mondingen der stroomen van Duitschland, Frankrijk, Engeland, ja! van alle andere landen binnen, en rukten, overal roovende en verwoesting aanbrengende, diep landwaarts in.

Verscheidene landstreken plunderden en verwoestten zij slechts, herhaalde malen in den loop van tweehonderd jaren, zonder daar blijvende koloniën te stichten. In andere streken echter kregen zij vasten voet en stichtten zij--zooals in Groot-Brittanje, Frankrijk, Rusland en eindelijk in Zuid-Italië--nieuwe en zeer merkwaardige rijken.

In Rusland hadden zij reeds zeer vroeg, duurzame en dikwijls bezochte handels-koloniën. Zij--daar "Waräger" (bondgenooten) genoemd,--marcheerden onder hunnen "Rürik" en zijne broeders en strijdmakkers, in herhaalde tochten dwars door de geheele breedte van het groote land, zeilden uit de mondingen zijner rivieren Zuidwaarts naar de Zwarte zee, en grepen van die zijde herhaalde malen Constantinopel aan, waar zich aan het hof der Byzantijnsche Keizers, ten slotte een blijvende lijfwacht van Noormansche trawanten vormde. Zij bouwden in Rusland ook steden, en de oudste Russische staat dien zij stichtten, schijnt zijne kracht en levensduurzaamheid aan den geest der bestuurders, wetgevers en veldheeren van Noormanschen oorsprong ontleend te hebben.--Niettemin is de Skandinavische nationaliteit, in het hart van Rusland, spoedig in de Slawische weder ondergegaan. Alleen hebben eenige oude Russische familiën zich nog lang, op hunne Noormansche afstamming uit de familie van Rürik, beroemd; ook dragen de "Russen" en "Rusland" zelf nu nog een naam, die van Skandinavisch-Germaanschen oorsprong is.

De Britsche eilanden, die zeer dicht bij hen aan de andere zijde van hunne West-Zee lagen, behandelden de Skandinavische zee-koningen gedurende twee eeuwen, om zoo te zeggen, als een deel hunner domeinen, die zij ieder jaar een onafgebroken schatting afpersten.--In schier alle kuststeden van Schotland, Ierland en Engeland nestelden zij zich vast, en hadden zij hunne legerplaatsen overal in de rondte aan de oevers. Eindelijk veroverden de groote Denen-Koningen Sueno en Kanut zelfs het geheele eilanden-rijk, en beheerschten het een tijdlang, tot zij het weder aan de dikwijls in opstand gekomene Anglo-Saksers verloren.