Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 44

Chapter 443,472 wordsPublic domain

Deze liefelijke, welluidende taal zelve, is het schoonste monument, dat de den Italianen aangeboren schoonheidszin zich opgericht heeft. Bijna elk hunner honderdduizend woorden, bevat in zijne constructie bewijzen, voor de fijnheid van hun gehoor, voor de rondheid van hunnen mond, de gladheid hunner tong en het melodieuse hunner stem.--Het is echter merkwaardig, dat al deze Italiaansche taal-muziek zich eerst in den loop der eeuwen meer en meer ontwikkeld heeft. Want in de vroegste tijden schijnen bij de oude Italianen niets minder dan muzikale en zachte talen in gebruik geweest te zijn; de overblijfselen die van de oude Oscische en Umbrische talen in Zuid- en Midden-Italië tot ons gekomen zijn, schijnen veeleer, voor zoover wij uit opschriften over den klank kunnen oordeelen, naar zeer harde tongvallen te wijzen.--Van de oude Etrurische taal zeiden de Romeinen zelven, dat die zoo hard en ruw was, dat zij haar nauwelijks konden uitspreken. Zeer goed klinkende Romeinsche namen kregen in den mond dezer kunstlievende Etruriërs, een zeer onaangenamen en doffen toon, zoo werd Tarquinius b.v. "Tarchnas," Alexandros "Elschentre," Minerva "Menrva," Polydeuktus "Pultuke" enz. En dit geschiedde in die streken (de Florentijnsche) waarin later de zoozeer geprezene "_lingua Toscana_" bloeide.--Ook het oude Celtische in Noord-Italië was, naar de tegenwoordige overblijfselen der Celtische taal te oordeelen, niets minder dan eene ronde, welluidende taal.

Het later de overhand krijgende Romeinsche of Latijnsche, schijnt in dezen zin boven alle andere spraakvormen de voorkeur gehad te hebben, want al mag het dan ook al niet eene bijzonder zachte taal genoemd worden, en moet men het veeleer als een bepaald mannelijk, krachtig, volklinkend taaleigen van een de wereld beheerschend volk beschouwen, zoo is het toch ook merkbaar verschillend van die onaangename en het oor zeer doende opeenstapeling van consonanten, die den Zuidlander zoo zeer in de Germaansche en Slawische talen verschrikt.--Zij schijnt het midden te houden tusschen de nieuwe zachte Italiaansche en de oude harde Italische talen, en is wellicht de oorspronkelijke bron en moeder van het welluidende in de hedendaagsche Romaansche dialecten, alleen dat deze in den loop der eeuwen de majestueuse mannelijkheid van die taal van wereldgebieders, lieten varen, en eindelijk het welluidende als de hoofdzaak bewaarden en verder ontwikkelden.

De kort met scherpe consonanten eindigende woorden van het Latijn, doet de Italiaansche mond door bijgevoegde vokalen zacht eindigen, b.v. in "_madre_" in plaats van _mater_, "_imperatore_" in plaats van _imperator_. De scherpe _t_ verzachten zij in de zachtere _d_, b.v. "_lido_" in plaats van _litus_, "_podesta_" in plaats van _potestas_. De _l_ in consonant-samenstellingen, versmelt bij hen in eene _i_ b.v. _fiamma_ in stede van _flamma_, "_piangere_" in stede van _plangere_. Evenzoo worden de gehemelte-letters meermalen door gladde sisklanken vervangen, b.v. _vox_ tot "_voce_", _occidere_ tot "_uccidere_". De vermoeiende geadspireerde _h_ aan het begin der woorden, klinkt bij hen zeer gemakkelijk als _u,_ b.v. "_uomo_" in plaats van _homo_. Zulk een verzachtende _u_ wordt ook dikwijls in het midden der woorden voor de volle en scherpe _o_ geplaatst b.v. "_suono_" in plaats van _sonum_. De zachte _v_ vervangt dikwijls de plaats der harde _p_ of _b,_ b.v. "_tavola_" in plaats van _tabula_, "_avere_" in plaats van _habere_. Dit zijn slechts weinige der tallooze voorbeelden, die iedere pagina van een Italiaansch woordenboek aanbiedt, waaraan ik echter hier herinneren wilde, om te doen gevoelen, dat het Italiaansch bijna overal eene verfraaiing, opsiering en versmelting van het Latijn is, en in zekeren zin het vrouwelijke van dezen mannelijken tongval vormt.

