Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 54

Chapter 543,497 wordsPublic domain

En ook heden te dage staan de Kymren van Wales nog altijd als een zeer eigendommelijk volkje daar, met eene eigene taal en als menschen van groote werkzaamheid, als een kernachtig ras van krachtigen lichaamsbouw en zeer scherpe gelaatstrekken. Hunne gevoelens zijn, als bij alle Celten, levendig, hunne verbeeldingskracht ongemeen groot, hunne gedachten snel. Dien ten gevolge zijn zij ook van nature spraakzaam, even als de Franschen. Zij hebben hunne taal ook veel meer in hunne macht dan de Engelschen.--In menig dorp en in menigen schuilhoek hunner dalen, verstaan zij nog heden het Engelsch niet. Hunne ontwikkelde klassen hebben nu nog onder elkander zekere poëtische gezelschappen en bijeenkomsten, waarin alleen Walisch of Kymrisch gesproken en de oude Arthur-harp getokkeld wordt [16]. Boven de Celtische Ieren en Hoog-Schotten munten zij uit door eene groote wetenschappelijke en literarische vlugheid. Jaarlijks worden nog honderde boeken in de Britsche landtaal gedrukt. Men vindt daar Celtische geschriften, die elk kwartaal of elke maand verschijnen, als ook week- en dagbladen, waarvan een, "de Walische Times," voor 20 jaren eene oplage van 100.000 exemplaren moet gehad hebben. Werken, die den Engelschen geleerden tot eer zouden verstrekken, zijn daar het werk van ijverige dilettanten geweest. Een Walische boer, Owann Jones genaamd, gaf in het jaar 1801 onder den titel "Gälische archeologie van Mywyr," eene verzameling verhandelingen uit, die "een waar arsenaal van Kymrische oudheden" bevatten moeten.

In het Noorden (in Cambrië) en in het Zuid-Westelijke uiteinde (in Cornwallis) heeft het Celtisch een sneller en een nu volledig einde genomen. In Cornwallis is het in het jaar 1778, onder de regeering van Koning George III, met eene, nog Cornisch sprekende, in haar 102de jaar gestorvene vrouw, ten grave gedaald.

De nieuwe Anglo-Saksische en de oude Britsche nationaliteit hadden bijna 400 jaren lang, zonder van buiten eenige stoornis van gewicht te ontvangen, het proces van hun wederzijdsche strijd en samensmelting voortgezet; toen, tegen het einde der 8ste eeuw, uit het Noord-Oosten eene nieuwe volksoverstrooming, het land en zijne beide vijandig tegen elkander overstaande volksstammen, kwam bestormen. De laat in beweging gekomene Noordsche Germanen uit Denemarken en Skandinavië scheepten zich, even als eens de Duitschers uit het land der Saksers, naar het Zuiden in, om het toen overal in tweedracht verkeerende Europa te plagen.--Zij vonden Groot-Brittanje op hunnen weg, dat als een Zuidelijk gelegen naburig land hunne roof- en veroveringszucht bijzonder opwekte.

Daar zij zich _hoofdzakelijk_, en _meer_ dan ooit eenig Europeesch volk _voor_ hen, op den Oceaan versterkten, zoo grepen zij het overal door de zee omgevene Groot-Brittanje, dat zij van iedere zijde konden aanvallen, om zoo te zeggen aan alle kanten aan. Het werd gedurende meer dan 200 jaren het voornaamste doel van de rooftochten der Deensche en Noorweegsche Zee-Koningen of Wikinge, en toen vervolgens deze avonturiers zich in hun eigen vaderland, aan de opperheerschappij van een algemeenen Koning onderwierpen, werd zelfs Engeland tijdelijk eene provincie van het Skandinavische rijk der groote Koningen Sven en Kanuth.

De Anglo-Saksers waren bij het verschijnen der Deensche Zee-Koningen reeds niet meer de ouden. Zij waren, door de beschaving en door de volheid van levensgenot, die hun deel was geworden, verweekelijkt. De roofzuchtige, op buit beluste, heidensche mannen uit het Noorden, vielen met nog onvermengde Germaansche kracht, als wolven op hen aan, en nu ontstond er tusschen de beide verwante rassen een dergelijke langdurige strijd, als vroeger tusschen de Anglo-Saksers en de Celten.

