Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 53
Even als zijne mineraliën en planten, hebben ook zijne dieren over het algemeen weinig treffends. Van oudsher heeft het weinig _wild_, geene kostbare pelsdieren, zooals Skandinavië en Rusland, gehad: Nu moet het zelfs de vossen voor zijne jacht aankweeken of uit het overig Europa aanvoeren. Daarentegen is het van oudsher beroemd geweest, door de voortreffelijkheid zijner runderen, paarden en schapen, en in nieuweren tijd heeft het deze den landbouw dienstige dieren, in grootere volkomenheid en meerder verschil van soorten aangekweekt, dan eenig ander land ter wereld. In de richting van het Europeesche vasteland, in het Zuid-Oosten heeft het zijne fraaiste weiden en bouwlanden, zijne grootste en bevalligste vlakten en het zachtste klimaat. In Westelijke en Noord-Westelijke richting, dus gekeerd naar den grooten Oceaan, bevindt zich alles wat het aan gebergten, rotspartijen en woestenijen bezit.
Het lijdt wel geen twijfel, of een zoo gevormd eiland moest, als het eens ontdekt was--en zijne ontdekking was zeer gemakkelijk--alras en spoedig bevolkt worden, en dus moet het begin van de geschiedenis van de Britsche bevolking in het duister der voortijden gezocht worden. Het is zelfs niet onwaarschijnlijk, dat de eersten die het land binnentrokken er droogvoets binnen marcheerden. Het hoofd-lichaam van Groot-Brittanje is namelijk nu op ééne plaats (tusschen Dover en Calais) slechts weinige mijlen van het vasteland verwijderd. De geringe diepte der zee op die plaats, de gelijkheid in geologischen bouw der tegenover elkander liggende kusten en andere omstandigheden, maken het bijna zeker, dat beide landen hier eens, door een vasteland-brug, verbonden waren.
Het is zelfs waarschijnlijk dat deze brug, even als de landengte tusschen Spanje en Afrika in de straat van Gibraltar, in eene betrekkelijk late periode, misschien eerst, nadat reeds dier- en menschengeslachten van het vastland er over heen getrokken waren, door de zee weggespoeld werd. Maar ook, als dit niet het geval geweest is, dan nog ligt de geheele kustzoom van Zuidelijk Engeland langs "het kanaal" zoo dicht bij het vasteland van Europa, dat zijn wit en groen schijnende rand, zonder moeite van uit Frankrijk en Nederland gezien, ontdekt en zelfs door een barbaarsch volk bereikt kon worden. Daar het in het Oosten door eene grootere zee (de Noordzee) en in het Noorden en Westen door den onmetelijken Oceaan begrensd wordt, zoo is het bijna aan geen twijfel onderhevig, of de vroegste bevolking is in massa uit het Zuiden, uit de naburige streken van Gallië en de Nederlanden gekomen.
Hier, waar Groot-Brittanje het dichtst het vaste land nadert, is het einde eener lijn, die in het Rijndal het Noord-Oostelijk van het Zuid-Westelijk Europa scheidt. Dit was van oudsher eene grens- en scheidingslijn van vijandelijke bevolkingen. In de alleroudste duistere tijden hebben hier waarschijnlijk de Finsche stammen, de oorspronkelijke bevolking van het Noord-Oosten, en de Iberische volkeren, de oorspronkelijke bewoners van het Zuid-Westen, als naburen, nevens elkander gewoond. Later, in historischen tijd, stonden hier Celten en Germanen, Romeinen en Duitschers tegen elkander over.
Groot-Brittanje, dat in de voortzetting dezer strijd-linie, als aan de monding dezer volken-bewegingen en wrijvingen lag, zal dus weldra in dien maalstroom zijn getrokken en van den beginne af, even als de andere langs deze linie opgestelde gemengde gebieden (België, Lotharingen, Helvetië) zijne bevolking van twee kanten ontvangen hebben. Misschien ontving het oorspronkelijk reeds even als Skandinavië Finsche stammen, tegelijk misschien ook, als Spanje en Frankrijk, Iberiërs.
