Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 55
In het begin der Noorman'sche of Fransche heerschappij, woonden nog alle in Engeland binnengedrongene elementen tamelijk onverwerkt naast elkander; verscheidene sedert onheugelijke tijden bestaande Celtische volken in Wales, Ierland en Schotland in geheele onafhankelijkheid; de rest der Denen in het Noorden van Engeland en elders verstrooid, ten deele nog langen tijd zelfstandig; de Anglo-Saksers in het Zuiden en Oosten de massa der bevolking uitmakende; en over hen allen was als heerschende stam nu die vreemdsoortige Fransche Noormannen als uitgeschud. Het waren meer dan een half dozijn verschillende volken, ieder met eigene taal, gewoonten en staatsregeling.--Uit de samensmelting der Noormannen met de Anglo-Saksers, moest eindelijk een heerschende toon, een domineerende kleur te voorschijn komen, die ten slotte bestemd was, het geheel tot staan te brengen en te vereenigen.
Eerst scheen het wel, als zou daarbij Engeland geheel verfranscht worden. De Anglo-Saksische adel werd door de hardvochtige Noorman'sche Koningen niet alleen van hunne bezittingen beroofd, maar zelfs gedeeltelijk uitgeroeid. Het onderworpene, vernederde en tot dienstbaarheid gebrachte Anglo-Saksische volk, zijne zeden en taal werden door de trotsche Noormannen in hooge mate geminacht. Voor de rechtbanken en in de wetgeving, zelfs in de scholen, werd de Fransche taal met geweld ingevoerd. Zij heerschte aan het hof, onder den geheelen het land binnengetrokken adel en bij alle hoogere standen van het rijk. Overal werd het Anglo-Saksisch onderdrukt en vernederd op zij gezet. Wie niet Fransch leeren en spreken wilde, werd tot het plebs gerekend. Er ontstond in Engeland eene eigene--de Fransch-Noorman'sche--poëzie, als ook een eigen Noorman'sche bouwstijl. Beiden ontvingen hunne bezieling uit Frankrijk. Want ofschoon beide volken, Franschen en Engelschen, toenmaals in het veld bloedig met elkander streden, was hunne literatuur- en kunstontwikkeling toch geheel dezelfde. En zelfs werden de toenmalige Engelsche helden, b.v. een Richard, Coeur de lion (Richard Leeuwenhart), die Fransch sprak en dacht, door de Fransche historie bijna geheel als Franschen beschouwd.
Daar niet alleen Normandye, maar nu eens een grooter dan weder een kleiner gedeelte van het overige Frankrijk, langen tijd met Engeland in politieke verbinding bleef; daar aanhoudend Fransche familiën naar Frankrijk, als ware het alles een en het zelfde land, trokken; daar de legers, om zoo te zeggen, jaar in jaar uit, in Frankrijk te velde waren, en in vredestijden ook de Engelsche ridders dikwijls aan het hof der Fransche Koningen verkeerden, zoo werden twee eeuwen lang steeds nieuwe Fransche elementen en zeden naar Engeland gebracht.
Dat deze elementen daar geene beslissende heerschappij verkregen, maar veeleer het Germaansche element bleef bestaan, is gedeeltelijk te danken aan de omstandigheid, dat de hebzuchtige en naar onbeperkte macht strevende Koningen, die van de Noormannen afkomstig waren, weldra hunne oude Fransche baronnen evenzeer onderdrukten, als de onderworpene Anglo-Saksers. Bij hunne oppositie tegen de heerschappij der Koningen, begonnen dien ten gevolge langzamerhand beide partijen gemeene zaak te maken. De vreemde Fransche adel bediende zich van de inboorlingen van het land tegen hunne Souvereinen. Daardoor kwam het Anglo-Saksische element, dat bij den eersten stoot bijna ter neder geworpen was, weder omhoog en geraakte het op nieuw in aanzien. In den loop der tijden verminderden de vooroordeelen der Noormannen, die het nieuwe land als vaderland even lief kregen als de Anglo-Saksers zelve. Verbroederingen, verbintenissen en huwelijken bouwden bruggen tusschen beide volken. Toen later ook nog, in verloop van tijd, de Engelsche bezittingen in Frankrijk, de eene na de andere verloren gingen, en eindelijk het Noormansch-Saksische volk geheel tot zijn eiland beperkt bleef, hield ook de vermeerdering en versterking van het Romaansch-Fransche element op, en zoo smolten langzamerhand beide volken samen.
