Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 57
Toen hunne staatsregeling gereed was, vond zij echter bij de andere Europeanen zooveel bijval, dat deze er in den nieuweren tijd naar streefden iets dergelijks tot stand te brengen. De politieke constitutie van Engeland werd gelijktijdig het model en het ideaal, waarnaar alle anderen begonnen te werken. Daar zij naar het Britsche eiland-land, als naar de eenige schouwplaats, waar de vrijheid van spreken en handelen een vast en duurzaam asyl had, blikten, zoo werd ook het Engelsche parlement als 't ware het raadhuis der Europeesche maatschappij. Pitt sprak het eens uit, toen Engeland het toppunt zijner macht genaderd was, dat in de toekomst aan de Theems geen _kanon_ meer gelost zou kunnen worden, dat men niet overal in de wereld vernemen zou. Men zou echter nog sterker dan Pitt kunnen zeggen, dat in dat raadhuis aan de Theems door een man van gewicht geen _woord_ zou gesproken worden, dat niet in geheel Europa zijn echo vond, en dat niet evenveel of nog meer gewicht had, dan het gedonder der kanonnen.--Terwijl de Romeinen hunne politieke instellingen, hunne taal, hunne zeden, ja! hunne toga op de vleugelen der adelaars hunner gewapende legioenen over de wereld verbreidden, en op den tijd met ijver en geweld hun stempel drukten; terwijl ook hunne opvolgers, de Franschen, somwijlen, naar zij meenden tot heil der volken, iets dergelijks op dergelijke wijze beproefden, hebben de Engelschen datzelfde tot stand gebracht alleen door het schitterende _voorbeeld_, dat zij den anderen brachten, en door de bewondering en navolging, die hun daarvoor ten tol betaald werden. Zonder nauwelijks een voet breed lands onder ons te bezitten, hebben zij toch weten te bewerken, dat men wellicht de afdeeling der politieke-ontwikkelings-geschiedenis der Europeesche staten, gedurende de eerste helft der 19de eeuw, naar hen en naar hunnen op ons uitgeoefenden invloed, het "_Engelsche tijdperk_" noemen zal.
In nog hoogere mate verdient die tijdsafdeeling dezen naam, wanneer men vermeldt, wat zij voor handel en scheepvaart, voor de commercieele en internationale verbindingen der landen van ons werelddeel, onder zich en met de andere werelddeelen gedaan hebben.
De Merkurius der Britten heeft zijne bedrijvige boden naar alle markten van Europa gezonden. Zij hebben hunne factorijen in Petersburg, Riga, Odessa, Archangel en in bijna alle andere Russische havens. Eenige er van vinden wij in de meeste Duitsche handelsplaatsen, zooals in de Oostzee-havens. Ook op menige Duitsche handelsmarkt, b.v. te Hamburg, maken zij een invloedrijk gedeelte van den handelstand uit. Bijzonder talrijk zijn zij in de kust-stapel-plaatsen van Noordelijk Frankrijk, het oude vaderland hunner Noorman'sche voorvaderen. Zij zijn domineerend in Oporto, Lissabon en de andere zeeplaatsen van Portugal, maar ook in Cadix, de oude kolonie der Pheniciërs, en verder in de voormalige kantoren der Carthagers, in Carthagena, Barcelona en overal langs de kusten van Sicilië te vinden. Hunne agenten hebben zich evenzoo in Livorno, Napels en andere zeesteden van Italië nedergezet, en ook in Griekenland en Turkije vindt men geene plaats, waarin niet Britsche oorlogschepen zijn, om Britsche belangen, individuën en waren te beschermen.
Men kan zeggen, dat sedert eene eeuw de Engelschen, met hun dochter-volk, de Amerikanen, aan het hoofd van alle nieuwe handelsondernemingen stonden. Wij anderen zijn slechts op hunne vleugels om den aardbol gevoerd geworden. Indië, China en Japan, door Portugeezen en Hollanders langen tijd gebarricadeerd, zijn door de Engelschen voor het overige Europa opengezet.
Ook zijn zij het eerst begonnen de ketenen van midden-eeuwsche handelsbeperkingen en monopoliën te breken, en eene verstandige handelsvrijheid baan te maken. Zonder de voorafgegane opheffing der privilegiën van de Oost-Indische kompagnie, zonder de opheffing der belasting op de granen, zonder den vrijdom van scheepsvaart-akten, en, met één woord, zonder te breken met het geheele oude protectioneele stelsel, wat, voor zoover den handel betreft, de Engelschen na veel strijds inleidden, waren vermoedelijk ook de slagboomen aan den Sond, de Elbe en de Wezer nog niet gevallen.
