Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 45
De Iberiërs hadden het geheele Pyreneesche schiereiland in bezit, maar reeds toen de geschiedenis gewag van hen begon te maken, woonden zij daar niet meer alleen.--Reeds een ander groot volk had zich over hen heengestort. Hunne oostelijke naburen en opdringers, de "Celten," de voorvaders der Franschen, die hen uit Azië naar het Westen gevolgd waren, die hen reeds uit Italië en Zuid-Frankrijk verdreven hadden, waren van uit het tegenwoordig Frankrijk over de Noordelijke grensbergen getrokken, en hadden groote gedeelten van het Pyreneesche schiereiland betrokken. Deze eerste verdrukking van Spanje, van de zijde der bewoners van Frankrijk, dit vroegste spoor der door de geheele geschiedenis merkbare, en de tot op den huidigen dag voortdurende ijverzucht tusschen Spanjaarden en Franschen, verliest zich eveneens buiten den tijd der geloofwaardige geschiedenis.--Dit moet een overoud iets zijn, want toen de Romeinen deze verhoudingen leerden kennen, waren de gasten uit Gallië, in zeden en taal, reeds in hooge mate Iberisch, dat wil zeggen Spaansch geworden.--Zij verschilden reeds geheel en al van de Celten in Gallië, en werden daarom ook "_Celto-Iberiërs_" of Iberisch gewordene Celten genoemd.--Nevens hen woonden nog in grootere massa de oude onvermengde oorspronkelijke bewoners, zoowel in de gebergten van het Noorden en het Oosten, als ook langs de kusten der zee, in vele volkssoorten verdeeld, waarvan eenige, b.v. de heldhaftige Cantabriërs en de Basconen, (de tegenwoordige Baskiërs) in het Noorden, en de Lusitaniërs, de voorvaderen der Portugezen, in het Westen, hunnen naam bijzonder beroemd gemaakt hebben.
Het is niet weinig te betreuren, dat een Tacitus ons niet de zeden dezer Iberische voorouders der Spanjaarden, even als die der Germanen, geschilderd heeft.--Het weinige echter, wat wij van hen hooren, wijst daarheen, dat wij hun karakter en hun gansche wijze van zijn, als de ware bron en grondoorzaak der nationale eigenaardigheden onzer hedendaagsche Spanjaarden moeten beschouwen; dat wij den oorsprong en het begin der meeste eigenschappen van de moderne Spanjaarden, te zoeken hebben bij de oude Iberiërs, wier oorspronkelijke natuur, trots alle daarop door latere volksverhuizingen uitgeoefende invloeden, om zoo te zeggen, altijd weder boven kwam drijven.
De oude Iberiërs leefden, ten gevolge van de gesteldheid van hun door bergen doorsneden land en hun nationaal karakter, verbrokkeld in tallooze scherp van elkander afgescheidene stammen. Zij kenmerkten zich door eene diep gewortelde en hartstochtelijke liefde voor hun geboorteland, dat zij met hardnekkigheid verdedigden.--Zij waren echter weinig geneigd, zich te plaatsen onder de vanen van machtige aanvoerders, en groote ondernemingen in den vreemde uit te voeren. Het patriotisme, waarmede zij een hunner steden, Numantia, tegen de Romeinen verdedigden, is door hunne tijdgenooten algemeen geprezen geworden, en men heeft deze verdediging van het oude Numantia, dikwijls vergeleken met die van Saragossa tegen de Franschen, die door onze grootouders bewonderd werd.--Als men de geschiedenis dezer beide, tijdelijk zoo ver van elkander verwijderde, handelingen leest, meent men dikwijls juist denzelfden gang van gebeurtenissen waar te nemen;--dezelfde verschijnselen doen zich voor, ja men zou zeggen, dezelfde persoonlijkheden treden op.