Het mag vreemd schijnen, dat deze afronding, verstomping en verzachting van het Latijn, juist na den inval der Germaansche barbaren in Italië, onder terugwerking dezer ruw sprekende menschen, en gedurende de vermenging met hen plaats had. Het is als hebben de Italianen, tengevolge van deze bij hen binnendringende ruwe toonen uit het Noorden, zich uit een soort oppositie des te meer op het welluidende toegelegd. Veel echter daarvan zal uit den daardoor ontstanen strijd tusschen beide talen ontstaan zijn. Verzachting en afronding moesten het natuurlijke gevolg van een dergelijken strijd zijn. Even als de rolsteenen allen afgerond zijn, hoe hoekig en verschillend zij ook oorspronkelijk naar de natuur der bergsoorten mogen geweest zijn, zoo werden ook in dien strijd der talen, de scherpe kanten van de woorden afgeslepen.--Daar de Italianen onder de heerschappij der Gothen en Lombarden, hun krijgsgeest verloren en een zwak geslacht werden, zoo schijnt het dien ten gevolge natuurlijk, dat zij ook de majestueuse, krachtige, rijke taal der wereldgebieders in hunnen mond wijzigden. Ook de kerk zal waarschijnlijk bij hen, even als op de kunst, de muziek en het gezang plaats vond, ook op de vorming eener welluidende, aan vokalen rijke taal, sterk ingewerkt hebben. De zetel der kerk en van den Paus is nu nog, als de zetel der klassieke Italiaansche uitspraken der "_Bocca Romana_," beroemd.

Men heeft de liefelijke, melodieuse taal der Italianen de vlucht van den leeuwerik toegekend, men heeft haar den zwaai van den adelaar ontzegd. Dat dit oordeel eene waarheid bevat, dat daarmede gewezen wordt op den oorspronkelijken aanleg van den Italiaanschen geest, bewijst ook weder het karakter van de literarische producten, die in deze taal geleverd werden, het karakter der Italiaansche poëzie.--Is de poëzie, in even hooge mate als de taal zelve, de uitdrukking van den innerlijken geest eener natie, het oog van haar gelaat, de spiegel van haar leven, is hare geschiedenis de geschiedenis van den volksgeest met zijne geheele ontwikkeling, zijn vreugde, lijden, hoop en herinneringen, dan is het iets zeer karakteristieks bij de zanglustige kunstlievende Italianen, dat bijna hunne geheele poëzie in meerdere of mindere mate binnen den kring van het lyrische gebleven is.--In dit genre hebben de Italianen, even als de Spanjaarden in het drama, de meeste dichters, de grootste en minst geëvenaarde meesters aan te wijzen, waaronder Petrarca eene eerste plaats inneemt. Zij hebben een dichter Dante, die de hooge vlucht eens adelaars genomen heeft. Deze echter heeft geen opvolger gehad, zijne navolgers zijn allen verongelukt.--Petrarca daarentegen heeft bij de Italianen een talloos heer gelukkige scholieren gevonden. In het lyrische en erotische bereikte hunne literatuur en taal de hoogste trap. Onnoembaar vele waren dien ten gevolge onder hen de pogingen ter verfijning hunner taal, ter vermeerdering der liefelijke uitdrukkingen en tot eene harmonische samenvoeging der woorden. Als een kunstenaars-volk hebben zij daarbij hoofdzakelijk op den vorm gelet, en de taal heeft met de stof kunstig gewerkt, even als hunne Benvenuto Cellini's met de edele metalen, juweelen en paarlen. Al hunne gedichten en liederen schijnen er minder op berekend, het hart en den geest van den lezer te treffen, dan wel het oor der toehoorders te verrukken, of tot de gezellige vroolijkheid mede te werken; vandaar de lichte inhoud en karakter der Italiaansche poëzie en ook hare menigvuldige kunstige en dikwijls uiterst ingewikkelde vormen, waarop zich toe te leggen, zelfs hunne grootste dichters niet beneden zich achtten.--Bijna alle vormen der lyrische dichtsoorten, en de namen die wij nu nog voor deze gebruiken: "sonnette", "ballade", "canzone", "pasquil" enz. enz. zijn evenzeer uitvindingen der Italianen, als de vormen en namen onzer menigvuldige muzikale kunst-producten.

