Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 40

Chapter 403,521 wordsPublic domain

Gebrekkigen, krommen of dwergen komen bij hen zelden voor. Veel meer daarentegen ziet men onder hen, die toch zoo weinig werk van lichamelijke schoonheid maken, de fraaiste vrouwengestalten, met de slankste taille en den sierlijksten lichaamsbouw, ware modellen voor eene Preciosa of Esmeralda,--meisjes, die haar leven lang door alle mogelijke guurheid en veranderlijkheid van weer en wind mishandeld werden, en die een dichter wel met eene in den tuin opgekweekte hyacinthe--in snit en glans met de oogen der Indische Princes Damajantie zou kunnen vergelijken--die nooit anders dan grof werk verrichten, en die toch het water en het voeder voor de paarden van haren vader en andere lasten met een natuurlijke bevalligheid dragen, als deden zij het op het tooneel op de maat der muziek, zooals de geoefende koorzangsters in de opera "la Muette de Portici." Zoo vond ik het ten minste niet zelden in de Krim en in de Donau-Vorstendommen. Zelfs wanneer zij in den ouderdom, die bij haar reeds vroeg invalt, leelijk worden, dan heeft die leelijkheid altijd nog een zekeren stijl. "Het voorkomen van oude Zigeuner-vrouwen is somwijlen afschrikwekkend, heksachtig, hoogst phantastisch, maar bijna nooit gemeen."--Worden die jeugdige Zigeuner-schoonheden, zooals zulks in Rusland, b.v. in Moskou, somwijlen geschiedt, door voorname en rijke vrijers op de steppe ontdekt, als echtgenooten aan haar nomaden-leven onttrokken en in de hoogere kringen der maatschappij verplaatst, dan leeren zij, zoo zij niet als die Charlotte Stanley hunnen minnaar ontloopen, zich ook daar spoedig te huis gevoelen, en ontwikkelen zij, nu zij geen water meer behoeven te dragen, de haar aangeborene lieftalligheid in den beschaafderen gezelligen omgang der hoogere standen.

Dat eenerzijds in Turkije en anderzijds ook in Duitschland, de Zigeuners op die in de Donau-provinciën gelijken, alsof zij tweelingbroeders waren, is gemakkelijk te begrijpen uit de nabijheid dezer landen, die, zooals reeds gezegd is, dikwijls onderling van bewoners en koloniën verwisselen.--Merkwaardiger echter is het, dat zij ook in zulke afgelegene eilanden en schier-eilanden, zoo als b.v. in Skandinavië, Jutland, Schotland en Spanje, hunne eigendommelijkheid zoo zeer bewaard hebben.--De Zweden brachten in den dertigjarigen oorlog met hunne legers een geheel korps Zigeuners mede, en de Denen hadden, bij de belegering van Hamburg, niet minder dan drie kompagniën Zigeuners, waarvan zij gebruik maakten op dezelfde wijze als de Russen van hunne Baschkiren en Kozakken, namelijk tot het doen van strooptochten, tot spionnendienst, tot het doen van fourageeringen, tot het uitplunderen en verwoesten der vijandelijke landen.

