Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 47

Chapter 473,547 wordsPublic domain

Wel hebben de Spanjaarden na dien tijd nog meerdere malen weder vreemdelingen bij zich gezien. Met den te Gent geboren Karel V kwamen, zooals bekend is, vele Belgen in het land. De naburen ten Noorden der Pyreneën, de Franschen, keerden het meest terug; eens op eene belangrijke wijze, die rijk aan gevolgen was, in het begin der 18de eeuw met de Bourbons; later eens in het begin der tegenwoordige eeuw met de Napoleoniden, en tusschen beiden door en later nog enkele malen, in alleen voorbijgaande krijgstochten.--Hoe invloedrijk deze en andere aanrakingen met hunne Noordelijke naburen ook op de staatkundige toestanden der Spanjaarden, en zelfs ook op het karakter hunner ontwikkeling, van hun bestuur, hunne kunsten en literatuur geweest zijn,--na Lodewijk XIV b.v. "nam bijna geheel de Spaansche literatuur een Fransch gewaad aan"--zoo waren het toch geen volks-overstroomingen meer, die op het _bloed_, het _ras_, de _taal_ en het _grond-karakter_ der volks-nationaliteit zoo ingewerkt hebben, als eens de Celtische, die de Celt-Iberiërs in het leven riep,--de Romeinsche, die de Spanjaarden met de Romanen verbond,--de Moorsche, die hen weder met Afrika deed samensmelten, geweest waren.

Nadat nu op deze wijze in het kort aangetoond is, welke elementen het Spaansche volk van buiten ontving, hoe het deze in zich opnam, blijft ons nog over een blik te slaan, op hetgeen de Spanjaarden aan de wereld en voornamelijk aan ons Europa terug gaven, en welke inpulsies en volks-elementen zich van hen uit bij ons verbreid, welke rol zij in de geschiedenis der ontwikkeling onder ons gespeeld hebben.

Even als het land Spanje een geheel afzonderlijk gedeelte van Europa vormt, dat in zich zelf afgesloten is door breede zeeën en bergmuren, aan het Westelijk einde van ons werelddeel, waarmede het slechts door een bergachtige landengte verbonden is, zoo heeft ook het volk in de geschiedenis van Europa eene in hooge mate geïsoleerde stelling ingenomen.--Veel meer dan de volken van Midden-Europa is het zijn eigen gang gegaan. Het is in het binnenste zijner bergen, zijne eigene revolutiën waaraan het overige Europa betrekkelijk weinig aandeel nam, en waarvan het gewoonlijk even weinig voordeel trok als het er van leed, te boven gekomen.

Nooit is het Pyreneesche schiereiland het brandpunt geweest eener ver om zich heengrijpende beschaving, die in haren duurzamen invloed en hare verre verbindingen, bij voorbeeld met de zon der beschaving, die eens uit het kleine Griekenland over Europa opsteeg, vergeleken kon worden.--Nooit is eene verovering van daar uitgegaan, gelijk aan die der Romeinen uit het Italiaansche schiereiland.--Nooit is daar aan het uiteinde van ons werelddeel, noch in oude tijden noch in de midden-eeuwen, een zoo machtig middelpunt van het Europeesche leven geweest, als in Italië tweemaal door hare de wereld gebiedende Keizers en Pausen geruimen tijd plaats had. Ook geene dergelijke steden verwoestende en landen bevolkende stroomen zijn van de Spanjaarden uitgegaan, zooals die der Germanen en Slawen uit het midden en het oosten van ons werelddeel.

