Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 43

Chapter 433,479 wordsPublic domain

Reeds ten tijde der Etruskers ging in Italië alles van de steden uit. Alle oorlogen der oude Italianen onder elkander waren oorlogen van stad tegen stad. Niet door een machtig geslacht van volken-vorsten, zooals het later de Karolingers waren, maar door de burgers eener stad, werd de Romeinsche wereld-verovering doorgezet. Ten tijde der Romeinen scheen, zooals ik reeds opmerkte, geheel Italië, ja! geheel de wereld, slechts eene enkele stad te zijn. Geheel Italië verkreeg van hen burgerlijke stadsrechten, het geheele rijk der _Orbis terrarum_, om zoo te zeggen eene stedelijke inrichting. Door den inval der Duitsche Koningen en adellijke geslachten, werd deze in Italië diep-gewortelde neiging tot eene stedelijke huishouding een tijd lang verbroken. Want de Germanen waren, om zoo te zeggen, een volk bestaande uit herders en landlieden. Zij gaven den door hen veroverde rijken eene Koninklijke familie- en huisgezin-regeling, die haar model aan de inrichting van den zetel van een landerijen bezittend edelman schijnt ontleend te hebben. In de latere middeneeuwen echter, nadat de barbaren zich geitalianiseerd hadden, en de Trans-Alpijnsche Keizers in de Pausen machtige tegenpartijen hadden leeren kennen, kwam het oud-Italiaansche stadswezen weder te voorschijn. Het geheele land en volk, loste zich als een paarlsnoer in eene menigte stedelijke republieken op, weder even als vroeger tijdens de Etruriërs en Groot-Griekenland, met talrijke bloeiende en schitterende burger-gemeenten. De door de Duitschers ingevoerde land- en leenadel verdween. In geen land van Europa werd het feudaal-systeem en de landbouwstaat zoo vroeg afgeschaft als in Italië. Alleen Zuidelijk Italië en Sicilië, maken daarop eene uitzondering. De ridderschap ging in de stedelijke republieken, en zelfs in de kleine monarchieën, waarin na eenigen tijd vele deze kleine republieken veranderden, ten onder. Want deze nieuwe monarchieën, hunne Heeren en Hertogen waren, zooals de Medici's in Florence, de Dogen en de patriciërs in Venetië en Genua, bijna overal voortgesproten uit den burgerstand en, om zoo te zeggen opperhoofden van steden.--Reeds in de 14de eeuw was de, uit den vreemde overgekomen riddergeest in Italië, waar zij bovendien nimmer diepe wortels schoot, geheel verloren. "Deze overwegende invloed der steden in de midden-eeuwen," zegt de Italiaansche geschiedschrijver Sismondi, "is de oorsprong van het _moderne_ Italiaansche karakter. Dientengevolge is bij hen alle landeigendom nagenoeg alleen in handen der steden, en de bebouwer van den grond is geen onafhankelijk land-edelman met zijne slaven, ook geen vrije burger die een eigen bezit heeft, maar slechts een pachter van den stedelijken burger." Daaraan is ook de minder scherpe afscheiding der maatschappelijke standen in Italië toe te schrijven. De hoogere standen, de adel, zijn in Italië met den burgerstand veel meer saamgewassen dan in Duitschland of Frankrijk. Men heeft hun de overmoedige aanmatigingen, van den ouden Duitschen en Franschen hof- en heeren-adel, nooit kunnen verwijten. Ook is in Italië de adel nooit met zoo hevigen haat vervolgd geworden als in Frankrijk, omdat hij in bloed, gezindheid en werkzaamheid veel nauwer verbonden was met de burgerlijke standen en de steden."--Uit hetgeen ik gezegd heb, mag men echter al die eigenschappen niet alleen aan de nu _moderne_ Italianen toeschrijven. Integendeel vindt men ze, zooals ik reeds aantoonde, reeds bij de vroegste Italianen, en men kan daarom ook dat, wat Sismondi een _gevolg_ van het overwicht der steden noemt, omgekeerd als de oude, sedert duizende van jaren werkende _oorzaak_ van dit overwicht beschouwen.