Het treurspel ging den meer vroolijken dan tragischen Italiaanen, die daarin een scherp contrast met de ernstige Spanjaarden en Engelschen vormen, slecht af; daarentegen hebben zij in het blijspel vele uitstekende producten geleverd, en als een levendig, in zijne geheele manier van doen theatraal volk, zich vooral ook op de pantomime met groote voorliefde toegelegd, ja hebben zij, het eerst van alle Europeesche volken, haar tot een bijzonderen kunsttak gemaakt.

Overal zijn bij hen de zachtere en lichtere, en ook lichtzinniger dichtsoorten, de echt nationale geweest en gebleven. Vooral ook in de satire munten zij uit, en hierin vooral staan zij in scherpe tegenstelling met de eerlijke en hierin arme Duitschers.--"De neiging om te schertsen, om jeux d'esprit te spelen, ook sarkastisch te zijn en te bespotten, ligt reeds oorspronkelijk diep in de natuur van het vroolijke volk, en deze neiging vond rijkelijk voedsel in de verdeeldheid der Italiaansche staten, en in de onophoudelijke oorlogen om de suprematie, die een algemeenen trek van nijd en ijverzucht zeer in de hand werkten.--Er is bijna geen Italiaansch dichter, die dit genre niet beproefd heeft. Reeds den ouden Romeinen was deze neiging eigen en zij brachten den grootsten satyricus der wereld voort, Juvenalis, die een oorspronkelijk Italiaansch dichter, en niet, zooals Virgilius en Ovidius, een naäper der Grieken was. Geheel Europa heeft dan ook de uitdrukkingen "satire", "caricatuur", "travestie" en de daarmede verwante woorden en denkbeelden: "charlatan", "harlekijn", "bajazzo" en dergelijke van de Italianen ontvangen.

De langzame vorming dezer satirieke, geestige, scherpe, fraaie, muzikale, nieuw-Italiaansche taal en poëzie, is een zeer langdurig proces geweest, en dat zij eindelijk een gemeen goed van alle Italianen, een hen allen vereenigende vaste nationale band werd, is een betrekkelijk, pas tamelijk nieuw resultaat.--Het hoogste punt van hare liefelijkheid, van haren glans en hare algemeene literarische, kerkelijke, diplomatieke waarde en hare verbreiding over geheel Italië, verkreeg zij in de 16de eeuw, en sedert dien tijd heeft zij zich op hare hoogte weten te handhaven, en dus heeft zij reeds omstreeks 300 jaren achtereen tot de daarstelling van een _Italia Unita_ medegewerkt.--Dit neemt echter niet weg, dat zij zelfs op de hoogte, waarop zij nu staat, nog op verre na niet zulk een krachtig element is, als de algemeene, langzamerhand opgekomen spreek- en schrijftalen in Duitschland, Frankrijk of Engeland. Want in geen land van Europa verschillen de provinciale dialekten zoozeer als in Italië, en in geen land hebben zij zich zoo zeer bij alle standen ingedrongen. Dit gaat zoo ver, dat men niet zelden bemerkt, dat zelfs voor den ontwikkelden Venetiaan, Lombard of Napolitaan, het Italiaansch iets ongemakkelijks is, en hoe deze Italianen zich verheugen, als zij na een "Italiaansch" discours, zich weder kunnen ontspannen, door hun met de moedermelk ingezogen stads- of dal-dialect te gebruiken.

Deze stads- of dal-dialecten zijn in Italië, alle met schier denzelfden ijver als eigenlijke talen aangekweekt geworden. Ieder van hen bezit zijne eigene, rijke literatuur, niet alleen poëtische en prozaïsche belletrie, maar ook menig ernstig werk, philologische geschriften, woordenboeken, grammatica's. Vooral zijn deze plaatselijke literaturen rijk aan satires, spotgedichten en volks-comedie's, waarin de naburige steden en gebieden belachelijk gemaakt worden.--Dit scherp afgeteekende particularismus in taal, zeden en gewoonten is in Italië overoud, en is een gevolg van het lang uitgestrekt, weinig compact en afgerond land, dat door de Apennijnen en hare armen in vele dalen en natuurlijke districten verdeeld is. Van dal tot dal, van rivierbekken tot rivierbekken, treft men in levenswijze, physionomie, afkomst, karakter en neiging veel grootere contrasten aan, dan men gewoonlijk denkt. Vele dezer taal- en karakter-verscheidenheden berusten misschien nog op die oude, reeds voor de Romeinen in Italië wonende, volksstammen en rassen, op het verschil tusschen de "Umbriërs", "Liguriërs", "Samnieten", "Celten", en hoe zij ook heeten mogen, want ofschoon ik boven zeide, dat de Romeinen, door eene romaniseering van het geheele schiereiland, den eersten grond tot een _Italia Unita_ legden, zoo mag toch niet beweerd worden, dat het hun gelukt is, _alle_ overoude en met de natuur der provinciën overeenstemmende eigenaardigheden te doen verdwijnen. De Italiaan Lucchesini beweert zelfs, dat de verschillende Italiaansche dialecten geene kinderen van eene en dezelfde Romeinsche moeder zijn, maar oude, uit den tijd der Romeinen afstammende en door dezen slechts eenigzins gewijzigde, volkstalen zelve zijn.