Nooit was Spanje, zooals Duitschland, eene onuitputtelijke werkplaats voor natiën en staten, ter gedaante-verandering der Europeesche landen. Ook hebben de trotsche, weinig _mededeelzame_ Spanjaarden nooit _duurzaam_ en _herhaaldelijk_, zooals hunne naburen, de Franschen, de wereld met hunne taal, hunne zeden, modes, hunne staatkundige beschouwingen trachten voor te lichten. Hunne edele taal is nooit--slechts een korten tijd uitgenomen--zooals die der Franschen, Latijnen, Grieken, in aller mond geweest. Zelfs de rijke producten hunner literatuur zijn betrekkelijk slechts bij weinigen bekend geworden. Ook de schoone kunsten hebben bij hen, zonder navolging te vinden, dikwijls onopgemerkt gebloeid. In het geheel en in het groot genomen, en in hunne betrekking tot Europa, zou men nu nog van de Spanjaarden kunnen zeggen, wat de ouden van de Iberiërs zeiden, namelijk dat zij, als men hen in hun huis niet stoorde, een vergenoegd volk waren. Eene nagenoeg gelijke isoleering en afgeslotenheid als bij de Spanjaarden, vindt men ook bij de bewoners der beide andere eilanden en schiereilanden, waarmede Europa in den Oceaan uitloopt, bij de Engelschen en Zweden.--Ook Groot-Brittanje _ontving_ meer van Europa dan het haar gaf, en ook Skandinavië heeft zich gewoonlijk in zijne afgezonderde stelling buiten 't spel gehouden. Slechts voorbijgaande, en alleen nu en dan als hulptroepen, rukten al deze eiland- en schiereiland-bewoners van ons werelddeel, uit hunne in de zee uitstekende landpunten naar de oorlogs- en zedelijke kampplaatsen van Midden-Europa.

In de oudste tijden was Spanje een kolonie-land der Pheniciërs en Carthagers, het was hun Peru.--Later werd het eene provincie van Rome.--Gedurende de volksverhuizing zuchtte het onder de van Duitschland uitgaande stormen.--Onder de Arabieren ontviel het bijna _geheel en al_ aan Europa en werd het om zoo te zeggen, een stuk van Afrika.--Daarna, toen de Arabieren weken, had het weder eeuwen lang zoo zeer met de innerlijke weeën zijner wedergeboorte te kampen, dat het ook toen gewoonlijk het overig Europa den rug toekeerde, en noch aan de kruistochten, noch aan andere grootsche vragen, die de volken-familie van ons werelddeel bezig hielden, deel kon nemen. Spanje had zijne eigene kruistochten tegen den Islam, en bleef nog diep in dit kruistochttijdperk vertoeven, toen het overig Europa reeds boeken drukte, zich reeds in de studie der Grieksche oudheid verdiepte, midden in het tijdperk zijner wedergeboorte was, en reeds de hervorming naderde.

De gelukkige beëindiging van den nationalen-strijd met de Arabieren, de daardoor gevolgde vereeniging van alle bewoners van Spanje, "_het land der heiligen en der helden_," zooals het toen ter tijd dikwijls genoemd werd, tot één staat en volk, gaven de natie in de 16de eeuw zulk een stoot, dat zij _nu_ ook, en nu voor de _eerste en eenige_ maal--over de grenzen van haar schiereiland stroomde, _buiten_ de Pyreneën landen in bezit nam, kolonisten naar den vreemde zond, andere volken door veroveringen en erfenissen aan hare zegekar ketende, dikwijls invloed op hunnen geest en zeden uitoefende, en eindelijk ook een zoo grooten Europeeschen staat vormde, dat een _tijd lang_ het geheele werelddeel voor haar bevreesd was, en voor zijne onafhankelijkheid tegen de Spanjaarden streed, zooals de Spanjaarden zelven voor de hunne tegen de Mooren gekampt hadden, en dat Spanje, om zoo te zeggen, gedurende een gedeelte van de zestiende en zeventiende eeuw, het hoek- en draaipunt van de staatkunde der Europeesche volken werd.