Even als een welige oranjeboom, met een menigte gouden vruchten en bloesems, zoo staat ook het met bloeiende steden rijkversierde Italië der midden-eeuwen daar. Daaronder waren machtige republieken, zooals Venetië en Genua, die somwijlen tegen eene heilige alliantie van Europeesche Vorsten stand hielden, en gedurende bijna duizend jaren zelfstandig in de wereldgebeurtenissen en lotgevallen der volken ingegrepen hebben.--Ging de ridder- en feudaalgeest in deze Italiaansche steden te gronde, zoo ontwikkelden zich daarentegen des te schooner de stedelijke bedrijven. Hunne republikeinsche staatsregeling bevorderde de talenten; veelzijdige ontwikkeling en plaatselijk patriotisme vermeerderde de bevolking en rijkdommen, en deed kunsten en wetenschappen bloeien.--Wanneer wij de heerlijke schilderingen der Italiaansche toestanden, tijdens den grootsten bloei van deze hunne stedelijke republieken, dus in de 14de en 15de eeuw, lezen, en daarbij een blik slaan op de toenmalige toestanden in andere landen, dan kunnen wij moeielijk gelooven, dat beiden gelijktijdig waren. "Daar, voornamelijk in Frankrijk en Engeland, een treurig schouwspel van armoede, barbaarschheid en onwetendheid, overal gewelddadigheden van onbeschaafde Heeren en door ellende verbitterde boeren. Met welgevallen wenden wij ons oog van hen af en slaan het op de rijke, verlichte staten van Italië,--naar de Apennijnen, die tot aan hunne hoogste kruinen met rijke bouwlanden bedekt zijn,--naar hare groote, prachtige steden, met hare levendige havens, hare arsenalen, villa's, museums, bibliotheken, hare markten, opgepropt met allerlei voorwerpen van genot en smaak, en naar hare werkplaatsen, wemelende van kunstvaardige arbeiders."

Handel en scheepvaart waren de bronnen van den wasdom dezer Italiaansche steden. Zij waren de drijfveeren harer daden en het doel van al haar streven.

Zij legden zich met zooveel talent op den handel toe, dat zij daarin de onderwijzers voor ons allen geworden zijn. De meeste kunsttermen die op den handel betrekking hebben, zijn even als het boekhouden van den Europeeschen koopman, het bank- en wisselwezen, van Italiaanschen oorsprong.--De Italianen gaven aan de wereld de eerste proeve van een zeewetboek. Op hunne zoogenaamde "consolato's" berust de, nu natuurlijk veel beter ontwikkelde, rechtspraak der zeevarende volken. Er is een tijd geweest, van de 12de tot de 15de eeuw, toen de wetten van Amalfi, Pisa, Genua en Venetië op alle Zeeën geëerbiedigd werden. Geen kruistocht kon zonder behulp dezer Italiaansche steden tot stand komen. Bij de verovering van het Heilige land en later bij die van Constantinopel, speelden zij eene groote rol en trokken ook van deze veroveringen het meeste nut.--Hunne koloniën en kustbezittingen breidden zich over alle havens en voorgebergten der Middellandsche- en Zwarte Zeeën uit. Genueezen en Venetianen hadden overal, ook in Spanje, in Barcelona, Sevilla en Lissabon, hunne bloeiende factorijen en zelfs in Egypte en Syrië hunne kantoren.--In Zuidelijk Rusland, zelfs in het binnenste van Klein-Azië, vindt men de torens, die zij vroeger ter bescherming hunner magazijnen of hunner handelswegen bouwden. Daaraan is het toe te schrijven, dat de Italiaansche taal tot op den huidigen dag, zelfs onder de heerschappij der Turken, de voornaamste handels- en zakentaal der geheele zoogenaamde Levant is geworden. Ook is na dien tijd menige handelstak in het overige Europa in de handen der Italianen gebleven, zoo b.v. de handel in Oostersche en Zuidelijke kruiderijen. In Hongarije noemt men nog heden de handelaars in specerijen in den regel "Walsche," dat is, Italianen of vreemden, in Duitschland ronduit "Italianen".

Hunne Marco Polo's reisden in de 13de eeuw, handeldrijvende en zaken doende door geheel Azië, tot aan het hof van den Keizer der Mongolen, tot aan China en Japan. Hunne zeevaarders, sterrekundigen en cosmographen waren de kundigste in geheel Europa, en zonder hunne hulp zou men het omzeilen der wereld niet op touw gezet hebben. Een Del Cano, een Columbus, een Vespucci, de meeste pioniers der groote ontdekkingen op den Oceaan, waren Italianen of waren in de Italiaansche school gevormd.