Koning Eduard III schafte in het midden der 14de eeuw, het gebruik der Fransche taal bij de rechtspraak en in het parlement af. Echter zijn enkele Fransche phrasen tot op den huidigen dag, zoowel in het Engelsche parlement als in het rechtswezen in gebruik gebleven. Ook zekere protocollen over enkele bepaalde zaken, en benoemings-patenten bij het verkrijgen van zekere waardigheden, worden nu nog in denzelfden oud-Franschen kanselarijstijl als voor jaren, opgesteld. Ook de beroemde wapenspreuk der Engelsche Koningen "Dieu et mon Droit", en ook het "Hony soit qui mal y pense", zijn nog kleine Fransche overblijfselen of ruïnen uit dien Noorman'schen tijd.
Hoe langzaam echter die samensmelting van het Fransch met het Engelsch in zijn gang ging, kan men daaruit opmaken, dat de Engelschen nog zeer lang hunne taal met een Fransch accent spraken. Zoo b.v. legden zij nog ten tijde van Shakespeare, op Fransche wijze, den klemtoon op de eindsyllabe der woorden, en zeiden zij b.v. niet, zooals zij heden ten dage doen, _afféction_, maar _affectión_, niet _afflíction_ maar _afflictión_.
Zeer veel hebben tot deze amalgameering, die eerst ten tijde van Koningin Elizabeth tot die hoogte gekomen is waarop zij nu nog staat, vermoedelijk ook de eindelooze binnenlandsche onlusten, de groote familie-oorlogen der Engelsche _grooten_ en Konings-geslachten bijgedragen, die als het ware den bodem van het land openreten, de elementen tot gisting brachten en de oude Anglo-Saksische grondstof weder naar boven werkten.
Het opvallendst openbaren zich de soort en wijze dier reiniging van beide in het tegenwoordige Engelsche nationaal-wezen innig verbondene nationaliteiten, in de taal. Met behulp harer analyse kan men het aandeel van ieder bestanddeel tamelijk goed aangeven en, om zoo te zeggen, afwegen. Engelsche taalvorschers hebben berekend, dat onder de 100 Engelsche woorden, plus minus 60 van Anglo-Saksischen of Duitschen, 30 van Romeinschen of Franschen, en slechts 10 van Celtischen of anderen oorsprong zijn. Daarnaar te oordeelen, is het Duitsche element in de taal dubbel zoo sterk vertegenwoordigd als het Romaansche, en deze verhouding mag over het geheel voor de vraag, in hoeverre het Duitsche of Romaansche wezen bij de Engelschen de bovenhand heeft, als maatstaf dienen.
Verder is daarbij niet alleen de _quantiteit_ van het uit beide bronnen geputte, maar vooral ook de _qualiteit_, voor de verhouding en het gewicht der beide elementen, zeer karakteristiek. De Engelsche taal heeft uit de Duitsche bron eene geheel andere soort van woorden en denkbeelden gehouden, dan zij aan de Fransch-Romaansche ontleende. Alles wat het huiselijk- en familieleven betreft, alle uitdrukkingen voor nauwe betrekkingen onder de menschen, voor liefde, vriendschap en bloedverwantschap, verder al de benamingen voor de meeste voorwerpen, die nauw verwant zijn aan het huiselijke en het volksleven, voor weide en veld, voor bosch, akker en tuin die de woning omgeven, voor de geheele natuur, voor het hart en de ziel van het volk, zijn Duitsch.
Alles daarentegen, wat beschouwd moet worden als een product van den geest en het verstand, van de kunst en eene hooge mate van ontwikkeling, wordt door Romaansche woorden aangegeven.--Aan den Staat gaven de veroverende Noormannen zijnen vorm. De onderwerpen van de politiek, de namen der verschillend bevoorrechte standen der maatschappij en der plaats-inrichtingen, even als deze inrichtingen zelve, (b.v. het parlement), stammen uit het geromaniseerde land, uit Frankrijk af. Maar op de onderste trappen van het groote maatschappelijke gebouw, in de dorpen, velden en beemden, bleven Duitsch karakter, Duitsche wetten en zeden wortelen.