Men heeft onzen tijd bij voorkeur eene industrieele, op materieele voordeelen bedachte, aera genoemd. En dat zij dit geworden is, is vooral aan de Engelschen toe te schrijven. Zij leidden haar reeds vroegtijdig dien weg op. Reeds hunne oudste groote philosophen, de beide Baco's, de een in de 13de en de andere in de 16de eeuw, waren scherpzinnige waarnemers der natuur, hielden zich zelfs met de mechanica, met de physische en chemische onderzoekingen en uitvindingen onledig, en wanneer men de geschriften van Lord Baco van Verulam, den grondvester der nieuwe natuur-philosophie leest, is men geneigd te gelooven, dat de Engelschen van dien tijd af, voortdurend in de door hem aangewezene en gebaande wegen en richtingen verder gegaan zijn. Het heeft al het voorkomen, alsof de kiem tot al hunne latere industrieele en mechanische uitvindingen, reeds in dat praktisch, echt Engelsch philosophisch brein en zijne geschriften gelegen heeft.
Een, veel overeenkomst met Baco hebbenden, misschien nog grooteren geest, kweekten de Engelschen in de 17de eeuw in Isaac Newton, die de mechaniek des hemels ontdekte, en waarop zijne landslieden zich bijna nog meer verheffen dan op hunnen Shakespeare. Sedert Newton's tijd hebben de Engelschen eene geheele reeks der prachtigste en invloedrijkste uitvindingen en hervormingen, in het leven der Europeanen ingevoerd.
In de doelmatigste bewerking en vervorming van ruwe stoffen, in de verbetering van al onze handwerksgereedschappen, in de verhooging der menschelijke kracht en bekwaamheid, hebben zij veel meer dan eenig ander volk geleverd. Zij zijn de vaders van ons modern fabriek- en manufactuur-wezen. Zij hebben het eerst den waterdamp aan onzen dienst onderworpen gemaakt, wat na het temmen en onder het juk brengen van het paard, en na de aanwending der kracht van water en wind, de grootste omwenteling in onze wijze van van arbeiden gebracht heeft. De meeste verbeteringen en geheimen van den machine-bouw moesten wij van hen leeren of afzien. De Watts en andere zulke kinderen van arme Engelsche arbeiders, staan in de geschiedenis der ontwikkeling van de moderne, zoo zeer industrieele volken van Europa, als groote veldheeren en Koningen.--En even als hunne Watts, zoo ook hunne Stephensons. Want alle hervormingen in den wegbouw, de straatwegen, de macadamiseering, de spoorwegen, de verwonderlijke telegraphische inrichtingen zijn van de Engelschen, of van hunne afstammelingen, de Engelsche Amerikanen, uitgegaan. Door hen hebben wij geleerd onze waren, onze personen, onze gedachten met duizelingwekkende snelheid te bewegen en te verplaatsen. Den spoorwegbouw, die gevolgenrijke uitvinding van onzen tijd, hebben van Engeland uitgezondene meesters, in alle landen georganiseerd en het eerst aan den gang gebracht. En datzelfde kan men ook van den brugbouw zeggen, die in nieuweren tijd met te voren ongekende koenheid en veiligheid, de wildste, tot nu toe nooit overbrugde stroomen, ja! breede zeearmen, als tot staan gebracht heeft. Aan den Donau in Pesth, aan den St. Lawrence in Canada, aan den Dniepr in Kiew, en aan ontelbare andere plaatsen, heeft men Engelsche ingenieurs te hulp geroepen om die bouwwerken te vervaardigen, waardoor onze eeuw evenzeer uitmunt, als de midden-eeuwen door hare Gothische kerken.
Men kan zeggen, dat even als de Italianen door hun gloeiend enthousiasme voor het schoone, de Franschen door hunne fijne gezellige taal en hunnen smaak, zoo de Engelschen door hunne industrieele bedrijvigheid, en door hunne voortdurende werkzaamheid, de wereld vooruitgeholpen hebben. Zij zijn eene wezenlijk industrieele, ijverige, werkzame, ernstige natie, wier zin meer op het nuttige, dan op het idealische en schoone gericht is.