Even als handelsgeest en handelsdeugden, moesten de Italianen in hunne steden met zoo verschillende besturen, met hartstochtelijk tegen elkander over staande partijen, tusschen welke politieke gebeurtenissen bestendig verhandeld en bepleit werden, ook diplomatische eigenschappen en politieke talenten verkrijgen. Ook in dit opzicht doorliepen zij eene hen zoo veelzijdig ontwikkelende school, dat Italië daardoor voor langen tijd het land der politici werd. Zelfs in hunne slechtste tijden en toen zij het meest in verval waren, hebben zij aan de meeste groote staten van het overige Europa heerschers gegeven, in de gedaante van ministers, staatslieden en afgezanten. Vooral in de 17de en 18de eeuw hadden Italiaansche staatslieden aan bijna alle hoven de teugels in handen. In Spanje de Orsini's en na hen de beroemde kardinaal Alberoni. In Frankrijk de verstandige, uiterst slimme, ja! men mag wel zeggen, de groote kardinaal Mazarin, wien Richelieu zijnen Koning als den eenigen aanbeval, die in staat was de leiding der zaken te kunnen voortzetten. In Oostenrijk de Prins Eugenius, de grootste staatsman en veldheer van zijn tijd, en Montecuculi, de eenige, die den Franschen Turenne het hoofd kon bieden. Er was een tijd, toen men zulke invloedrijke Italianen in alle kabinetten, zelfs der kleinste staten, vond. En was het in den nieuwsten tijd ook niet weder een Italiaan, om zoo te zeggen een Romeinsche Cesar, die 20 jaren lang Europa beheerschte.

Waren de Italianen inderdaad, zooals ik zeide, van oude tijden her echte stadsmenschen, zoo moesten zij even als den handel, ook voor alle dingen de voornaamste stedelijke, de echt burgerlijke kunst, de bouwkunst, beoefenen. En inderdaad, deze kunst heeft onder hen ook het langst, ja altijd gebloeid, heeft geene afwisselende tijden van bloei en van verval gekend, als andere kunsten, zooals b.v. de schilderkunst of muziek.--De Italianen zijn in verschillende tijden de architecten van Europa geweest. Het was de eenige kunst, waarin de oude Romeinen van den beginne af uitmuntten, waarin zij anderen niet navolgden. Vele takken der bouwkunst, b.v. de weg-, de brug- en de vestingbouw, waren dezen wereldveroveraars bijzonder noodzakelijk. Zij overstroomden de geheele beschaafde wereld met hunne voor de eeuwigheid gebouwde werken, wier bouwvallen nu nog luide getuigen van hunnen verheven smaak en hunne bekwaamheid in dezen tak der kunst. "Een Romeinsch bouwstuk" is eene spreekwoordelijke beteekenis van een solied bouwwerk.--Zelfs uit den lateren Keizertijd, toen poëzie en literatuur reeds de ijzeren eeuw beleefden, hebben wij nog zulke grootsche Romeinsche bouwstukken. Ja! zelfs te midden der volksverhuizing, toen de lier volkomen verstomde, zijn, onder Gothische en Lombardische Koningen, in Italië bewonderenswaardige werken gebouwd.