Even als de nieuwe staatsvorm, zoo kwamen ook kunsten en wetenschappen met de Noormannen uit Frankrijk. Daaraan is het toe te schrijven, dat, terwijl alle _ruwe_ zaken, alle _inheemsche_ boomen, dieren en levenlooze stoffen, de oude Duitsche namen behouden hebben, en daar waar deze zaken door kunst veranderd en vervormd zijn, het Romaansche element in de plaats van het Duitsche treedt. Dit geldt b.v. zelfs van de meest materiëele aller kunsten, de kookkunst. De schapen, de koeien, de ossen blijven Duitsch--"_sheep_", "_cow_", "_oxen_"--zoolang zij onder de hoede der Anglo-Saksische herders op de weide grazen. Zoodra zij echter geslacht en in de handen der koks, die de Fransche Baronnen medebrachten, overgegaan zijn, verruilen zij hunne Duitsche namen tegen Fransche en worden "_mutton_" (_mouton_), "_beef_" (_boeuf_), "_porc_" (_porc_).--Men heeft met betrekking hierop de Engelsche taal en even als deze, ook het karakter der geheele Engelsche nationaliteit met een weefsel vergeleken, waarbij de grove grondstof of het haren doek Duitsch, het sierlijke borduursel er op echter Romaansch is. Men zou beiden ook met een gebouw kunnen vergelijken, waarvan het fundament en de hoofdmuren Duitsch, de koepels, torens, het beeldhouwwerk, de hoek- en randsteenen echter Romaansch zijn.--Het geheele beendergestel der taal, hare zenuwen en banden, de lidwoorden, voornaamwoorden, en alle kleine woorden die de groote tot volzinnen verbinden, zijn Duitsch; de bonte, gladde, het organismus bekleedende huid echter, de geheele ornamentiek, is Romaansch.
De Fransche Noormannen maakten, om zoo te zeggen, de Engelsche taal haar toilet; zij verfijnden en beschaafden haar. En even als de taal hebben zij ook in zekeren zin het geheele volk gekostumeerd, beschaafd en verfijnd. Ter nauwernood vindt men in Europa, behalve het Engelsch, een tweede taalmengsel, waaruit zich op eene tevens gemakkelijke en leerrijke wijze, de geheele geschiedenis van het volk laat lezen.--"De Fransche of Latijnsche woorden," zegt een Duitsche taalvorscher, "staan naast de Duitsche, als trotsche Baronnen, geleerde bisschoppen en bekwame artisten, naast eenvoudige landlieden en herders." En men zou er bij kunnen voegen, "ook naast kooplieden en schippers." Want even als de uitdrukkingen bij den scheepsbouw en bij het geheele zeewezen, bij het handelsverkeer en op de markten gebruikelijk, zoo was en bleef bij de Engelschen ook de zeemans- en handelaarsondernemingsgeest, geheel en al een deel van het Germaansche wezen.--De oorlog en het militaire wezen daarentegen werden weder Fransch.
De Duitsche eik toont zich in de taal der Engelschen, nauw omslingerd door het Romaansche klimop. Maar niet overal is de slingerplant niets anders dan een uitwendig toevoegsel gebleven. Nu en dan heeft zij hare sterk kronkelende massa met het hout van den eik verbonden, en is in zekere mate zelf stam geworden. Het minst heeft zij hem in de hartader getroffen, maar zij stijgt met tallooze vertakkingen hoog in zijne kruin op. Dáár, in zijne kroon, neemt zij somwijlen de plaats der doode takken van den hoofdboom in. Meestal begeleidt zij ieder Duitsch takje met een duidelijk Romaansch twijgje, zoodat men dikwijls van den een op den ander overgaan, en zich in vele gevallen op tweeërlei wijze uitdrukken kan, òf door alleen oud-Saksische stamwoorden te gebruiken, òf door zich alleen van de Fransche en Latijnsche te bedienen.
