Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 56
Hunne eigene oorspronkelijke taal, die voor 300 jaren in den tijd van Koning Hendrik VIII nog in het Iersche parlement gesproken werd, leeft ook nu nog, maar slechts in de armoedige aarden hutten van het Westen, waar zij nog door de boeren en visschers gesproken wordt. Er zullen nu zoowat een millioen menschen zijn, die het oude Celtische Iersch, of het Gaelische-Ersisch verstaan, en slechts nagenoeg 300.000, die zich uitsluitend van dit dialect bedienen. De Iersche O'Connel moest zijne philippica tegen Engeland in de taal zijner doodsvijanden inkleeden. Zelfs zingen de Ieren hunnen lievelingsdichter Thomas Moore, zijne Iersche melodiën, waarin hij zoozeer tot hun hart sprak, in de Engelsche taal na. De eigenaardige nationale geest van het volk daarentegen, leeft nog op het grootste gedeelte van het geheele groote eiland. Veel daarvan is zelfs op de geïmmigreerde Engelschen, die meermalen in Ieren ontaardden, overgegaan. Deze Celtische natïonale-geest der Ieren heeft ook buiten hun vaderland, zich van zeer grooten invloed getoond op de geschiedenis der ontwikkeling van andere moderne volken. Want sedert de vlucht der Israëlieten uit Egypte, heeft de wereld weinig emigraties beleefd, die zoo rijk aan gevolgen waren, als de uittocht der Ieren, uit hun altijd groene smaragden-eiland, naar alle deelen der wereld. Tot op den overwinnaar van Magenta toe, die van eene Iersche familie afstamt, hebben tallooze verbannen Ieren uitgemunt in de legers en in den staatsdienst der Spanjaarden, Franschen, Oostenrijkers en andere landen. Ieren, die hun land verlieten, hebben zich in groote menigte over de steden van Engeland en Schotland verdeeld, waar zij, bij de lagere volksklassen en ultra-demokraten, eene zeer opmerkelijke partij vormen.
In de nieuwe wereld, in de Vereenigde Staten, in Australië, waarheen zij in den nieuweren tijd bij massa's met vrouw en kind verhuisd zijn, vormen zij een aanzienlijk deel der bevolking. Hunne talrijke nakomelingen, die over schier alle steden dier landen verspreid zijn, deelen de daar te huis behoorende bevolking in zekere mate hunne kleur, hunne gezindheid, hunne antipathie tegen Engeland mede. Men treft daar overal eene zeer sterke Iersch-Katholieke partij aan.
Wanneer men dit alles nagaat, mag men wel zeggen, dat deze Celtische Ieren nog altijd, en nu misschien nog meer dan vroeger, een hoogst opmerkelijk volk uitmaken, wiens merkwaardige eigendommelijkheden de geschiedschrijver der beschaving moet bestudeeren en nauwlettend gadeslaan. Waar zij in massa optreden en het overwicht hebben, heeft hunne onrustige, ongeduldige en overmoedige natuur, helaas! zelden veel goeds bewerkt. Daarentegen heeft men het algemeen erkend, dat zij daar waar zij zich met enkele personen onder de Engelschen nederzetten, waar zij in ondergeschikte betrekking zijn en de minderheid uitmaken, waar zij den toon niet aangeven maar ontvangen, waar zij door de Engelschen geleid worden, tot de beste planters en kolonisten behooren.
In _Schotland_ heeft de ontwikkeling van de onderlinge betrekkingen der beide rassen van Groot-Brittanje, een nagenoeg dergelijk en toch ook weder ander verloop dan in Ierland genomen. Het wezenlijk onderscheid bestaat daarin, dat zich in Schotland onder de oude Celtische bevolking een geheel eigenaardig Germaansch kernvolk gevormd heeft, waartoe het in Ierland, dat verder van alle Germaansche volken verwijderd, en ook van Engeland door eene zee gescheiden is, nooit gekomen is.
