Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 46

Chapter 463,524 wordsPublic domain

Op den inval der Gothen uit het Noorden, volgde na eenigen tijd, in het begin der achtste eeuw, nogmaals eene hoogst belangrijke overstrooming uit het Zuiden, uit Afrika, langs den weg vroeger door de Pheniciërs en Carthagers genomen.--De toen ter tijd in Afrika en Azië machtige Arabieren trokken over de straat van Gibraltar, en vernietigden, tot op een klein gedeelte na, het Gothische rijk.--Even als de Carthagers, brachten zij vele stammen van het Noord-Afrikaansche stamvolk, de Barbaryers, met zich mede. Door de Spanjaarden en Portugeezen werd dit Afrikaansch-Aziatische, tot den Islam bekeerde volkenmengsel "Mooren" genoemd, omdat zij het laatst kwamen uit de, het dichtst bij het schiereiland gelegene Barbarysche provincie, die sedert oude tijden het "Moorenland" (Mauritanië) heette.--Zoo lang de Mahomedaansch-Arabische wereld een machtig, wanneer ook al niet altijd staatkundig, een eenig lichaam vormde, dat door dezelfde sappen gevoed werd, kwamen met de Arabieren ook gedeelten van andere Aziatische volken naar Spanje. Zij voerden er Syriërs en Perzen, en gedurende den laatsten tijd dat zij er vertoefden, ook Turken heen.--Al die Oostersche volken trokken eeuwen lang uit het binnenste van Marocco en uit Westelijk Azië naar Spanje, als ware dit land een tot hun Oosten behoorend gebied, en de prachtige steden, die zij daar bouwden, bevolkten en opsierden: "Korthoba" (Cordova), "Ischbilia" (Sevilla) enz. waren bij de patriotten van Egypte of Yemen, even zoo gevierd als Kaïn, Aleppo of Damascus.

Nadat deze verschillende, met de Arabieren overgewaaide buiten-Europeesche rassen daar een tijd lang gewoond hadden, nadat zij daar een eigen, volkrijk en van het groote Kalifaat afgezonderd Koningrijk gesticht hadden, toen onder hen op Europeeschen bodem eene bloeiende beschaving wortel geschoten had, versmolten zij in meerdere of mindere mate tot _een_ volk, waarvan het hoofdkarakter en de taal wel Arabisch waren, maar dat zich ten langen laatste van zijne landslieden in Afrika en Azië evenzeer onderscheidde, als nu de Europeesche Turken van hunne Aziatische broeders in de steppen.--Er ontstond eene afzonderlijke Spaansch-Arabische nationaliteit, die trots de taaiheid, die aan alle Aziatische en Afrikaansche rassen eigen is, meer of minder van de Europeesche natuur, en de volkenfamilie waarin en waarmede zij leefde, moest aannemen.

In het noordelijke, bergachtige Spanje, in de Pyreneën en hare voortzettingen, in het oude, schier niet veroverde land der Cantabriërs en Baskiërs, dat door de Carthagers slechts ter loops aangeraakt was, waarin de Romeinen zich _nooit_ recht te huis gevoeld hadden, verschenen ook de Arabieren niet anders dan als _trekvogels_. Eene lijn, die men van daar naar Gibraltar trekt, doorsnijdt het eerst streken, die de Mooren slechts nagenoeg 40 of 50 jaren in hun bezit hadden;--vervolgens gedeelten, waarin zij langer dan eene eeuw woonden,--eindelijk geheel in het zuiden, dicht bij Afrika, streken, die zij bijna 800 jaar als hun vaderland beschouwden. In al de schoone provinciën van het Pyreneesche schiereiland, die van Lissabon uit door de straat van Gibraltar tot aan Barcelona toe, hare dalen en hare kusten naar Afrika gekeerd en geopend hebben, zijn zij in de _grootste_ getalsterkte gekomen, en daar hebben zij zich, _eerst_ als onafhankelijke heeren van het land, _daarna_ als onderdanen der Spaansche Koningen, het langst staande gehouden.