En de architectuur is ook weder de eerste kunst geweest, die zich na de tijden der barbaarschheid, reeds in de 10de eeuw, in de steden van Italië weder ontwikkelde, toen de andere Muzen nog langen tijd sluimerden. Wij mogen haar dientengevolge dus bij voorkeur als eene echte, als eene aangeborene dochter van Italië beschouwen.--Even als de steden- en wegenbouwende oude Romeinen, zoo hadden ook de, als christelijke zendelingen en afgezanten van den Paus, de wereld ingaande en altaren wijdende nieuwere Romeinen, in de allereerste plaats weder de bouwkunstenaars noodig. De zich in Rome opbouwende kerk moest bij voorkeur door schoone godshuizen indruk maken. Zij werd de voedstermoeder der bouwkunst. Er ontstond een prachtige en ver verbreide Italiaansche kerkbouwstijl.--Deze doorliep in den loop der eeuwen verscheidene phasen. Over het geheel echter sloot hij zich in zijne zuilen, zijne ronde bogen en zijne koepels, aan verscheidene reeds lang in Italië inheemsch zijnde bouwstijlen aan. Hij contrasteerde in alle opzichten sterk met den door de Germaansche volken later beoefenden, hoekigen-, spitsen- en torenrijken bouwstijl, die de hoekige, ruwe en hoogdravende Noordsche barbaren uit het lichaam schijnt gesneden te zijn, maar die onder de, het liefelijke meer huldigende, om zoo te zeggen meer ronde Italianen altijd, ofschoon zij ze somwijlen navolgden, iets vreemds gebleven is. Brunneleschi, de bouwmeester van het paleis Pitti in Florence, Bramanter, de man die de St. Pieterskerk in Rome haren vorm gaf, Palladio, de architect van ontelbare dommen en vorstelijke residenties, zijn eenige der vele Italiaansche bouwmeesters, die door de geheele wereld in hun vak beroemd zijn geworden. Ja! men trof in Italië geheele familiën en geslachten van bouwmeesters aan, waarin deze kunst, en de daarvoor noodige talenten van vader op zoon overerfden. En ook nu nog treft men daar geheele distrikten of dalen aan, waaruit alle inwoners als bekwame huis- en wegbouwers de wereld intrekken, om de steden- en straatwegen in Duitschland of Frankrijk te helpen maken.

Even als in Indië, Egypte en Griekenland, zoo heeft de godsdienst, de geestdrift voor het goddelijke en voor zijne zinnebeeldige voorstelling, overal onder de menschen ook aan de andere kunsten geest en leven gegeven.--Sloegen de christelijke kerk en godsdienst, de ouders der kunsten, hunnen hoofdzetel in Italië op, zoo moest Italië, het land van kerken- en stedenbouw, ook het hoofdland voor alle andere kunsten worden.--De uit den schoot der kerk en der steden ontstane bouwkunst, die de hulp dier andere kunsten zoo zeer noodig had, daar zij slechts de ruwe omtrekken en het omhulsel levert, die de beeldhouwer met beeldhouwwerk moet opsieren en zoo moet voltooien, die de schilder met kleuren-poëzie moet versieren, die aan gezang en muziek in hare zalen en gewelven den schoonsten weergalm geeft, moest daarom ook spoedig de keur dezer kunsten tot zich trekken.

Het eerst kwamen de echt christelijke, de echt godsdienstige kunsten, de muziek en de schilderkunst, in beoefening, en riepen heerlijke scheppingen in het leven. Beiden hebben zich bij de Italianen zoo inheemsch gemaakt, als bij geen ander ons bekend volk ter wereld, zelfs niet bij de Grieken van Pericles en van Alexander den Groote, ofschoon deze in de beeldhouwkunst aan de Italianen den palm betwisten.--Want het is opmerkelijk, hoe in Italië het plastische, en men kan er bijvoegen, in de poëzie het epische, steeds ondergeschikt was aan het pittoreske. Reeds de Romeinen--ten minste hunne dichters, b.v. Virgilius--waren het grootst in het beschrijvende, schilderachtige genre. In nieuweren tijd hadden Venetië, Milaan, Florence, Rome, ja bijna alle steden van Italië, hare eigene schilderscholen, ieder met haar afzonderlijk karakter en met hare eigene onvergelijkelijke meesters aan het hoofd. In den kunstenaar bij uitnemendheid echter, dien men "den goddelijke" genoemd heeft, in Rafaël Sanzio, bracht Italië het onovertreffelijkste te voorschijn, wat de geheele menschheid ooit ten deel gevallen is, "een genie, in wiens werken zich de geestelijke adel der menschelijke natuur het duidelijkst openbaart, dien ooit een man bezeten heeft, en die zich in al zijne voortbrengselen op de hoogte der plechtigste en meest kuische schoonheid gehouden heeft."--Ten tijde van Rafaël, den vlekkelooze, den volkomene, in de periode van het zoogenaamde _Cinque cento_, van de 15de en 16de eeuw, bereikte de kunst in Italië haar zenith. Toen hadden de macht en de rijkdom van alle Italiaansche steden hun toppunt bereikt. Toen schiepen, even als hare kunstenaars, zoo ook hare dichters, hunne voor eeuwig bewonderde werken. Dit was zulk een roemrijke tijd, als behalve de Italianen nog slechts één volk, het Helleensche--ten tijde van Pericles--doorleefd heeft.