Echter--en dit is het allermerkwaardigste--hebben de beide vreemdsoortige stoffen en naturen in haar wezen zich zoo innig doordrongen en vermengd, dat daaruit niet iets zwaks en verdeelds, maar een volstrekt geheel, ja zelfs, zooals bij een in elkander gedraaid ankertouw, iets nog sterkers ontstaan is.--Ook zijn beide volkselementen in Engeland nooit tot eene volkomene gelijkheid, tot eene bepaalde rust gekomen. Veelmeer hebben zij tot op de nieuwste tijden, zoowel op het gebied der taal als op dat der politiek, met elkander geworsteld en hard gestreden.--Uit deze omstandigheid, uit het nimmer rustende leven in den tweehoofdigen geest der natie, laat het zich verklaren, dat de Engelsche taal nog voortdurend met zoo groot gemak, zoowel uit de Romaansche talen, uit het Latijn, het Fransch enz., als uit het Duitsch, Nederlandsch, Skandinavisch, nieuwe woorden aanneemt en zich eigen maakt. Daardoor zijn haar van oudsher vele fijn genuanceerde uitdrukkingen, en niet weinige geheel eigenaardige poëtische schoonheden toegevloeid. En evenzoo laat zich daaruit het verschijnsel verklaren, dat de bloesems der Engelsche literatuur bijna altijd, om zoo te zeggen, eene tweevoudige kleur hadden. Er zijn namelijk Engelsche dichters geweest, die geheel en al uit de Duitsche ziel, andere die meer uit den Noormaansch-Franschen geest schijnen voortgekomen te zijn. In de aderen van den grooten Byron bijvoorbeeld, heeft wel gedecideerd Noormansch bloed gevloten. De natuurdichter Burns daarentegen is naar taal en gevoel een Duitscher. In Shakespeare herkent men, zooals Gervinus zegt, _beide_ elementen even sterk. In de keus zijner groote romantisch-historische schilderingen, zoowel als in de drieste energie en kernachtige kortheid zijner uitdrukkingen, verraadt bij den Romaanschen Noorman, terwijl uit de vormloosheid, uit den breeden, dikwijls gekronkelden bouw zijner stukken, die eenige gelijkenis hebben met den Gothischen kerkbouw-stijl, de Duitscher tot ons spreekt. Over het geheel echter heeft bij hem, even als bij alle echte Engelsche volks- en nationaal-dichters, het Germaansch de overhand, hetgeen daardoor bevestigd wordt, dat nooit een buitenlandsch dichter in den vreemde zoo inheemsch is geworden als Shakespeare in Duitschland.
Even als bij afzonderlijke geniën en individuën, zoo heeft zich ook in verschillende perioden der Engelsche literatuur, nu eens eene voorliefde tot den Duitschen geest, dan weder eene neiging tot het Romanismus geopenbaard. Er zijn tijden geweest, waarin de Romaansche elementen der taal bij de Engelschen, om zoo te zeggen meer in de mode waren, waarin de dichters en schrijvers alles zooveel mogelijk met woorden aan den Franschen taalschat ontleend, uitdrukten; andere, waarin zij liever gebruik maakten van de kracht, in de Saksische taalwortelen liggende. En bijna altijd is er--even als in den strijd om het bestuur tusschen eene Noormansche adels- en eene Saksische volkspartij--ook op het veld der literatuur eene Romanistische en eene Germanistische schrijvers-coterie en richting geweest.
Even als de taal, zoo kreeg ook, door de zoo gelukkige Noormansche-Saksische samensmelting, de zoogenaamde nationale geest van het volk, eene gemakkelijkheid zich het bruikbaarste uit beide nationaliteiten eigen te maken. Zoo heeft men het, om behalve een voorbeeld uit de taal ontleend een ander aan te voeren, ook in de politieke wetgeving der Engelschen geroemd, dat zij eene eigenaardige toegevendheid en ontvankelijkheid verkreeg, waardoor zij in staat gesteld werd aan verschillende stelsels, aan het Koningschap, aan het leenwezen, de aristocratie en democratie, het beste en degelijkste te ontleenen en met elkander harmonisch te vereenigen.