Dat het resultaat van dezen nieuwen volkenstrijd intusschen niet gelijk was aan dat van den vroegeren, dat daarbij geen oud ras geheel veranderd, dat Groot-Brittanje nu niet in dezelfde mate geskandinaviseerd werd, als het vroeger Anglo-Saksisch geworden was, dat het in wezen ook voor vervolg van tijd Anglo-Saksisch gebleven is, laat zich gemakkelijk uit de volgende omstandigheden verklaren: ten eerste hadden de zeevarende Skandinaviërs den _geheelen_ Oceaan tot veld hunner werkzaamheid. Zooals reeds gezegd is, bepaalden zij zich niet alleen tot Engeland, maar trokken zij ook tot naar de Middellandsche Zee en elders.--Bij de geringe bevolking van hun vaderland zullen zij, voor een enkel land hunner groote roof-domeinen, niet veel krachten beschikbaar hebben gehad. De Anglo-Saksers hadden in hunnen tijd niet verder dan Engeland kunnen komen, omdat toen de overige wereld reeds door andere sterke broeder-barbaren weggenomen was. Hunne oogen waren dus uitsluitend op Engeland, als op een nieuw vaderland gevestigd gebleven, en dat land had hen in eene compacte massa bijeen gehouden. Tijdens den inval der Denen maakten zij reeds een talrijk volk uit.

Het doel der Noordsche Wikinge, bepaalde zich aanvankelijk alleen tot het najagen van allerlei avonturen en het verkrijgen van buit. Even als de Saksers de akkers, zoo beploegden zij alleen den Oceaan. Ingevolge hunne neiging bleven zij bijna overal in de nabijheid der kusten, bij de havens, waar hunne schepen, die den behaalden buit inhielden en wegvoeren konden, ankerden, Zij hebben zich dus ongetwijfeld in vele kuststeden _blijvend genesteld_, en eenige plaatsen en kleine eilanden van Groot-Brittanje, zelfs geheel met Skandinavische bevolking gevuld.

In het binnenste des lands echter is hunne nationaliteit niet in massa doorgedrongen. Trots hunne barbaarsche en vijandelijke vernielingszucht, en al het wreede wat tusschen Saksers en Denen in Engeland voorgevallen is, werkten beide verwante natiën toch niet geheel afstootend en vernielend op elkander. En waar zij zich slechts aan de Denen onderwierpen, konden de Anglo-Saksers gemakkelijker nevens hen blijven bestaan, dan de zoo geheel verschillende Celten naast de Anglo-Saksers. Beide volken woonden onder den Anglo-Saksischen Alfred en zoo ook onder den Deenschen Kanuth (ten minste in de laatste zegenrijke helft zijner regeering) vreedzaam naast elkander. Daarbij namen de Denen zeker meer van de Saksers aan dan dezen van genen. Want de Anglo-Saksers vormden het, door zijne grootere beschaving, bovendrijvend element. Zij waren meermalen de onderwijzers der woeste Denen in Engeland even als in Duitschland, en deelden hun het Christendom mede.

Toen dus de Noordsche woede uitgeraasd had, toen de Noorwegers en Denen in hun eigen vaderland christenen geworden waren; toen zulke in geestdrift ontstokene Odins-helden, die door een soort fatalitisch Turkengeloof bezield geweest waren, niet meer als in ouden tijd opgevoed werden; toen later de Engelsche natie zich weder verhief, toen toonde zij zich als in wezen Anglo-Saksisch gebleven. Het Skandinavisme was, zonder een zeer overwegenden invloed uit te oefenen, in het wezen der Engelsche nationaliteit opgegaan.--Dit neemt echter niet weg, dat men dien invloed niet te gering mag schatten.

Wat den Engelschen nog tot op den huidigen dag van de Noorwegers en Denen is bijgebleven, laat zich in hoofdzaak in het volgende samentrekken:

In de Noordelijke gedeelten van Engeland, die het meest tegenover Denemarken liggen en die door de Noormannen het meest bezocht zijn, in Northumberland, York, enz., waar zij zich de grootste en meest blijvende bezittingen verwierven, verraadt het volk nog nu _vele_ Skandinavische eigenaardigheden. Het provinciale dialect heeft daar zoowel in zijn woordenschat, als ook in zijne wendingen niet weinig Skandinavische bestanddeelen. Zelfs het orgaan toont zich half Deensch, b.v. in de eigenaardige weeke uitspraak van de zoo karakteristieke _"r"_. Ook zijn in het Noorden van Engeland steeds meer vrije en zelfstandige landeigenaars en boeren blijven bestaan, die overeenkomst hebben met die in Noorwegen--zelfs tijdens het latere leenwezen van een Willem den Veroveraar.