Reeds Tacitus heeft opgemerkt, dat de bevolking van Groot-Brittanje in het Zuiden en Westen, iets Iberisch heeft, en het is overbekend, dat over de Biskaïsche zee ook steeds (reeds sedert de tijden der Pheniciërs) tamelijk intieme betrekkingen tusschen dit gedeelte van Groot-Brittanje en het Iberische schiereiland bestonden. Ierland heeft veel betrekkingen met Spanje gehad. Ptolomaeus beschrijft dit eiland als "tegenover de Spaansche kusten liggende." Van de visschers aan hunne Westkust beweert men nog heden, dat zij van Spanjaarden afstammen.
Dat echter in menige streek van Engeland, _Finsche_ stammen de primitieve bevolking uitmaakten, is door de nieuwere kranioskopische onderzoekingen zeer waarschijnlijk geworden. De schedels uit de oudste grafsteden van Engeland toonen het Finsche of Mongoolsche type, dat eerst in latere graven geheel verdwijnt.
Toen de woeste Celten, die de Iberiërs volgden, naar Europa kwamen en de nabijgelegen Fransche kusten bezetten, toen moesten zij ook weldra het smalle kanaal oversteken en het groene eiland overstroomen, en al wat reeds voor hen aan Finsche of Iberische bewoners aanwezig mocht geweest zijn, verdringen, vernietigen en verdrijven.
In hoofdzaak kwamen naar Engeland, even als naar Frankrijk, twee verschillende groote Celtische stammen. Ten eerste de zoogenaamde "Gaelische" of "Gadhelische" Celten, en vervolgens na hen als hunne veroveraars en onderdrukkers de "Kymrische" of "Britsche" Celten, die hen uit het vlakke Oosten van het land naar de Westelijke bergen en eilanden verdreven. Tot de "Gaelische" Celten behooren de tegenwoordige Ieren en de Hoog-Schotten, tot de "Kymrische of Britsche," de bewoners van Wales en Cornwallis. Daar de Britten, toen de Romeinen aankwamen, in geheel Engeland de bovenhand hadden, zoo kreeg het land naar hen den naam "Brittania." Zij worden als een naar lichaam en geest boven de andere Celten uitmuntend volk geschilderd. Hunne druïden moeten in dien tijd zoo beroemd geweest zijn en zoo hoog in aanzien gestaan hebben, dat jongelieden uit Gallië naar Brittanje reisden, om te studeeren.
Even als in _geheel_ midden-Europa, voornamelijk langs genoemde Rijn-linie, zoo kwamen de Celten vermoedelijk ook reeds spoedig in Groot-Brittanje, dat zooals reeds gezegd is het hoofd dezer linie vormt, met de na hen Europa binnentrekkende Germanen in botsing. Met Kymrische Celten vermengd, stonden de Germanen reeds lang voor de tijden der Romeinen, in België even nabij het Britsche eiland, als de Galliërs zelven. Ook bewoonden zij reeds lang de oevers der niet zeer breede Noord-Zee, die gemakkelijk overgevaren kon worden. De Romeinsche schrijvers (ten tijde voor Christus geboorte), beweren ook vrij stellig, dat niet alleen in Zuidelijk en Westelijk Engeland onder de Celten "Belgen," dat wil zeggen met Germanen vermengde Celten, maar ook in Schotland menschen met blauwe oogen en blond haar, met Germaansche zeden en gewoonten gewoond hebben.--Daaruit, en uit andere omstandigheden, wordt het dus vrij waarschijnlijk, dat reeds lang vòòr de Romeinen, van Nederland, Jutland en Skandinavië, Germanen te scheep naar Engeland gekomen zijn, en dat wij het begin van dat merkwaardige vermengings-proces, waaruit de tegenwoordige Engelschen onstaan zijn, ver vòòr de aankomst der zoogenaamde Anglo-Saksers in de 4de eeuw na Christus geboorte moeten dagteekenen. Zeker had daarbij aanvankelijk het Celtische element nog de bovenhand, even als later het Germaansche.