Ten slotte echter mag men wel zeggen, dat even als de Spanjaarden sedert Ferdinand en Isabella steeds meer Iberisch, de Franschen sedert Hugo Capet steeds meer Celtisch, zoo ook de Engelschen nadat zij den eersten stoot der Noormansch-Fransche verovering te boven waren gekomen, weder meer Anglo-Saksers of Duitschers geworden zijn. Fransche historici beschouwen den langdurigen strijd der mindere klassen of van den derden stand in Frankrijk, tegen de Fransche Koningen en tegen den van Germaansche tijden dateerenden adel en zijn leenstelsel, als een strijd van de onderdrukte Romano-Celten tegen den Germaanschen nationalen geest. Volgens hunne meening drong van _beneden_, uit de Celtische boerenhutten en uit Celtisch-Romanische steden, in den loop der tijden het oude oorspronkelijk element van Gallië steeds invloedrijker naar boven, en in de Fransche revolutie, zooals ook in het door deze nivelleerende beweging voorbereide Imperialisme, zien wij eene laatste en volkomene overwinning van het Celten- en Romanendom over het Germanendom in Frankrijk.--Geheel gelijk hiermede, maar in omgekeerden zin, schijnt de voortgaande ontwikkeling der zaken, de gang der nationaliteits-verhouding in Engeland gebeurd te zijn.--Hier werd het feudaalwezen door Romanen gesticht, in een tijd, waarin zij het in Frankrijk pas van de Germanen ontvangen hadden. Het werd den onderworpen Duitschers (den Anglo-Saksers) op den hals geworpen, even als in Frankrijk den Celto-Romanen. De langdurige strijd der mindere standen tegen den adel, de leenheeren en de Koninklijke macht,--hunne eindelijke overwinning ten tijde van Cromwell, en vervolgens hunne latere overwinningen in onzen nieuweren tijd,--mogen eveneens als een worstelen en eene langzame overwinning der eene nationaliteit op de andere, der Anglo-Saksers op de Romanen beschouwd worden. De demokratische zoogenaamde _rondhoofden_ uit de tijden van Cromwell, kwamen meest uit het Zuiden en Zuid-Oosten van Engeland opdagen, waar van oudsher de Anglische en Saksische bevolking de bovenhand gehad had. De ridders en Koningsvrienden waren meer uit het minder Duitsche Westen en Noorden afkomstig. Men zou misschien kunnen zeggen, dat Engeland des te vrijer en vrijzinniger geworden is, naar mate de oude Duitsche gedeelten van het volk, namelijk de burgerstand, weder naar boven kwamen, zooals Frankrijk steeds meer revolutionair en imperialistisch werd, hoe meer het oude Celto-Romanismus zich van het Germanendom afscheidde. Hoe zelfs in de uitspraak en in het accent van hun taaleigen, de Engelschen steeds meer Duitsch geworden zijn, daarop is boven reeds gezinspeeld.
Ook in de voorzichtige en langzame _manier_ der sociale hervormingen, in het conservatieve, van alle plotselingheden en van het radikalismus afkeerige Engeland, die daar zelden tot uitersten oversloegen, is het duidelijk zichtbaar dat hier de voorzichtige, bedaarde en verstandige vrijheidsgeest der Germanen de banier droeg; terwijl omgekeerd in de hevigheid der, het op _vernietiging_ en volkomene _gelijkheid_ aanleggende, omwentelingen in Frankrijk de reeds door Cesar berispte teugelloosheid der Galliërs zich voldoende openbaart.
Bijzonder duidelijk heeft de dubbele aard van den Engelschen geest, als ook de bovenhand van het Duitsche zijn in hem, zich ook in de hervorming der kerk geopenbaard. Nauwelijks had Luther in Duitschland godsdienstige- en geloofsvrijheid geproclameerd, of zulks vond bij de Engelschen, even als bij andere Germaansche volken, den meesten weerklank. Even als het geheele Germaansche Noorden, zoo maakte zich ook met betrekking hiertoe, Engeland van de Romaansche wereld los.
Wel is Engeland in zijne kerkelijke hervorming--karakteristiek genoeg voor zijn _half_-Germanismus en voor zijne plaatsing op de scheidslinie van beide groote stammen--halverwege blijven staan. Evenals het Engelsche volk, als zijne taal, als zijne wetgeving, nevens den Duitschen grondtoon ook de bijgevoegde Romaansche tint in zich verwerkt en bewaard heeft, zoo heeft ook zijn godsdienst en kerk, om zoo te zeggen, een _dubbel uiterlijk_ gekregen. Aan de eene zijde heeft zij zich sterk, ja beslissend tot de Duitsche beweging laten medetrekken, en heeft de _nieuwe_ brug, die Dr. Martin uit het moederland naar de Saksers oversloeg, aangenomen. Maar zij heeft ook de oude verbinding met de Roomsche wereld niet _geheel_ afgebroken, heeft _veel_ van den Katholieken vorm en van het Romaansche priesterdom behouden.
Vele Engelschen gelooven dientengevolge zelfs, dat hunne Kerk ten gevolge dezer dubbele natuur, nog eens eene groote rol te spelen zal hebben bij de verzoening en vereeniging der verdeelde Christenheid die eens plaats zullen vinden, en dat zij, gemakkelijker dan eenige andere christelijke gemeente, deze zal kunnen tot stand brengen.
Het grootste en breedste stuk vlak land van het Britsche eilanden-lichaam, namelijk de uitgestrekte, heuvelachtige vlakte, rondom welke men met een straal van 40 mijlen een cirkel kan beschrijven, was de landstreek, waarin zich na tallooze oorlogen en omwentelingen, die Normanno-Saksische volksgeest met zijne dubbele natuur,--die Romaansch-Duitsche literatuur,--die aristo-demokratische staatsregeling--die Roomsch-Protestantsche kerk,--welke nu de kern der Engelsche nationaliteit uitmaken, vormde en vastzette.