Daar de Noorwegers en Zweden, ook in het Zuiden van Engeland, als dienstknechten der Anglo-Saksische Koningen, als verwanten der Anglo-Saksische aristokraten, als vluchtelingen en binnendringers, dikwijls eene sporadische verbreiding vonden, en daar zij zelfs, zooals bereids opgemerkt is, eens onder hunne Koningen Kanuth en Sven, het geheele land verscheidene tientallen van jaren beheerschten, zoo heeft zich ook aan _geheel_ Engeland, en aan geheel het Engelsche volk, veel Skandinavisch medegedeeld.

Niet zelden vinden wij op de Engelsche kaarten, even als in de Engelsche woordenboeken, plaatsnamen, die van Noorweegschen en Deenschen oorsprong zijn. Veel ook in de Engelsche uitspraak van Germaansche woorden, schijnt niet Saksisch of Duitsch, maar Skandinavisch te zijn. Zoo b.v. zeggen de Engelschen, niet zooals onze Neder-Saksers, de woorden "uhs" (ons) en "bloht" (bloed) op eene gerekte wijze uit, maar scherp, zooals de Skandinaviërs "_oss_" en "_blodd_".

Verscheidene Skandinavische zeden hebben zich in het Engelsche familie- en huisselijk leven, het burgerrecht weten te verzekeren. Zoo wordt, om onder verscheidene voorbeelden één te kiezen, tijdens de kerstmis, in Engeland even als in Noorwegen het "_Yule_-blok" aangestoken, en ook de wilde-zwijnskop, die nog op den eersten Kerstdag met kruiden versierd in menige Engelsche huishouding 's middags wordt opgedragen, moet _iets_ gemeens hebben met het everzwijn der Noordsche Odin-helden in Walhalla.

Of gewichtiger gebruiken, die nu bij de Engelschen geheel inheemsch zijn geworden, en die zij onder de bolwerken hunner politieke vrijheid tellen, b.v. het rechtspreken door gezworenen, door de Skandinaviërs of door de Duitsche Anglo-Saksers het land der Britten binnengebracht zijn, wordt bestreden. Deze vraag wordt door Duitsche onderzoekers--en met recht--geheel anders beantwoord dan door de patriotsche Denen.

In het algemeen mag ik opmerken, dat de Engelschen zelven er somwijlen een zeer verschillend oordeel over uitspreken, of hunne nationaliteit meer politieke kracht en vrijheid aan den nationalen geest der Skandinaviërs, dan wel aan den Anglo-Saksischen zin en wezen ontleend hebben. Terwijl Sir Edward Bulwer Lytton den Noorwegers en Denen veel verdienste toekent, daar hij er met lof van gewaagt, hoe _die_ deelen van het Koningrijk, waarin zij de grootere massa der bevolking uitmaakten, zich vooral door onafhankelijkszin en weerstandskracht tegen onderdrukking kenmerkten, en in hen het duidelijkst het krachtig beeld der oude Germanen te herkennen is,--heeft Sir Robert Peel, in zijne in het Parlement uitgesprokene redevoeringen, herhaaldelijk als zijne meening te kennen gegeven, dat de Denen in het algemeen, na al hunne verwoestings-tochten, bijna in het geheel niets nieuws, groots en duurzaams in Engeland gegrondvest en achtergelaten hebben.--Aan de overdrevene eischen van Deensche schrijvers, mag men in dit opzicht wel de beschouwing van een onpartijdigen Franschman tegenoverstellen, die in de _Revue des deux mondes_ tegen de Denen optreedt: "_Les Danois n'ont point conquis l'Angleterre_," zegt hij, "_leur invasion n'était qu'un déluge et ce déluge n'a fait que glisser_ sur la société Saxonne [17]."