Daar zij gedurende den tijd hunner heerschappij steeds meer en meer kolonisten uit Afrika aanvoerden; daar zij zich in het vruchtbare land zelf aanzienlijk vermeerderden, zoo maakten zij ten langen laatste in deze provinciën, met name in Andalusië, Grenada, Murcia en Valencia, niet alleen het meerendeel uit der in de steden wonende burgers, maar bewoonden zij ook overal als landbouwers naast de inboorlingen het land. Door de vlijtigste industrie en ontginning, gaven zij aan de vruchtbare dalen dezer streken eene zoo dichte bevolking, eene zoo zorgvuldige bebouwing, een zoo lachend uiterlijk, als geen volk voor of na hen in staat is geweest ze te verleenen.--Verscheidene hunner met de prachtigste moskeeën, sierlijkste paleizen, talrijke inrichtingen voor onderwijs en ter bevordering van het volks-welzijn, met tuinen en waterwerken versierde steden, telden hare inwoners bij honderdduizenden.

Het aanvankelijk zoo heftige fanatisme, waarmede de Arabieren hun vaderland in Azië verlaten hadden, en waarmede zij Egypte en Noord-Afrika verwoestend waren binnengevallen, was bij hunne aankomst in Spanje reeds merkelijk getemperd. In Spanje hebben zij aan de voorschriften van den Koran, met betrekking tot de hun daar ontmoetende vreemdgeloovigen, eene zoo zacht mogelijke uitlegging gegeven. De Spaansche Christenen, wier landen zij daar veroverden, werden niet te zwaarde verwoest, maar alleen tot schatplichtige onderdanen gemaakt, die slechts eene matige belasting behoefden op te brengen. Zij bleven in massa naast en onder de Arabieren wonen. De Moorsche heerschers belemmerden de godsdienstoefeningen der overwonnenen door geene wreede dwangmaatregelen. Den Christenen werd de uitoefening van hunnen godsdienst en de vervulling hunner geestelijke betrekkingen vrijgelaten. Zij behielden aanvankelijk in alle steden, zelfs in de residentie van het rijk, Cordova hunne bisschoppen en kerken, zij mochten zich in de kerken zelfs van de klokken bedienen, wat, zooals bekend is, tot in den laatsten tijd niet eens aan de Duitsche protestanten, in eene groote residentie van een Duitsch vorst toegestaan was,--De meeste Spaansche onderdanen der Mooren leerden de Arabische taal, die veel fijner beschaafd en wetenschappelijker was dan hun Gothisch-Romaansch patois,--namen hunne Arabische zeden en gewoonten aan, en werden dikwijls de leerlingen der meer beschaafde en meer wetenschappelijk ontwikkelde Arabieren.--Vele van deze Spaansche Christenen, de Katholieke heiligen-aanbidding en martelaars-vergoding moede, gingen tot den Islam over. Vele der Mahomedanen ook, ofschoon zulks veel zeldzamer voorgekomen is, lieten zich doopen. Huwelijken tusschen Christenen en Mooren, onder voornamen en geringen, waren veelvuldig.--En zoo waren al ras eene menigte draden gesponnen, waardoor beide rassen zich met elkander verbonden en vermengden; vele bruggen, wegen en kanalen gevormd, waardoor het Arabische bloed in het lichaam van het Spaansche volk, zoover dit door Arabieren beheerscht was, binnenvloot.