Er bestaan, merkwaardig genoeg, in de wereldgeschiedenis geene perioden van volkenbloei, die in alle opzichten zooveel overeenkomst met elkander hebben, als bij de Grieken de vijfde eeuw voor de geboorte van Christus, en bij de Italianen het _Cinque cento_ na Christus geboorte. Deze beide perioden, die eene tusschenruimte van 2000 jaren hebben, schijnen naar elkander gecopieerd te zijn. In beiden treft men een overvloed van schitterende steden en Vorstendommen, in beiden bloeien kunsten en poëzie op eene onvergelijkelijke wijze. In beide perioden ontmoet men karakters en mannen, die somwijlen als broeders op elkander gelijken. In beide perioden "eene verovering der geestenwereld, eene weergalooze bestorming van den Olympus."--Het schijnt bijna, alsof zich toenmaals de Italiaansche geest zelfs inniger gekeerd heeft naar dien der Grieken, die hem van vóór-Romeinsche tijden verwant was, als tot dien der de werkelijke wereld veroverende Romeinen, Italië's eigene, maar in zekeren zin eene andere geaardheid hebbende kinderen. Inderdaad, de moderne Italianen hebben in velerlei opzicht meer overeenkomst met de Hellenen, dan met die pedante, niet beminnelijke, oorlogzuchtige, stijfkoppige, onbuigzame Romeinsche landgenooten.

Sedert twee eeuwen zijn nu wel de beeldende kunsten en kunstscholen bij de Italianen aan het afnemen; "maar desniettegenstaande is een zeer algemeene en fijne kunstzin, het geheele volk als een blijvend erfdeel van dien tijd overgebleven. Bijna ieder Italiaan, zelfs de minst beschaafde, heeft eene levendige voorliefde voor het voltooide en voor het schilderachtige, en zelfs onbeduidende zaken weet hij een smaakvol uiterlijk te geven."

In verscheidene geringere takken der beeldende kunsten, b.v. in de mozaïkschildering, in het werken in gips, in het vervaardigen Van smaakvolle vazen, urnen en kannen van albast, zijn de Italianen nog steeds niet geëvenaard, en de ateliers voor het vervaardigen van figuren uit gips zijn bijna overal bij ons in hunne handen.--"Alleen door het aanhoudend zien der oude, in hunne steden zoo talrijk voorhandene meesterwerken, door de aanhoudende oefening van oog en oordeel, met één woord door het opgroeien in de armen der kunst, laat zich, even als vroeger in Griekenland, ook nu in Italië, het kunst-instinct verklaren, dat bij hen alle standen der maatschappij bezielt, die zelfs den minsten man zijn gescheurden mantel in schilderachtige plooien doet dragen, of hem, bij het spel of in het gesprek met zijne kameraden, gracieuse groepen doet vormen, en die ook maakt, dat op hunne straten, in hunne dorpen, in hunne huizen, waar netheid en orde anders niet opvallend zijn, alles een schilderachtig aanzien heeft."

Veel daarvan is zelfs in hunne lichamelijke hebbelijkheden en in hun persoonlijk optreden overgegaan, en kenmerkt zich in hunne lichamelijke gestalte en physionomie. In plaats van de onbeschaafde gelaatstrekken, de hoekige gezichten, het ruwe karakter en de slecht gebouwde, maar dikwijls harde en gespierde lichamen, die aan deze zijde der Alpen meer voorkomen, vinden wij reeds dadelijk aan gene zijde van het gebergte, reeds bij de Noordelijke Italianen, een eleganter en lichter vorm, eene slankere gestalte, meer verhevene en schoon gevormde trekken, met eene meer verstandige en levendige uitdrukking in het gelaat. Waarschijnlijk echter zijn dit allen zaken, die men, ten deele althans, meer oorspronkelijken aanleg en oorzaak dan uitwerking noemen moet, en die zeker bovendien ook nog meer of minder als een oud erfdeel van _alle_ inboorlingen van Zuid-Europa, deze, in tegenstelling met de meer Noordelijke bewoners van ons werelddeel, karakteriseert.

