Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 5

Chapter 53,519 wordsPublic domain

Alle zooveel overeenkomst met elkander hebbende Oostersche volksstammen, door den loop der eeuwen heen en in volgorde na te gaan, en den lezer alle stammen, die onder verschillende namen verschijnende en weder verdwijnende, door de Kaspische-Uralische volken-poort Europa binnendrongen, ieder op zich zelf te beschrijven, kan mijn doel niet zijn. Voor ons, die hoofdzakelijk ons oog gericht hebben op hetgeen nu nog in Europa bestaat, zal daardoor weinig gewonnen worden; want schier geen dezer ontelbare invallen doet zijne gevolgen nu nog gevoelen. Alleen de laatste inval onder Dschingis-Chan maakt daarop eene uitzondering. Door dezen heeft de bevolking van Oostelijk-Europa eene blijvende, nog heden ten dage niet geringe vermenging met Tartaarsche bestanddeelen ondergaan, daar na het verval van het groote rijk van Dschingis-Chan, zijne Europeesche bezittingen nog eeuwenlang onder bijzondere Tartaarsche machthebbers bleven. Ten tijde zijner grootste uitgebreidheid omvatte dit Europeesche Tartaren-rijk, of het door hem zoogenoemde "Chanaat van Kiptschak", de grootste helft van het tegenwoordige Rusland, van de Kaspische zee langs de Wolga tot aan Nischnei-Nowgorod en Moskou, en westwaarts tot aan den Dniepr, aan de grenzen van Litthauen en Polen. Het was een stuk nagenoeg vier à vijf malen zoo groot als Duitschland. Het werd ook wel het rijk der gouden horde genoemd, omdat de vorstelijke tent der Chans, die zich in de hoofdlegerplaats "Saraï" aan de beneden-Wolga bij het tegenwoordige Astrachan bevond, met van gouddraad vervaardigde sieradiën bedekt en overtrokken was.

De heerschappij der Tartaren had deze uitgebreidheid gedurende ongeveer 200 jaren, van het jaar 1224, toen de Russen in den slag bij de Kalka geslagen werden, tot aan het einde der zestiende eeuw, toen de Russen het hoofd weder opstaken en de eerste groote overwinning over de Tartaren, op de Kulikowsche velden langs den Don, onder Dimitri Donskoi (in het jaar 1380) bevochten. Niet dat gedurende die lange tijdruimte, het geheele zuid-oostelijke gedeelte van Europa, binnen de aangegeven grenzen gelegen, geheel door Tartaren bevolkt geweest is. Zijne zuiver Tartaansche bevolking bepaalde zich tot de zuid-oostelijkste en oostelijkste gedeelten, maar wat dit rijk aan Finsche en Slavische bewoners bevatte, was aan de Tartaren onderworpen en vermengde zich dikwijls met hen. Tartaarsche adellijken en ambtenaren, die onder anderen de schattingen inden, doortrokken het land in alle richtingen en woonden ook onder de onderworpene volken; Europeesche (Slavische) Vorsten moesten naar de gezegde gouden legerplaats aan de Wolga reizen, om daar voor den de zweep zwaaienden Chan als vazallen den rug te buigen.

Als hulptroepen vinden wij de Tartaren ook dikwijls onder de Polen en Lithauers, met wie zij dikwijls tegen de Russen verbonden waren, en met wie zij zich ook gedeeltelijk als kolonisten en naburen vermengd hebben. Ook kregen gedurende dien tijd de Europeesche Tartaren nog somwijlen weder toevoer uit het groote Tartarije in Azië.

Het laatste Tartaarsche en Mongoolsche leger van eenige beteekenis, dat door de Kaspisch-Uralische volken-poort binnentrok, was dat van den "hinkenden man met den ijzeren voet", Tamerlan of Timurlenk, die zich van een smid en roover, die aanvankelijk niets bezat dan een mager paard en een oud kameel, tot Heer van Azië opwerkte.

Intusschen kwam deze Tamerlan het hem arm en koud toeschijnend Europa niet ver binnen. Hij stelde zich tevreden met de Tartaren van Kiptschak, die zich tegen hem verzet hadden, te vernederen; rukte slechts een klein eind langs de Wolga op en keerde spoedig naar Azië terug, waar hij, de plunderaar van het rijke Indië en Perzië, in zijn hoofdstad Samarkand, midden in den Kaspisch-Uralischen afgrond gelegen, veel grootere schatten verzameld had, dan Rusland en Europa hem aanbieden konden.