De Mooren zelven werden, zooals boven gezegd is, gedurende hun oponthoud in Spanje, reeds een weinig gehispaniseerd. Evenzoo werden hunne christelijke onderdanen, niettegenstaande zij hun geloof behielden, veelvuldig gearabiseerd, hadden zelfs ook onder zich in hunne eigene kerkelijke gemeenten, menschen van Moorsche afkomst. Evenzoo ontstond er weldra eene burgerklasse van gemengden, die uit de, niet zelden voorkomende, huwelijken tusschen Mooren en Spanjaarden ontstond. Reeds de tweede stadhouder der Califen in Spanje huwde met eene Gothische Prinses. Deze gemengden werden aanvankelijk "Moz-Arabieren" genoemd. En ten slotte noemde men alle onder de Arabieren wonende Spanjaarden "Moz-Arabieren", dat is: gearabiseerde Christenen.

Hadden de Arabieren zich voor altijd in het bezit van het _geheele_ Pyreneesche schiereiland weten te handhaven, dan zou op gezegde wijze, waarschijnlijk een eigendommelijk volk, met sterk in het oog springenden Arabischen toon op het Romaansch-Iberisch fundament ontstaan zijn. Daar zij echter een gedeelte van het land onveroverd lieten, en daaruit langzamerhand het oorspronkelijke volk weder te voorschijn trad, zoo ontstond het omgekeerde, een volk met _oud-Spaanschen_ grondtoon en hier en daar iets Arabisch.

De bevrijdingsoorlog dien de Spanjaarden, van uit Asturië en het oude land der Cantabriërs, tegen de Arabieren begonnen, en dien zij, met eene in de geschiedenis zelden zoo aangetroffene volharding en energie, gedurende vijf eeuwen volhielden, tot zij eindelijk hun doel bereikt hadden, was even als alle nationale oorlogen der Europeanen met de Aziaten en Afrikanen, der Christenen met Mahomedanen, een strijd op leven en dood. Even als de over hunnen godsdienst in geestdrift ontstokene Koningen van Leon, Castilië, Arragon, en hunne door ras-haat bezielde Spanjaarden, voet voor voet, stad voor stad, dal voor dal, hun gebied naar het zuiden vergrootten, zoo werden ook voet voor voet de Moorsche bewoners dier streken, deels met het zwaard verdelgd, deels uit den grond waarin zij wortelden, als onkruid uitgeroeid.--Uit ieder streepje grond dat zij den Arabieren ontnamen, werden deze verdreven; zij moesten dan zuidwaarts trekken en hunne plaatsen werden door christelijke kolonisten uit het noorden ingenomen.--Evenals men een oranje-appel schilt, zoo werd Spanje langzamerhand stuk voor stuk ontdaan en gezuiverd van de over haar heengegroeide schil. Maar, wie met een molenaar vecht, die behoudt, zelfs al doet hij hem de vlucht nemen, sporen van het meel aan zich.--Het is eene tamelijk algemeene verschijning, dat een paar elkander als doodvijanden vervolgende natiën, zelfs midden in den strijd, onwillekeurig en tegen hunnen wil, op elkander beginnen te gelijken.--Reeds om tegen zijne tegenpartij opgewassen te zijn, moet de een veel van de wijze van oorlogvoeren van den ander, van zijne wapens en listen leeren kennen en aannemen, en moet hij zich met hem, wat betreft oefening, geest, list en kracht, op dezelfde lijn stellen.

Dit geschiedde met de Spanjaarden in hunnen verdelgingsoorlog tegen de Arabieren. Beide partijen waren met denzelfden godsdienstijver bezield, ieder voor haar geloof, beide gloeiden van hetzelfde patriotisme,--de een voor het land, dat hunne voorvaderen sinds onheugelijke tijden bezaten,--de andere voor den grond, dien zij lief hadden. Daar beide partijen, al waren zij ook verbitterde vijanden, toch een edel slag van menschen waren, zoo bewonderde men elkander dikwijls van weerszijden, en had er dikwijls een strijd van grootmoedigheid tusschen hen plaats, en in de, echter altijd slechts korte, tijden van vrede, werden somwijlen zelfs banden van vriendschap en huwelijk gesloten.--Zoo al geene geloofsstellingen, zoo werden toch Arabische liederen, muziek en dergelijke naar de Spaansche legerplaats overgeplant. Natuurlijk liepen ook gedurig, nu en dan, soldaten uit het eene leger naar het andere over.

