Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 49
Tijdens het eerste begin der Grieksche en Italiaansche ontwikkeling, was dit echter reeds een lang vervlogen voortijd. Toen had zich reeds in geheel Frankrijk die groote volksstam met der woon nedergezet, die men als de voorhoede der Indo-Germaansche familie beschouwen kan, en die vroegtijdig den naam "Celten" verkreeg. Deze Celten verdreven geheel en al, tijdens zij het binnentrokken, de Finsche stammen die zij in het Noorden van het land vonden. In het Oosten bleven zij met hen, voor de aankomst der Duitschers, langen tijd buren. Misschien dateeren van deze aanraking der Celten met de Finnen, nog menige klanken, elementen en wortels van woorden, die de Celtische en zelfs de moderne Fransche taal--naar de meening van enkele taalonderzoekers--nog met de taal der Finnen en zelfs met die der Samojeden gemeen heeft.
De Iberische stammen, die zich in duisteren voortijd, even als in Spanje, ook in de Zuidelijke helft van Frankrijk vastgenesteld hadden, en op welke nu de Celten, bij hunne uitbreiding door het land stieten, konden zij niet zoo gemakkelijk vernietigen, omdat deze reeds eene dichtere en meer aan elkander gesloten volkenmassa vormden. Zij drongen deze gedeeltelijk over de Pyreneën naar Spanje en onderwierpen ze anderdeels, terwijl zij hunne overblijfselen met hun eigen volkslichaam deden samensmelten. Iberisch bloed en geaardheid heeft zich bij de Zuid-Franschen ten allen tijde geopenbaard.--Zelfs Napoleon heeft nog gezegd, dat hij in de Zuidelijke Franschen, die in het jaar 1793 even heftige Jakobijnen, als in het jaar 1815 hartstochtelijke royalisten geweest zijn, "de oude heetbloedige Iberiërs" erkende.
Dat de Celten, die zoowel de oude Finsche als Iberische oorspronkelijke bewoners overstroomden, even als alle Indo-Europeanen uit het Oosten, uit Azië naar Europa gekomen zijn, wordt onder anderen uit hunne taal bewezen, die hare naaste verwanten bij de Westelijke-Aziaten heeft. Fransche en Duitsche geleerden hebben over de verwantschap van het Celtisch met het Sanskriet, in den nieuweren tijd werken geschreven, waarin zij dit punt in een helder licht gesteld hebben.
Ook vinden wij sporen der Celten op den weg van het Oosten door Zuid-Duitschland en langs de Donau-landen, waar eens overal Celtische stammen schijnen gewoond te hebben. Door de Germanen echter en door de Slawen, die na hen langs dienzelfden weg kwamen, zijn zij op die breede baan weder bemoeielijkt en verdreven, en hunne hoofdmassa is binnen het vierkant van Frankrijk samengedrongen geworden.
Dit vierkant nu namen de Celten als hunne Europeesche hoofdburcht in bezit, en hieruit zijn zij, ofschoon somtijds door vreemden onderworpen en verscheidene malen gewijzigd, sedert dien tijd niet meer verdreven.
Van uit dit hun centraalpunt hebben zij zich op verscheidene tijden, op de door de natuur aangegeven banen, over al de hen omringende groote Europeesche landen verspreid, en hebben zij op de ontwikkeling van alle naburige nationaliteiten meer of minder invloed uitgeoefend.--De Pyreneën overtrekkende, vielen zij Westelijk eerst Spanje binnen. Dit moet ongeveer 1600 jaren voor de geboorte van Christus gebeurd zijn. Zij vonden daar eene sterke Iberische bevolking. Zij vermengden zich met een gedeelte van dat volk en daaruit ontstonden de zoogenaamde "Celtiberiërs" dat wil zeggen geceltiseerde of, als men wil, verfranschte Iberiërs. Een zuiver Gallisch ras vestigde zich daar echter niet, en de "Celtiberiërs" zijn later weer, zooals bij de beschouwing der Spanjaarden reeds opgemerkt is, in het zich ontwikkelende Spaansche wezen opgegaan, waarbij de Pyreneën reeds vroegtijdig de grenzen tegen de eigenlijke Celten in Frankrijk uitmaakten.