"Het hoofdgenot huns levens vinden zij in werken, in het te voorschijn roepen, niet in de vroolijke spelen en beuzelarijen der phantasie." Zij hebben het beroemde vers van hunnen Milton tot hunne leuze gemaakt: "_to scorn delights and live laborious days_" (vermaken te versmaden om hunne dagen aan den arbeid te wijden). Zelfs hunne genoegens hebben het karakter van werkzaamheden. Zij hebben allen hunnen oorsprong in het hoofd, niet in het bloed. Bij hen is geen spoor van de hemelsche uitgelatenheid der Romanische of Slawische volken, zooals die zich in hunne dansen duidelijk openbaart, of van de onschuldige tijdverdrijven der Duitschers. De Engelschen hebben de "_useful pleasures_" (nuttige genoegens) uitgedacht. Al hunne nationale-spelen en sports zijn leerrijk en gaan tevens met krachtsinspanning gepaard. Het zijn de uitspanningen van een mannelijk en energiek volk. Het overig Europa beproeft hen ook daarin eenigzins na te volgen, en Engelsche wedrennen en dergelijke zaken zijn in de andere landen bijna even algemeen geworden, als eens ten tijde der Romeinen de bloedige gladiatoren-spelen en dierengevechten.
Dat de zin der Engelschen wezenlijk op het nuttige en bruikbare gericht is, blijkt op eene bijzonder duidelijke wijze uit de omstandigheid, dat zij, niettegenstaande alle overige gebrek aan aesthetischen zin, een zeer beslist talent bezitten om alle producten van mechanische kunstvlijt een zeldzaam sierlijken vorm te geven, terwijl zij in het geven van een sierlijken vorm aan datgene wat slechts sieradiën zijn, ver bij de Franschen ten achter staan. De inrichting hunner huizen, hunne meubelen, hunne werktuigen en gereedschappen zijn niet alleen zoo doelmatig, maar ook zoo net en elegant gemaakt, dat men ze overal tot model kiest. Het huiselijke comfort der Engelschen werd in den nieuweren tijd, zelfs in Parijs, mode.
De hoogere kunstzin, het scheppende talent, dat het schoone om zich zelf in het leven roept, gaat den Engelschman echter zeer slecht af. In alle _alleen_ schoone en vrije kunsten, staan zij bij de andere natiën ten achter. Vooral voor de muziek schijnt hun iets wezenlijks geheel te ontbreken. De geschiedenis der Engelsche muziek bestaat bijna geheel uit ledige bladen. Hunne krachtige, sissende, lispelende taal met hare vele kortklinkende, afgebetene woorden, de meestal eenigzins harde, zeemansachtige toon hunner stem, moest hen van zelfs reeds verhinderen, in de zangkunst uit te munten. Het half droomerige behagen en de verrukking, het gevoel waarmede de Duitschers de muziek genieten, zal den nuchteren Engelschman altijd vreemd blijven. Voor een harmonisch te samen spelen in het orkest, hebben zij veel te veel _gevoel van eigenwaarde_. "In een door Engelschen bezet orkest" zegt een geestig Franschman, "schijnt ieder op zijn eigen houtje, om zoo te zeggen, zijne bijzondere lievelings-aria te spelen," "_avec cette noble indépendance qui caractérise l'artiste anglais_." Dat zal voor eene "symphonie" wel eenigzins storend zijn.
Ook in de beeldende kunsten hebben zij niet uitgemunt. Bijna geene natie van Europa is van oudsher zoo arm, als de Engelsche, aan talenten voor de plastische kunsten geweest. Te vergeefs zoekt men naar een Engelschen beeldhouwer, dien men een Duitschen Rauch, een Franschen David, een Italiaanschen Canova, een Deenschen Thorwaldsen tegenover stellen kan.
In de schilderkunst hebben zij, overeenkomstig hunnen smaak, alleen slechts eenige goede dier- en landschapschilders aan te wijzen. Ook heeft het portretschilderen bij hen eenig geluk gehad. De dieren die, zooals een Italiaan eens opmerkte, bij de Engelschen alle mede in den hemel komen, hebben hunne Landseers bezield, en hunne waterverf-schilders hebben veel talent getoond, in het schilderen van eene pachtershut met een korenveld, of van een ouden molen en een in het bosch verborgen kerktoren. Zulke bescheidene takken der kunst, als het geliefkoosde "_watercolourpainting_," bloeien bij hen welig. De grootste schilder, dien zij gehad hebben, Hogarth, leverde niets idealisch, bijna niets dan karakterbeelden, die daarenboven dikwijls zeer overladen waren en veel karrikatuur-achtigs hadden. Waar hunne phantasie zich, als eene slingerplant, aan iets dat voor de hand lag, aan iets wezenlijks, iets nuttigs, b.v. aan de natuur, aan de dieren, aan uitdrukkingvolle gezichten kon aansluiten, daar gelukte haar iets. Waar zij zich echter vrij, als een ballon in de lucht, verheffen moest, daar verloor zij het evenwicht. Alle bloot phantastische producten der Engelsche kunstenaars, hebben iets overdrevens of plomps.