Niet zelden verbonden de Christen-Koningen zulke Arabische overloopers aan zich, en verdedigden met hen hunne grenssloten. Omgekeerd hadden Mahomedaansche Vorsten soms christelijke ridders in hunnen dienst. De gevierdste aller Spaansche volkshelden uit dien tijd, vocht zelfs aan de zijde der Mahomedanen, en hij is ons zelfs onder zijn Arabischen eeretitel "_El Cid_" (de heer), nog heden ten dage beter bekend dan onder zijn Spaanschen naam: _Roy Diaz, el Campeador_ (Roderik Diego's zoon, de strijder). Arabische geleerden en kunstenaars, wiskunstenaars, sterrekundigen en geneesheeren, waren aan de hoven der Christen-Koningen eene nog meer voorkomende verschijning. Bij de gebouwen die zij in hunne steden daarstelden, maakten zij dikwijls gebruik van Arabische bouwkunstenaars, en er ontstond onder de Spaansche Christenen, naast den meest in zwang zijnden Gothischen bouwstijl, eene lichtere, meer elegante architectuur, die zij "_Obra Morisca_" (Mooren-werk) noemden. De Arabische gedichten, waarmede de Emirs van Grenada zich den tijd verdreven, werden door de Spanjaarden met welgevallen opgenomen, naverteld en vervolgens vrijer nagevolgd, en zoo ging ongemerkt menige trek der Arabische helden in het karakter der Castiliaansche ridders over.

In plaats der verdrevene Arabische bevolking, namen de Spanjaarden de ietwat gearabiseerde Christenen, de "Moz-Arabieren" op, die zij in de Arabische steden vonden, als wier bevrijders zij verschenen, en deze werden aldra beschouwd als tot de massa van het volk te behooren. Door deze werd aan het Spaansche volk eene menigte menschen toegevoegd, die gewoon waren geweest Arabisch te spreken, en min of meer op Arabische wijze te leven en te denken.--Men begrijpt gemakkelijk, dat op deze wijze, terwijl zij van Asturië, Leon enz. uit, de verovering voltooiden van Oud- en Nieuw Castilië, Arragon, Valencia en Murcia, Toledo en Andalusië, allen landen waarin de Arabieren korter of langer gewoond hadden; terwijl zij steeds dieper in het, om zoo te zeggen Afrikaansche Spanje binnendrongen, ook hun geest steeds dieper in den Arabischen geest gedoopt werd.

Eene volledige uitroeiing en verbanning van het Arabisch element scheen ten laatste niet meer mogelijk, als men niet het geheele land ontvolken en het zijne waarde ontnemen wilde. Ook vreesde men aanvankelijk, door hunne verdrijving naar Afrika, de daar aanwezige nationale vijanden te versterken.--In de Zuidelijke provinciën liet men daarom dikwijls de Arabische bevolking, vooral de boeren, met rust, terwijl men hen alleen, evenals de Arabieren het eens de Christenen gedaan haden, schatplichtig maakte en aan eenige beperkingen onderwierp.--Op deze wijze woonden dan ook weder, onder de Christelijke Koningen van Castilië en Arragon, de Spanjaarden en Arabieren nevens elkander. Vooral lieten langen tijd de christelijke grooten en grondbezitters der Koningrijken Valencia, Murcia, Andalusië enz., hunne akkers door Arabische boeren en tuiniers bebouwen. Men noemde deze midden onder de Christenen levende Arabieren "_Morisco's_" of Moorsche Spanjaarden.--Na de verovering van Grenada, het laatste Moorsche Koningrijk, in het einde der 15de eeuw, werden vervolgens zelfs, om de daar sterk opgehoopte Arabische bevolking te verminderen en hunnen oproerigen geest te verzwakken, vele Arabieren naar het binnenste van Spanje overgebracht, op dezelfde wijze als in den laatsten tijd hunner steeds meer verdrongene heerschappij, de Moorsche Koningen dikwijls vele christelijke Spanjaarden, om zich van dit steeds lastiger wordend element te ontdoen, naar Afrika overgeplant hadden, waardoor dan ook op die wijze Spanje weder met Afrika samengroeide.