Op dezelfde wijze begaven de Celten zich ook over de Alpen naar Italië, bezetten de bovenste dalen en vlakten van dit land, Piemont en Lombardije, die nog door de Romeinen _Cisalpynsch_ Gallië of Celtenland genoemd worden. Het bloed en het ras van het volk hebben daar, zooals reeds bij de beschouwing der Italianen opgemerkt is, veel Celtisch of Fransch, ofschoon zij, in taal, zeden en nationale gevoelens, in den loop der tijden, even als de Celtiberiërs in Spanje, aan hun moederland geheel vervreemd, en bijna geheel Italiaansch geworden zijn.
Ook naar den ouden, hun welbekenden Oostelijken weg, langs welken de Celten uit Azië gekomen waren, keerden zij dikwijls weder terug. Op hunne woeste krijgstochten onder aanvoering hunner "Brennus" (Koningen), trokken zij langs den Donau tot naar Griekenland en zelfs tot Klein-Azië.--Zij verwoestten in die richting--het was dezelfde weg, dien later de Fransche kruisridders ook volgden--eens zelfs het Helleensche heiligdom te Delphi. Maar desniettemin gelukte het hun niet, daar eenig gebied duurzaam te kunnen blijven beheerschen en met hun ras te bevolken. Al het Celtische is daar later in het Slawische en Germaansche verloren gegaan.
Men wil echter in het ras, in de physionomie en zelfs ook in de Duitsche taal van verscheidene der Alpenbewoners, b.v. der Tyrolers en Opper-Beieren, veel Celtisch opmerken. In hoofdzaak echter werden de Celten door de Germanen, over den Jura, de Vogesen en de Ardennen, en ook uit het geheele Rijndal verdreven.
Even als de Celten de bergen, die hen aan alle zijden insloten, overtrokken, zoo trokken zij ook den zee-arm, die hen van Groot-Brittanje scheidde, over, en hebben zij zich in den oudsten tijd in alle richtingen over deze groote eilandengroep verspreid.--Hunne stammen verbreidden zich over alle heuvellandschappen, schuilhoeken, aanhangsels en bijgelegene eilandjes van die landen. En Groot-Brittanje is tot op heden (behalve Frankrijk), het belangrijkst gedeelte gebleven van het gebied, waarover zich de Celten verspreidden. Nu nog ontmoet men daar in vele Westelijke bergachtige streken, de Celtische taal, de zeden en denkwijze van het Celtische ras. Ook leverden de Celten een wezenlijk element ter vorming der later hier, met Germaansche hulp, ontstane Engelsche natie.
Ofschoon de Galliërs na deze vroegtijdige en voorhistorische bewegingen buiten de grenzen van hun eigenlijk vaderland, zich nog dikwijls en zelfs nog in de jongste tijden, langs _dezelfde_, zoo even aangegevene natuurlijke wegen bewogen hebben; ofschoon zij schier in iedere eeuw een of meermalen langs den Donau afzakten, of over de Pyreneën Spanje, of over de Alpen Italië binnenmarcheerden, of over het Kanaal naar Groot-Brittanje voeren, of wel over de Vogesen aan den Rijn verschenen; en ofschoon zich de invloed en de sterke inwerkingen dezer natie, om zoo te zeggen, aanhoudend deden gevoelen, zoo heeft toch wezenlijk geen verdere uitbreiding van hun ras plaats gevonden, en zijn zij in het geheel met hun nationaal type altijd tot het aangegevene landen-vierkant tusschen Spanje en Duitschland, beperkt gebleven.
Toen de Celten uit Azië Europa het eerst binnentrokken, zullen zij waarschijnlijk een even onbeschaafd en zwervend nomaden-volk geweest zijn, als alle andere stammen, die van daar kwamen om ons werelddeel te koloniseren. Nadat zij echter in het zachte, vruchtbare en vriendelijke Gallië meer vaste woonplaatsen gekregen hadden, schijnen zij zich vroegtijdig, daar de Oceaan, de Pyreneën en de naburige volken hunnen verderen voortgang stuitten, eenige meerdere ontwikkeling eigen gemaakt te hebben. Zoo lang de geschiedenis de Galliërs kent, toont zij ze ons als landbouwers en bewoners van steden. Hunne steden waren reeds, toen de Grieken en Romeinen het land onderzochten, talrijk en voor een deel sterk bevolkt, sommige waren van steen zeer stevig gebouwd en ter verdediging door muren omgeven. Dit alleen reeds toont eene grootere mate van beschaving bij de Galliërs, dan wij zelfs in een lateren tijd, oostelijk van den Donau, bij de Germanen, Slawen enz. vinden.--De Romeinsche berichten over Gallië spreken ook reeds van verscheidene _standen_ bij het volk, aan een zeer machtigen priesterstand, die der zoogenaamde Druïden, van een hoogeren en lageren adel, van een stand van boeren en stedelingen, van Koningen en Vorsten, die dikwijls over zeer groote gedeelten van het land heerschten.