Datzelfde laat zich ook van den bouwstijl hunner architecten zeggen. Terwijl deze overal daar, waar voor eene nuttige levens-behoefte gezorgd moest worden, bij voorbeeld in hunne bekoorlijke _cottages_, de volkomenste doelmatigheid en eenvoudigheid met den bevalligsten vorm en de liefelijkste elegance weten te verbinden, is voor het overige hunne ornamentiek plomp en log. Alle Engelsche praal-gebouwen van Wren, de beroemde St. Paulskerk, en ook de nieuwe parlements gebouwen, missen naar het oordeel van kenners het wezenlijk aesthetische, en alle publieke kunstmonumenten dezer groote natie, met de standbeelden van hunne Koningen en van Wellington aan het hoofd, maken een armzalig figuur.
Wanneer men nagaat wat zij in deze en andere schoone kunsten voortgebracht hebben, wanneer men hen, waarvoor zij in den nieuweren tijd eene zoo groote neiging opgevat hebben, zelf zingen en musiceeren hoort, dan zou men het bijna betreuren, dat John Bull zich ooit met deze zaken heeft ingelaten, en dat hij niet liever alleen voortgegaan is, door zijn solide geld, door bezoldiging der talenten en den aankoop der producten van _andere_ volken, den bloei der kunsten op _zijne wijze_ te bevorderen.
Vele grootschere monumenten dan in metaal en marmer, die in den hun klimaat eigen vochtigen nevel en in den steenkolendamp hunner steden zoo gemakkelijk roesten en zwart worden, hebben de Engelschen in eene lichtere stof, die echter Horatius _aere perennius_ (duurzamer dan metaal) noemt, opgericht. Hunne taal en literatuur geven het ondubbelzinnigste bewijs voor de kracht van hunnen geest. Ofschoon de Engelsche taal niets minder dan eene oude taal is, veel meer in nog hoogere mate dan het volk zelf, uit de bontste, vreemdste elementen ontstond, zoo is zij toch eene der rijkst ontwikkelde en dichterlijkste idiomen van het nieuwere Europa.
Men verwijt den Duitschers het opnemen van vreemde woorden, en vindt de schoonheid hunner taal daardoor benadeeld. De Engelsche taal bestaat, even als de Markuskerk in Venetië, bijna uit louter samengeroofde en in elkander gevloeide Germaansche, Romeinsche, Grieksche, Fransche en Celtische elementen, en toch heeft de energieke geest der natie, deze elementen zoo versmolten en verwerkt, dat, even als bij de Markus-kerk, een verwonderlijk fraai gebouw ontstaan is.
Zij imponeert ons door hare energie en kortheid, en door de uitdrukking van mannelijkheid die aan ieder woord eigen is, en ook bij hunne uitspraak aangetroffen wordt. Daar zij uit vele andere talen en dialecten schepte, zoo heeft zij voor bijna ieder begrip verschillende woorden, en is zij in staat, ter aanduiding der fijne nuancen dezer begrippen, nu van den eenen dan van den anderen taalschat te leenen. "Alles wat Duitschers, Franschen en Romeinen in hunne talen kunnen uitdrukken, staat, om er bij gelegenheid gebruik van te kunnen maken, nauwlijks ergens gelukkiger bij elkander dan in het Engelsch woordenboek."
Daar de Engelsche taal ook tegenwoordig nog altijd voortgaat, zich gemakkelijk vreemde uitdrukkingen toe te eigenen--zij bezit die, om zoo te zeggen uit alle streken der Aarde--daar zij in hare woordvoeging en in haren grammaticalen bouw zeer eenvoudig is, zoo schijnt zij meer dan eenige andere taal geëigend eene wereldtaal te worden.
