Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 41

Chapter 413,628 wordsPublic domain

De stroomen hebben overal vette laaggelegen landen en vochtige landstreken tusschen de rots-gewelven gevoegd, en overal wordt derhalve de gelegenheid aangeboden, de dalen op natuurlijke en kunstmatige wijze te bevochtigen en vruchtbaar te maken.--Daarentegen verhindert de geringe breedte des lands eene grootsche vorming van groote rivieren. Behalve den Po, den Arno en den Tiber heeft Italië geen in eenigzins belangrijke mate bevaarbaar water; het bezit alleen bergstroomen, die naar alle richtingen heenstroomen, en de rivier-stelsels hebben daarom hier ter verbreiding en tot de eenheid van een eigendommelijk volk veel minder kunnen bijdragen, dan b.v. in Hongarije, Polen en Rusland, waar de volkeren bijna altijd langs de stroom-aderen heengeslingerd zijn, en waar eenige van hen zich tegelijk tot dit of tot dat riviergebied bepaald hebben. Ook heeft de hooge en ruwe rug der Apennijnen steeds veelvuldige afzondering en afscheiding veroorzaakt. Slechts met moeite en op enkele punten heeft hij de vorming van gemakkelijke land- en volkenwegen, van het Oosten naar het Westen toegelaten. Door hare veelvuldige vertakkingen, verdeelen de Apennijnen het land in eene menigte kleine, dikwijls zeer scherp afgeteekende onderdeelen.

Thans is het geheele weefsel dezer fraaie, Italiaansche landschappen, van de hellingen der Alpen in het Noorden tot aan de Zuidelijkste punten van Calabrië en Sicilië, door een en hetzelfde geslacht bewoond, dat in al zijne onderdeden als broeders leeft en zich bloedverwanten gevoelt, en door eene groote gelijksoortigheid van physische en psychische eigenschappen geschikt was één volk uit te maken. Zij noemen zich allen met denzelfden naam "Italianen", zij spreken allen dezelfde taal. Zij schijnen allen door dezelfde gedachten, door dezelfde sympathieën bezield te zijn.

Zooals het nu is of ten minste worden wil, het geheele Italië, van af de Alpen tot aan Malta, één lijf en ééne ziel, één geest en één polslag, in een woord één vaderland, zoo is het bijna nooit geweest. Immers, wij zien het land, als de eerste ochtendstralen der geschiedenis er op vallen, bewoond door kleine volken van zeer verschillend type, die, noch door vreemden, noch door zich zelven, onder een algemeenen naam samengevat werden. Zij weken zoozeer van elkander af, dat zij zich niet eens door hunne talen aan elkander verstaanbaar konden maken. Zij leefden onder elkander, zonder den minsten onderlingen band, in aanhoudenden krijg. Toch waren zij, ten minste het grootste gedeelte, in Midden- en Zuid-Italië, wat hunne oorspronkelijke afstamming betreft--nieuwere onderzoekingen hebben zulks bewezen--aan elkander verwant. De wortelen hunner talen, de vormen hunner verschillende staatsregelingen en hunner zeden bewijzen, dat zij oorspronkelijk het dichtst stonden bij die Indo-Europeanen, die ook het groote schiereiland in het Oosten bevolkt hebben, de voorvaderen der Grieken, de zoogenaamde Pelasgen.

In alle gebieden van het menschelijk doen en werken, laat zich deze van eeuwen her dateerende verwantschap van den hoofdstam der Italianen en Grieken nawijzen. De namen hunner Goden zijn gelijk en hunne rollen zijn eveneens verdeeld. De volks- en stamsagen van beide volken zijn dezelfde. De wijn- en landbouw draagt bij beiden hetzelfde type. De lengte- en vlaktematen zijn ook bij beiden dezelfde. In de stedelijke wetgeving, in het muntwezen, in de burgerlijke standen zien wij, trots alle verscheidenheid in bijzonderheden, bij beiden zeer gelijke algemeene verhoudingen en vormen. Het oude Grieksche woonhuis, zóóals het door Homerus beschreven wordt, verschilt weinig van die, welke men in het hart van Italië altijd vond. "Zelfs in de eenvoudigste elementen der zeden en der kunst, in de volksfeesten, in den wapendans, in het minnespel, overal treft men de nauwe verwantschap der voorvaderen van de Hellenen en der stammen van het oude Italië aan."--Zij schijnt zich ook daarin te openbaren, dat, toen later de Hellenen als handelaars en ontwikkelde stedenstichters naar Italië kwamen, deze oude Italianen zoo gemakkelijk en als ware het door sympathie gedrongen, met hen samensmolten, en dat ten laatste zelfs de helft van Italië den naam "Groot-Griekenland" ontving.