Dit Germaansche volk in Schotland, kan men eigenlijk niet enkel en geheel als een dochter-volk der Engelschen aanzien, even als ook zijne Germaansche taal (het Schotsch) niet _geheel_ als een dialect van het Engelsch beschouwd kan worden, ofschoon zij er veel overeenkomst mede heeft. De Schotsche nationaliteit ontwikkelde zich _buiten_ en _naast_ de Engelsche en gelijkloopend met deze. Zij berustte, zooals reeds gezegd is, waarschijnlijk op geheel eigenaardige en zeer oude Germaansche fundamenten. Hun Germanisme was zeer versterkt geworden door de binnendringende Denen, die als dappere houwdegens natuurlijk altijd eene groote rol speelden bij de Schotsche Koningen, als aanvoerders bij hunne onderlinge twisten. Toen de Noormannen tegen het einde der 12de eeuw Engeland veroverden, vluchtten weder vele Anglo-Saksers naar Schotland, en vermeerderden daar het aantal der Germanen. Ook haalden de Schotsche Koningen, die vervolgens eveneens oorlog voerden met de Noordsche beheerschers van Engeland, als vroeger met de Anglo-Saksische, vele krijgsgevangenen uit Engeland, die zij naar het Zuidelijke gedeelte van Schotland, de zoogenaamde Lowlands, overbrachten, en die met de oude Germaansche elementen die zij daar aantroffen, samensmolten. Daar de Schotten met de Engelschen--de eenige naburen die zij hadden--onophoudelijk twist hadden, daar hunne invallen in Engeland en _vice versa_ de invallen der Engelschen in Schotland, eeuwen lang, om zoo te zeggen telken jare terugkeerend waren, daar verder ook de binnenlandsche onlusten in beide landen er meermalen aanleiding toe gaven, dat Engelschen in Schotland en Schotten in Engeland zich nederzetten en invloed verkregen, daar ook huwelijksverbintenissen tusschen beide naburige volken, zelfs tusschen hunne Vorsten-huizen meermalen plaats vonden, zoo was het natuurlijk, dat beiden met der tijd overeenkomst met elkander kregen. En vooral de Schotten moesten zich daarbij naar het voorbeeld der veel ontwikkelder, veel nader bij den zetel der Europeesche beschaving wonende, talrijker en machtiger Engelschen vormen.--De Schotten stonden in eene eenigzins gelijke verhouding tot de Engelschen als de Portugeezen tot de Spanjaarden. En evenals bij de Portugeezen, niettegenstaande de eeuwige vijandschap met hunne Spaansche naburen, zich toch door de macht der omstandigheden, alle betrekkingen naar het Spaansche model vormden, zoo hielden ook de Schotten meestal tegen wil en dank gelijken tred met de Engelschen.
Vooral werden zij, sedert het Noorman'sche tijdperk, dat zooals reeds gezegd is, de eigenlijke schepper van een machtig Engelsch nationaal-karakter was, steeds meer gelijk aan de Engelschen. Langzamerhand maakten zij alle ontwikkelingsphasen met hen door. Wat in Engeland mode was, kwam ook weldra in Schotland in zwang. De Romaansche poëzie, de Noorman'sche bouwstijl, die onder de nakomelingen van Willem den Veroveraar bloeiden, schoten ook in Schotland op. Wij lezen niets van uitdrukkelijke bevelen, waardoor in Schotland, even als in Engeland, de Fransche taal ingevoerd zou geworden zijn. Maar weldra sprak men aan het Schotsche Koningshof, even als aan het Engelsche, Fransch, en de Schotsche landstaal nam vervolgens, gelijktijdig met de Engelsche, Fransche woorden in zich op, reeds langen tijd vòòr dat de Engelschen als opperheeren naar Schotland kwamen.
Al die processen hadden echter bij de Schotten toch een eenigzins ander verloop dan bij de Engelschen, zoo b.v. werd het Schotsche volks-dialect niet _in die mate_ geromaniseerd als de Engelsche taal, maar behield het veel meer een oud-Germaansch uiterlijk en stempel. Eenige der belangrijkste verschillen tusschen het Schotsche en Engelsche nationaal-karakter ontstonden daardoor, dat het Germaansch element zich in Schotland meer aan het inheemsch Celtische aansloot.