Even als de innerlijke vorming van het Engelsche nationaal-karakter zelf, zoo heeft ook zijne, langzamerhand van de genoemde vlakte van het Zuid-Oosten uitgaande, verbreiding door het geheele eiland-rijk,--de manier en wijze, waarop het de andere vreemde hem in den weg staande nationaliteiten boven het hoofd gekomen is en met zich vereenigd heeft, eene zeer langzaam rijpende natuur.
Men gevoelt zich bij eene beschouwing der Engelschen steeds geneigd, zich de beide woorden van Tacitus, die boven reeds vermeld werden: "vroeg _ontkiemen_, laat _rijpen_" te herinneren. Deze woorden schijnen zoowel te gelden voor de niets minder dan vroegrijpe individuën, als ook voor de langzame wijze waarop de geheele natie tot rijpheid en eenheid kwam, en voor de bemoeiingen van ieder hunner in het bijzonder. Overal in de Engelsche geschiedenis stoot men op langwijlige, diep wortelende en zich slechts langzaam baanbrekende processen. Men meent overal, waar men bij de hardnekkige rassen van dit eiland een dier werkingen nagaat, in het inwendige eener machinerie te zien, waarin de oude sterke raderen, slechts los in elkander grijpen, met moeite omdraaien, slechts langzaam op elkander werken, en dien ten gevolge ook niet zoo gemakkelijk afslijten en uitloopen.
Het duurde, zeg ik, zeer lang, voor het, in het Zuiden van Engeland gevormde Engelsche nationaal-type, van die genoemde vlakte uit in alle nabij- en afgelegene berglanden, en in alle min of meer geïsoleerde gedeelten van het eilanden-rijk, was binnengedrongen, en zich overal als heerschende en den boventoon voerende, had doen gelden.
Van de verandering bij het Celtendom in Wales en Cornwallis heb ik reeds, bij gelegenheid dat over de Anglo-Saksische verovering gesproken werd, het noodige gezegd. Het is hier de plaats, in het kort aan te toonen, op welke wijze en in welke mate het oude Celtische ras in Ierland en Schotland, door de nieuwgeborene Normanno-Saksische (Engelsche) nationaliteit aangetast werd.
Op het eiland der Erinach of Ersen werd, zooals reeds opgemerkt is, de strijd der Celten met de Germanen, door de _Denen_ begonnen. Op hen volgden sedert het midden der 12de eeuw de Engelschen, wier Koning Hendrik II, tegen het einde der 12de eeuw, bijna geheel Ierland veroverde, het met het Groot-Brittanje'sche rijk vereenigde en het voor de Anglo-Saksische immigratie openzette.
Van dien tijd af, leven beide rassen in een 600 jarigen, nog niet geëindigden ras-strijd. Eene reeks van vreeselijke stuiptrekkingen, opstanden en reactiën heeft tot op onze dagen, in het met bloed en tranen gedrenkte land gewoed. Niettegenstaande de gruweldaden, de verschrikkelijke uitmoordingen, de overplantingen en verdrijvingen, die de ijzeren Cromwell, en zoowel nà als vòòr hem andere Engelsche Vorsten in het land hebben geroepen, niettegenstaande de voortdurende immigratie van Anglo-Saksische elementen, is deze brand nog niet geheel gebluscht.
In eenige streken van het land, de noordelijke en middelste, is de oude Celtische stam, door eene zuiver Anglo-Saksische en protestantsche bevolking vervangen. Deze immigratie uit Engeland duurt nog steeds voort, en grijpt nu nog telken jare meer om zich. Daarentegen wordt de Westelijke helft, al de vele land-armen en lang uitgestrekte rots-ruggen, waarin de Oceaan het land verdeeld heeft, nog bewoond door de oude, Celtische Ersen,--door die poëtische en bewegelijke, maar zonderlinge en onverstandige,--die talentvolle en geestige, maar wankelmoedige, onzelfstandige en weinig doortastende,--die grootmoedige maar verkwistende en achtelooze Ieren, die nagenoeg even zoo tegenover de koele, overleggende, nadenkende, werkzame en ver vooruitziende Anglo-Saksers staan, als de Franschman met wien zij--zoowel om de Celtische afstamming, als om den Katholieken godsdienst dien zij met dezen gemeen hebben, sympathiseeren--tegenover den Duitscher.