De blikken en schreden der Spanjaarden richtten zich toen bij voorkeur, evenals later die der Engelschen, buiten Europa, naar de andere zijde van den Oceaan, naar de door hen ontdekte nieuwe wereld, in welke richting de stroom hunner landverhuizing en van hunnen ondernemingsgeest verreweg het sterkst was, waar zij vele volken deden verdwijnen en nieuwe volken en staten stichtten, wier lotgevallen wij echter, daar wij ons tot Europa bepalen, niet te beschrijven hebben.

Deze uitbreiding van macht naar het Westen (naar Amerika) kon echter niet zonder terugwerking op het Oosten (Europa) blijven; daarom alreeds niet, omdat de Spaansche Koningen zich met het machtigste Keizershuis van dien tijd, door huwelijken verbonden en vereenzelvigden.--Zooals hun _Columbus_ en hun _Cortes_ zich naar de nieuwe wereld begaven, zoo kwamen ook de heldhaftige _Gonzalvo de Cordova_, de veroveraar van Italië, de vreeselijke Hertog _van Alva_, die de Nederlanden tot onderwerping trachtte te brengen, de edele _Juan d'Austria_, de schrik der Turken, en talrijke andere in Europa wereldberoemde veldheeren, uit den schoot der Spaansche natie te voorschijn. Zooals eens Griekenland beefde voor de phalanxen der Macedoniërs, zoo beefde nu, wat nooit te voren gebeurd was, Europa onder de voetstappen der Spaansche regimenten, wier dapperheid en discipline ten voorbeeld genomen werden.

Geheel Napels, Sicilië, Sardinië, het Hertogdom Milaan, de Zuidelijke Nederlanden werden voor langeren tijd,--Duitschland en de Oostenrijksche bezittingen aan den Donau en die aan de Rhone, in _Franche-Comté_, slechts voor korten tijd--onder de heerschappij, of ten minste onder den machtigen invloed der Spanjaarden gebracht. Spaansche troepen overwonnen toenmaals bij Mühlberg in Noord-Duitschland, dat de Romeinen niet hadden kunnen overwinnen.--Spaansche vlooten zeilden op den Oceaan waar zij Engeland bedreigden, en op de Middellandsche Zee waar zij in den slag bij Lepanto de Turksche macht de spits afbeten.--De Spaansche monarchie werd toen de grootste en schitterendste in Europa, en bleef zulks tot aan het midden der 17de eeuw; en daar kunsten en literatuur als trouwe afschijnsels van het geheele gehalte eener natie, achter de wapens zelden wegblijven, zoo verhieven zich toen ook de taal, de poëzie en de Musen der Spanjaarden, trots de inquisitie en trots despotische Koningen, tot hun toppunt.

De _Cervantes_ vochten zelfs mede in die veldslagen der veldheeren; de _Vegas_, de _Calderons_, die zooveel gedichten vol phantasie vervaardigd hebben; de _Velasquez_, de _Murillos_ en hunne talrijke scholieren, die zooveel bleeke heiligen- en monnikengezichten geschilderd hebben; al deze waren tijdgenooten dier ruwe _Cordovas_ en _Alvas_, en verschenen in hun gevolg.--Het volk passeerde toen het Zenith zijner beweging en doorliep de gouden eeuw, het rijkste tijdperk zijner ontwikkelings-periode.--In dien tijd van _zeer_ bewonderde en zeer gevreesde Spaansche grootheid, werd de Castiliaansche taal voor een groot gedeelte van Europa _tijdelijk_ bijna hetzelfde, wat later de Fransche _meer blijvend_ geworden is, de modetaal der voorname wereld.--Daar de aanzienlijke Spaansche familiën, zich evenals hunne Koningen, door huwelijken, met de familiën van Italië, Duitschland, de Nederlanden verbonden, daar men overal Spaansche grandes, militairen, diplomaten, hovelingen, gouverneurs ontmoette, zoo werd het eindelijk aan de hoven van Weenen, Milaan, Napels, Brussel, Londen, zelfs ook in Parijs, goede toon, Spaansch te spreken.