De talrijke bloeiende steden en staten, die de Grieken in de Zuidelijke uiteinden van het schiereiland en op Sicilië stichtten, bewerkten, dat de inheemsche volken hunne eigene talen en dialekten ten deele verleerden en in zeden en ontwikkeling half en half Grieken werden.--Op Sicilië kreeg de Grieksche taal geheel het burgerrecht, werd zij wijd verbreid en bleef het ten deele ook gedurende de heerschappij der Romeinen, ja zelfs tot diep in de midden-eeuwen. Toen de Romeinen met hunne veroveringen in deze Zuidelijke streken doordrongen, namen zij zelven zeer spoedig veel van de Grieksche zeden en beschaving aan.--De Grieken zijn in verschillende tijden naar deze, het dichtst bij hen gelegene streken van Italië, teruggekeerd. Zulks gebeurde ook weder na den val van het West-Romeinsche rijk. Sicilië, Calabrië en verscheidene andere gedeelten van Zuid-Italië, waren nog tot in de 11de eeuw in de handen der Grieksche Keizers. Zelfs thans nog is in eenige oorden van Zuid-Italië eene Grieksch-sprekende bevolking overgebleven. Ja! de Italiaansche geschiedschrijver Botta beweert, dat het geheele karakter der hedendaagsche Napolitanen eigenlijk nog Grieksch is. "Hunne volksfeesten, hunne dansen, hunne vroolijkheid, hunne lichtzinnigheid, hunne neiging tot het gebruik maken van sophismen, dit alles" zegt hij, "is geheel Grieksch." De Lazzaroni in Napels zouden de directe afstammelingen zijn der oude Grieken van Cumae en Neapolis, twee Grieksche koloniën, die reeds 1000 jaren voor Christus geboorte aan de golf van Napels gesticht werden.

Verscheidene der volken, die op den bodem van Italië, in oude tijden eene rol gespeeld hebben, zijn ons tot op den huidigen dag, wat hunne afstamming betreft, raadselachtig gebleven. Zoo vooral een der meest belangrijke hunner, de oude "Etruskers," die reeds lang voor den bouw van Rome in het land der Medicis, een staat gesticht hebben, waarin landbouw, steden en kunsten bloeiden. Hoe veel onderzoek men ook in het werk gesteld en hoeveel men ook geschreven heeft, toch weten wij nog niet uit welke bronnen hunne beschaving, die gelijktijdig met de Grieken bestond, en deze ten deele nog vooraf ging, voortgesproten is.--Hunne ruwe taal, die rijk aan consonanten is, week ver van die der Italianen en Grieken af. De mond der Romeinen en Grieken kon haar niet uitspreken.--De Etruskische muziek was, even als hunne overige kunsten, van zeer eigendommelijken aard. Zij kenden het gieten van erts, het graveeren en het drijven op metalen, en bewerkten het goud en zilver tot de fraaiste versierselen, in een tijd, toen de andere Italianen van dat alles nog weinig wisten.--Even zoo muntten zij uit als boetseerders in klei, en de elegante vorm hunner vazen wordt nog heden bewonderd en gevolgd. De Toskaansche of Etrurische zuil, die ouder dan de Dorische is, heeft van hen haar naam ontleend. Hun godsdienst, hunne godenleer en hunne mythen hadden slechts weinig met die der overige Italianen en Grieken gemeen. Het bestuur hunner steden en staten was even eens eigendommelijk en afwijkend, en diende den Romeinen bij hunne burgerlijke inrichtingen tot model. Hunne koloniën waren vóór den bloeitijd der Romeinen zoo ver in Italië verspreid, en hun volk was zoo machtig, dat het grootste gedeelte van het schiereiland aan hunnen invloed onderworpen zou geweest zijn.