Hoe zouden wij echter over den, den Italianen aangeboren en eigen smaak en kunstzin kunnen spreken, zonder in de allereerste plaats van de muziek te gewagen? Zij schijnt op den Italiaanschen bodem reeds even oud te zijn als de bouwkunst. Ten minste reeds in voor-Romeinsche tijden werden, zooals reeds gezegd is, de Etruskers als uitstekende musici geprezen.--Door de heerschappij der niet-muzikale Romeinen, die in dit opzicht als een ver van den stam gevallen appel, als een onkundige zoon in eene talentvolle familie, beschouwd kunnen worden, werd ook de verdere ontwikkeling van deze kunst tegengehouden.--"Met de christelijke kerk echter, met de den eenigen God toe- en den engelen nagezongene lofliederen en psalmen, trok ook de muziek Italië weder binnen," zij heeft daar verscheidende, zeer scherp afgeteekende, tijdperken van bloei beleefd, en tot op onzen tijd--en daarin verschilt zij van andere kunsten--voortdurend de heerlijkste vruchten opgeleverd. Nadat zij langen tijd bijna uitsluitend de kerk gediend had, deed zij sedert de 17de eeuw ook pogingen om het tooneel te betreden, en eindelijk ontsproot een eigenaardige tak der muziek, een product van Italië, de "opera," die de Italianen geschapen en ontwikkeld hebben, en die nu met behulp hunner zangers en componisten zoo zeer in den smaak en den geest van alle Europeanen valt, dat men bijna zeggen kan, dat het onzen tegenwoordigen kunstsmaak kenmerkt."

De Italiaansche opera-dichters Rossini, Donizetti, Spontini en vele andere zijn nog onze tijdgenooten geweest; en men kan wel zeggen, dat de Italianen den hoogsten rang in dezen tak der kunst nog niet afgestaan hebben. Zij hebben in dit vak geene andere mededingers dan de Duitschers, welke laatste hen echter in de instrumentale muziek overtreffen.

De karakters der musici van deze beide voornaamste muziek-natiën van Europa, staan ongeveer op dezelfde wijze tegen elkander over, als de Gothische en Italiaansche bouwkunst. In de Duitsche muziek is, even als in het geheele wezen van dit volk, alles diepzinnig en hoogvliegend, "in de Italiaansche daarentegen vindt men als grond-element de zuivere welluidendheid; in haar is de harmonie ondergeschikt aan de zuivere, zinnelijk-schoone melodieën. Men zou de Italiaansche muziek, even als het Italiaansche volk zelf, bij voorkeur pittoresk kunnen noemen. Hunne trillers, roulades en toonrollers schijnen aan de rondbogen, koepels en colonnaden der Italiaansche gebouwen te herinneren."

Voor weinige volken is muziek en vooral zang eene zoo werkelijke behoefte geworden als voor de Italianen, wien de natuur daarvoor de gelukkigste organisatie gegeven heeft, de schoonste stem, het fijnste gehoor en eene bijzonder melodieuse taal. Het gezang vergezelt in Italië niet alleen alle levensverrichtingen, maar het duidt ook alle gemoeds-aandoeningen aan en accentueert ze, zoowel vroolijke en aangename als treurige en hartstochtelijke. "Vooral bij het vrouwelijke geslacht der lagere klassen" zegt een reiziger, "vindt men in Italië slechts weinige individuen, die niet in een wild gezang losbreken, als haar toorn den hoogsten graad bereikt heeft."--Is deze opmerking waar, dan laat zich daaruit verklaren, hoe een dergelijk volk opera's vervaardigen kon, en hoe naar het leven geteekend en natuurlijk, alle de in dit drama-soort in gezang uitgedrukte hartstochten zijn, waarin den nuchteren Noordlander zooveel gedwongen en gemaakt toeschijnt.

Is de kunsttaal van den handel in Europa, minstens gedeeltelijk Italiaansch, die der muziek is het, door de geheele wereld heen, geheel. De andere volken hebben de Italiaansche muziektaal zoo geheel aangenomen, dat zij zich niet eens de moeite geven, in hunne talen goede woorden te kiezen, die het onderscheid uitdrukken tusschen eene "andante" en een "adagio," "een allegro" en een "allegretto," en honderd andere muzikale kunstuitdrukkingen meer, en dat onze muziekminnende jeugd met die Italiaansche woorden, tegelijkertijd eene voorliefde voor de Italiaansche taal ingeboezemd wordt.