Even als de welluidende, majestueuse en hoogdravende Spaansche taal, zoo verbreidden zich in dien tijd ook de Spaansche modes en zeden in kleederdracht en gedragswijze over geheel Europa.--Vooral in de residenties behaalde het deftige, statige en stijve kostuum en hofwezen der Spanjaarden de overhand. Het scheen een oogenblik alsof geheel Europa zich geheel op Spaansche wijze inrichten wilde, eerst de hoogere standen, en later ook de burgerklassen. Duitschland zuchtte lang onder den druk der Spaansche halskragen en Spaansche poffen. Zelfs de Engelsche heeren, de overwinnaars der Spaansche Armada "droegen hun baard en knevel op Spaansche wijze". En alle pronkers van Europa trachtten zich voor te doen, sierlijk van het hoofd tot de voeten, onnatuurlijk geregen, afgemeten en beredeneerd in gedrag en bewegingen, solide en kostbaar versierd, over zich zelven tevreden en trotsch als een Spaansch Hidalgo.

Men kan deze Spaansche invloeden zelfs tot in het Skandinavische Noorden, en door Hongarije en Zevenburgen heen, tot in Rusland naspeuren. Een en ander daarvan, b.v. in de kleeding der patriciërs en raadsheeren der Duitsche vrije steden, zijn tot op onzen tijd bewaard gebleven.--Natuurlijk aapte men in dien tijd de Spanjaarden ook in gewichtiger zaken na, vooral in hunne militaire organisatie en de discipline bij hunne legers. Veel ouds in de Engelsche marine is van de Spaansche schepen afkomstig, zelfs verscheidene technische scheepstermen.

Ook de Spaansche dichters vonden bewonderaars en naäpers zoowel in Italië als in Frankrijk. De Franschen vooral waren, nadat zij de rijke _poëtische_ goudmijnen aan gene zijde, der Pyreneën ontdekt hadden, zooals eens de Pheniciërs de _minerale_, onvermoeid in de benuttiging en uitbreiding er van.--Natuurlijk geschiedde zulks, op gemakkelijk te begrijpen gronden, wel wat te laat, omdat de eigenlijke bloei in Spanje reeds voorbij was, Kleederenpronk en uiterlijkheden deelen zich altijd sneller en onmiddelijker mede dan literarische producten, voor welker genot en goed begrip menige voorbereiding noodig is. Duitschland had reeds lang Spaansche mantels gedragen en weder afgelegd, eer zijn zin voor de voortbrengselen van den Spaanschen geest ontwaakte. Maar toen hebben de Duitschers zich met bijzondere voorliefde op de edele, ernstige, kuische en gevoelvolle Spaansche Muze toegelegd, als zagen zij in zekere mate in haar eene halfzuster van hun eigen geest.