Een van de merkwaardigste gevolgen der ondernemingen van de Denen en Noorwegers was, dat zij voor de _eerste_ maal, de uiterste Noordelijke en Westelijke gedeelten der Groot-Brittanje'sche eilandgroep, het oude Caledonië en Erin (Schotland en Ierland), mede in den kring van het Germaansche volkenleven trokken.--De allereerste grondslag tot een gegermaniseerd volk in het Noorden der Britsche eilanden, tot de tegenwoordige Schotten, werd wellicht reeds voor de tijden der Romeinen gelegd. Want, zooals gezegd is, hebben vermoedelijk reeds toen, invallen van Germanen naar Schotland plaats gehad, welke echter van geen beslissenden aard waren. Wezenlijk, bleef Schotland, tot aan de Skandinavische of Deensche Wikinger-tochten na den tijd van Karel den Groote, een Celtisch land. Zijne Celtische grondbevolking, door de Romeinen Caledoniërs genoemd, behoorde even als de oude Ieren tot den Gaelischen stam, en waren dus van de Celtische Britten of Kymren in Engeland en Wales, ofschoon aan hen verwant, zeer verschillend. Even als zijne inwoners, zoo had ook vroeger Schotland, _vóór_, _gedurende_ en nog langen tijd na de heerschappij der Romeinen, veel met Ierland gemeen en deelde, als een afgelegen bergachtig Noord-Westelijk gebied, zijne lotgevallen. Van daar uit, van Ierland, ontving het zijne tegenwoordige namen. Een stam der Iersche Celten, de Scoten, verwierf zich in de 5de eeuw een groot overwicht over alle andere Celten in Erin, en ook in Caledonië (Schotland), dat het onderwierp. Naar dezen stam, werd zoowel dit land als ook Ierland zelf, gedurende langen tijd "_Scotia_" (het land der Scoten) genoemd. Later echter verloor zich deze naam in Ierland weder, en bleef voor eeuwige tijden alleen op Schotland rusten. Met deze Scoten ontving Schotland ook zijne oudste beschaving en poëzie uit Ierland. Want het schijnt nu vrij wel uitgemaakt te zijn, dat de oude zoo dikwijls bewonderde, door een Schot aan het licht gebrachte en door hem op vele plaatsen vervalschte Ossian'sche gezangen, oorspronkelijk op Ierschen bodem groeiden, op Iersche omstandigheden en gebeurtenissen betrekking hadden, en eerst van daar naar Schotland overgebracht werden. Insgelijks kregen in de 6de en 7de eeuw de Schotten het Christendom uit Ierland, van waar de zendelingen kwamen om de Caledoniërs te doopen, en op hunne rots-eilanden (Jona en andere) beroemde kloosters, en scholen voor oude monnikengeleerdheid, te stichten.--Door deze verchristelijking werden de Schotten voor het eerst eenigzins beschaafd en ook vereenigd. Want spoedig daarna in de 10de eeuw, schijnt het geheele land onder inlandsche Koningen gestaan te hebben, van welke Koning Duncan en zijn moordenaar en opvolger Macbeth, door nieuwere dichters de meeste bekendheid hebben verkregen.

Misschien zijn ook toen reeds, deels als krijgsgevangenen, deels als vrijwillige gasten, enkele Anglo-Saksers uit Engeland naar Schotland gekomen; in alle geval echter slechts in gering aantal en in ondergeschikte betrekkingen. Eerst toen de Denen Engeland begonnen te plagen, gingen de Anglo-Saksers herhaalde malen in groote massa's naar Schotland, en verzamelden zij zich voornamelijk in de zoogenaamde Lowlands. Intusschen was bij de Anglo-Saksers het zeewezen niet zoo goed ingericht, dat zij gemakkelijk in al de eilanden en schiereilanden, waaruit Schotland samengesteld is, met eenig gevolg hadden kunnen binnendringen. _Alleen_ de Denen, die op iedere _baar_ een schip hadden, konden hier den ouden strijd tusschen het Celtische en het Germaansche ras, tot aan de uiterste uiteinden van het land voortzetten. Zij omspanden het geheele land der Pikten en Scoten met koloniën. Op de eilanden ten noorden van Schotland, de "Orkneys" en de woeste, zwak bevolkte "Shetlands" roeiden zij de oorspronkelijke Celtische stammen grootendeels uit, en zetten in hunne plaats Skandinavische kolonisten, die echter heden ten dage weder, sedert zij voor 400 jaar met Groot-Brittanje verbonden werden, in meerdere of mindere mate met Engelsche en Schotsche elementen vermengd zijn geworden.