De oude Iberiërs gebruikten tot het oorlogvoeren geene groote legers, maar kleine, zeer beweegbare benden "op de manier der roovers," zooals reeds de Griek _Strabo_ zegt, terwijl hij er bijvoegt: "de Iberiërs waren alleen geschikt tot het doen van kleine ondernemingen" (wij zouden zeggen tot het voeren van guerilla-oorlogen).--Wanneer men hetgeen de Romeinen over deze wijze van oorlogvoeren zeggen, vergelijkt met hetgeen wij in deze eeuw, bij de gevechten van _Don Carlos_ en bij verschillende andere gelegenheden hebben kunnen waarnemen, dan is men geneigd te gelooven, dat nog nu in Spanje in hoofdzaak weinig veranderd is in de oude, het volk kenmerkende manier van vechten en oorlogvoeren.--De veldtochten van Don Carlos tegen de nieuwe monarchie, die van den ouden Spaanschen held Viriathus tegen de Romeinen; later die van den vluchteling _Pelayo_ tegen de Arabieren, gelijken, niet alleen wat de hoofdgebeurtenissen betreft, maar ook in de bijkomende episodes, in zoo hoogen graad op elkander, dat men in de verzoeking komt te gelooven, dat dit alles niets anders is dan de herhaling van hetzelfde feit, naar hetzelfde beraamde drama. Wij herkennen in de Iberische patriotten en krijgslieden die Plutarchus beschrijft, de Spaansche soldaten der midden-eeuwen en ook die van den nieuweren tijd.
Maar ook de geschiedenis van zulke weinig wezenlijke zaken, als b.v. nationale-dansen zijn, schijnt zich in Spanje in den grijsten voortijd te verliezen.--De schilderingen, die Romeinsche schrijvers van de kunst der Iberische danseressen, van hare levendige bewegingen en gesticulaties bij den klank der castagnetten, van hare lenigheid en hare uitdrukkingvolle muziek geven, pleiten ten voordeele der stelling, dat die Iberische dansen niet anders geweest zijn dan de tegenwoordige "Fandango's" en "Boleros," in de uitvoering waarvan de Spanjaarden heden ten dage nog evenzeer bewonderd worden, als hunne voorouders ten tijde der Romeinen.
Even als met de dansen en de guerilla-oorlogen, zoo staat het ook met de overeenkomst van vele andere zaken, die de oude en de nieuwe Spanjaarden met elkander gemeen hebben, en die over het algemeen bewijzen, dat de gezamenlijke bevolking van Spanje, trots alle vreemdsoortige toe- en bijvoegsels, die zij in den loop der tijden gekregen heeft, nu nog in haar _wezen_ berust op de primitieve, nog niet vergane Iberische elementen; dat men haar in hoofdzaak als Iberisch beschouwen mag, en men haar land nog zeer te recht met den ouden naam "_Iberisch schiereiland_" benoemen mag.
Volkomen zuiver en onveranderd is het oude beeld der Iberiërs nog heden ten dage, zooals gezegd is, bewaard gebleven in de interessante blauwoogige en blondharige bewoners van den noordwestelijken bergachtigen hoek van Spanje, de zoogenaamde Baskische provinciën, waarheen slechts de uiterste voorposten der Romeinsche, Arabische en andere volken, die het land overstroomden, gekomen zijn.--Deze Baskiërs geven ons nog heden ten dage het echte beeld van die "wilde, stijfkoppige, onbuigzame, trotsche, maar tegelijkertijd ook vroolijke, goedhartige en vergenoegde oudste Spanjaarden," en zij beroemen zich, in hunne dalen de oudste adellijke geslachten van het schiereiland te bezitten.--Als op zich zelve staande klippen rondom door andere volken-baren omspoeld en waarvan hier en daar stukken afgeslagen zijn, steken deze oude geslachten boven de stroomen uit, die over hunne andere Spaansche medebroeders heenstroomden. Van den _naam_ der Iberiërs getuigt heden ten dage nog zeer duidelijk de naam van de bekende rivier Ibero of Ebro. Ook bestaat nog in de tegenwoordige Spaansche taal menig Iberisch element, zooals ook nog vele namen van beroemde Spaansche steden niets dan later gewijzigde oud-Iberische namen zijn.
Het is hoogst waarschijnlijk, dat de Iberiërs, even als in het Noorden met de Galliërs of Celten, zoo ook in het Zuiden met hunne naburen in Afrika, van ouds aanhoudend in twist leefden, en dat zij van daar reeds invloeden en koloniën ontvingen, waarvan onze overleveringen niet meer gewagen.
Als den eersten _bekenden_ inval _van daar_ kan men de stichting van koloniën in Zuidelijk Spanje, door de Pheniciërs en Carthagers, de stamgenooten en voorgangers der Arabieren, beschouwen. De Pheniciërs bouwden daar Cadix, Malaga en eenige andere beroemde steden. Toch schijnen zij als _zeelieden_, even als de Grieken, die ook in Spanje eenige koloniën, zooals Saguntum, stichtten, hunne havens en den kustrand slechts zelden verlaten te hebben, en het binnenste gedeelte van het land niet diep binnengedrongen te zijn. Zulks neemt echter niet weg, dat nog heden ten dage, verscheidene zaken in Spanje aan de aanwezigheid der Pheniciërs herinneren, zooals b.v. de naam "Spanje" zelf, die naar men meent van Phenicischen oorsprong is.