Etrurië was eens naast Griekenland, de plaats waaruit de beschaving zich over ons werelddeel verspreidde. En niettegenstaande dat alles zijn wij, zooals gezegd is, in het onzekere over de afkomst van dit volk. Volgens eene oude sage zouden zij eene uit Lydië in Klein-Azië gekomene, en aan de kusten van Italië zich nedergezet hebbende kolonië zijn.--De nieuweren echter, hebben hen nu eens voor Celten, dan voor Iberen, ook wel eens voor een uit het Oosten met vaartuigen overgekomen Semitisch volk, of ook wel voor Pheniciërs gehouden. Daar zij zelven zich "Rasenen" noemden, en die naam met dien der "Rhaeters" of "Rhaetiërs," in de hooggebergten van Grauwbunderland, gelijkluidend is, zoo hebben wederom anderen hen over deze bergen uit het nevelachtige Noorden laten afzakken. Hiermede komt de nu nog bestaande traditie der heden ten dage zoogenaamde Romaenen in Grauwbunderland, overeen, die beweren, dat de oude Etruskers van hunnen stam afkomstig zijn; anderen weder beschouwen hen slechts als overblijfselen der naar de bergen gevluchte Etruskers.

Ofschoon zij, nadat de macht der Romeinen gebroken was, in de massa der overige bewoners van Italië versmolten, zoo kan men toch den geest der Etruskers, als nog tot op den huidigen dag voortwerkende, beschouwen. Daar zij bij de Romeinsche verovering, hunne staatsinrichtingen en godsdienstige gebruiken aan de Romeinen mededeelden, en het geheele politieke leven der Romeinen hielpen grondvesten, zoo werken zij, middellijk en op grooten afstand, ook nog op ons. Nog dichter naderen zij ons in de later in het land der Medicis weder opbloeiende kunst en beschaving. Want waarschijnlijk was dit niets dan een tweede oogst op den ouden, door de verdwenen Etruriërs bemesten bodem. Met recht voerde men daarom ook ten tijde van Napoleon, den naam "Etrurië" weder in, welke naam trouwens altijd voortgeleefd heeft in den naam der Etrurische of Toscaansche Zee.

Gelijk het verband als naburen, van Italië met zijne tweeling-zuster, het Grieksche schiereiland, zoo heeft ook de nabuurschap met Afrika en met het vaderland der Semiten, in den loop der jaren herhaalde malen vreemdelingen aan Italië toegevoerd.--De Pheniciërs, de voorgangers der Grieken in de heerschappij over de Middellandsche Zee, hadden reeds vroegtijdig koloniën rondom Sicilië en Sardinië gesticht. Na hen overmeesterden hunne zonen, de Karthagers, al de groote Italiaansche eilanden, en behielden ze geruimen tijd in hunne macht. Deze Afrikanen streden zelfs tegen de Romeinen om de heerschappij over geheel Italië'. Onder den naam Saraceenen kwamen de kinderen van Sem, in het begin der middeneeuwen weder, en verbreidden hunne heerschappij en koloniën over dezelfde gedeelten van Italië die de Karthagers bezeten hadden; zelfs nog in de 13de eeuw marcheerden Afrikanen, als hulptroepen van Keizer Frederik II, door het geheele schiereiland, en lagen, even als eens de troepen van Hannibal of van Genserik, overal in kwartier.

Ook in latere tijden heeft eene omruiling van bevolking tusschen Italië en Afrika onder verscheidene vormen meermalen plaats gegrepen, en men kan dus gemakkelijk nagaan, dat eenige sporen daarvan in het karakter en de zeden der Italianen achter gebleven zijn.--In hunne taal vinden wij nog verscheidene uitdrukkingen, die betrekking hebben op handel en scheepvaart, van Arabischen oorsprong. Eene gemengd Italiaansche-Saraceensche taal en ras, bestaat nog op het eiland Malta. Ook in Calabrië, op Sicilië en op de andere Italiaansche eilanden, verraadt het dialect en de het volk eigene keeltoon, de inmenging van Arabisch bloed. En eene overeenkomst met het karakter der Mooren, met hun hartstochtelijk en wraakzuchtig temperament, dat ook het Spaansche volks-karakter uitmaakt, laat zich, zooals de Italiaan Mariotti zegt, gemakkelijk bij de Italiaansche eiland-bewoners waarnemen, even als ook hunne olijfbruine huidkleur, en hun bleek gelaat aan de Pheniciërs, Karthagers en Saracenen herinneren.