Even als de Celten, zoo staken ook de Romeinen van Gallië uit (onder Cesar) het Kanaal over. Zij onderzochten, veroverden en bebouwden in het verloop van 300 jaren, een groot deel van het eiland-rijk, en voeren het tot zijne uiterste uiteinden om. Daar zij echter dit afgelegene land, deels _later_ bereikten dan de andere streken van Europa, deels ten gevolge van het verval van hun rijk, weder _vroeger_ verlaten moesten, zoo hebben zij daar niet zulke diepe en onuitwischbare sporen hunner aanwezigheid achtergelaten, als elders.--Zij hebben in Engeland verscheidene fraaie steden gebouwd, Londen, York, Chester en andere, die gedeeltelijk nu nog voorzien zijn van de door de Romeinen opgetrokkene muren, en nog dezelfde, slechts eenigzins veranderde, namen dragen. Zij hebben wegen en verschansingen, dwars door het geheele land heen, aangelegd, en hebben uit de Britten meermalen rekruten getrokken, die zij in hunne Britsche legioenen inlijfden en somwijlen buitenslands voerden. Ook is daarbij Romeinsche taal, zeden en beschaving, en ten laatste ook het Christendom, in de Zuid-Oostelijke vlakke streken van Engeland onder de Celtische grond-bevolking verbreid geworden.--Niettemin is dit alles echter niet zoover gegaan, dat daaruit, zooals in Spanje, Frankrijk of in de landen der Walen in België, en der Walachyers aan den Donau, een geromaniseerd volk met romaansche taal ontstaan zou zijn. Verreweg de meeste nu nog waar te nemen Romaansche elementen, die het volk en de taal van Engeland ontvingen, zijn hun niet door de Romeinen zelven, maar eerst ten gevolge van latere gebeurtenissen toegevoerd geworden.
De Romeinen lieten, toen zij het land ruimden, de ras-verhouding er tamelijk even zoo achter als zij die bij hunne aankomst gevonden hadden. In het door hen nooit veroverde Ierland, in Wales en de grootste helft van Schotland, hebben zij de Celtische nationaliteit ter nauwemood aangeroerd, en zelfs in Engeland kon het vertrek der Romeinen niet plaats grijpen, zonder vergezeld te worden door opstanden en een weder opkomen der nu bevrijde Celtische grondbevolking. Niet de _Romeinen_, die zoovele _Zuidelijker_ volken hun stempel voor eeuwige tijden opdrukten, maar hunne doodsvijanden, de Germaansche barbaren, die anders in zoovele der door hen veroverde landen weder verloren gegaan zijn, waren bestemd, aan de bewoners van Albion, hunne, tot op onze dagen geblevene physionomie te geven.
Gedurende de, op de Romeinsche heerschappij volgende "volksverhuizing", toen alle stammen van het groote Germanen-volk, naar verschillende streken West- en Zuidwaarts trokken, kwamen ook de in het Noord-Westelijke punt en aan de uiteinden van het oude Germanië wonende Jüten, Angeln en Saksers in beweging en wilden hun aandeel hebben aan de overblijfselen van het samenstortende wereldrijk. Eerst zeilden zij, op goed geluk af, slechts met weinige schepen, onder aanvoering van hunne door de sage dus genaamde aanvoerders Hengist en Horsa, over de zee. Vervolgens kwamen zij, daartoe _uitgenoodigd_ door de Britten, die door onderlinge tweedracht en oorlogen in het nauw gebracht waren, en ook op eigen aandrang meermalen en met meer manschappen terug.--Zoo verzamelde zich ten slotte in de geheele naar Duitschland gerichte Oostelijke helft van Groot-Brittanje, eene talrijke Duitsche bevolking, waartoe intusschen de eerste grondslag, zooals ik boven zeide, waarschijnlijk reeds in vroegeren tijd gelegd was.