Op den geheelen eilanden-krans, die Schotland ten Westen omgeeft, op de Hebriden, zuidwaarts tot aan het eiland Man, stichtten de Denen eene reeks kleine Koningrijken, die meer of minder lang bestaan hebben. Later verdwenen deze Koningrijken en zelfs de Noorweegsche taal en rassen gedeeltelijk weder. Op de Hebriden heeft, van uit het Schotsche hoogland, het Celtendom weder voet gevat, echter zeer vermengd met het Engelsche element. "Men kan bij deze eilanders dikwijls niet onderscheiden, wat Celtisch, Skandinavisch of Engelsch is." Zij maken een arm, een ongelukkig leven leidend, volk uit, dat door de Engelsche regeering zeer verwaarloosd wordt, ofschoon het louter menschen van talent en energie zijn, en ofschoon men berekend heeft, dat, onder anderen een dezer Hebridische eilanden, het eiland Skije, dat door nauwelijks 25,000 menschen bewoond wordt, aan het Vereenigde Koningrijk sedert 50 jaren 10,000 man voettroepen, 600 majoors en kapiteins, 48 luitenant-kolonels, 21 generaals, 5 gouverneurs en gouverneurs-generaal van koloniën en verscheidene opper-rechters aan Engeland geleverd heeft. Zelfs is op het meest Zuidelijke van al die eiland-groepen nog menige instelling uit den Skandinavischen tijd overgebleven, zoo, om maar een enkel aan te roeren, op het eiland Man, het beroemde zoogenaamde Man-Parlement. Even als ten tijde toen dit eiland nog door eigene Vorsten van Skandinavische afkomst geregeerd werd, verzamelt zich ook nu nog de bevolking, volgens de Ständen, even als de Zweedsche Storething of Rijksdag, in een zoogenaamd "Thing" of eilandparlement, wiens leden het recht hebben, de besluiten van het groote Engelsche parlement te bediscussieeren en voor het eiland Man òf aan te nemen òf te verwerpen. Ook moet nog veel in het bestuur en het rechtswezen van het eiland Man, in het bloed, in de zeden en in het bijgeloof zijner bewoners, een mengelmoes van Celtische en Skandinavische elementen zijn.

Wat eindelijk het zoo geprezene smaragd-eiland Erin betreft, dit heeft tot op den tijd der Denen-tochten eigenlijk buiten alle betrekking met de Germaansche wereld gestaan. Noch Romeinen noch Anglo-Saksers hadden dit Celtische Westland bereikt. Zijne in verschillende deelen verdeelde stammen, behielden ontelbare eeuwen, hunne wilde, door de zee beschermde zelfstandigheid, en de vrijheid elkander onderling te bestrijden.

Geene volksverhuizing, geene nieuwe taal en ras schijnt dezen toestand tot op de Deensche periode gestoord te hebben. Zelfs het Christendom kwam zonder vreemde verovering en geweld, op zeer vreedzame wijze tot de Ieren, door stille zendelingen die uit Gallië overkwamen. Toen de Anglo-Saksers het geromaniseerde Engeland veroverden, vluchtte eene menigte beschaafde Celten, en vooral een groot deel der Latijnsch-Celtische geestelijkheid naar Ierland, en door dezen werd Ierland, namelijk in tegenstelling met het door de Anglo-Saksers weder heidensch gewordene Engeland, een bloeiende zetel der beschaving, een groot Christelijk zendelingsland, van waar uit nu geleerde en vrome zendelingen doopende en predikende naar Schotland, Engeland, België, Duitschland en Zwitserland togen. In dien tijd, toen het geheele overige Europa onder de invallen der Germanen zuchtte, had het door hen niet verontruste Ierland de glansperiode zijner onafhankelijkheid en ontwikkeling, en verwierf het zich den naam van het "_eiland der Heiligen_".

De heidensche zeevaarders uit Denemarken en Noorwegen, die Ierland ontdekten, het aan alle zijden omvoeren en in ieder zijner golven binnendrongen, waren, zeide ik, de _eersten_, die aan dezen overouden toestand van politieke onafhankelijkheid van Ierland een einde maakten. Even als in Engeland en Schotland, nestelden zij zich in de kuststeden van Ierland vast, veroverden en koloniseerden van uit de havens, kleine landstreken, onder bestuurders, die met de zoogenaamde Koningen der ingeborene Celten, in verbinding en familiebetrekking traden. Daar de Denen hier, even als overal waar zij verschenen, ook kooplieden medebrachten en handel dreven; daar zij van Ierland naar Schotland, naar Engeland en naar Normandye in Frankrijk zeilden, zoo namen zij op deze wijze de Ieren, die even als de meeste Celten van oudsher weinig lust of geschiktheid voor zeevaart en handel hadden, om zoo te zeggen, in het verkeer-net van het overig Europa op.