De Carthagers, die de voetstappen der Pheniciërs, hunne vaders, volgden, verbreidden zich _verder_ in het land, stichtten daar talrijke koloniën, ontginden meer de zilvermijnen van het schiereiland, en besloten eindelijk, ten einde tegen hunne aartsvijanden, de Romeinen, met wie zij om de wereldheerschappij streden, een vaste burcht te winnen, geheel Spanje aan zich te onderwerpen.--Zij zonden hunne beste veldheeren, de _Hamilkars_, de _Hasdubrals_ en _Hannibals_ daar heen, en deze veroverden, in eene reeks merkwaardige veldtochten, het grootste gedeelte van Spanje.--Daar de Carthagers zelven reeds sedert lang halve Afrikanen geworden waren, en zij als soldaten en begeleiders _dezelfde_ volken naar Spanje overbrachten, die later _weder_ met de Arabieren kwamen, voornamelijk de Mooren, Barbarijers enz. zoo kan men dit als den _eersten_, door de geschiedenis eenigzins nauwkeurig bekenden groooten _Moorschen_ of Afrikaanschen inval in Spanje beschouwen.
De naam der door den Carthager Hasdrubal gestichte stad _Carthagena_, getuigt onder anderen van de aanwezigheid der Karthagers in Spanje. Het is een Punische naam, die zelfs in zijn Afrikaansch geboorteland nu verdwenen is.
Na eenigen tijd echter, moesten de Carthagers op het Pyreneesche schiereiland voor de Romeinen wijken, die vervolgens na hunne verdrijving, trachtten het geheele land te onderwerpen.
Daar de Iberiërs even hardnekkig en heldhaftig waren in de verdediging van hun vaderland, als de Romeinen zulks waren in hunne pogingen om de _wereld te veroveren_, zoo duurde de strijd tusschen deze beide hardnekkige volken bijna twee eeuwen.--De veroverings- en bestrijdingsoorlogen in Spanje hebben zich, onder steeds hernieuwde guerilla-oorlogen, bijna bestendig op die wijze door de eeuwen heengeslingerd. Romeinsche schrijvers bejammeren het dikwijls, dat geene onderwerping hunnen veldheeren moeielijker gevallen is, dan die van Spanje. De onderwerping van Gallië door Cesar was, in vergelijking met die van Spanje, om zoo te zeggen een: "_veni, vidi, vici!_" (Ik kwam, zag en overwon.)
Natuurlijk echter was ook de door de Romeinen doorgezette verovering, van langeren duur, van ingrijpender aard en meer doordringend, dan al de van de Celten, Pheniciërs en Carthagers uitgegane invallen.--Zij lijfden het geheele Iberische schiereiland stukswijze bij hun rijk in, en maakten het tot eene provincie, die langen tijd een der bloeiendste en volkrijkste gedeelten van het geheele groote Keizerrijk was.--Even als overal, zoo ook in Spanje, beschaafden en onderrichtten zij de inboorlingen op Romeinsche wijze, en beheerschten hen meer dan vier honderd jaren lang. Maar deze wijziging der nationaliteit ging niet zoover, dat men daardoor de Iberiërs tot in hart en nieren, naar geest en lichaam, tot volslagen Romeinen of Italianen maken kon. Het oude ras bleef veeleer in hoofdzaak hetzelfde, de naar het land overgeplante werkelijk Romeinsche kolonisten, waren natuurlijk betrekkelijk altijd slechts weinig talrijk. Alleen de schoolmeester, de korporaal, de advocaat, de gouverneur, waren Italiaansch.--De andere bleven Romeinsch sprekende, Romeinsch gekleede, met het Romeinsche burgerrecht begenadigde, maar voor het overige Iberisch of Spaansch denkende en gevoelende menschen.--De Spaansche legioenen, die de Romeinen op het Iberisch schiereiland aanwierven, behoorden lang tot hunne beste troepen, en nooit zijn, vóór de ontdekking van Amerika, de Spanjaarden de wereld verder ingetrokken, dan onder de Romeinsche vanen.