In die niet-Spaansche landen van Europa, welke de Spanjaarden het langst beheerschten, zijn nog tot op den huidigen dag eenige sporen hunner aanwezigheid te herkennen. Het zuivere en ijverige Katholicisme, dat bij de Belgen in waarde is gebleven, is ten deele een voortbrengsel der heerschappij van de Spanjaarden, wier Koningen, veldheeren en priesters met taal, vuur en zwaard zich beijverden, de Vlamingen voor de nieuwe leer hunner Hollandsche broeders te bewaren. De trotsche Belgische adel, wiens afstammelingen zich dikwijls door huwelijk met de Spaansche adellijke geslachten verbonden, werd in hoogen graad voor Spaansche zeden en denkwijze gewonnen, en men ontdekt nog heden ten dage menig overblijfsel daarvan bij hen, zooals men ook nog in de Belgische steden op enkele zaken en gewoonten stuit, die van den Spaanschen tijd dagteekenen.--Aan het Oostenrijksche hof bleven Spaansche geest, taal en zeden tot diep in de 18de eeuw bestaan. Ook vindt men in Oostenrijk nog hier en daar Spaansche familienamen, die van de onder Karel V en Ferdinand I het land binnengetrokken Spanjaarden afkomstig zijn.--Ook in Sicilië, eene bakermat der oude Iberiërs, dat de nieuwere Spanjaarden langen tijd in hun bezit hadden, treft men nog menige overeenkomst met Spanje aan. Spaansche adellijke familiën, sedert eeuwen met die van dit eiland verbonden, hebben daar nog heden ten dage een niet onaanzienlijk grondbezit, en menige Spaansche rechterlijke gewoonte is daar ook nog heden ten dage van kracht.--Van alle Cis-Pyreneesche volken van Europa zijn echter de Spanjaarden het meest met de bewoners van Zuidelijk Frankrijk verbroederd. Met deze hunne naburen hebben zij van oudsher meer te doen gehad, dan met eenig ander Europeesch volk.--Het Zuidelijk Frankrijk, door Languedoc en Provence om den Noordelijken boezem van de Middellandsche Zee heen, is altijd een overgangsland voor Italië of Frankrijk naar het Pyreneesche schiereiland geweest. Van daar rukte gewis eens het Iberische volk het Pyreneënland binnen, en Iberisch bloed stroomt gedeeltelijk nog door de aderen dezer heetbloedige Zuidelijke Franschen.--De West-Gothen heerschten geruimen tijd zoowel over het eigenlijke Spanje als over dit Iberische gedeelte van Gallië, en de Spaansche Souvereinen van Catalonië bezaten daar geruimen tijd het landschap Roussillon en andere streken van het land.

Het gebied van den eens zoo bloeienden tuin der Provençaalsche dichtkunst en taal, strekte zich zoowel door Noord-Oostelijk Spanje als door Zuidelijk Frankrijk uit, en nog heden wordt daar, zoowel aan deze als gene zijde der Pyreneën, het Catalonische dialect gesproken, zooals zich, van Spanje uit over Narbonne en Marseille, eene reeks verwante dialecten, in zachte toon afwijkingen, langs de kust der Middellandsche zee tot naar Italië uitstrekt.--Nergens binnen de grenzen van zijn eigen land, voelt de Noordelijke Franschman zich minder te huis, dan bij deze Zuid-Fransche grensbewoners van de Pyreneën en de Middellandsche Zee, bij wie zich daarentegen de Spanjaard meer te huis gevoelt, dan ergens anders aan deze zijde der Pyreneën.

Voor het overige ontmoet men nu, nadat zij zich weder achter hunne Pyreneën teruggetrokken hebben, den eigenlijken Spanjaard zelden onder de Europeesche volken. Zij hebben zich hier nergens als landbouwende kolonisten verstrooid.--Men kan geen tak van industrie opnoemen, waarin hun in de Europeesche steden de voorkeur gegeven wordt, zooals de Italianen, de Franschen, de Duitschers overal op ons vasteland, vele hebben. En terwijl men in bijna iedere hoofdstad van Europa, in meerdere of mindere mate, Duitschers, Franschen en Italianen aantreft, kan men in de minste ook slechts een klein Spaansch element in hare gezamenlijke bevolking ontdekken.--Er bestaan niet zulke in geheel Europa bekende en populaire persoonlijkheden uit Spanje, als b.v. de Italiaansche handelaars in lekkernijen, de Savoiaardsche musici, de Toscaansche gipswerkers of de cantatrices uit het Romeinsche schiereiland, die bij ons om zoo te zeggen inheemsch zijn geworden. Ook hebben verder de Spanjaarden noch geleerden, noch handwerkslieden, noch ambtenaren met ons geruild, terwijl de Midden-Europeesche volken dat meermalen met elkander gedaan hebben. De Russen, die in nieuweren tijd gaarne van alle Europeesche volken voordeel trokken, namen dikwijls Duitsche, Italiaansche, Fransche, Engelsche, Hollandsche generaals, admiraals en ministers bij zich in dienst. Een Spaansche naam treft men onder hen, die sedert Peter den Groote, Rusland voor de beschaving gewonnen hebben, niet aan. Evenmin ontmoeten wij noch in Italië, noch aan den Rijn, Spaansche grand-seigneurs, of Spaansche natuurbewonderaars, zooals Rusland, Engeland, Nederland en Skandinavië die aanhoudend derwaarts zenden. Zij vallen ons met niets lastig, zij verheugen ons met geen talent, zij brengen ons niets. Men ziet op de markten van het Europeesche binnenland en in de havens, schier meer Turksche dan Spaansche kooplieden, ofschoon men ze zoo gaarne zien zou, daar zij gewoonlijk zeer eerlijke en geschikte handelaren zijn. Zij zijn in het Europeesche dagelijksch verkeer schier onbekende verschijningen. Alleen de vlijtige Cataloniërs, de eenige Spanjaarden die de werkzaamheid en de industrie huldigen, maken daarop eene uitzondering. De Spaansche taal, die zich _zeewaarts_ over geheel vreemde vaste landen verspreidde, is in Europa maar op enkele weinige plaatsen door verdrevene Spaansche Joden inheemsch geworden, zooals ook in nieuweren tijd staatkundige vluchtelingen, in Londen en eenige andere plaatsen, kleine Spaansche koloniën gevormd hebben.