Het Celtisch element was in alle tijden in Caledonië het overwegende geweest. Zelfs de Romeinen hadden het niet, als in Engeland, gedecimeerd en gebroken. De aanvankelijk zeer weinig talrijke Anglo-Saksers konden er in Schotland niet aan denken, de oorspronkelijke bewoners, hoeveel antipathie zij ook tegen hen gevoelden, even als in Engeland uit te roeien. Zij hadden hunne vriendschap altijd tegen hunne vijandelijke broeders en naburen in Engeland noodig. Zij verbonden zich daarom met hen tot _gemeenschappelijke_ ondernemingen. Zij leefden met hen op _gelijken_ voet, met dezelfde rechten, onder dezelfde Koningen in eene gelijke staats-gemeenschap.
Onwillekeurig namen zij op deze wijze veel van de zeden en gewoonten der Gaelische landskinderen aan. Vooral ging, wat in Engeland niet gebeurd is, de oude Celtische verdeeling in Clans, meermalen op de Anglo-Saksische Schotten over. Zij leerden somwijlen ook hunne taal, ofschoon in meerdere gevallen de taal der sterkere Germanen, die sedert den tijd der Noormannen, de kern en het hart van den staat vormden, op de Gaelen overging.--Zoo is dus in Schotland eene soort verzoening tusschen het Celtische en Germaansche element tot stand gekomen, terwijl in Engeland het Germaansche tot uitsluitende heerschappij kwam, maar in Ierland het Celtische steeds vijandig de bovenhand bleef behouden.
Lang hebben de Engelschen vergeefs naar eene politieke annexeering van dit hun Schotsche broeder-volk gestreefd. Meermalen hebben zij de invallen der barbaarsche Pieten en Schotten, met even barbaarsche invallen beantwoord. Somwijlen gelukte het hun, in de tweespalt der Schotsche partijen een dergelijken invloed te verkrijgen, als de Spanjaarden in de Portugeesche wisten machtig te worden, en soms waren de Schotsche Koningen een tijdlang de vazallen der Engelsche.
Eindelijk (maar eerst voor 270 jaren) kwamen Schotten en Engelschen voor altijd onder één Vorst. Maar zelfs _daarna_ duurde het nog lang, voor de verschillen tusschen beide nationaliteiten zich vereffenden, voor beide volken tot een harmonisch en verzoend geheel samengroeiden.
De verheffing van den Schotschen Koning Jacobus VI op den Engelschen troon, was aanvankelijk slechts eene vereeniging van beide kroonen op hetzelfde hoofd. Ook bewerkte zij, dat de Schotsche taal, die tot dien tijd hare eigene literatuur had gehad, tot eene _lingua rustica_, tot een patois afdaalde, terwijl nu het Engelsch de taal van het hof, der voornamen en geleerden werd. Toch was dit geene volledige samensmelting der beide natiën. Schotland behield nog langen tijd zijn eigen bestuur, zijn afzonderlijk parlement. Alle nationale ontwikkelingen, de hervorming der kerk, die niet zooals in Engeland door de Koningen, maar door mannen uit het volk tot stand gebracht werd, de vervorming van den staat en der sociale verhoudingen, geschiedde in Schotland langs een anderen weg dan in Engeland. Over het geheel kan men zeggen, werden daar kerk, staat en maatschappij demokratischer dan hier.
Verscheidene malen nog moesten de Engelschen de vereeniging der kroonen, door oorlog en geweld in stand doen blijven, en herhaalde keeren verklaarden zich de Schotten, ter liefde hunner oude zelfstandigheids-ideën, voor die kroonpretendenten, die in Engeland onttroond waren. Eene volledige vereeniging van beide volken, eene vereeniging hunner beide parlementen en bestuur, kon eerst onder de Koningin Anna in het jaar 1707 doorgezet worden, en een algeheele vrede tusschen Schotten en Engelschen bestaat eerst sedert nagenoeg eene eeuw, vooral nadat in het jaar 1745 de Engelschen, de overoude indeeling der Schotten in Clans, die deze uit de primitiefste toestanden der Europeesche volken overgehouden hadden, verbraken.