Dat de Spanjaarden niettegenstaande de Romeinsche opleiding en ontwikkeling, naar den geest en het hart altijd Spanjaarden bleven, en dat zij reeds toen dezelfde eigenschappen bezaten of verkregen, die zij vroeger of later geopenbaard hebben, laat zich tamelijk goed aantoonen. Zelfs bij eene vluchtige vergelijking is het b.v. onzen historici niet ontgaan, hoe zeer vele Spaansche eigenaardigheden in de werken, den schrijftrant en de gedachten der beroemde Romeinsche schrijvers en dichters: _Seneca_, _Quinctilianus_, _Lucanus_, _Columella_, _Martialis_, die op het Pyreneesche schiereiland geboren werden, te vinden zijn. Misschien ligt er ook iets bepaald Spaansch in de houding, het karakter en de wijze van zijn, der beide groote Keizers _Trajanus_ en _Theodosius_, die geboren Spanjaarden waren, en die dit land aan den Romeinschen staat schonk.
Een later Romeinsch, in Spanje geboren, dichter _Prudentius_, is volgens een historicus door en door Spaansch. "De hoogste dweeperij van het gevoel, moeielijk volgehoudene afleidingen, gewaagde sprongen en koene allegorische beelden," zegt de heer von _Schack_, "vindt men overal in de gedichten van _Prudentius_ even dicht bij elkander, als b.v. in de treurspelen van den modernen _Calderon_. Bij beiden dezelfde innigheid van gevoel en dezelfde verhevene beeldenpracht, naast de vervelendste langdradigheid en eindelooze herhalingen,--de fraaiste en schitterendste plaatsen naast uiterst vermoeiende en krachtelooze zinnen," die overal op de velden der Spaansche poëzie voor en na te voorschijn treden, even als in de natuur van het land de uitgestrekte dorre berg-plateau's en heidevlakten tusschen die "door de engelen toebereide dalen."--Deze Prudentius was zelfs, even als zijn landsman Quinctilianus, in dezelfde Spaansche provincie geboren, waaruit later de grootste dichters dier natie, een Calderon, een Cervantes, een Lopes de Vega ontsproten, namelijk in Castilië, het hart des lands.
De inwerkingen der Romeinen op de Spanjaarden zijn duurzamer en van meer beslissenden aard geweest, dan die van eenig, ander voor of na hen, op het schiereiland verschenen volk.--Zij hebben de Iberiërs voor het vervolg van tijd aan dien tak van het Indo-Germaansche ras, dat men den Celto-Romaanschen noemt, verbonden, hebben hun eene Romaansche taal en beschaving gegeven, die de oude Iberische bijna geheel verdrong, en hebben hen daardoor tot broeders der Italianen en Franschen gemaakt.
Op eene vreemde en nog weinig verklaarbare wijze, heeft zich deze welluidende, edele, rijke en trotsche Romaansche taal over alle deelen des lands,--met uitzondering van den Baskischen hoek--in verscheidene dialecten verbreid, en heeft zij zich later, zelfs onder de heerschappij der Gothen en Mooren, natuurlijk een weinig gewijzigd door den invloed van dezen, weten te bewaren en verder te ontwikkelen; zij is tot een boom met rijke vruchten van poëzie en literatuur opgegroeid, zooals geen der andere op Spaanschen bodem overgeplante of daar inheemsche tongvallen.--Zij is in woordvorming en buiging echt Romaansch, ja! in menig punt zelfs het Latijn nader gebleven, dan zulks met het Italiaansch het geval is.
Even als hunne taal, zoo hebben de Romeinen ook hunne oude overleveringen, hunne mythen en hunne godenleer aan de Iberiërs medegedeeld. En even als bij andere Romaansche volken, zoo is ook bij de Spanjaarden de herinnering aan de Grieksch-Romeinsche oudheid levendig gebleven. "Nog heden ten dage moet de reiziger er zich over verwonderen, als hij hoort hoe de Spaansche landlieden in het binnenste van het land, de namen van Venus, Amor, Bacchus, Herkules en andere Grieksch-Romeinsche goden-namen in den mond hebben en dezen, even als de Sicilianen, nevens hunne heiligen aanroepen." Ook putten de oude en nieuwe dichters van Spanje, zoowel hunne allegoriën als de thema's voor hunne treurspelen, met zoo groot gemak uit de stoffen die de oude mythologie, de Trojaansche oorlog, de tocht der Argonauten enz. hun aanbieden, dat men wel ziet, hoe dit alles uit de tijden der Grieken en Romeinen bij hen populair en eigen geworden is, en niet, zooals bij ons, eerst door philologen en oudheid-onderzoekers onder het volk verspreid is.