Die tocht van Tamerlan naar Europa heeft eerder gediend om de macht der Tartaren in ons werelddeel te breken dan te versterken, want de Europeesche of Kiptschaker Tartaren werden toen bij duizenden geslacht, en na Timurs aftocht en eenige jaren daarna gevolgden dood, loste zich het groote rijk der gouden horden in verscheidene kleinere chanaten op, in de vorstendommen Kasan, Astrakan en de Krim.

Deze kleine Tartaarsche rijken, ofschoon onder elkander in strijd levende, gaven den Russen nog wel een eeuw lang de handen vol werk. Hunne wilde ruiterscharen beangstigden Moskou en andere Russische steden nog dikwijls. Maar eindelijk, na eene reeks bloedige gevechten in den zomer van het jaar 1552, viel de Tartaarsche koningsstad Kasan aan de Wolga in handen der Christenen. En slechts twee jaren na den val van Kasan, in het jaar 1554, voer voor de eerste maal een Russisch leger de geheele Wolga af, en overwon, terwijl het Astrakan veroverde, de Tartaarsche landen tot aan de monding der rivier, tot aan de oevers van de Kaspische zee. Daardoor was de levensader in het oosten van ons werelddeel, voor Rusland en voor de Europeanen gewonnen.

Het Tartaarsche Chanaat van de Krim bestond nog bijna 200 jaren langer dan Kasan en Astrakan. En van dit schiereiland uit, werd dan ook nog eens in het jaar 1571 de stad Moskou door ruiterscharen overvallen, ingenomen en verbrand. Dit was de laatste maal dat de Russische hoofdstad van de Nomadische volken te lijden had.

Van nu af breidde Rusland zijne Kozakken-liniën, zijne verdedigingswerken en militaire-grenzen steeds verder tegen de Aziaten uit, en beperkten deze hen in een steeds enger gebied. Volgens het plan van Peter den Groote werd eindelijk in het jaar 1738 de Uralische linie, juist dwars door de reeds meermalen vermelde volkenpoort tusschen Azië en Europa getrokken, en de stad Orenburg in het midden dier opening, als wachter van Europa en hare beschaving gebouwd. Het ontstaan en de opkomst dezer stad en vesting, waarmede dat onzalige gat gestopt werd, kenmerkt de grondvesting der Europeesche heerschappij aan die poort, wier sleutel nu Rusland in handen kreeg. Van daar uit had ons werelddeel--voor de eerste maal in de geschiedenis--eene sterke grens tegen de Nomaden van Azië. Sedert dien tijd heeft geen nieuwe verwoestende inval van Aziatische herdersstammen in Europa plaats gegrepen; de groote duizendjarige Nomaden-verhuizingen uit het Oosten hielden op; de kleine geïsoleerde rest in de Krim, die geen toevoer en hulp meer van daar ontving, werd spoedig, kort na het midden der 18de eeuw, onschadelijk gemaakt en aan de Russische heerschappij onderworpen.

Verscheidene der, op de hier boven beschrevene wijze in Europa binnengedrongene Tartaren, werden, tengevolge der Russische veroveringen, tot het Christendom bekeerd, vele hunner Vorsten werden zelfs gedurende den loop der gebeurtenissen gedoopt en deze gingen langzamerhand in de Russische nationaliteit onder. Het meerendeel echter behield hunnen Mohamedaanschen godsdienst, hunne taal en zeden, en verloor slechts hun ouden oorlogzuchtigen geest en hunne onafhankelijkheid. Als landstreken, waarin zij nog de meer of minder overwegende, nu echter dikwijls met de Russen vermengde, grondbevolking uitmaken, mogen wij noemen: 1º. de landstreek aan den linker Wolga-oever, tusschen de Wolga en het Ural-gebergte en 2º. de dalen en steppen in de Krim, die ook wel eens Klein Tartarije genoemd worden.

Volgens de berichten van Baron von Herberstein en andere vroegere reizigers schijnt het, dat vroeger (voor ongeveer 300 jaren) het leelijke Mongoolsche type in de lichamelijke ontwikkeling, bij de hoogere klassen dezer Kasansche, Astrakansche en Krimsche Tartaren, nog tamelijk sterk te voorschijn trad. Toen waren nog velen hunner Mursas (edellieden) en hunner Chans van Mongoolsch bloed. Al hunne Vorsten zeiden van Dschingis-Chan af te stammen. Dit Oost-Aziatische of Mongoolsche element heeft zich echter langzamerhand vermengd en is verloren gegaan. Latere reizigers schilderen die Tartaren af, als veel meer van de Mongolen verschillende, en nu maken zij een zeer fraai gevormd Turksch-Tartaarsch slag van menschen uit.