Dit overwicht der volks-dialecten, was in Italië altijd de ernstigste hinderpaal, voor de verbreiding van een gemeenschappelijk nationaal-type der taal. En even lang hebben het daarmede samenhangende, scherp afgeteekende plaatselijke patriotisme, de hartstochtelijke aanmatiging der eene stad of provincie tegenover de andere, het opkomen van eene algemeene volks-opvoeding en eenen eenigen nationalen geest bemoeilijkt.

Sedert de laatste halve eeuw heeft langzamerhand een groot verlangen om een eenig, op zich zelven staand volk te zijn, een eigen vrij, machtig vaderland te bezitten, zich van alle patriotische en denkende Italianen meer en meer meester gemaakt. Weinigen wilden aan den duur dezer beweging gelooven. Spot en klachten over het zedelijk verval der Italianen, over hunne verdeeldheid, hun gebrek aan krijgshaftigen geest, aan krachtige mannen en aanvoerders, waren dikwijls algemeen. Reeds sedert den inval der oude Galliërs in het oude Rome, heeft men ontelbare malen den ondergang van Italië voorspeld en beklaagd, maar even dikwijls hebben de Italianen de wereld met eene onverwachte wedergeboorte verrast. Zij hebben niet, zooals zoo menig ander beroemd volk, slechts één bepaald toppunt van bloei bereikt, maar, om zoo te zeggen, eene geheele reeks perioden waarin zij zich verhieven, gehad. "De polsslag van het geestelijk leven in Italië heeft, sedert het eerste begin der Europeesche geschiedenis, _nooit_ geheel stilgestaan. Wanneer er ook al af en toe zijne zon met wolken bedekt was, zoo is zij toch nooit zooals b.v. die der Hellenen, voor lange eeuwen van den horizon verdwenen. Zelfs in de dikwijls lange perioden van diepe staatkundige ellende hebben de Italianen zich nog altijd in de eene of andere richting groot getoond en roem verworven, en men mag dit wel als het grootste bewijs hunner verwonderlijke, innerlijke levensvatbaarheid beschouwen, terwijl het ons sterkt in het geloof, dat ook die zelfverheffing en vereeniging van dit volk, waarvan wij getuigen geweest zijn en waaraan de Duitschers zoo krachtig medegewerkt hebben, een langdurig bestaan en steeds toenemenden bloei hebben zal.

DE SPANJAARDEN.

Als uit den romp van Europa gesneden, van haar door een hoogen bergmuur gescheiden, aan alle zijden door den Oceaan omringd, het uiterste punt van ons werelddeel, met eene zeer eigenaardige physionomie, ligt het wonderbare land daar, dat de ouden, wijl het hun toescheen dat de avondster er boven schitterde, _Hesperia_ (het Westland) noemden. Even als met Europa, was het vermoedelijk vroeger, door de eerst in eene latere geologische periode doorgebrokene straat van Gibraltar, ook aan Afrika verbonden, en in wezen en karakter heeft het veel dat aan beide vaste landen gemeen is.--Dezelfde omwentelingen der aardoppervlakte, die de terrassen van den Afrikaanschen Atlas vormden, hebben ook op de groote rotsen-plateau's van het Pyreneesche schiereiland ingewerkt, en dikwijls schijnt het, als hadden zij naar hetzelfde model gewerkt, en in Spanje een Afrika in het klein, een Europeesch Afrika willen vormen. Eerst toen de Oceaan in de eens geheel afgeslotene Middellandsche Zee binnendrong en de poort van Herkules uitgroef, kwam dit miniatuur-Afrika, wat de samenhang met het vaste land betrof, aan de zijde van Europa, kwam het, in physikalischen, ethnographischen en anderen zin, onder haren invloed, maar bleef toch steeds ook in velerlei opzichten in gemeenschap met het naburige Zuidland, waarnaar het, om zoo te zeggen, voortdurend zijne hand uitstrekte.--De geheele natuur van het Pyreneesche schiereiland schijnt dientengevolge een mengsel van het Zuiden en het Noorden.