In den bloedigen strijd, dien de Duitsche kolonisten met de Celtische inboorlingen begonnen, behielden gene overal de overhand. Het eene gedeelte van Engeland vóór, het andere nà, werd naar Duitsche wet, in een Saksisch, Anglisch of Jütisch Koningrijk veranderd, en daarbij verdween een groot gedeelte der Celtische grondbevolking. Op hunne overblijfselen ontstond een ander volk. Onder alle vreemde landen, die de Germanen met de "volksverhuizing" binnentrokken, is Engeland het eenige, waarin hun de schepping eener nieuwe en voor alle tijden blijvende nationaliteit, in groote mate gelukt is. In Frankrijk, even als in Spanje, in Lombardije, in het Grieksche schiereiland en in Afrika, hebben zij wel langer of korter durende heerschappijen gesticht, maar deze zijn in de grond-bevolking weder opgegaan. Overal is daar het Romaansche, of Celtische of Thracische element, onder hunne voeten weder uit den grond opgekomen en heeft het Germaansche element weder verdrongen.--Dat het in Engeland anders was, mag men gedeeltelijk uit de eigenaardigheden der hier op elkander stootende nationaliteiten, gedeeltelijk uit andere omstandigheden verklaren. In Italië, Spanje en Afrika, was het warme klimaat den kinderen van het Noorden van oudsher zeer verderfelijk. In Engeland bevonden zij zich, om zoo te zeggen, op hun eigen breedtegraad, en als wij ook al niet gelooven kunnen, dat de Angel-Saksers in veel grooter getal over de zee kwamen, dan de Gothen over de _Alpen_ en Pyreneën, of de Franken over den _Rijn_, zoo kon zich hun aantal in het met hun vaderland zoo overeenkomende land toch beter handhaven en vermeerderen.--De hoofdzaak echter lag wel in het verschil der ontwikkelings-toestanden, die de Germanen in de verschillende landen aantroffen. In Italië, in Frankrijk enz. stieten zij op eene dichte bevolking van hoog beschaafde maar ontzenuwde Romeinen, die zich gemakkelijker en in massa onderwierpen. Daar werden de barbaren door de beschaving hunner talrijke onderdanen aangestoken en overvleugeld. Zij namen sneller hunne buigzame zeden, en wat het wezenlijkste was, hunne ontwikkelde taal aan.--In Groot-Brittanje daarentegen was, zooals gezegd is, de Celtische grondbevolking nooit in hooge mate gebroken en geromaniseerd geworden. Verscheidene gedeelten van het land hadden de Romeinen in het geheel niet volkomen veroverd of gekoloniseerd. De Britten boden, nadat zij zich van de Romeinen bevrijd hadden, den nieuwen indringers nieuwen wederstand op leven en dood. Na een enkelen verloren slag, gaven zij het land niet zoo maar op, als de Italianen en Galliërs. Zij weken slechts voet voor voet. De veroveringsoorlog was langduriger, schier eindeloos, en dien ten gevolge verwoestender en verdelgender. Er ontbrandde een rashaat, die nog heden ten dage in de harten der Celtische volksoverblijfselen in Engeland tegen de "Saksers" gloeit, en die zich zoo onverzoenlijk in de Franken- en Gothenlanden niet getoond heeft.
Eindelijk worden ook die Duitsche stammen, die naar Engeland kwamen, voornamelijk de Neder-Duitsche [15] uit Holland door Friesland tot aan de Westphaalsche streken, die zelfs Karel de Groote slechts na veeljarige moeiten vermocht aan banden te leggen, boven andere Duitschers geschetst als bijzonder hardnekkig, als menschen die steeds hunne gewoonten trouw bleven, en als met koppigheid gehecht aan de zeden hunner vaders. Zij brachten deze eigenaardigheden naar Engeland over en verzekerden blijvende kracht aan hunne wetten en hunne taal. Aanvankelijk echter gelukte hun dit slechts in de naar de Duitsche Zee gelegene, opener, effener en breedere Oostelijke helft van Engeland, en ook daar nog zeer langzaam. De geheele bergachtige Westelijke helft in het Noorden (Cumberland), in het Zuiden de lange tong van Cornwallis, in het midden het bergachtige schiereiland van Wales, bleven nog lang in het bezit der Celtische oorspronkelijke bewoners, die hunne onafhankelijkheid, met een in de sagen aangaande den Britschen Koning Arthur verheerlijkten heldenmoed, verdedigden. Algemeen meent men, dat hierbij, in de Angel-Saksisch geworden Oostelijke helft, de Britsch-Celtische oorspronkelijke stam geheel opgegaan is en dat een geheel nieuw, zuiver Duitsch Saksendom ontstaan is.--Dit denkbeeld grondt zich vermoedelijk op eene overdrevene en valsche voorstelling van de gevolgen "der verdelging van al het inheemsche."
Als men den oorlog der Saksers tegen de Britten een bloedigen verdelgingsoorlog noemt, dan moet men dit waarschijnlijk zoo verstaan, dat zij het zeker wel in hooge mate geweest is, maar dat daarbij toch altijd nog eene menigte oud-Britsche of Celtische elementen onder de Saksers bleven bestaan, die met hen samensmeltende er veel toe bij brachten, om het Saksische wezen, karakter, ras, taal, van den beginne af te wijzigen, en het eigenaardige product, dat wij in de tegenwoordige Engelschen voor ons zien, hielpen voorbereiden.