De laatste stuiptrekkingen van Moorsche onafhankelijkheid en nationaliteit in Spanje, en de laatste gevechten der Spanjaarden met hen, hadden een uiterst bloedig karakter.--De Mooren verdedigden iederen voet van den hun dierbaar geworden bodem, streden om ieder dorp, iedere hut--om ieder hol, waarin een mensch, al was het dan ook als een wild dier, wonen kon.--De Spanjaarden echter vervolgden hen in iedere schuilplaats, verdelgden hen in iederen schuilhoek, en verstikten hen met vuur en rook in de rotsholen der Sierra-Morena en der Alpujarras, het zuidelijkste gebergte van Spanje, waarin bij onderscheidene gelegenheden, de laatste overblijfselen der kampvechters voor de Moorsche onafhankelijkheid, gevlucht waren.

Ten laatste vatten de Spanjaarden ook de onzalige gedachte op, zich te ontlasten van de Moorsche elementen, die zij vroeger in hunne Koningrijken begenadigd, en als hunne onderdanen en arbeiders tot nu toe geduld hadden. Deze in hun staatswezen opgenomene afstammelingen van Mooren, waren reeds lang met geweld tot het christendom bekeerd geworden. Zij leefden onder hunne christelijke heeren, in eene steeds harder geworden afhankelijkheid, in eene ten laatste ongehoorde inkorting. Het leven der christenen onder de Arabieren was, naar de getuigenis van een christen-schrijver, eene _te verdragen ondergeschiktheid_ geweest, maar het leven der Mahomedanen onder de christenen was eene _hel_. Niettegenstaande alle plagen, die door de Spanjaarden op die arme Moriscos, ter wille van hun geloof en hunne nationaliteit, werden opgehoopt, waren dezen toch aan hunne vaderlijke gewoonten, hunne taal en, onder het hun opgelegde masker des christendoms, ook hun geloof trouw gebleven. Daar de Spanjaarden zagen, dat zij de Moriscos op geene wijze tot ware christenen maken konden, besloten zij eindelijk zich geheel van hen te ontdoen, en hen geheel en al naar Afrika te verdrijven.

Sedert de vereeniging der Koningrijken Castilië en Arragon onder één hoofd, onder Ferdinand en Isabella, en later na de verovering van Portugal onder Filips II, behoorde alles wat op het Pyreneesche schiereiland huisde, tot een en hetzelfde staatslichaam. Het denkbeeld, dat alles één bloed, één gelijksoortig volk, met dezelfde zeden en met hetzelfde zuiver christelijk geloof moest vormen; dat het geheele land der Iberiërs een heilige bodem was, die door niets onchristelijks mocht bevlekt worden; dat men ook de laatste Arabische vonken vertrappen, en de laatste Mahomedaansche ziektestof uitdrijven moest, maakte zich met steeds meer kracht van het volk meester. Deze langzaam wortelschietende nationale-overtuiging bij de Spanjaarden, had zich reeds lang daarin geopenbaard, dat zij de invoering van eene zoo vreeselijke, aanvankelijk alleen tegen andersdenkenden gerichte instelling, als de inquisitie was, deelden, en dat zij aan de, door hunne Koningen en priesters in het jaar 1492 bevolene verdrijving der Joden, hunnen bijval schonken. In het jaar 1610, onder den zwakken Koning Filips III, voerde dit denkbeeld eindelijk tot de beklagenswaardige algeheele uitroeiing der Moriscos. De Koninklijke officieren en de inquisiteurs der kerk, gingen in Arragon, Castilië, Catalonië, Andalusië, in alle landschappen van Zuidelijk en Midden-Spanje rond, en rukten als tuiniers, overal dat wat zij onkruid noemden, uit den bodem.--Een millioen der beste onderdanen van den Koning, die ook reeds lang (_tot_ op één enkel vreemd druppeltje in hun bloed en _tot_ op de in hun hart glimmende godsdienstige overtuiging na,) zeer goede Spanjaarden geworden waren, werden bij deze gelegenheid onbarmhartig te samen gedreven, in schepen gepakt en in verscheidene transporten naar Afrika overgebracht.