En als ook de organisatie en de vereeniging van het volk, vóór de tijden der Romeinen niet zoo ver schijnt gegaan te zijn, dat het geheele Gallië één staat onder één Koning uitmaakte, zoo kwamen toch bij groote, algemeene ondernemingen der natie, bij veroveringstochten naar Italië of naar de Donaulanden, enkele machtige legeraanvoerders, de bovengenoemde "Brennus" aan het hoofd, die men in zekeren zin als de eerste Vorsten van Frankrijk kan beschouwen.
Daar, waar zij tegen den rand van de Middellandsche Zee, het beschavings-bassin der oudheid, stieten, kwamen de Galliërs het eerst met de beschaving in aanraking. Reeds de Pheniciërs hebben daar waarschijnlijk invloed op uitgeoefend, maar deze was niet zoo groot als die hunner opvolgers de Grieken. Evenals overal langs de kusten der Middellandsche Zee, stichtten de Grieken ook in Zuidelijk Gallië, verscheidene belangrijke koloniën, waaronder Massilia (Marseille) reeds 550 jaren voor Christus geboorte, de bloeiendste was. Uit deze sterk bevolkte en rijke stad drong Grieksche beschaving Zuidelijk Gallië binnen. Van de Grieken ontvingen de Galliërs de schrijfkunst. Bijna alle oude Gallische inscripties zijn met Grieksche letters geschreven. De voorname Galliërs die in Marseille, in de daar aanwezige Grieksche scholen, hunne opvoeding ontvingen, leerden zelfs de Grieksche welsprekendheid en poëzie.
Daar de Grieken echter alleen op de zee en langs den kustzoom van het groote land bleven, is hun invloed op de verandering van het ras en de natuurlijke geaardheid van het volk, niet bijzonder groot geweest. Men kan niet zeggen, dat die invloed op de Galliërs in die mate plaats had als later die der Romeinen; maar opmerkenswaardig is het, dat men nog heden ten dage in de stad Marseille, een havenwijk aantoont, waar de arme visschers en matrozen als afstammelingen der Grieksche Phoceërs beschouwd worden, en die nog in taal en zeden niet onduidelijke sporen, dezer afstamming uit het Hellenen-land, moeten aan den dag leggen.
Even als de Grieken, zoo bezetten ook de Romeinen aanvankelijk alleen de kuststreek van Gallië langs de Middellandsche Zee, een gedeelte van Zuid-Frankrijk, dat zij "_Provincia_" (Provence) noemden, en in welk gedeelte zij overal reeds vroegtijdig koloniën aanlegden en hunne beschaving en taal invoerden. Daar heeft ook later, het Romeinsche en Italiaansche karakter zich het langst gehandhaafd, en nog heden ten dage verkondigen in die streek, de meest grootsche ruïnes van Romeinsche werken, die Frankrijk aan te wijzen heeft, de eens zoo diep en vroegtijdig hier wortelende macht der Romeinen.
Kort voor de geboorte van Christus, onder hun machtigen Imperator Julius Cesar, veroverden de Romeinen, in eene reeks buitengewoon gelukkige en snel uitgevoerde ondernemingen, _geheel_ Gallië tot aan het Ryndal in het Oosten en tot aan den Oceaan in het Noorden en Westen, organiseerden het naar hunne wijze, en behielden het nu langer dan 400 jaar als een wezenlijk deel van het rijk, tot dat eindelijk dat rijk zelf ten onder ging.