Even als in andere landen, zoo werd ook na de vijfde eeuw in Spanje, de heerschappij der Romeinen gevolgd door die der zich over geheel Europa verspreidende Germanen.--Het eerst trokken de Sueven en Vandalen, als voortroepen der Gothen, over de Pyreneën en wisten daar eene tijdelijke heerschappij te voeren; een gedeelte der Vandalen namelijk zette zich in de rijkste en zuidelijkste provincie van Spanje, in het dal van den Guadalquivir neder, maar weldra trokken zij van daar naar Afrika.--Deze Duitsche Vandalen lieten in Spanje weinig meer achter dan hunnen naam, die van toen af voor altijd aan dat paradijs "Vandalitia" of "Andalusia" eigen gebleven is.
Op de Sueven en Vandalen volgden de West Gothen, die door onstuimige aanvallen te midden der Spaansche Romanen, hunne heerschappij in het land grondvestten en een Koningrijk stichtten, dat twee eeuwen bleef bestaan.--Daar deze Gothen zich door huwelijk als anderszins spoedig met de inboorlingen van het land vermengden, de taal en de zeden en na eenigen tijd ook den rechtgeloovigen katholieken godsdienst van dezen aannamen--daar zij dus mede Spanjaarden werden en zij verder hun onafhankelijk Koningrijk over het _geheele_ Pyreneesche schiereiland, en ook over Lusitanië of Portugal uitbreidden, zoo mag men het zoogenaamde Gothische tijdperk als het eerste tijdvak beschouwen, waarin de Spanjaarden een eenig vereenigd volk, een staat onder een opperhoofd uitmaakten--als een volk optraden.
Want in de Iberische oudheid bestonden, zooals boven reeds opgemerkt is, slechts eene menigte naast elkander wonende stammen van hetzelfde ras--_later_ waren vele dezer stammen min of meer afhankelijk van de Pheniciërs, Carthagers, Grieken, en vermengden zij zich met dezen. Nog later was geheel Spanje niets meer dan eene Romeinsche provincie. Onder de Gothen echter had het geheele land één geloof, vormde het éénen staat, was het één volk. Aan hen moet men de schepping der _politieke_ onafhankelijkheid en het aanzien der Spaansche nationaliteit toeschrijven.
Van hunnen tijd dagteekenen wellicht ook vele der eigenaardigheden en neigingen, die de geaardheid van het Spaansche karakter eigen geworden en gebleven zijn, b.v. hunne ernstige godsdienstigheid, hunne strenge rechtgeloovigheid en hun haat tegen allen, die zij ketters noemen; eene eigenschap, die reeds de Gothische Koningen, in eene wreede verdrijving der Joden en in andere maatregelen, openbaarden.--Hun oud Gothisch Koningrijk te herstellen, was ook later in de oorlogen met de Arabieren, om zoo te zeggen het ideaal, dat de Spaansche natie voor den geest zweefde, en toen zij dat ideaal eindelijk onder Ferdinand en Isabella bereikten, toen was onmiddellijk dezelfde daad, waarmede de oude Gothische Koningen van het tooneel der geschiedenis waren afgetreden--eene vreeselijke Jodenvervolging--weder een der eerste maatregelen, waarmede de katholieke Koningen de herstelling en de hereeniging van het oude rijk vierden. De geest der ketter-rechtbanken heeft zich dus, in het nationaal-karakter der Spanjaarden, lang voor men den naam "inquisitie" kende, geopenbaard.
Zeer weinig Gothisch of Germaansch is in hunne taal overgebleven. Toch beschouwt men, als uit dien tijd afstammende: den harden klank die aan de Spaansche uitspraak eigen is, hunne harde gehemelte-letters, vooral ook de harde uitspraak der "_G_" voor "_e_" en "_i_", en zekere den Duitschers en Spanjaarden eigene wijzigingen der klinkletters, b.v. de verwisseling van de Latijnsche "_O_" in een tweeklank; Latijnsch: _corpus_, Spaansch _cuerpa_, Duitsch _Körper_; Latijnsch _populus_, Spaansch _puebla_, Duitsch _Pöbel_ enz.
Iets meer Germaansch is in hunne staatsregeling, hunne zeden, hunne rechts- en maatschappelijke toestanden gebleven, wat zich gemakkelijk uit de omstandigheid laat verklaren, dat de Gothen langen tijd de machthebbers, de wetgevers en de overmachtige adel des lands bleven, terwijl hunne Romaansche onderdanen, de Romeinsche beschaving, de scholen en de literatuur in handen hadden.--De staatsregelingen der latere Koningen van het schiereiland, behielden nog lang een Gothischen grondslag en eene Germaansche tint, die eerst in den loop der tijden langzamerhand verminderde, en in onze negentiende eeuw geheel verdwenen schijnt te zijn.