Er bestaat echter tusschen beide nationaliteiten ook nog ten huidigen dage een nagalm der oude ijverzucht. Thans nog gevoelt de Schot voor zijn bergland een geheel bijzonder, geheel particularistisch, vaderlandslievend gevoel, dat hij niet op het geheele Groot-Brittanje overdraagt. Ook ontdekken de Engelschen in de Schotten, in het hun eigenaardig oud-Frankisch dialect, in hunne neigingen en in hun geheele wezen, iets vreemds. De Schot maakt zoowel op den Engelschman als op den Ier, die beide ten Zuiden van hem wonen, den indruk van een Noordlander. Hij heeft eenige gewoonlijk voor algemeen Noordsch gehoudene eigenschappen, in nog hoogere mate dan de Engelschman. Zoo heeft bij hem het verstand en het nadenken nog meer de overhand op het gevoel en de phantasie, dan zulks bij den Engelschman het geval is. Alle bezigheden en zelfs vermaken, hebben bij de Schotten, in nog hoogere mate dan bij de Engelschen, betrekking op studie, wetenschap, handwerk. Hij heeft in zijn wezen en gedrag nog meer uiterlijke koele bedaardheid dan de Engelschman.
Bij den minderen man in Engeland geldt de Schot voor bijzonder listig en eigenwijs, schraapzuchtig, hebzuchtig, en als neringziek op alle mogelijke wijzen zijn geluk te beproeven, en dat niet altijd op zoo eerlijke, groothartige en edele wijze als de zuidelijke Brit. Die kalmte van de geaardheid des volks, blijkt bij de Schotten het duidelijkst uit den bij hen ingevoerden Puriteinschen godsdienst die, om zoo te zeggen, door de strengheid van het noordsche klimaat bij hen geheel ingevroren is. Meer dan ergens elders heeft het protestantisme bij de Schotten de kunsten achteruit gezet. Zij leveren daarin nog minder dan de Engelschen en zijn, trots hunne beroemde volksliederen, zoo mogelijk nog minder muzikaal dan de Engelschen. De tooneelspelers en over het algemeen de kunstenaars in Schotland, waren altijd Engelschen of Ieren, die daar niet zelden dezelfde rol speelden, als vroeger wel de Franschen en Italianen bij ons.
Door hunnen ijver voor de wetenschappen, hebben daarentegen de Schotten, voor verbreiding van het volks-onderwijs, in nieuweren tijd meer gedaan dan de Engelschen. De scholen zijn bij hen in beteren toestand, en naar evenredigheid vindt men bij hen meer goed onderrichte personen dan bij dezen. Eenige der scherpste denkers en philosophen kreeg Groot-Brittanje uit het Caledonische Noorden. In de philosophie bestaat eene afzonderlijke Schotsche school. Verscheidene der gewichtigste uitvindingen werden door de Schotten bedacht en volmaakt. De groote geschiedschrijvers David Hume, Robertson en Macaulay hadden Schotsche vaders en moeders. Ook werden verscheidene der uitstekendste nieuwere dichters van Groot-Brittanje, Walter Scott, Burns en andere aan den voet der Schotsche Hooglanden geboren. Geniën wier invloed zich zoo ver uitstrekte als die van Shakespeare, Milton, Byron, heeft Schotland echter niet opgeleverd.
In ieder geval heeft de Schot niet minder gereisd en getrokken en den vreemde gezocht als de Engelschman. Hij heeft altijd eene groote rol gespeeld in de geschiedenis der kolonisatie en veroveringen der overzeesche wereld door de Britten. Menige kolonie van Groot-Brittanje mocht, naar de haar leidende en aan haar hoofd staande talenten, eer als eene Schotsche dan als eene Engelsche schepping beschouwd worden. Zoo hebben, b.v. in Engelsch Indië en ook in de staten der Hudsons-Bay-Company de Schotten de overhand.--"Trots alle aanmerkingen en steken op de Schotten, beschouwen de Engelschen hen daarom (en dit kan niet ten opzichte der Ieren gezegd worden) als huns gelijken, en de ijverzucht, die het den Schotten mogelijk gemaakt heeft, in alle bemoeiingen der Engelschen, zoo in hunne literarische, als in hunne industrieele en commercieele werkzaamheden, ijverig in te grijpen, is van geheel anderen aard, dan de hartstochtelijke oppositie der weerspannige Ieren." Terwijl deze dikwijls de verzwakkende uitwerking van een remtoestel hadden, op den voortgang van den Engelschen zegewagen, is gene even als de wedijver van twee om denzelfden prijs worstelende strijders, veeleer bevorderlijk voor het geheel geworden. De daarstelling eener volkomene gelijkvormigheid in manier en denkwijze, werkt in den schoot van eene en dezelfde nationaliteit waarschijnlijk evenmin gunstig, als in de borst van een denkend mensch, een geheel ophouden van den strijd der hartstochten en begeerten.--Het zou wel mogelijk zijn, dat, wanneer het Anglo-Saksisch element _alle_ onderscheid van ras, taal, zeden en streven volkomen weggenomen en gelijk gemaakt, en het eene geheel gelijksoortige nationaliteit in het vereenigde Groot-Brittanje hersteld had, dat dan dit hoogste toppunt zijner zegepraal ook het begin van zijn achteruitgang zijn zou.