De toestand van halve beschaving, waarin wij de Saksers, spoedig na hunne verovering in Engeland zien, en waardoor zij uitmuntten boven hunne oude vaderen en broeders in Duitschland, die Karel de Groote 300 jaren later nog als geheel heidensche barbaren aantrof; deze toestand alleen zou reeds voldoende zijn om dit te bewijzen. Zij ontvingen uit de handen hunner Britsche tegenstanders het Christendom. Zij trokken daar, zoo al niet _vele_, toch _eenige_ der door de Romeinen gebouwde en goed georganiseerde steden binnen, zooals zij in hun vaderland nog nooit bezeten hadden. Ook was het geheele land in den regel beter ontwikkeld dan hun vaderland. De rest der Britten, die zij na hun bloedbad genade geschonken hadden, leefde op de akkers en in die steden voort, al ware het dan ook in dienstbaarheid, en bij eene langzamerhand plaatshebbende vrijwording, versmolt zij met de Saksers, en gaf aan de nationaliteit van dezen eene van de oude Britten uitgaande tint.
Dat deze terugwerking niet zoo geheel zwak moet geweest zijn, laat zich onder anderen uit eene opmerking opmaken, die van een geleerd Engelschman en van den beroemdsten Europeeschen taalkenner, den grooten Mezzofanti, afkomstig is. Deze beide heeren houden zich overtuigd, dat zekere merkwaardige onregelmatigheden in de uitspraak, die het Engelsch in zoo hooge mate van alle andere Europeesche talen onderscheidt, eene eigenaardigheid der Celtische of oud-Britsche taal is, en dat die uitspraak der Engelschen dus niet van Duitschland herkomstig, maar door de oorspronkelijke bewoners van het land hun eigen geworden is. Verscheidene voor de Duitschers moeielijk uit te spreken woorden, hebben de Engelschen met de Celtische Britten gemeen. Ook spreken de hedendaagsche Celtische inwoners van Wales, het Fransch of andere vreemde talen met hetzelfde accent en denzelfden toon als de Engelschen. Het schijnt dien ten gevolge, dat de tegenwoordige Engelschen eene taal spreken, die van die der Celtische Britten verschilt, maar dat zij dezelfde uitspraak, denzelfden "timbre" hebben als deze. Men meent Celten te hooren, die wel Duitsch (Anglo-Saksisch) spreken, maar het met de hun eigene tong, gehemelte en lippen voordragen, en die niemand, wien deze organen niet _aangeboren_ zijn, hen zoo kan naspreken. Zij hebben zich, om zoo te zeggen, dus de spreekwerktuigen der oude Britten eigen gemaakt. Men begrijpt gemakkelijk, dat zoo iets niet geschieden kon, zonder dat aan het Anglo-Saksische ras, eene aanzienlijke hoeveelheid van het inheemsche bloed medegedeeld werd.
Waarschijnlijk zouden wij, even als in de uitspraak der taal en in de spraakwerktuigen, ook in den overigen lichaamsbouw, in de physionomie en in het karakter der hedendaagsche Engelschen, nog veel oorspronkelijk Celtisch kunnen aanwijzen, wanneer de oude Britten in der tijd reeds door physiologen en phrenologen scherp waargenomen en door goede schilders geportretteerd waren geworden. In stede van een zoodanig ons ontbrekend schilderij, kunnen ons echter eenige gezegden van oude schrijvers van dienst zijn.--In een tijd, toen nog geene "Anglo-Saksers" naar Engeland gekomen waren, vervaardigde de Romein Martialis een epigram op eene schoone Britsche dame Claudia Rufina, die hij bij deze gelegenheid ook "blauwoogig" noemt. Men meent in zijne schildering eene Engelsche schoone van onzen tijd te herkennen. Ook Seneca noemt de Britten blauwoogig. En de Griek Strabo deelt mede, dat hij in Rome jonge lieden uit Brittanje gezien heeft, die zoo lang en slank van lichaamsbouw waren, dat zij wel een halve voet grooter waren dan de grootste Romein. Hun geheele lichaamsvorm, en hunne lange armen en beenen zijn niet fraai gevormd geweest. Daarnaar te oordeelen schijnt het, dat zij het zelfde slag van menschen geweest zijn, waarvan Keizer Frederik II, die met eene Engelsche Prinses gehuwd was, een duizendtal jaren later zong: "zij zijn van zuiver bloed geboren: hunne handen zijn wit, hunne vingers lang." De