Men zal deze verandering, deze versterking der Europeesche Mongolen gemakkelijk begrijpen, als men bedenkt, dat bij den geheelen zoogenaamden Mongolen-inval, de stoot van de Mongolen uitging. Reeds bij die legers, waarmede Dschingis-Chan, Batu en Tamerlan, Europa binnen vielen, vormden wellicht van den beginne af de Turksche of Westelijke Tartaren het meerendeel. Van Mongoolsch of Oost-Tartaarsch ras waren alleen de Prinsen, de legeraanvoerders, de elite der troepen. Daar de oorspronkelijke woonplaatsen der Mongolen ver van ons werelddeel verwijderd zijn, het van oudsher door Turksche stammen bevolkte Turan, echter zeer nabij dat Aralo-Kaspische laagland gelegen was, zoo moesten de nieuwe manschappen, rekruten en kolonisten, die bestendig toestroomden, steeds meer van Turksch-Tartaarsche afkomst zijn.

Even als het Mongoolsche bloed, zoo is ook (grootendeels ten minste) de nomadische geest bij deze aan Rusland onderworpene Tartaren verloren gegaan. In de middelpunten van het leven aan de Wolga, in Kasan, Astrakan, Simbirsk, die zij gemeenschappelijk met de zich daar ook gevestigd hebbende Russen bewonen, houden zij zich nu onledig met allerlei in steden te huis behoorende handwerken, vooral zijn zij zeer beroemde leder-bewerkers. Maar ook, zelfs in de kleinste Tartaarsche dorpen, mangelt het niet aan de noodige handwerkslieden, smeden, timmerlieden, looiers. Hunne vlijtige vrouwen spinnen wol, hennep en vlas; ook worden de Tartaarsche boeren, waar zij land verwierven, als zeer zorgvuldige landbouwers geroemd. Boven alles is echter de bijenteelt hunne liefhebberij. Overal treft men onder hen bekwame en gegoede immekers aan. Het zou wel niet geheel juist zijn, te gelooven dat de Tartaren al deze kunsten des vredes eerst tijdens hunne onderwerping aan Rusland zich eigen gemaakt hebben. Ons Europeanen hebben deze volken vroeger, om zoo te zeggen, zich van hun ruwen kant doen zien. Maar in den rug hunner ruiterscharen, die onze steden in puin en asch hulden, oefenden ook altijd weder nakomende kooplieden en handwerkslieden hun bedrijf uit. De Russen veranderden daaraan niets, dan dat zij de ruiters en boogschutters der Tartaren de oorlogsfakkel uit de handen namen, en het ook bij hen wonende vreedzame element naar boven werkten.

Daar de Tartaren na hunne onderwerping, als met de overigen gelijkstaande onderdanen, in het Russische rijk zijn opgenomen; daar zij, even als de Russen zelven in alle deelen van dat groote rijk konden handelen en wandelen, zoo vindt men dan ook nu schier in alle groote Russische steden, in Moskou, Petersburg, Nowgorod, kleine koloniën van hen, welke in die Christelijke plaatsen hunne Mohamedaansche bedehuizen bezitten. Als dienstbaren worden zij tot verschillende betrekkingen gebezigd, en vooral worden die oude paarden-vrienden dikwijls door het rijk als voerlieden bij goederen-transporten gebezigd, terwijl zij zeer gezochte koetsiers en stalmeesters zijn. Zelfs op het vlakke land, binnen in Rusland, midden tusschen eene geheel Slavische bevolking, vindt men kleine door Tartaren bewoonde distrikten, die geheel op zich zelve ten oosten van Moskou verspreid zijn. Vermoedelijk zijn het de nakomelingen van Tartaarsche krijgsgevangenen, die de Czaren hier en daar onder hunne bevolking, zich met der woon deden vestigen.