Volgens de mededeelingen van een Deensch schrijver, trekt nog heden ten dage, op de onbebouwde heidevelden van Jutland een landloopersvolk rond, dat door de Jutsche boeren de "Natmänds" genoemd wordt, en waarin moeielijk iemand echte Zigeuners miskennen kan.--Alle pogingen, om deze half wilde Jutsche "Natmänds" tot een ordelijk, kalm leven te brengen, zijn tot nu toe mislukt. Zij hebben donkere gezichten en scherpe trekken, die hoegenaamd geene gelijkenis hebben met die der Jutsche boeren. Familiesgewijze trekken zij bij troepjes van plaats tot plaats rond. Zij verstaan allerlei kleine handwerken, het slijpen van messen, het ketellappen, het ruiten inzetten, en hunne vrouwen het voorspellen en door tooverij aan den dag brengen van gestolen voorwerpen. Stelen en bedelen is hun voornaamste handwerk. Ook nemen zij menige verrichting op zich, die de Jut beneden zich acht. Deze beschouwt hen in even hooge mate voor onrein, als de Bramien de Hindostansche paria's.--"Een apart vaatwerk, nap of bak, die buiten hem alleen nog door den hofhond gebezigd wordt, is goed genoeg voor den armen 'Natmänd' die den Jutschen boer op zijne hoeve opzoekt, en de Jut zou liever honger lijden dan gebruik te maken van eene schaal, die door een Natmänd gebruikt is." Zij bezigen eene taal, die in Jutland "potjes-latijn" genoemd wordt, dat misschien echter niet anders is dan de oude verbasterde Sanskrietsche Zigeuner-taal.--Even als in andere landen, worden ook daar de kinderen dezer heide-Nomaden gedoopt, doch even als elders nemen zij ook daar, behalve het doopwater, weinig van het Christendom over.

Want de Zigeuners betoonen zich overal zoo onverschillig voor godsdienstzaken, als geen tweede volk van Europa. Zij zweren, om vervolgingen te ontgaan, bij de Turken op den _Koran_, en zij kussen, als zij zich in een Christelijk land bevinden, het _kruis_. In ieder nieuw dorp, waar zij komen en waarin zij een anderen godsdienst aantreffen, hebben zij een ander geloof; nu eens zijn zij Katholiek, dan Luthersch, hier behooren zij tot de Gereformeerde, daar tot de Anglikaansche kerk. Voor het overige blijft hun zoowel de leer van Mohamed als die van Christus, zoowel de grondstellingen van den Paus als de catechismus van Luther even onbekend; dat is waarschijnlijk ook de reden dat de Nederlanders hun geen beteren nationalen naam wisten te geven, dan dien van "heidens".

Daar er bij hen niet eens mythen bestaan, die zouden kunnen bewijzen, dat hunne gedachten zich met bovenaardsche dingen hebben bezig gehouden, dat ook slechts hoop op een leven na dit leven bij hen is opgekomen, zoo is dien tengevolge ook hunne liefde voor dit aardsche leven en hunne vrees voor het einde van hun bestaan, veel grooter dan zij bij eenig ander der geplaagde, onderdrukte en vervolgde volkeren zijn; deze toch beschouwen den dood wel eens als hun verlosser.

Op de Britsche eilanden zijn de Zigeuners,--die door Sir Walter Scott in eenige zijner uitstekende romans even meesterlijk geteekend zijn als door Cervantes in Spanje, door Puschkin in Rusland, Spindler in zijn "Jood" in Duitschland, Victor Hugo in zijn "Notre dame de Paris" in Frankrijk,--even rustelooze omzwervers geweest, als overal elders, en hebben daar ook, even als overal, hunnen stam zuiver bewaard. Ja! naar het oordeel van een Engelsch schrijver, hebben zij zich daar zelfs onvermengder bewaard, dan ergens anders. Zij hebben daar zelfs in het reeds door mij genoemde Koninklijke woud van Southampton, eene soort rendez-vous gehad, en verdeelen zich daar even als elders in verscheidene tribus of clans, die hunne bijzondere opperhoofden hebben en bijzondere namen dragen. Een dezer Engelsche Zigeuner-stammen heet "de Stanleys", een andere "de Levells" enz.