Cesar, de Romeinsche veroveraar en beschaver van Gallië, is ook in de beroemde beschrijvingen, die hij ons van zijne reizen en oorlogen nagelaten heeft, de eerste die eene uitvoerige en zorgvuldige schildering van het land en het volk gegeven heeft. Door hem leeren wij voor het eerst de ras-eigendommelijkheden, het nationale-karakter en de zeden der voorvaderen onzer Franschen iets nader kennen. En uit zijne geschriften spreekt duidelijk eene lands- en volks-physionomie tot ons, zooals in hoofdtrekken nog heden ten dage in Frankrijk bestaat.
De Galliërs, zegt Cesar, zijn, in vergelijking met hunne naburen de Duitschers--dit is eene vergelijking, waarop oude en nieuwe schrijvers, om zeer nabijliggende redenen dikwijls terugkomen--menschen van eene stevige natuur. De Germanen verschillen van hen, door hunne groote gestalte en sterken lichaamsbouw. De gezichtsvorm en het hoofd van het Gallische ras is opvallend rond, terwijl bij de Duitschers, die nog heden ten dage door de Franschen voor "_têtes quarrées_" uitgescholden worden, alles meer hoekig en meer langwerpig schijnt.--De gelaatstrekken der Galliërs zijn, volgens Cesar, levendiger en hebben meer uitdrukking dan die der Germanen. Zij hebben krulhaar, en groote, zeer beweeglijke oogen. Met betrekking tot de grondtrekken van hunnen inborst, merkt Cesar op, dat zij een gemakkelijk op te winden, spoedig besloten en bijzonder lichtzinnig, spraakzaam en geestig volk zijn, terwijl hij de Germanen als meer ernstige, bedachtzame, bedaard overleggende en tevens tragere en langzamer barbaren tegen hen overstelt. Van de "_subita et repentina consilia Gallorum_" (de plotselinge besluiten en oogenblikkelijke opwellingen der Galliërs) maakt Cesar dikwijls melding.--"_In consiliis mobiles, plerumque de novis rebus student_" (In hunne beraadslagingen zijn zij wankelmoedig en zij haken altijd naar veranderingen.)--"_Levem auditionem habent pro re comperta_." (Het minste gerucht nemen zij dadelijk voor eene uitgemaakte zaak aan).--Zij zijn zoo verlangend naar nieuwigheden, zegt Cesar verder, dat zij de reizigers op de wegen aanhouden en hen dwingen stil te staan, om van hen te hooren wat ergens anders voor verwonderlijks plaats gegrepen heeft. Volgens hem zijn zij een bijzonder gezellig volk. Zij zijn vroolijk en genieten het oogenblik.
Eene der voornaamste genoegens hunner gezellige bijeenkomsten, bestaat in de bij hen ontstane discussies. Bij deze disputen en gesprekken toonen zij zich altijd hevig en grillig. Hunne stemmen zijn bijna altijd dreigend en levendig, zij mogen bedaard of opgewonden zijn. Zij openbaren daarbij niet de minste vastheid van karakter of zelfbeheersching, die een man zoo goed staan. "_Avidi jurgiorum_" (zij zijn begeerig naar twist), en toonen daarbij eene hoogmoedige aanmatiging.--Hunne ongeloofwaardigheid is zoo groot, dat zij spottend en lachend hunne beloften breken. (_Ridendo fidem frangunt_). En hunne lichtzinnigheid gaat zoover, dat zij onder elkander hun leven voor geld of voor een paar bekers wijn veil hebben. "Somwijlen schijnen zij bezield door een dollen waanzin," voegt de verbaasde Romein er bij, "die aan het ongelooflijke grenst."
Zij zijn zeer moedig en strijdlustig, en zelfs een grijsaard onderscheidt zich bij den wapendienst met dezelfde doodsverachting, als een jong man in den bloei zijner jaren. Als zij in den oorlog overwinningen behalen, dan zijn zij onverdragelijk trotsch; worden zij overwonnen, dan laten zij den moed spoedig geheel zinken. Iets dergelijks constateert ook Cicero, die de Galliërs zeer kort in de volgende woorden teekent. _Plerumque Gallia duas res industriosissime persequitur, rem militarem et argute loqui_; wat men zou kunnen vertalen door: "op twee dingen stellen de Galliërs (Franschen), bijzonder veel prijs, op het krijgswezen en op vernuftig te spreken."