Eene tamelijk groote bevolkings-groep van Tartaarschen naam bevindt zich, zooals reeds gezegd is, nog heden ten dage in de Krim. Daar bewonen zij vooral de schoone dalen van de kleine bergstreek, die de zuidelijke helft van het Taurische schiereiland vormt en met den schoonen, door de Russen zoo hoog geprezen zoogenaamden "zuid-oever", in de Zwarte Zee eindigt. Daar hebben de Tartaren aan alle hellingen der bergen hunne kleine dorpen met platte daken, en hunne kleine, vlijtig bezochte moskeën en minarets, waarin zij met ijver hunne gebeden verrichten en de dikwijls moeielijke plichten van hunnen godsdienst vervullen. Daar kweeken zij in hunne tuinen de edelste fruiten, die tot zelfs naar Moskou en Petersburg verzonden worden, vreedzaam als onze Alpenbewoners, langs de hooggelegen weiden van den "Tschatirdag" en de andere hooge toppen van het Taurisch gebergte. Daar staat ook nog, door tuinen en grachten omgeven, in de schilderachtige hoofdstad Baktschisarai, het oude paleis, het zoogenaamde "rooversnest", der eens door de Russen zoo gevreesde Chans, uit het Mongoolsche geslacht van Dschingis-Chan.

Het is merkwaardig, hoezeer het geheele doen en laten der Krimsche Tartaren in deze kleine plaatsen overeenkomt, met wat men in Constantinopel en in de steden der Osmanen in Klein-Azië en Europa ziet. De bouw der huizen, de winkels, de werkplaatsen der ambachtslieden, de kleeding, de wijze van omgang, de zeden en de uitdrukking van het gelaat, alles is precies als in Turkije. En toch zijn deze Tartaarsche Turken ten noorden van de Zwarte Zee, tengevolge van andere gebeurtenissen, langs een geheel anderen weg en in een geheel anderen tijd, in hunne tegenwoordige woonplaatsen aangekomen, dan zij, die ten zuiden dier zee wonen; ook hebben zij bijna nooit met dezen tot een zelfde rijk behoord, en hebben zij in verbinding met de Mongolen geheel andere politieke lotgevallen gehad. Zij hebben met de Osmanen niets dan de oorspronkelijke afstamming gemeen, die hen eens voor vele eeuwen in de steppen van Turan zamen verbond. Maar juist dat is iets eigenaardigs bij de Aziatische volkeren, dat zij in ras en zeden onveranderlijk als rotsen schijnen, terwijl hunne politieke scheppingen als zand en stofwolken vervliegen.

Bijna alle Turk-Tartaren, binnen de grenzen van Europeesch Rusland, zijn nu nijvere dorp- of stadbewoners. Van de naar een hunner aanvoerders zoogenaamde Nagaïsche horde, zijn alleen nog eenige bewegelijke en ongedurige overblijfselen op de steppen in het noorden van den Kaukasus en de Krim.

Wat de bloedverwanten der Turk-Tartaren, de echte Mongolen betreft, ook deze worden in zekere mate nog in Europa aangetroffen, waar een hunner stammen, eene afdeeling der Kalmucken of "Kalimik", d.i. de afvalligen, zich nog ophoudt. Deze Europeesche Mongolen die zich zelven "Oeloeth" noemen, mogen intusschen eigentlijk niet beschouwd worden als achtergeblevene overblijfselen van vroegere Mongoolsche invallen, veeleer zijn zij nog van nieuweren datum. Eerst in het begin der 18de eeuw, ten tijde van Peter den Groote, kwamen zij in ons werelddeel, en wel, niet meer bezield met plannen om de Aarde te verwoesten, maar als bescherming zoekende vluchtelingen. Het schijnt dat telken male, wanneer de groote beschaafde rijken aan hunne grenzen in kracht toenamen en om zich heen grepen, oproer, angst en beweging bij de Aziatische Nomaden ontstonden. De horden vluchtten dan niet zelden, om de met de beschaving komende afhankelijkheid te ontgaan, naar afgelegene landen. Eene dergelijke beweging of vlucht ontstond in de 17de eeuw onder de Mongolen, tengevolge van de machtstoeneming van den Chineeschen Mantschu-keizer.

Daar echter, tegelijk met deze macht in het Oosten, ook in het Westen het groote Europeesche beschaafde rijk der Russen krachtig tegen Azië optrad, zoo werd het eigentlijke vrije gebied der Nomaden in het binnenland van Azië steeds enger en enger, en wij zien daarom sinds dien tijd, de uit elkander gespatte horden, herhaaldelijk van het eene der beide rijken naar het andere, van China naar Rusland of van Rusland naar China trekken, al naarmate zij geloofden, nu eens hier dan weer daar, iets van hunne oude vrijheid te kunnen redden.