DE PORTUGEEZEN.

Veel van hetgeen wij over de Spanjaarden gezegd hebben, is ook van toepassing op hunne buren en tweelingbroeders, de Portugeezen, die den uitersten rand, of zooals Portugeesche dichters zich uitdrukken, "_het voorhoofd van Spanje_", van Europa's hoofd bewonen, en die op ons vasteland slechts _een enkelen_ nabuur, de Spanjaarden, hebben.

Onder de zelfstandige volken van ons werelddeel, die eene eigene taal, ontwikkeling en literatuur hebben, is het Portugeesche volk een der jongsten. Zijne losmaking van het overige lichaam van het Pyreneesche schiereiland, dateert eerst van den aanvang der 12de eeuw, en de wasdom dezer nationaliteit is dien ten gevolge nauwelijks zoo oud, als die der oude eiken in onze wouden.

Gedurende de lange tijdruimte, die dat tijdstip voorafging, maakten de bewoners van het tegenwoordig Portugal slechts een gedeelte van Spanje uit. Ook viel het hunnen voorouders niet in, zich zelven van het begrip Spanjaard en Spanje uit te sluiten. Zij deelden in alle lotgevallen van het overige Spanje, waarmede zij achtereenvolgens onder de opperheerschappij der Puniërs, Romeinen, Germanen en Arabieren geraakten.

De door de Romeinen zoogenaamde Lusitaniërs, die door de dichters en patriotten van het land, als de Portugeezen van den ouden tijd verheerlijkt worden, bewoonden slechts een gedeelte van het tegenwoordige Portugal, en waren ook over een gedeelte van het overige Spanje verbreid. Zij waren een tak van den grooten Iberischen stam, zooals men nog andere in Spanje aantrof, en er vormde zich bij hen een tongval, die niet anders dan als een dialect van den Iberisch-Romaanschen stam beschouwd kan worden, die niet _meer_ zelfstandige eigendommelijkheden had, dan de Arragonische en Catalonische dialecten ook bezaten. Als een staatkundig en nationaal geheel trad het land, dat wij nu Portugal noemen, in die tijden nooit op. Het had altijd slechts eene provinciale beteekenis, en zoowel de Romeinen als de Gothen en de Arabieren smolten het land, terwijl zij het verschillend verdeelden, met de districten en provinciën van het binnenste gedeelte van het Pyreneesche schiereiland samen.