Zij hebben eene opvallende voorliefde voor opschik en pronk. "Niet alleen vrouwen, maar ook de mannen versieren zich gaarne den hals en de armen, met gouden kettingen, ringen en gespen. En zij, die eene betrekking bekleeden, hebben bontgekleurde en met goud geborduurde kleedingstukken. De Gallische _Sagum_ (mantel) is zelfs bij de mindere standen bijzonder bontgekleurd en geborduurd. De wispelturigheid die zij in den dagelijkschen omgang ten toon spreiden, openbaart zich ook, zegt Cesar verder, in hunne politieke geschiedenis; zij zijn bijzonder geneigd tot omwentelingen en eene plotselinge ommekeer van zaken, en verwisselen gaarne van bestuur, "_mobilitate et levitate animi novis imperiis student_."
Een ander groot land- en volken-beschrijver der ouden, Strabo, schrijft iets dergelijks. Maar hij voltooit de schildering door er aan toe te voegen, dat de Galliërs bij dat alles toch recht goedhartige menschen (_bons enfans_) zijn. "Zij zijn," zegt hij, "zeer gemakkelijk tot een goed plan over te halen." "Als zij meenen, dat een hunner buren onrecht geleden heeft, komen zij spoedig bij elkander en dan kent hun toorn geen perken." Ook stemt Strabo daarin met andere Romeinsche schrijvers overeen, dat zij zeer ontvankelijk zijn geweest voor onderricht en verstandelijke ontwikkeling, dat zij een zeer scherp oordeel en nog menige andere uitstekende geestesgave bezaten.--Met betrekking tot hunne zedelijkheid echter, worden de Galliërs door alle oude schrijvers niet zoo gunstig beschreven als de barbaarsche Germanen, wien zij eene hoogere mate van zedelijkheid en kieschheid toeschrijven.
Naar dit alles mag men wel zeggen, dat reeds voor 2000 jaren het grondkarakter der bewoners van Gallië, in hoofdtrekken juist zoo was, als het zich den vreemdeling ook in latere tijden geopenbaard heeft.--Alle latere nederzettingen en veroveringen schijnen in de hoofdkaraktertrekken van deze, ons reeds uit de oudste berichten tegenblikkende volks-physionomie, niet veel veranderd te hebben.
Even als het zedelijk karakter, zoo is ook het physische type der oude Galliërs nu nog in het wezenlijke hetzelfde gebleven. De heer Edwards, een fijn kenner en scherp opmerker der lichamelijke nationale eigenaardigheden der Europeanen, heeft de oude Gallische schedelvorming, het niet-hoekige hoofd met het smalle voorhoofd en met groote en opene oogholten, met afgeronde neus en kin, overal in Frankrijk wedergevonden en heeft aangetoond, dat de tegenwoordige Franschen ook, wat bloed, ras en lichamelijke gesteldheid aangaat, in hoofdzaak nog altijd de oude Celten zijn.
Het meest is later de taal der Galliërs veranderd, maar toch heeft ook het tegenwoordige Fransch nog veel Celtisch; het bevat eene menigte woorden, die noch uit het Romeinsch, noch uit de later ingedrongene Germaansche dialecten afgeleid kunnen worden.
Ook zijn alle later uit vreemde talen overgekomene woorden in den Gallischen mond aanmerkelijk veranderd. Bij velen is hun Romaanschen, Germaanschen of anderen oorsprong nauwlijks meer te herkennen. Vooral de toon, de stem, de "_timbre_" waarmede het hedendaagsche Fransch uitgesproken wordt, is oud-Gallisch of Celtisch, zooals ook vermoedelijk veel in de samenstelling en den bouw der taal. Ja! verscheidene taalkenners hebben dikwijls beweerd, dat ons tegenwoordig Fransch, in zijne physionomie, meer gelijkenis heeft met het oude Celtisch, dan met eenige andere vreemde taal, die er haren invloed op liet gelden.
Ook de maatschappelijke en staatkundige instellingen van het latere Frankrijk, berusten wellicht in nog hoogere mate op oude Celtische grondslagen, dan men dit op historische gronden duidelijk aantoonen kan. Velen hebben beweerd, dat de machtige Fransche geestelijkheid der middeneeuwen, die zulk een wezenlijk aandeel gehad heeft in de centralisatie van den Franschen staat en het Fransche volk, in den grond niets geweest is dan een nieuwe christelijke vorm dier zoo invloedrijke priesterkaste der Celtische "Druïden," die ook in het oude Gallië de verschillende stammen van het volk zoo sterk en duurzaam bij elkander hield. Immers deze Druïden reeds waren gewoon, evenals later de christelijke aartsbisschoppen en bisschoppen, ongehoorzamen en weerbarstigen met een geestelijken ban te straffen, die, zooals Cesar zegt, bij de Galliërs eene zeer gevoelige en zware straf was.