Aan deze omstandigheden heeft Europa zijne hedendaagsche Mongolen, de vroeger genoemde horden der Kalmucken te danken. Op hun terugtocht voor den Mantschu-keizer en in strijd met andere op hunnen weg liggende volken, werden zij steeds verder westwaarts naar de Uralische volkenpoort voortgeschoven, en kwamen zij eindelijk in het jaar 1703 in de nabijheid van het Russische gebied aan.

In den zwakken toestand, waarin zij zich bevonden, onderwierpen zij zich aan de Russische opperheerschappij. Peter de Groote wees hun aan de beneden-Wolga eene streek lands aan, waar zij hunne kudden konden weiden, en sedert dien tijd huist deze Mongoolsche kolonie aan de passen en afscheidingen tusschen Azië en Europa, en beweegt zij zich binnen de natuurlijke grenzen van ons werelddeel.

Aanvankelijk hadden zij eene aanzienlijke getalsterkte, maar deze werd in het jaar 1771 door eene zeer merkwaardige gebeurtenis aanmerkelijk verminderd en tot op de helft gebracht. De Kalmucken, die belijders waren van den Indischen Budha-dienst, voelden zich namentlijk ook in Rusland niet tevreden, zij hadden hun Aziatisch vaderland niet geheel vergeten en werden eindelijk, ook door geheime boodschappen van den Keizer van China, tot terugkeer aangemoedigd en overreed. Toen hun besluit tot rijpheid gekomen was, kwamen plotseling de familiën van 50,000 Kalmucksche Kibitken te zamen--ten getale van, naar hun zeggen, meer dan 300,000 "monden"--verhieven hunne standaarden en vluchtten met hunne vrouwen en kudden weder oostwaarts naar China, om, zooals de Chineesche Keizer Khienlong, (die deze terugkeering, in een door de Chineesche dichters klassiek genoemd gedicht, bezongen heeft) zegt: "de gevaren en bezwaren aan eene groote reis verbonden, de aanvallen en gevechten gedurende den verren tocht niet tellende, om de helderheid des Hemels in de nabijheid van het rijk van het midden, en het geluk vazallen te mogen zijn van den grootsten monarch van het heelal, te genieten." Deze groote Kalmucken-vlucht is daarom zeer belangrijk, dat zij eene der weinige Aziatische volken-bewegingen is, die wij, in hare oorzaken en de omstandigheden waaronder zij plaats greep, nauwkeuriger kennen, en wijl zij ons daardoor ook de oorzaken en de toedracht der andere vroegere volksverhuizingen duidelijker maakt.

Die oostwaarts gevluchte Kalmucken wonen thans nog aan den Altaï en zijn afhankelijk van China. De in Europa (Rusland) achtergeblevene, die men om hen te behouden, nu ook meer vrijheden en gunsten toestond, hebben nu nog eene getalsterkte van 300,000 zielen. Daar zij, in woeste en voor den akkerbouw bijna geheel ongeschikte streeken, zich op de veeteelt toeleggen en eenige duizende vierkante wersten bosch- en waterlooze steppen, voor het Russische rijk in eene rijke paarden- en veestapelplaats veranderd hebben, zoo zijn zij zeer nuttige onderdanen geworden, die wel verdienen in waarde gehouden te worden. De talk en de wol hunner kudden helpt de Europeanen in het noordelijk gedeelte van Rusland, hunne donkere winternachten verhelderen en verwarmen.

Toen in den nieuweren tijd hunne wilde op ruige paarden gezeten boogschutters, met het Russische leger, zoowel gedurende den zevenjarigen oorlog als ook gedurende de oorlogen tegen Napoleon, in Duitschland en in het overige Europa verschenen, verwekten zij daar bijna evenveel opzien, als eens hunne voorvaderen onder Dschingis-Chan en Attila. Men beschreef hen als baarlijke duivels, men legde hun te laste rauw vleesch, zelfs menschenvleesch te eten, en dat zij geene andere kookkunst bezaten, dan het vleesch onder den zadel malsch te zitten.