De rest der Celtische bewoners van de Schotsche Hooglanden, de Schotsche "Highlanders," heeft, ofschoon een broederstam der Ieren, in den nieuweren tijd veel minder van zich doen spreken dan deze. Zij waren van oudsher minder talrijk dan de Ieren. Zij plaatsten zich reeds vroegtijdig, met hunne Schotsche naburen van Germaanschen stam in de Lowlands, onder dezelfde Koningen, en werden later gelijktijdig met hen, en op dezelfde wijze en met dezelfde rechten, bij het groote Britsche staatslichaam ingelijfd.--De voornaamste reden tot het bieden van wederstand, verviel bij hen daardoor, dat zij, _even als_ hunne Germaansche landslieden, aan het katholicisme onttrokken en, _even als_ deze, voor het protestantisme gewonnen werden, ofschoon dit bij hen, even als alle nieuwe hervormingen, wat moeielijker en later ingang vond, dan bij gene.
Zij leven nu nog als vreedzame herders en visschers, naar voorvaderlijke gewoonte, in rookerige hutten, verstrooid op de met wolken bekranste rotskammen, in turf-moerassen gevormde en met heideplanten en eeuwigen nevel bedekte hoogten, in onherbergzame woestenijen van hun land, en aan de kustranden der door storm en oceaan gezweepte Hebridische eilanden, die gezamenlijk een nooit geheel bedwongen toevluchts-oord voor hen geweest zijn. Menschen, die uitsluitend de oude Gaelische taal spreken, zouden er nu nog nagenoeg 100.000 zijn. En waarschijnlijk gaat de geheele volksstam een totalen ondergang te gemoet, want de menschen van Germaanschen oorsprong die hen omgeven, zijn een voortwoekerend en om zich heengrijpend element; zij zijn door hunne vlijt en volharding in staat, zelfs daar nog voort te leven waar de Gaelen, niettegenstaande hun kommervol leven, zich niet meer staande kunnen houden. De oude, eens zoo schrikwekkende clans- of geslachtsverbroederingen, zijn voor de Hoog-Schotten nog slechts een speelgoed, dat in hunne handen eerder iets komieks dan iets verschrikkelijks heeft, zoo onder anderen hunne belachelijke aristokratische eischen, die zij met de Ieren, de Bretons in Frankrijk en de Basken in Spanje gemeen hebben, en hunne ver gerekte familie-betrekkingen, ten gevolge waarvan er bij hen 6000 Cambell's zijn, die elkander neef, oom en tante noemen.
Nadat ik getracht heb den oorsprong, de ontwikkeling en den voortgang der Britsche nationaliteit op haren eigen bodem en haren tegenwoordigen toestand in zwakke trekken te schetsen, wil ik nu een blik werpen op de contrasten en verhoudingen dezer nationaliteit met die der overige volken van Europa, op haren invloed op dezen en op de plaats die zij nu, tengevolge _der eigenaardigheid van haar karakter_, in de geschiedenis van de ontwikkeling der Europeesche volken inneemt.
Over het geheel, kan men zeggen, hebben de Engelschen zich tegenover de andere volken van Europa tamelijk _passief_ gedragen. Sedert zij hunne oude Noorman'sche bezittingen in Frankrijk opgaven, sedert zij zich geheel tot hunne groote eilanden bepaalden, maar deze dan ook geheel onder de banier van een eenige heerschende nationaliteit, en van een en hetzelfde staatslichaam vereenigd hadden, hebben zij als veroveraars of koloniestichters den bodem van ons vasteland nimmer weer betreden. Zij hebben nergens op het vasteland, zooals de Russen in Polen, de Zweden in Finland, de Franschen in den Elsasz, de Denen in Schleeswijk, de Duitschers in Hongarije en in vele Slawische landen, de Turken in Griekenland, de Italianen in Dalmatië, eene aan Europa vreemde nationaliteit binnen den kring hunner ontwikkeling getrokken.