Sommigen gelooven, dat ook de wereldbekende adeltrots der Spanjaarden, hun door Germaanschen geest ingeboezemd is. "_Ser Godo_" (een Gothe zijn) heeft in eenige provinciën van Spanje nog de beteekenis: "_van goeden adel zijn_."
Duitsche schrijvers en reizigers hebben ook het Duitsche ras, de hooge Germaansche gestalte en andere Duitsche eigenaardigheden, nu eens hier, dan daar, in Spanje willen terugvinden. Zoo verklaart b.v. de een alle _Castilianen_ voor echte Gothen-zonen, en gelooft zelfs, dat de Spanjaarden en Portugeezen _slechts_ ten gevolge van den hun door de Gothen aangebrachten avontuurlijken geest, de nieuwe wereld ontdekt hebben, en met behulp van hetgeen zij van de Duitschers ontvingen, nog lang na dien de voornaamste en koenste zeevaarders gebleven zijn.--Zoo ziet een ander in Catalonië niets dan Germaansch en Gothisch, terwijl men bij een derde leest, dat Asturië en Galicië en het Noordelijk gedeelte van Portugal, waaruit de flinke, sterk gebouwde menschen, de in Spanje zoo genaamde "Gallegos" (Galiciërs), voortkomen, "om overeenkomstig de Duitsche lust tot reizen, de Zuid-Spaansche en Zuid-Portugeesche streken als rustige, vlijtige arbeiders door te trekken, en later, even als de Duitsche handwerksgezellen, met de verkregene winst en ervaring naar het geliefde geboorteland terug te keeren, het _meest wezenlijk Germaansche_ gedeelte van geheel Spanje is," en dat ook bij voorkeur van daar uit, het verwonderlijke, poëtische en phantastische waas van het Germaansche en Gothische Noorden, over de overige Spaansche landen bezielend heengewaaid is.
Inderdaad! deze laatste bewering vooral, kan iets waars tot grondslag hebben; want in dien Noord-Westelijken hoek hebben zich, bij den inval der Mooren, de meeste overblijfselen der Germaansche elementen opgehoopt. De Mooren hebben daar slechts ter loops bezoeken gebracht, en de geheele herbouwing van het Nieuw-Gothische rijk en de Spaansche nationaliteit, is ook van daar uitgegaan. Ook droeg juist dit gedeelte van het Pyreneesche schiereiland, in de middeneeuwen nog lang den naam "_Gothia_" (Gothenland), en zelfs nog tot op den huidigen dag noemt men in Zuid-Amerika, de Spaansche landverhuizers en kolonisten uit Asturië en Galicië "Godos" (Gothen).--Over het geheel echter mag men niet te veel waarde hechten aan de voorstelling, dat nog vele Germaansche, aan het bloed en de afstamming klevende, geestelijke en lichamelijke eigenaardigheden in Spanje te vinden zijn,--ofschoon somwijlen de Spanjaarden zelven, als zij in hun land een Duitscher ontmoeten, indachtig aan hunne oude Gothische voorvaderen, zeer vriendelijk plegen op te merken: "_Somos Hermanos_" (wij zijn immers broeders).
De Duitschers hebben zich, als ras, nooit en nergens zoo hardnekkig en vast bewezen, als b.v. de Romeinen of als vele Aziatische stammen. Voornamelijk in de warme klimaten van Europa zijn zij spoedig geabsorbeerd geworden, minder in het Noorden, b.v. in Engeland. Ook kwamen zij niet in zoo grooten getale en niet zoo frisch en direct uit Duitschland naar Spanje, als zij b.v. naar Engeland gekomen zijn, maar eerst nadat zij reeds in andere Romeinsche provinciën rondgetrokken en woonachtig geweest waren, nadat zij daar waarschijnlijk reeds veel van hun oorspronkelijk Duitsch wezen verloren hadden.--Van Duitsche vrouwen hooren wij bij de Spaansche Gothen nooit iets. Hunne Koningen en voornamen trouwden al ras met voorname Spaansche vrouwen. Hieruit laat het zich gedeeltelijk verklaren, dat het Duitsche element in de Spaansche taal zoo zwak vertegenwoordigd is.