Dikwijls woedden daarbij de Spanjaarden tegen hun eigen, of tegen innig met hen verbonden bloed. De wonden, die zij zich zelven toen sloegen, zijn heden ten dage nog niet ten volle geheeld. Nog liggen verscheidene vruchtbare streken, die onder de Mooren met bloeiende dorpen en tuinen bezaaid waren, geheel braak en dienen zij der natie tot niets.

Verscheidene dezer vroegere _tuinen_ worden nu, even als de steppen van Rusland, alleen door kudden schapen, half wild vee, beweid.

Dat echter die hardvochtige verdrijving der Moriscos, die strenge veroordeelingen der Arabische taal, en zelfs de scherp in het bloed en in de harten dringende inquisitie, al het Moorsche, wat in de taal en de geaardheid der Spanjaarden binnengeslopen was, _niet_ meer wegnemen kon, zal naar het boven medegedeelde, gemakkelijk begrepen worden.

De Spaansche taal, niet alleen de verschillende provinciale tongvallen, maar ook het in de literatuur algemeen heerschend klassieke dialect, dat even als het volk en het rijk der Castilianen, van het Noorden uit, over Arabische gebieden en bouwvallen heen, zich van het geheel meester maakte, is vol Arabische uitdrukkingen. Van geene andere niet Romaansche taal, hebben de Spanjaarden zooveel elementen en eigenaardigheden aangenomen. "Hunne poëzie, vooral hunne lyrische, en hunne poëtische gewoonten hebben zij aan de Arabieren ontleend."

Ook de omstandigheid, dat de Spanjaarden, een zoo historisch volk, zoo rijk aan geschied- en kroniekschrijvers geworden zijn, zoo mede, dat zij zich na de lyrische poëzie, op geen tak der poëzie en literatuur meer toegelegd hebben, dan op het drama, laat zich gedeeltelijk verklaren, zoo al niet uit eene _vermenging_ met de Arabieren, dan toch uit den langdurigen strijd met hen, die, om zoo te zeggen, een, over een tijdsverloop van 500 jaren loopend drama, met duizend hoogst tragische tusschengebeurtenissen en episodes was. Het is dien ten gevolge geen wonder, dat de Spanjaarden in alles zoo ridderlijk, zoo ernstig en zoo dramatisch geworden zijn; dat hunne grootste en uitstekendste dichters zich geheel aan het treurspel gewijd hebben; dat, even als _Klio_ de stof der Spaansche geschiedenis uit louter drama's geweven had, zoo nu _Thalia_ haar alleen in treurspelen naschilderde, dat een _Molina_ niet minder dan 300, een _Calderon_ 700, de nog vruchtbaarder _Lopez de Vega_ anderhalf duizend tooneel- en treurspelen, over de tooneelen die de wereld voorstellen, uitschudden; en dat, zooals een patriotisch Spanjaard zegt, het drama voor zijne landslieden _dat_ werd, wat de bijbel voor de Hebreërs, de Iliade en Odyssea voor de Grieken geweest waren, dat wil zeggen: een "archief voor het historische, staatkundige en godsdienstige weten en zijn van het volk, die de levendig en met hartstochtelijkheid geschrevene annalen der afwisselende lotgevallen, van den roem en de ongelukken van het Spaansche volk bevatte."--"De beeldspraak en het figuurlijke in de gedichten der Spanjaarden, hunne voorliefde voor verfijnd spelen met denkbeelden en tegenstellingen, de ver gezochte gelijkenissen en toespelingen, zoo innig met het wezen van het Spaansche taal-eigen verwant" herinneren in hooge mate aan de Arabieren.--Wie ook, die ooit met de Spanjaarden omgegaan heeft, zou niet de vreemde en hoogdravende, aan het Oosten herinnerende uitdrukkingen opgevallen zijn, die ieder oogenblik zoowel in hunne poëzie als in hun dagelijksch gesprek voorkomen, b.v. wanneer een jongman het voorwerp zijner liefde "_Clavel de mi alma_" (gij anjelier mijner ziel) noemt, of wanneer een vroolijk meisje zich door hem gevleid gevoelt, die haar als een "zoutvat vol geest" prijst, of wanneer iemand opgetogen over een heerlijk glas wijn, uitroept: "dat het hem een voorsmaak van het paradijs geeft."--Is dit niet alles, als ware het aan Hafis [12] en aan de dichters van Schiras ontleend? Ook in het hoogdravende pathos, in de vreemde gelijkenissen, de bloemrijke uitdrukkingen in het proza der Spanjaarden, of in hunne staatkundige gesprekken, meent men in hen afstammelingen van de Oosterlingen te herkennen.