Ook de _troubadours_ der Franschen uit de middeneeuwen, hebben wellicht in de Barden der Galliërs, die met de Rhapsoden der Hellenen en de Skalden van het Noorden vergeleken kunnen worden, hunne voorvaderen en gedeeltelijk hunne modellen gehad. Zij bedienden zich bij hunne gezangen van eene harp, in het Gallisch "_Kruit_" geheeten, die in hare oude gedaante en vorm, nog tot in de nieuwere tijden, bij de Celten in Ierland en Wales in gebruik is gebleven.
Velen gelooven dat het veelvuldig voorkomende bijgeloof bij de mindere klassen van het volk in het tegenwoordig Frankrijk, schier _geheel_ van het oude Celtisch afkomstig is, en op overoude Celtische overleveringen berust. Ook vele wondergeschiedenissen van het hedendaagsche Frankrijk, mogen met recht beschouwd worden als uit den ouden Celtischen grond voortgekomen te zijn. Volgens de meening van sommigen, zou de mystieke geestvervoering der maagd van Orleans, meer "Druïdisch" dan christelijk geweest zijn.
Om eenigermate aan te toonen, hoeveel overigens ook nog in de zeden, in de maatschappelijke verhoudingen en in de levenswijze der tegenwoordige Franschen, uit de voortijden der oude Galliërs overgekomen is, wil ik, bij wijze van voorbeeld, iets zeer bijzonders mededeelen. De oude aardrijkskundige Strabo, die 18 eeuwen geleden Europa beschreef, gedenkt reeds de Bayonner-hammen, die zooals bekend is nog heden hunnen roem handhaven. Hij bericht ook, dat de wijnen der Galliërs uit het Rhône-dal naar pik smaakten, wat met den Bourgogne-wijn nog heden ten dage het geval is. Blijven zulke kleinigheden, als de Bayonner-hammen en de pik-smaak der Rhône-wijnen, dezelfde, dan zouden wij, als wij bij machte waren een volkomen beeld der Galliërs, met een even volkomen beeld der tegenwoordige Franschen te kunnen vergelijken, nog zeer veel onveranderd vinden.
Geheel zuiver, of in hooge mate onvermengd, heeft zich echter dat oude Gallische menschenslag in taal, zeden en bloed, nog slechts in een zeer klein gedeelte van Frankrijk bewaard, in de kloven en aan de versplinterde kliprijke kusten, van het afgelegen en bergachtig westelijk uiteinde van het land, in het zoogenaamde _Cornu Galliae_ (den hoorn van Gallië), dat vroeger "_Armorica_" (het land aan de zee) en later Bretagne genoemd werd. Daarheen reikte de alles vereffenende invloed der Romeinsche beschaving niet, en daar hebben, merkwaardig genoeg, ook alle andere veranderingen en vereffeningen, die in het binnenste van het land plaats grepen, tot op den nieuwsten tijd toe, hunne macht evenzeer verloren als in het Basken-land in Spanje.--De mindere menschen in Bretagne, de zoogenaamde _Breizards_ of _Bretons_ spreken nog heden ten dage geen Fransch. Hunne taal is het oude Celtisch of Gallisch, en is met het nog in Wales in Engeland gesprokene Gallisch zoo nauw verwant, dat somwijlen boeken, die in Bretagne in Frankrijk gedrukt worden, daar, in de gebergten van Wales in Engeland, hun grootste debiet en hunne meeste lezers gevonden hebben. Ook is bij deze nog tegenwoordig weinig beschaafde, bijgeloovige "Bretons", evenals bij de Gaelen in Hoog-Schotland, naast de harp, de doedelzak het voornaamste en het nationale lievelingsinstrument. Hunne muziek is eenvoudig, ongekunsteld, vol uitdrukking en aangrijpend, evenals die der Hoog-Schotten en Italianen.