Doordien Italië zuidwaarts diep vooruitdrong in het aloude kanaal der beschaving, de Middellandsche Zee, kwam het in aanraking met de Oostersche, Afrikaansche en Grieksche zeevarende volken; en daar het noordwaarts als ineengegroeid was met het vaste land van ons werelddeel, bracht zulks het in verband met de Noordelijker volken, de Celten, de Germanen en ook eenigermate met de Slawen. De eersten, de Celten, de voorvaderen der Franschen, spelen daarbij de oudste rol. Zij hebben zich reeds in de vroegste tijden in een aanzienlijk gedeelte van Italië inheemsch gemaakt. Zij hebben als grondbevolking het geheele fraaie land tusschen de Alpen en Apennijnen bezet. Het duurde lang, voor dat dit ook onder den naam "Italië" begrepen werd. Het heette voor de geboorte van Christus Gallië en wel, ter onderscheiding van het groote Gallië aan gene zijde der Alpen, het Gallië aan deze zijde der Alpen "Gallia Cisalpina." Van uit de Alpen en van af den Po drongen deze Galliërs meermalen Midden-Italië binnen, en verwoestten Rome en andere bloeiende steden. Daarentegen waren zij de eerste stichters van Milaan en van andere beroemde plaatsen van Boven-Italië.

De Celten hebben, naar men zegt, reeds van den beginne af aan, in het type van hun ras meer gelijkheid met de oude Italianen gehad, dan de Germanen en de andere Noordsche naburen. Nadat het echter den Italianen onder Cesar gelukte, de Galliërs in hooge mate te romaniseeren of te italianiseeren, werd gedurende den vierhonderdjarigen duur der Romeinsche opperheerschappij, eene geestelijke verbroedering tusschen beide Romeinsch gewordene natiën tot stand gebracht, die tot op onze dagen toe de bron geweest is van veelvuldige verwisseling en van gemeenschappelijke neigingen en eigenaardigheden. Wel zijn de Galliërs en hunne opvolgers, de Franken en Franschen, de verwoesters van Rome geweest; even als vroeger onder hunnen Brennus, zoo ook later nog dikwijls onder Karel den Groote, onder de Anjou's, onder Karel VIII, en in den lateren tijd onder hunne Napoleons, zijn zij onder den naam van bevrijders, als beheerschers en onderdrukkers Italië binnengedrongen, en hebben de Italianen, in bloedige slagen en Siciliaansche vespers, zich tegen hen trachten te beschermen, maar dat neemt niet weg dat er, over het geheel, buiten den door de Alpen gevormden ringmuur, geen volk is, waarmede de Italianen als natie, zooveel overeenkomst in geaardheid hebben, waarvoor zij zooveel sympathie gehad en waarmede zij zulke nauwe betrekkingen aangeknoopt hebben, als met de Franschen. Even als de Provençaalsche dichtkunst, even als in eene latere periode, ten tijde van Lodewijk XIV, de zoogenaamde klassieke literatuur der Franschen, zoo vonden ook alle andere voorbeelden van Frankrijk, in Italië steeds een open oor en hart. De Fransche revolutie in het einde der vorige eeuw, gaf aan Italië eene nieuwe gedaante. De door Napoleon I weder aangeknoopte nauwere verbinding van Italië met Frankrijk, bracht de politieke denkbeelden der Franschen daar in omloop, en liet bij het volk een zoo groot gistings-proces achter, dat men bijna zeggen kan, dat de tegenwoordige geestelijke ontwikkeling der Italianen op Trans-Alpijnschen bodem gewassen is. "Zij denken Fransch over staat, godsdienst en wijsbegeerte; en zoo al niet hunne poëzie, dan is toch hun proza in hooge mate op Fransche leest geschoeid."--Het oude land der Gallische Allobrogen, Savoye en de Ligurische grensmarken van Nizza, landstreken, die eene Fransch sprekende, Celtische grondbevolking hebben, zijn tot op de nieuwste tijden, nu eens met de Franschen dan met de Italianen, onder dezelfde heerschappij verbonden geweest.

Hét provinciaal-dialect der Piemonteezen en Lombarden, heeft nog nu veel Fransch of Gallisch; zij hebben b.v. iets van den Gallischen neusklank en de voor het Toscaansche oor zoo onaangename uitspraak der "oe" als "u". Een Engelschman, de heer Edwards, die zich in den nieuweren tijd door zijne phrenologische onderzoekingen een naam maakte, heeft bij de tegenwoordig aan den Po wonende menschen, zelfs dezelfde schedel- en gelaatsvorming gevonden, welke men bij hen, die langs de Rhone en de Loire wonen, aantreft; hij heeft gemeend, daardoor te kunnen bewijzen, dat deze zoogenaamde Italianen, met betrekking tot hun bloed en hunnen lichaamsbouw, nog heden tot de Galliërs of Celten behooren.