Al de ingewikkelde en moderne Europeesche nationaliteits-vragen van het vasteland, raken daarom de koude kleeren van het Engelsche volk niet. Zij hebben op hunne eilanden hunne eigene _innerlijke_ nationaliteits-vragen _voor zich_, en alleen buiten Europa, aan gene zijde van den Oceaan in de nieuwe werelddeelen, bezitten zij koloniën, waarin zij hunne wetten, zeden, taal en beschaving van heerschende kracht doen zijn.
Met betrekking tot ons _Europa_, doen de Engelschen zich als eilandbewoners voor, die een in zich gesloten geheel maken en zich met hun eiland tevreden stellen. Hierop echter is eene uitzondering, namelijk dààr, waar sprake is van de heerschappij ter zee. Want deze hebben zij zich in de laatste twee eeuwen zoo zeer toegeëigend, dat zij gewoon zijn den Europa omgevenden Oceaan als hun domein, als een deel van hun "_home_" te beschouwen. Zij verlangen naar geene bezittingen op het vaste land van Europa zelf. Alleen dat willen zij bezitten, wat noodig is om hunne heerschappij op den Oceaan te verzekeren, en daartoe zijn eenige kleine eilanden, havens, landpunten voldoende. Van Helgoland, over de eilanden langs de Fransche kusten, naar Gibraltar, Malta en de Jonische eilanden, hebben zij daarom geheel Europa met een keten van scheeps-stations en eiland-veroveringen omgeven.
Even als de Oceaan, de drager der Engelsche waren, vloten en belangen, het geheele vasteland bespoelt, zich aan ieder land aansluit en de vaderlanden der Europeesche volken binnendringt, zoo doet dit daarom ook de politiek der Engelschen en zij zijn op deze wijze, hoewel afkeerig van _directe_ inmenging in de zaken van vreemde natiën, _indirect_ in alle politieke vragen, waar zij zich ook mogen voordoen, hetzij in Constantinopel, aan den Donau, in Sicilië, aan den Sond of de Finsche golf, in meerdere mate betrokken dan eenige andere natie.
Toch geschiedt, overeenkomstig het gezegde, deze deelneming, als zij noodig wordt, op geheel andere wijze dan bij de andere volken. Zij treedt slechts op, als het eigene nationaal- en staats-belangen geldt. Zij ontspringt niet uit vrije impulsiën, uit nationale hartstochten, sympathiën en antipathiën, die de Engelschen niet bezitten. Zij trekken niet, als hunne naburen de Franschen, voor fraaie ideeën of uit medelijden voor een onderdrukt broeder-volk, de wereld in. Zij hebben voor de overige volken meer overmoed of onverschilligheid, dan haat of sympathie.
Daar zij hun nationaal-lichaam buiten hunne eilanden niet vergroot hebben, en met hun scherp afgesloten gebied, nergens aan de verbreidings-gebieden van andere Europeesche volken aansluiten of er door beperkt worden, zoo is hunne ziel ook niet door zulke nationale smart van een gereten, als zulks bij de Duitschers het geval was, toen zij hunne Rijn-provinciën of hun Schleeswijk-Holstein verloren, of bij de Italianen toen zij Venetië moesten afstaan. [18]
Overeenkomstig hun eilandachtig karakter en wezen, houden zij zich altijd meer onledig met zich zelven dan met vreemden. Door buitengewone krachtsinspanning en in het verloop van eeuwen lang durenden strijd, hebben zij den geheelen grooten Gothischen dom-bouw hunner staatsregeling, die trots eene reeks onbeduidende of zelfs slechte regenten, uit den schoot der krachtige natie opsteeg, in het leven geroepen. Zij hebben dezen bouw alleen tot geluk van zich zelven doorgevoerd; of hij door vreemden nageaapt werd daarover bekommerden zij zich niet. Zij hebben nooit propaganda voor hunne toestanden gemaakt.