Inderdaad heeft zich ook in de laatste eeuw geene tweede taal zoo over de Aarde verbreid als deze. Zij is de taal van groote, nieuw ontstane beschaafde volken, aan de uiteinden van den aardbol geworden. Zij heerscht op beide oceanen. Ook in Europa heeft geene taal de vroeger hier algemeen heerschende Fransche taal meer afbreuk gedaan, dan de Engelsche. Niet alleen zijn in den laatsten tijd eene menigte Engelsche uitdrukkingen in alle Europeesche talen overgegaan, maar de kennis der Engelsche taal is ook bijna algemeen op de scholen en bij de opvoeding, een tak van het onderwijs geworden.
Even als de Engelschen in de _trans-oceanische_ wereld, de buitengewone bloei hunner rijke literatuur te danken hebben aan hunne _zeevaarders_, kooplieden en kolonisten, zoo hebben de Engelschen bij ons, deze gunstige uitkomst aan hunne uitstekende dichters en schrijvers te danken.--Ook deze literatuur is in hare verschillende takken weder eene afspiegeling van den geest, die de natie bezielt. Zij is een prachtig ontwikkelde boom, vol sappige, genietbare en _voedzame_ vruchten.
Maar de tuinier-schaar der kunst heeft aan dien boom weinig gearbeid. Hij is tamelijk onregelmatig en geheel uit eigene natuurkracht opgegroeid. Noch de dramatische, noch de lyrische gedichten der Engelschen, hebben zich aan zoo strenge regelmaat en vorm onderworpen, als die der Franschen en Italianen. "Vrij en ongedwongen vliet de stroom hunner dichterlijke geestdrift, zelfs op het gevaar af, de grenzen van den goeden smaak somwijlen te overschrijden." Daarentegen waren zij gevrijwaard voor de kunstenarijen en spelingen, waarin de vers-kunstenaars der Italianen, Spanjaarden en andere Romanen zich zoo gemakkelijk verloren. In meer dan één opzicht zijn de Engelschen natuurdichters. "Geen dichter heeft de natuur onvervalschter in zich opgenomen en getrouwer voorgesteld, geen het werkelijke leven, met meer vrijheid van geest en meer oorspronkelijkheid, binnen den tooverkring der poëzie gevoerd, dan de Engelsche Shakespeare, bij wien de innerlijke waarheid even bewonderenswaardig is, als de diepte en de kracht van gevoel, en de groote mate van phantasie, waarvan zijne werken overvloeien, ofschoon hij zooals bijna alle Engelsche dichters, zeer ver verwijderd is van hetgeen men klassieke correctheid en kunstsmaak noemt.
"Krachtig en vrij, als de geest en het vernuft van een Shakespeare en andere Engelsche dichters, is ook de natie zelve. Fijne toespelingen, zooals men in Frankrijk kent, worden in Engeland in het leven, even als in de poëzie en in de literatuur bijna niet verstaan. De Britten houden niet van sierlijke zwakheid. Hardheid, als zij van een geestig hoofd uitgaat, vindt bij hen bijval. Veel, wat de Engelschen, om de kracht die er in gelegen is, bewonderen, noemen de Franschen plomp. En het oorspronkelijke, het vreemde, dat in het schoolsche, correcte Frankrijk niet bevalt, maakt dikwijls in Engeland zijn fortuin, zoowel in de literatuur, als in het dagelijksche leven."
De waarheidlievende Engelschen billijken het, wanneer men zich geeft voor hetgeen men is; de Franschen en Duitschers verlangen bescheidene zelfverloochening en schikking. De Engelschman stelt er somwijlen eene eer in, bij zekere gelegenheden met een zekeren overmoed te toonen, dat hij als een vrij man dicht, denkt en leeft, en dat het verwijt van zonderlingheid en vreemdheid hem weinig schelen kan. Dezelfde eigenaardigheden en belachelijkheden, die iemand in Engeland soms tot het voorwerp eener algemeene opmerkzaamheid, tot een lieveling bij het fashionable publiek en bij het hof gemaakt hebben, zouden voldoende geweest zijn om hem in Frankrijk en in Duitschland, als een gek uit alle goede gezelschappen te verbannen.
In Frankrijk dienen beleefdheid en voorkomendheid dikwijls ter verontschuldiging van vele fouten en gebreken. In Engeland staat de _waarheid_ zoo hoog aangeschreven, dat zelfs grofheid en ongemanierdheid, als iets pikants, dikwijls in den smaak valt. Den hoffelijken en voorkomenden mensch behandelen de Engelschen zelfs met een zeker wantrouwen, den brutalen daarentegen dikwijls met toegevendheid.