eigenaardige groote lichaamsgestalte, de lange ledematen, de blauwe oogen en blonde haren, zijn dus wel niet eerst met de Saksers naar Engeland gekomen. Veeleer onderscheidden zich daarin, naar het schijnt, de oude reeds met vroeger het land binnengetrokkene Germanen vermengde Britten, van de overige Celten. "En dien ten gevolge," zegt een geleerd Engelschman terecht, "is menigeen onder ons, die zich voor een afstammeling der Saksers houdt, inderdaad minstens voor de helft, niets dan een spruit der oude Celtische Britten." Ook vele zeden en gebruiken der hedendaagsche Engelschen zijn nog van het oude Celtendom afkomstig, b.v. de vereering der op oude eiken groeiende, bij de oude Druïden heilige, misteltakken, en de daarop betrekking hebbende bijgeloovige gebruiken en spelen. Naar dit alles kunnen wij het dan ook onder anderen aanwijzen, hoe, trots de hun aangeborene vijandschap met de Celten, het oude Britsche patriotisme nog heden somwijlen onder de Engelschen te voorschijn komt, hoe zij zich niet zelden met hunne Celtische voorgangers identificeeren, en zich b.v. in hunne volksliederen dikwijls met voorliefde niet "Saksers", maar "Britten" noemen: "_Britons never will be slaves_"--of "_Rule Britannia, rule the waves_" wat zij even dikwijls in den mond hebben, als hun "_Old England for ever_."
Ook in hunne taal namen de Anglo-Saksers veel Celtisch op. Zoo behielden zij onder anderen bijna al de oude Celtische uitdrukkingen voor plaatsnamen, namen van steden, rivieren, bergen, velden en bosschen. De aardrijkskunde van Groot-Brittanje bleef grootendeels Celtisch, evenals bijna de geheele geographie van Spanje tot op den huidigen dag Iberisch gebleven is. Nog heden ten dage noemen de Engelschen hunne Cheviot-heuvels, hunne Pennigants-toppen meest met Celtische namen. Ook hunne rivieren "Theems", "Severn", "Trente", "Ouse" hebben oude Celtische namen, die zoowel de Romeinsche en Anglo-Saksische, als alle latere veroveringen en omwentelingen van het land, overleefd hebben. Gelijken oorsprong hebben de namen van vele hunner steden en graafschappen: Canterbury, Devon, Cambridge, Kent en vele anderen. Zij verschijnen op de Romeinsche landkaarten slechts met Romeinsche eindsyllaben, en op de Anglo-Saksische slechts met Duitsche stembuiging.
Eindelijk is ook een niet onbeduidend gedeelte van het Celtische volk, zelfs tot op onzen tijd, op het eiland blijven bestaan. Uiterst langzaam, stuksgewijze--ieder eeuw om zoo te zeggen een stukje--zijn de oude Celtische stammen in den Anglo-Saksischen smeltkroes gevallen. Lang nog bleven zij in het Noorden (in "Cambria" of "Cumberland") onafhankelijk, langer nog in het Zuid-Westelijk uiteinde van "Cornwallis", en het langst weerstonden zij de Saksers in het voor een gedeelte van de zee geïsoleerde en door bergen doorsneden Wales.
De Celtische Kimren of Britten in Wales, waarmede de strijd voor anderhalf duizend jaren begon, hadden nog tot de 13de eeuw hun eigene Vorsten, hun zelfstandig leven. Eerst in het jaar 1284 onder Koning Eduard I, werden zij eene Engelsche provincie. Maar ook onder Engelsche opperheerschappij en na den ondergang hunner politieke zelfstandigheid, hield het Celtische ras van Wales noch op te bestaan, noch ook op de beschaving van Engeland, ja van geheel Europa in te werken. Hun langdurige, heldhaftige strijd tegen de Anglo-Saksers, schijnt in het overig Europa deelneming en bewondering, en daardoor ook hunne poëzie en traditiën navolging gevonden te hebben. Wales was de zetel der sage van dien heldhaftigen Koning Arthur en zijne mythische tafelronde, en deze sage, die zich ver verspreidde, werd de bron van tallooze verhalen, heldendichten, balladen en romances in Engeland, Frankrijk, Duitschland enz. Al de beroemde, bij ons zoo populaire namen der Koningin Génevra, van Percival, Lancelot, Titurel, Lohengrin, Tristan en Isolde, zijn Celtische namen van helden, die het wegstervende Wales aan onze phantasie overgeleverd heeft.