De verbinding der Italianen met de Galliërs dateert van onheugelijke, vóór-historische tijden. Hunne eerste aanraking met de Germanen laat zich iets beter nawijzen. Het was niet lang voor de geboorte van Christus, toen zij, onder den naam van "Cimberen en Teutonen," hunne oorspronkelijke woonplaatsen in het Noorden verlieten, en voor het eerst ten Zuiden der Alpen verschenen.--Sinds dien tijd echter, zijn de Italianen om zoo te zeggen altijd met hen in strijd geweest, zonder dat echter noch de Duitschers in massa in Italië, noch de Italianen bij de Germanen op die wijze inheemsch geworden zijn, als de hun nader staande Galliërs.--Een diep gewortelde afkeer voor elkander schijnt de naturen dezer beide, zoo sterk met elkander contrasteerende, landen en stammen eigen te zijn. De Italianen vermochten het Rijn- en Donauland nooit in die mate te romaniseeren als het Celten-land; zij werden daaruit door meer dan één Varus-slag verdreven.--Omgekeerd hebben ook de onbeschaafde Noordlanders, hoe dikwijls zij ook het fraaie Zuidland binnentrokken, daar nergens op den duur hun ras, hunne taal en zeden heerschend kunnen maken.--"Italië, ofschoon overwonnen, stond tegen hunne betrekkelijk weinig talrijke scharen altijd over, met eene dichte bevolking, met eene oude beschaving en met eene weelderige natuur. Het slikte de binnenrukkende Duitschers altijd naar lichaam en ziel op." Het was aan weerszijden spreekwoordelijk, dat Welschland bestemd was het graf der Teutonen te worden. En bij dezen bleef altijd het oude spreekwoord in zwang: "_Graecia capta ferum cepit victorem._" Het onderworpene beschaafde volk ving de wilde overwinnaars in zijne zijden netten.--De Herulers, de Gothen, de Vandalen zijn, ofschoon zij lang in Italië den baas speelden, allen weder spoorloos verdwenen en weggevaagd.

Alleen de Longobarden maken daarop eene uitzondering. Deze Germanen oefenden inderdaad een zeer merkwaardigen en blijvenden invloed op Italië uit. Zij worden ons als de wijste, koenste en dapperste van alle Italië binnenrukkende Duitsche stammen geschilderd, en men vergelijkt hunne inmenging op volk en land met die der Franken in Frankrijk en met die der Anglo-Saksen in Engeland. Zij verspreidden zich bijna over het geheele schiereiland; zelfs in het Zuiden stichtten zij de lang bestaan geblevene Hertogdommen Spoleto en Benevento, die het grootste gedeelte van Midden-Italië en van het tegenwoordige Napels bevatten. In het Po-dal echter schoten zij het diepst wortel, en smeedden daar de ijzeren kroon, den diadeem der latere zoogenaamde Koningen van Italië, die nog op de plaats ligt, waar de Longobarden dien, eens nederlegden.--Daar zij zich er geheel inheemsch maakten, zoo smolten zij ten laatste geheel met de bewoners van het land samen, en oefenden zij een niet geringen invloed uit op de vervorming der oude Romeinsche taal tot de nieuwere Italiaansche. Zelfs nadat zij zelven reeds in Italianen vervormd waren, bleef nog de door hen ingevoerde staatsvorm, het Duitsche recht en het leenstelsel bestaan. In den beroemden Lombardischen stedenbond, en in de nog heden gebruikt wordende Germaansche benaming "Lombardye" voor het Po-dal, heeft hun volksnaam zich evenzeer behouden, als die der Angelen in "Engeland" en die der Franken in "Frankrijk". Ook verraden de bewoners van dit dal, van Turyn tot aan Ravenna en Rimini, nog heden niet onduidelijke sporen eener vermenging met Germaansche bestanddeelen. "Daar kenmerken de menschen zich" volgens de getuigenis van een Italiaanschen ethnograaf, "nog heden door eene lichtere kleur van haar, blankere gelaatskleur, groote levendige oogen, slanke deftige maar zelden fijne gestalte, van de andere Italianen.--Ook is daar de taal ruwer en rijker aan consonanten, dan daar waar de Germaansche invloed onbeduidend of in het geheel nièt geweest is, zooals in Rome, Toscane en nog meer in Zuidelijk Italië". "Zij munt uit," zegt een Italiaan, "door kracht en kortheid."

Even als de Noordsche spraakklanken, zoo is ook de krijgshaftige geest van het Noorden hier meer te huis gebleven. Napoleon en na hem Oostenrijk en later Victor Emanuel, recruteerden in Noordelijk Italië aan den Po hunne beste Italiaansche regimenten.