In het jaar 1095 behoorde de Noordelijke helft van het tegenwoordige Portugal tot het Koningrijk Castilië en Leon, de Zuidelijke helft onder den naam Algarvië (d.i. het Westland) tot het Arabische Kalifaat van Cordova.

Eerst door het in genoemd jaar plaats hebbend huwelijk eener Castiliaansche Prinses Theresia, met een Franschen Prins, Hendrik van Bourgondië, begon dit anders te worden.

Alphonsus VI, Koning van Castilië, verleende aan deze zijne kinderen, als een stadhouderschap, den omtrek van het tegenwoordige Oporto, dat sedert oude tijden den naam "_Portus Cale_" (de haven van Cale) droeg. Daarom noemde zich genoemde Hendrik van Bourgondië _Comes Portugalensis_ (de Graaf van de haven Cale), en reeds zijn zoon Alfonso I, die den omtrek van dit Graafschap vergrootte, nam den titel Koning aan, verdedigde zijne zelfstandigheid tegen Castilië, en moet als de eigenlijke stichter der Portugeesche natie beschouwd worden.

Hij en zijne opvolgers breidden, van uit die Noordelijke wieg des volks, van uit het land bij Oporto, tusschen den Minho en Duero, waar ook nog tot in den nieuweren tijd de lotgevallen der natie zoo dikwijls beslist werden, hunne heerschappij en den naam "Portugal" verder naar het Zuiden uit. Zij marcheerden en veroverden langs de kusten van den Atlantischen Oceaan, aan welks strand deze heerschappij ontstaan was, van de eene haven naar de andere, van de eene riviermonding tot de andere, naar beneden toe, terwijl zij de Arabieren eerst uit Coïmbra, daarna uit Santaren, vervolgens met behulp van Vlaamsche en Duitsche kruisvaarders uit het Koninklijke "Lischbuna" (Portugeesch Lisbona) en eindelijk uit Algarvië verdreven, en tegelijkertijd aan de bevrijde volken hunnen, uit het Noorden afkomstigen en met de Galliciërs verwanten, en nu ook weldra gevierden naam "Portugal" mededeelden.

Reeds na niet veel meer dan 100 jaren, stond het vaderland dezer Portugeezen reeds kant en klaar zoo daar, als wij het nog in dit oogenblik kennen. Van toen af aan, gingen de Portugeezen zich over zee in de andere werelddeelen uitbreiden. In Europa hebben zij zich sedert dien tijd, dus sedert meer dan 600 jaren niet verder uitgebreid, maar hebben zij,--terwijl zij hun gebied met eene keten van sterke vestingen omgaven en met hunne eenige naburen, de Spanjaarden, daarover een, om zoo te zeggen, nooit eindigenden verdedigingsoorlog voerden,--met buitengewone hardnekkigheid het eens genomen grondgebied weten in bezit te houden. Deze omstandigheid is wellicht eenig in de geschiedenis van Europa. Want omstreeks dien zelfden tijd hebben schier alle andere nationaliteiten en staten van ons werelddeel, zelfs de Britsche eiland-bewoners, hunne grenzen en het gebied waarover zij zich verbreidden, zeer dikwijls veranderd gezien.

Deze omstandigheid is daarom des te merkwaardiger, omdat eigenlijk geene zeer scherp afgeteekende natuurlijke grenzen tusschen Portugal en Spanje bestaan. Dezelfde gebergten, hooge plateau's en rivieren treft men in beide landen aan. Beiden hebben hetzelfde klimaat en brengen dezelfde producten voort, en daar nog bovendien Portugal in het vierhoekige figuur van het Pyreneesche schiereiland geheel invalt, zoo schijnt het, dat de natuur, zoo ergens dan hier, beide landen voor eene eenheid in nationaliteit en heerschappij bestemd heeft.

Niettemin bieden beide landen ook eenige natuurlijke contrasten aan, waarop waarschijnlijk dan ook de zedelijke contrasten van beide volken berusten.