Zulke vreesselijke zaken blijken geheel en al onwaar te zijn, wanneer men deze goede menschen in hunne eigene legerplaatsen bezoekt. Dan ontdekt men dat zij wel gewoon zijn wat vleesch en vet onder den zadel te leggen, om mogelijke wonden hunner paarden te genezen, maar dat zij zoo weinig liefhebbers van rauw vleesch zijn, dat zij er zich ten zeerste over verwonderen hoe de Europeanen rauwe ham kunnen eten. Dan ontdekt men verder, dat deze barbaren, van den stichter hunner godsdienst een zoo fraai, zachtzinnig en verstandig wetboek ontvangen hebben, dat het schier met de Christelijke zedeleer wedijveren kan. Helaas echter heeft hun wetgever, Dschingis-Chan, juist in tegenstelling met den voor de reinheid zoo zorgdragenden Mohamed, hun verboden zich met het wasschen hunner kleederen en kookgereedschappen bezig te houden, welk verbod zij dan ook jammerlijk stipt nakomen.

Zij gebruiken eene taal, de Oud-Mongoolsche, wier kracht en uitdrukking men te vergeefs getracht heeft in andere talen terug te geven. "De melancholische gedichten en gezangen dezer van roof levende herders," zegt een Chineesch geschiedschrijver, "als zij in den stillen nacht over de groote steppen weerklinken, hoe eenvoudig en ongekunsteld zij ook zijn, persen den toehoorder de tranen uit de oogen."

Achter deze merkwaardige Kalmucken, in het binnenste van het Kaspisch-Uralische laag gelegen land, wonen de roofzuchtige Kirgisen, in drie talrijke horden, en over een ver uitgestrekt gebied. Daar zij met hunne Kibitken (kleine voertuigen) slechts zelden tot aan de Europeesche grenzen stroopen, zoo zal ik hier van hen alleen opmerken, dat zij beschouwd moeten worden als een volkstam, die uit eene vermenging van Turken en Mongolen ontstaan is; zij spreken echter een zuiverder Turksch dialekt dan de Osmanen in Constantinopel. Gedeeltelijk erkennen zij de opperheerschappij van den Czar, gedeeltelijk die van den Zoon des Hemels in Peking, en als zij de gelegenheid schoon zien, berooven zij de onderdanen van beide deze groote rijken. Wegens hun blond haar, hebben enkele geschiedschrijvers deze Kirgisen voor afstammelingen onzer Gothische voorvaderen gehouden.

Behalve de genoemde Mongoolsche en Turksche stammen, die de volksverhuizingen uit Azië naar Europa overbrachten, hebben zij af en toe ook nog staaltjes en overblijfselen van andere Aziatische volken met zich medegevoerd, waaronder niet weinige van de grenzen van Perzië, en zelfs eene kleine kolonie uit het verwijderde Hindostan.

Aan de noordelijke grenzen van Perzië, in de vruchtbare oasen van het zuidelijk gedeelte van Turan, leefde van oudsher midden onder de Nomaden, een gezeten, steden bewonend en ontwikkeld volk, de oude "Sogdianen" en "Baktrianen", bij wie handel, kunsten en handwerken bloeiden. Hun omgang met de Nomadische steppen-volkeren, waaraan zij hunne kunstprodukten verkochten, is van overouden oorsprong. Wij ontmoeten hen, in de geschiedenis van den Aziatischen handel, ook onder verscheidene andere namen. Door de ruwere Mongolen, die onder Dschingis-Chan hunne oude steden en vorstendommen veroverden en hunne bibliotheeken verbrandden, werden zij "Buckhar" d.i. "de geleerde mannen" genoemd, en onder dezen door de Mongolen ingevoerden naam, zijn zij nog heden ten dage bij de Europeanen bekend.

"Bochara" is nog heden de naam van een hunner hoofdsteden, en hun geheele land noemen wij Bucharye. Als hunne kramers, als de aanvoerders hunner karavanen en ten deele financiers en fabriekanten, trokken de Bucharen met de Mongolen de wereld door, en verbreidden zij zich, als eene merkwaardige kaste van reizende kooplieden, oostwaarts langs alle wegen, die door hen, aan wie zij onderworpen waren, gevolgd werden, oostwaarts tot in China; ook gingen zij met deze westwaarts naar "Kiptschak" of Europa. Nog heden, na het verdwijnen van het Mongoolsche rijk bezoeken zij--nu onder Russische bescherming--dezelfde landstreken langs de Wolga, de groote jaarmarkten van Nowgorod, Charkoff, Kasan, en komen ook te Moskou en Petersburg, ja zelfs op de Leipziger-messe zijn zij welbekende gasten.