Eindelijk vinden wij daar ook nog, op de weide-plateau's en in de boschachtige schuilhoeken van eenige schoone bergen bij Vicenza en Verona, eenige nog heden tamelijk onvervalschte overblijfselen van Duitsch volk, midden in den schoot van den Italiaanschen stam, de herdersdorpen der zoogenaamde _Tredeci_ en _Sette Comuni_, die nog heden ten dage een Duitsch dialekt spreken, en die er roem op dragen afstammelingen der oude Germanen te zijn.

Na de Germaansche volkenbeweging in de de 5de en 6de eeuw, zijn nog ontelbare malen Duitschers over de Alpen Italië binnengetrokken. De Frankische Koningen en de Duitsche Keizers uit het Saksische, Salische en het Hohenstaufsche huis, hebben door kracht van wapenen een dikwijls bestreden heerschersrecht in Italië geldig gemaakt.--Door deze van tijd tot tijd wederkeerende en als de noordewind invallende, zoogenaamde "Romeinen-tochten" der Duitsche Keizers, werden echter geene nieuwe Germaansche bestanddeelen in de massa van het Italiaansche volk gebracht, het waren geene volksinvallen. De Duitsche Keizers verschenen slechts voorbijgaande aan het hoofd hunner krijgshaftige oorlogscharen.--Dikwijls streden zij met Italiaansche troepen tegen de Italianen, die eeuwen lang door tweespalt in partijen verdeeld waren, en onder wie de Duitschers zich, slechts zoo lang hunne tegenwoordigheid duurde, gehoorzaamheid en aanhang verschaften; eene germaniseering van Italië bewerkten zij niet. De Duitsche Keizers, zooals b.v. Frederik II, werden daarbij eerder zelven Italianen. Ook lieten zij het land meermalen door Italiaansche staatslieden en raadgevers besturen, en namen deze ook wel mede naar Duitschland. "Telken male echter," zegt een Italiaansch geschiedschrijver, "waschte de eerste lenteregen het bij deze "Romeinen-tochten" vergoten bloed weer weg. De eerste oogst, rijk gevoed door een bodem, bemest door de lijken der Noordlanders, maakte de schatting weder goed, die de verkwisting der soldaten noodig gemaakt had, en de zonen van het Zuiden wischten zich de tranen uit de oogen, grepen weder naar de lier en begonnen weder op hunne eigenaardige wijze te zingen als een zwerm vogels wanneer de stormwind voorbij is."--Dat deze voorstelling over het geheel de ware is, bewijst onder anderen de Italiaansche taal. Want het is verwonderlijk, hoe weinig Duitsche woorden, trots al die scharen van duizend en nog eens duizend Duitschers, die naar Italië gekomen zijn, aan haar bleven hangen. Uitdrukkingen als: "_guerra_" (weer), "_arnese_" (harnas), "_stivali_" (stevels), "_caccia_" (jagt), "_fiasci_" (flesch), "_bicchiere_" (beker), hebben alleen op jagt, oorlog en drinkgelagen en dergelijke zaken betrekking.--Overigens zijn, naar men zegt, in de locale dialecten van enkele bergdalen, zelfs in de Apennijnen, zulke Duitsche spraakbrokken meer bewaard, dan in de Italiaansche spreek- en schrijftaal.

Even als met de Celten en Germanen, zoo zijn eindelijk de Italianen ook met de derde groote Indo-Germaansche volkengroep, met de Slawen, in aanraking gekomen.

In den Noord-Oostelijken hoek van Italië woonde reeds lang een volk, dat de geographen der ouden voor Illyriërs (Albaneezen?) hielden, en dat zij "Venetiërs" noemden, van welken naam hun land ten Noorden der Adriatische zee, den zijnen "Venetia" ontleende. Wegens de overeenkomst van dezen naam met dien onzer Slawische "Wenden", en op andere gronden hebben verscheidene historici vermoed, dat deze oude Venetiërs, van wie de stad Venetië haren naam ontleende, oorspronkelijk Slawen geweest zijn, die eerst later geitalianiseerd geworden zijn.--De nog heden den Venetiaanschen mond eigene zachtheid van toon, vooral in tegenstelling met den harden toon der Lombarden, zouden een gevolg dezer Slawische verwantschap zijn. Ook hebben verscheidene namen der, nu Italiaansche, steden in de nabijheid van Venetië, zooals "Triest", "Pola", "Grado" en andere, een Slawisch karakter.