Als een krachtig, gezond en kernachtig volk met vrije staats-instellingen, gevoelen de Engelschen zich aan de oude Grieken en Romeinen verwant. Vandaar het verschijnsel, dat de oude classici bij geen modern volk meer populair geworden zijn dan bij hen. De geleerde Duitschers hebben wel die schrijvers der oudheid het beste verklaard en geëmendeerd; de Franschen hebben zeer ijverig hunne kunstscheppingen nagebootst, maar de Engelschen hebben Homerus, Thucydides, Tacitus en Juvenalis het meest in vleesch en bloed opgenomen. Reeds vroeg begonnen zij de werken dezer schrijvers te vertalen, en ze in gemoderniseerden vorm, zelfs onder hunne nationale schrijvers op te nemen. Zelfs den staatslieden en den redenaars in het parlement, ja dezen minder dan anderen, vergeeft men niet, weinig vertrouwelijk te zijn met de mannelijke, krachtige, frissche ouden, waarmede de Engelschen intusschen toch slechts, om zoo te zeggen, eenerzijds, namelijk bij voorkeur door karakter, verstand en politiek, saamgegroeid zijn, en bij wie zij, zooals reeds aangemerkt is, wat kunst en smaak betreft, zeer verre achter staan.
Het naastebij zijn zij hun gekomen door hunne staatsregeling en door hunne daden, die de wereld deden dreunen, en op het gebied der literatuur met hunne historici, bij wie reeds sedert de vroegste tijden van het bestaan dezer literatuur, een bijzonder gezonden zin, een opvallend duidelijke voorstelling en begrip te bespeuren is. Even als zulks bij de Romeinen en Grieken het geval was, hebben ook deze Engelsche historici bij voorkeur zich bezig gehouden met de beschrijving der geschiedenis van hun eigen land. En van alle _buitenlandsche_ geschiedenissen, hebben zij geene meer en beter behandeld dan de Grieksche en de Romeinsche. En als in de schilderkunst hun smaak viel op de karakterbeelden en het portret, zoo ook hebben zij op het gebied der geschiedenis, dikwijls en met voorkeur de biographie behandeld. Hunne historische literatuur is overrijk aan uitstekende levensbeschrijvingen.
Maar hun historische zin, hunne voorliefde voor karakterschildering, heeft als 't ware niet genoeg aan de werkelijkheid. Om aan dien zin te voldoen, ontstond bij hen de verdichte geschiedenis, de _historische roman_ en de _familie-roman_, beide om zoo te zeggen soorten van wezenlijk Engelsche vinding. Er zijn volken, die in dit soort van literatuur opvallend arm gebleven zijn. De _Engelschen_ echter overtreffen _daarin_ allen. Hunne roman-schrijvers Fielding, Smollet, Scott, Boz, Thackeray, hebben de wereld met hunne even leerrijke als onderhoudende voortbrengselen overstroomd, en hebben nevens hunne Shakespeare's, Gibbons en Macaulay's er het meeste toe bijgedragen, om de Engelsche taal, de Engelsche zeden en beschouwingen in het buitenland bekend en populair te maken. Men heeft ze in Duitschland zoowel als in Italië, in Rusland zoowel als in Spanje ijverig gelezen en nagevolgd.
Napoleon heeft de Engelschen voor een bekrompen kramersvolk uitgescholden, maar dit was wel zeer ten onrechte. Wanneer zij tot in hart en nieren kooplieden zijn, zij zijn toch ook door en door poëtische naturen gebleven. Eenige hunner kooplieden hebben, naast hunne lords, de eerste plaatsen op den Engelschen Parnassus ingenomen. Ten bewijze daarvan herinner ik aan den in geestdrift ontstoken schilder van Italië, den koopman Rogers, en aan den koenen onderzoeker van Griekenlands geschiedenis, den Londenschen bankier Grote. Niet weinig beroemde politici en staatslieden zijn uit hunne, in ieder geval grootsche koopmanschap voortgekomen. Langen tijd waren Britsche kooplieden de regenten van een der grootste rijken der wereld, van geheel Engelsch-Indië. Een hunner handels-corporatiën, de zoogenaamde Hudsons-Bay-Company, regeert nog heden het geheele Noorden van Amerika. George Canning en Sir Robert Peel waren zonen en kweekelingen van kooplieden.