Ofschoon de Denen en Noorwegers zich op den duur in Ierland niet konden staande houden, kan men toch wel zeggen, dat zij zich daar, in zekeren zin aan de spits van het Germanendom gesteld, en hunne andere Germaansche stamgenooten den weg daarheen gebaand hebben. De Engelschen volgden hen later op den voet; zij veroverden Ierland voor de eerste maal, slechts honderd jaren na de vernietiging der heerschappij der Denen. Eenige sporen van Deensche familienamen, geslachten en volksgebruiken, heeft men onder de Ieren nog tot op den jongsten tijd gevonden.

Zoover over den invloed der Denen en Noorwegers, op de geschiedenis der ontwikkeling en beschaving der Britsche eilanden.

Beide met elkander wedijverende en in geheel Groot-Brittanje met elkaar worstelende nationaliteiten, de Denen en de Anglo-Saksers, werden plotseling te midden van hunnen strijd, van uit Frankrijk andermaal door een inval getroffen. In het jaar 1066 kwamen onder Willem den Veroveraar, _de Fransche Noormannen_. Deze wonnen,--geheel anders dan de Saksers en Denen--geheel Engeland zoowat met éénen slag, door den vernielenden slag bij Hastings, en verdeelden het onder elkander.

Ofschoon aanvankelijk slechts een klein leger soldaten vormende, volgden toch gedurende vele jaren, een reeks van binnentrekkingen met vrouw en kind, van uit Normandye. De voorvaderen dezer zoogenaamde Noormannen, waren wel voor 300 jaren ook uit Skandinavië gekomen, maar hadden zich, vooral daar zij geene Noorweegsche vrouwen medebrachten en met Fransche vrouwen trouwden, in het Zuidelijke land snel veranderd. In den tijd, toen zij Engeland veroverden, hadden zij reeds lang Fransche taal en zeden aangenomen.

Hun ridderlijke geest, hun avontuurlijk, heldhaftig en ondernemend karakter, was wel nog een erfstuk uit het Germaansche Noorden, maar dit mocht slechts voor de officieren, den adel en de hovelingen van Willem den Veroveraar gelden. De massa zijner in Frankrijk gerekruteerde _troepen_, en de hun nakomende _emigranten_, waren zulke geromaniseerde Galliërs, als overal in Noordelijk Frankrijk woonden, Walen, Picardiërs, Bretons, dus met andere woorden, echte Franschen.--De uitbreiding dezer door den Noordschen geest bezielde Franschen en verfranschte Noormannen in Engeland, onder Willem den Veroveraar, is van ingrijpender en blijvender gevolgen voor de Engelsche natie geweest, dan de eveneens van uit Gallië bewerkstelligde Romeinsche verovering. De vroeger door de Romeinen zelven ingevoerde Romeinsche elementen hadden de Anglo-Saksers, toen zij het land binnentrokken, bijna geheel weder vernietigd. Het hun door de Fransche Noormannen ingeënte en aangebrachte Romanisme daarentegen, is den Engelschen voor alle tijden gebleven. Het heeft diepe wortelen in hun wezen geschoten, en uit de, in den loop der eeuwen tot stand gekomene, innige samensmelting van beide elementen, is hoofdzakelijk het tegenwoordige nationale karakter der Engelschen te voorschijn getreden. Een Engelsch schrijver zegt kort en veelbeteekenend: "_The Norman conquest was the Making_ of England" (De verovering der Noormannen was de geboorte van Engeland).

Geen land is zoo dikwijls veroverd geworden als Engeland; aan geen volk is door toevoeging van buiten zoo lang gewerkt en veranderd geworden. Eerst sedert de verovering der Noormannen is het op eigene voeten gebleven. Van toen af aan heeft het geene nieuwe immigratie meer ontvangen, en de geheele vorming zijner nationaliteit is vervolgens, tot op onze tijden toe, een inwendig proces geweest, dat van buiten af geen wezenlijken invloed meer ontving. De gezamenlijke vreemde bijmengingen en toevoegsels, die Engeland in den loop der tijden ontving, behoorden tot het edelste bloed van Europa. Door de minder manhaftige en minder geniale stammen der Slawen is het nooit verontrust; door de Hunnen, Mongolen en Magyaren, die hunne strooptochten zelfs tot in Frankrijk uitbreidden, is het nooit bereikt geworden. Israëlieten of andere Aziatische stammen hebben bij hen nooit grooten invloed gekregen. Ook is het--en in dit opzicht kan het met zijn nabuur Skandinavië vergeleken worden--ontkomen aan verscheidene andere bewegingen en verontrustingen, die het overig Europa eeuwen lang kwelden, door invallen van Saracenen, Tataren en Turken.