In de zeden van het volk, in de dansen, spelen en in de kleeding der Spanjaarden is eveneens, in de eene provincie minder, in de andere meer, veel Oostersch of Arabisch achtergebleven. De mantille en de sluier, waarmede de Andalusische schoonen zoo gracieus weten te coquetteeren, zijn b.v. geheel aan Afrika ontleend.--In de zuidelijkste gebergten van Spanje, in de Alpujarras, in het gezicht van Afrika, zooals ook in de Sierra Morena, moeten naar men zegt, nog heden ten dage directe afstammelingen der Mooren gevonden worden, die hunne natuur zuiver bewaard hebben. (Hun Mohamed en den Koran hebben zij echter geheel verleerd, terwijl zij de Spaansche taal geleerd hebben.) Alleen moet men hier, naar hetgeen boven opgemerkt is, de vraag stellen, of dit alles _alleen_ en _uitsluitend_ van die Arabieren en Mooren, die in het jaar 711 met _Musa_ en _Tarik_ over de straat van Gibraltar kwamen, en van hunne opvolgers moet afgeleid worden, dan of wij niet veeleer aan nog veel vroegere, de geschiedenis ten deele ontgane vermenging der volken van weerszijden dezer straat, moeten gelooven, of daar ook niet misschien eene oorspronkelijke verwantschap van het nationaal-karakter der oude Iberiërs en Mauritaniërs ten grondslag ligt; of in één woord bij de Spanjaarden niet iets Oostersch wordt aangetroffen dat van vóór de tijden der geschiedenis dagteekent?--In alle geval men heeft dit vermoeden geopperd, en men heeft zelfs een bewijs voor dit vermoeden _daarin_ willen zien, dat die Iberiërs (Spanjaarden) zich al het latere Arabische zoo gemakkelijk en spoedig eigen maakten. Daar de geschiedenis ons hierbij niet met de noodige feiten bijstaat, zoo kan dit niets meer dan een vermoeden of _vraag_ blijven.

Na de overwinning der Mooren heeft Spanje geene zoo diep ingrijpende overstrooming van vreemde volksstammen weder beleefd.--De Spaansche nationaliteit is na dien tijd in hoofdzaak derwijze voltooid, als wij haar heden ten dage zien, en heeft zich in taal, zeden en staatkunde, hoofdzakelijk slechts _in en door zich zelve_ verder ontwikkeld.