Het heeft warmere en droogere landstreken dan eenig ander gedeelte van Europa. Zijn klimaat brengt hier een daar het suikerriet, den palm en andere zuidvruchten tot rijpheid, en op zijn zuidelijkst punt hebben zelfs, wat hun anders nergens mogelijk was, de koude-schuwende dieren der keerkringen, de apen, en naast hen de Afrikaansche kameleons, hunne woonplaatsen kunnen opslaan.--In het scherpste contrast daarmede, vindt men ook Spaansche bergstreken van zoo ruwe temperatuur, dat zelfs onze Noordsche woudbewoner, de beer, er zich te huis gevoelt.--Uitgestrekte streken van dit groote schiereiland zijn even woest en dor, als de melancholische woestijn van Sahara of de Duitsche heidevelden van Lüneburg. En ook weder treft men er gedeelten aan, die, in liefelijkheid en natuurschoon, alles overtreffen wat ons werelddeel aanbiedt.

De _Sierras_, die getakte, onregelmatig getande _rots-zagen_ van Andalusië en Grenada, waarop nauwlijks ooit een boom wortels geschoten heeft, zijn bedekt met reusachtige granietblokken en marmer-massa's van allerlei kleur, en hare ontoegankelijke kruinen hebben veel overeenkomst met puntige kegels, die zich in het altijd helder blauwe hemelsgewelf schijnen in te boren.--In den schoot dezer Sierra's echter, zijn vruchtbare dalen verscholen, wier plantengroei en weelderige schoonheid zich de levendigste verbeelding niet tooverachtiger droomen kan.--Deze heerlijke dalen, waarin de welriekendste Flora de lucht met hare geuren doortrekt, schijnen, naar de poëtische volks-uitdrukking der Spanjaarden, door de engelen des hemels als hunne wiegen, in den boezem der rotsen ingelaten te zijn.

Het ernstige, treurige, sombere echter heeft over het algemeen den boventoon. Onmetelijke boomlooze, verbrande vlakten, eenzaam en doodstil, "als geschapen voor het gebed van boetedoende anachoreten," breiden zich wijd en zijd door het binnenste van Spanje uit.--De lucht is daar scherp en droog, verschrikkelijk heet gedurende het eene jaargetijde, en snijdend ruw gedurende het andere. Te vergeefs zoekt men daar de zachte velden, de steeds door luwe, zachte westenwinden beademde tuinen van Italië, te vergeefs de frissche heerlijkheid, het zachte groen der Duitsche wouden met hun vroolijk vogelengekweel. Die zachte, rustige vroolijkheid van het groene woud- en weidentapijt, ligt over Spanje niet uitgespreid, wiens natuur wel--zelfs in zijne sombere gedeelten--_verheven_, maar niet altijd tot het gevoel sprekende, wel hier en daar _prachtig_, maar slechts zelden bewoonbaar en gemoedelijk is.--Zij hult zich, om zoo te zeggen, in een schilderachtig gedrapeerd overkleed, dat wel uit een grof weefsel bestaat, maar met gouden treswerk, edelgesteenten en paarlen bezet is.

De beroemde "_Vega_" (beemden) van Grenada--het bekoorlijke weidebloemen-plateau van _La Serena_, dat nu de Merinos-schapen beweiden,--het weelderige Andalusië, waarover de hoorn des overvloeds zijne natuurgaven uitgestrooid heeft, dat reeds de ouden roemden,--de rijk bevochtigde "_Huerta_" (tuin), in wier schoot Valencia ligt,--zijn eenige dezer paradijzen, die den voet der berg-plateau's van het Pyreneën-land bijgevoegd of aangehangen zijn, met welke ook het binnenland hier en daar doorweefd is, en in welke de zuivere lucht, de krachtige zonnestralen en de rijkelijke dauw van deze hemelstreek, alle planten en producten eene weelderige fijnheid en zachtheid van kleuren, een glans geven, die de zinnen bekoort.

Wanneer men deze weinige, zoo scherp tegen elkander overstaande, grondtrekken van hun vaderland, bij elkander voegt, meent men reeds het portret der bewoners zelven geteekend te hebben, en de in het oog loopende eigenschappen van hun karakter, zoomede de wisseling der lotgevallen die daartoe de aanleidende oorzaak waren, te herkennen.--Even als in het _klimaat_ en in de _natuur_, zoo openbaart zich ook in de geschiedenis van het land een aanhoudende strijd, eene voortdurende vermenging van Zuidelijke of Oostersche en Noordsche of Europeesche invloeden en elementen.--Als de koude Noordenwinden, zoo stormen Noordsche volken over de Pyreneën het land binnen, en even als de heete "Solano", trekken uit het Zuiden Afrikaansche volken tegen de natie op.--En het Spaansche volks-karakter, dat uit deze vermenging ontstaan is, is even als het land, een zeer scherp geteekend beeld zonder halflichten en schaduwbeelden, in de hoogste plaats phantastisch, vol hoogen zin; vol gloeienden trots, vol koude koenheid,--op al wat gemeen of middelmatig is minachtend nederziende--rustig en onverschrokken aan het grootste ongeluk het hoofd biedende,--haat en liefde vereenigende,--rijk aan de scherpste contrasten, even als die woeste Sierra's met de daar aan, als het ware, hangende paradijzen,--in staat tot de bitterste wraak en tot de schoonste deugd, grootmoedig en toch wreed,--uit onverschillige gevoelloosheid tot stormachtige uitgelatenheid, uit trage rust en stijve onbeweeglijkheid tot de onstuimigste werkzaamheid overslaande,--geestig en onwetend, vrijmoedig en achterhoudend, lichtgeloovig en tegelijkertijd wantrouwend, zooals veranderlijke, dweepachtige phantastici zulks gewoonlijk zijn.

De eerste menschen van dit soort, die de geschiedenis ons in Spanje aanwijst, zijn onder den naam "_Iberiërs_" bekend. Vóór hen schijnt _geen_ ander volk in Spanje gewoond te hebben, zij schijnen de oorspronkelijke inwoners, de vroegste die het land in bezit namen, geweest te zijn, waarvan nog slechts een gering gedeelte, de zoogenaamde "Basken," bestaat.

Deze oude Iberiërs zijn niet alleen in Spanje, maar naast de Finsche stammen wellicht ook in geheel Europa het oudste volk. Daarvoor spreekt onder anderen de omstandigheid, dat zij het uiterste, westelijk gedeelte van ons vasteland bewoonden, waarheen zij door de hen later natrekkende Indo-Germanen, de voorvaderen der Grieken, Romeinen, Celten en Germanen, gedrongen werden.

Wijl men eenige gelijkheid der Iberische taal met de talen van Afrikaansche volken ontdekte, heeft men somwijlen gemeend, dat Spanje ook deze vroege bevolking uit Afrika gekregen heeft. Dit was voornamelijk eene hypothese van den grooten Duitschen philosoof Leibnitz. Maar veel meer omstandigheden wijzen daarheen, dat de Iberiërs, even als andere Europeesche volken, langs de Middellandsche zee uit het Oosten gekomen zijn.--Want ook op Sicilië en de andere Italiaansche eilanden, ook in Zuidelijk Frankrijk, worden ons Iberiërs als de allereerste elementen der bevolking aangewezen. Daar werden zij door hun nakomende en het land binnentrekkende vreemdelingen overstroomd, en nu waren zij wel genoodzaakt zich in massa verder Westwaarts te begeven. De overblijfselen, die onder vreemde opperheerschappij zijn achtergebleven, geven nog den weg aan, langs welken zij trokken. Behalve deze richting uit het Oosten, dien oorsprong uit Azië, die gemeenschappelijke moeder der Europeesche menschheid, kan men anders weinig ontdekken, wat de Iberiërs met de overige Europeanen gemeen hadden.

Hunne taal, die wij nog heden ten dage bij de Baskiërs in de Pyreneën hooren, is zoo eigenaardig, volgens de nieuwste onderzoekingen onzer taalvorschers, zoo geheel verschillend van alle andere taaleigens van Europa, dat men noch eenige verwantschap met die der Celten, noch met die der Germanen of Grieken ontdekken kan.--Men heeft in de verwijderdste oorden der Aarde naar eenige verwantschap met dit zoozeer geïsoleerde ras en taal gezocht. Eenigen hebben gelijkenis bij de Finnen, anderen zelfs bij de Indianen van Noord-Amerika willen vinden.