In Schotland hebben zij in eene wild-romantische landstreek van het Cheviot-gebergte, hun hoofdkwartier bij een dorp dat Kirk-Yetholm heet, en schertsenderwijze ook wel "_the Metropolis of the Gipsy-kingdom of Scotland_ (de hoofdstad van het Zigeuner-koningrijk in Schotland)" genoemd wordt. Van de Schotsche Zigeuner-vrouwen zegt een presbyteriaansch priester, die haar in een werkje beschreven heeft: "zij zijn in hare bewegingen zoo natuurlijk, liefelijk en gracieus, en hebben dikwijls zulke goede manieren, dat men bijna meenen zou, dat zij aan een Europeesch hof opgevoed zijn." En dit is ongeveer hetzelfde, wat ik zelf reeds aangaande de Tataarsche Zigeuners in Zuid-Rusland opgemerkt hebt.--Van de mannen onder de Schotsche Zigeuners zegt dezelfde autoriteit: "zij zijn bij hunne onderlinge twisten, waartoe men dikwijls geene aanleiding ontdekken kan, boven mate wild en heftig, geven daarbij aan de belachelijkste woede toe, en bedienen zich daarbij van de meest phantastische verwenschingen. Zelden echter komt het, niettegenstaande hunne hartstochtelijkheid, tot ernstige kloppartijen. Het blijft bij een krabben, knijpen, plukharen."--Ook dit stemt buitengewoon overeen met hetgeen men bij de Zigeuners aan den Donau en aan den Pontus kan opmerken, waar men, wanneer in een tent twist ontstaat, onwillekeurig aan het krijschende geschreeuw denkt, dat naar de beschrijving der reizigers dikwijls door de apen der Zuid-Amerikaansche wouden, ook zonder merkbare aanleiding, aangeheven wordt, en dat ook zonder zichtbare oorzaak, als eene plotselinge windstilte en verzoening weder gaat liggen.

Ook bij de onbegrensde en dikwijls roerende liefde der Zigeuners voor hunne kinderen, moet men weder aan de zooeven genoemde woudbewoners denken. De Zigeuner-moeders troetelen hare zuigelingen zoo en houden zich zoo onophoudelijk met hen bezig, als waren deze wichtjes het eenige wat zij aanbidden. Kindermoord is bij hen, evenals bij de Indianen van Amerika, iets ongehoords, en even als dezen beantwoorden zij slechts met liefkozingen en vleierijen, zelfs den uitgelatensten moedwil dezer kleine zwarte kobolds, die nimmer met de heilzame roe kennis maken.

Deze liefde jegens hunne eigene afstammelingen, strekken zij echter tot hun geheele ras uit, wier leden, even als de kinderen Israëls, als klissen aan elkander hangen. Zij verloochenen hunne natuur nooit. Terwijl zij over het geheel genomen niets hebben, van hetgeen men sociaal instinct noemt, blijven zij in hunne familiën als met ijzeren banden aan elkander gebonden. Zij noemen elkander broeder en zuster. Zij ondersteunen elkander over en weer, en een Zigeuner is nooit in nood, zoolang hij nog bloedverwanten en stamgenooten in zijne nabijheid heeft, die helpen kunnen.

Ook sluiten zij zeer zelden huwelijken met menschen die niet van het "echte," van hun eigen volk zijn. Zij bezitten--merkwaardig genoeg--een diep verborgen nationalen-trots en zijn, wat men bij deze "verworpelingen" het allerminst verwachten zou, in zeldzaam hooge mate ingebeeld en trotsch. Iedereen verwerpt hen en hunnerzijds wreken zij zich daardoor, dat zij zich _boven allen_ stellen. Even als de Osmanen betitelen zij alle andere volken met den scheldnaam: "Gadschi" of "Giaur". Zij zelf echter zijn de "Rannitschel" (de kinderen der ware moeder of menschen). Het is, als wilden zij daarmede tegen allen hun door anderen aangedanen smaad, in naam van het ook in hunnen boezem niet gestorven gevoel van menschenwaarde, protesteeren.

Van het leven der Zigeuners onder elkander en hoe zij als broeders voor elkander partij kiezen, verhaalt men overal zeer treffende voorbeelden; in Spanje b.v. het volgende:

In Cordova werd eens een Zigeuner, die eenen Spanjaard bij eene kloppartij doodgeslagen had, ter dood veroordeeld. De geheele "Gitaneria" (het Zigeunerdom) van Cordova kwam in beweging, en deed de grootste moeite om hunnen broeder te redden. Verzoekschriften werden aan invloedrijke personen gezonden, petities werden onderteekend, welsprekendheid en geld werden aangewend, om het verschrikkelijke doodvonnis in eene eenvoudige verbanning naar Ceuta in Afrika te veranderen. Een rijk Zigeuner bood den Spanjaarden 5000 kroonen, als losprijs voor den gevangene. Alle trouwe stamgenooten droegen naar hun vermogen er toe bij om dezen losprijs te vermeerderen. Maar te vergeefs! De vermoorde Spanjaard had machtige vrienden, en men was _besloten_ een voorbeeld te stellen. Het zwarte schavot werd op het marktplein opgeslagen, het zwaard was gescherpt en getrokken. Toen, toen zij zagen dat alles te vergeefs was en nog eer de slag viel, maakten alle Zincalo's der voorsteden van Cordova zich op, om het bloed van hunnen broeder niet te zien vloeien, sloten hunne hutten en trokken met paarden en muildieren en al hun roerend goed heen, terwijl zij de stad voor eeuwig in den ban deden en besloten haar nooit weder te betreden.

Langs welken weg de Zigeuners naar Spanje gekomen zijn, is niet bekend. Het volk daar, houdt hen voor afstammelingen der "Morisco's" of Mooren. Dit, zoomede de omstandigheid, dat zij in de dalen van het Pyreneesche schiereiland, die het langst in handen der Mooren bleven, in Andalusië en Grenada het meest verbreid zijn, en vervolgens ook de bij de Spanjaarden gebruikelijke benaming "Gitanos," d.i. Egyptenaren, schijnt er op te duiden, dat zij, even als de andere Oostersche volken, misschien over Egypte en Noord-Afrika naar het Pyreneesche schiereiland gekomen zijn. Hadden de Spanjaarden hen langs Noordelijken weg, uit Duitschland en over Frankrijk gekregen, dan zouden zij wel den bij de Franschen gebruikelijken naam "Bohemiens" (Bohemers) voor hen aangenomen hebben.

De eigendommelijkheden in het karakter die den Spaanschen Gitanos worden toegeschreven, zijn daarom ter vergelijking, bijzonder belangrijk en opmerkenswaardig.--Zij stemmen in alle deelen overeen met die, welke men bij hunne broeders aan het tegenovergestelde einde van Europa ontdekt, en bewijzen, dat dit volk ook bij zijn tocht door Afrika, en tot aan de uiterste punten die het bereikte toe, geheel hetzelfde gebleven is. Hunne taal heeft in Spanje dezelfde Sanskritische elementen als elders, en de physionomie dezer oude, eerwaardige taal komt ook bij hen, "als een in lompen gekleed wijsgeer, uit de hun eigen geworden fragmenten van vreemde taaleigens te voorschijn."

Hunne bezigheden en neigingen zijn daar dezelfde als elders. Huwelijken tusschen Spanjaarden en Zigeuners vinden uiterst zelden plaats, en het ras bestaat, volgens getuigenis van Borrow, den geschiedschrijver der Spaansche Zigeuners, zeer zuiver en onvermengd, even als in Engeland, in Schotland en aan den Donau. Het is in Spanje den welwillenden Karel III even weinig gelukt, hen te beschaven en aan een rustiger leven te gewennen, als in Oostenrijk den humanen Jozef II. Het aankweeken van paarden, bedriegelijke paardenhandel en paardenroof is daar, even als in Hongarije, in zoo hooge mate hunne liefhebberij, dat de Spanjaarden, om deze bezigheid uit te drukken, het woord "Gitaneria" (zigeunerij) gebruiken. "De Spaansche Gitano" zegt Borrow, "is het lichtzinnigste, ongeloofwaardigste, wankelmoedigste en ondankbaarste schepsel ter wereld. Zijn weldoener verraadt hij, zonder zich er het minste gewetensbezwaar van te maken, en wat hij in den morgen verdient, verkwist hij reeds voor den avond."

Dit alles en _in één woord ook alles anders_, wat men bovendien nog aangaande de Spaansche Gitanos aangemerkt vindt, komt zoozeer overeen met wat wij van de Zigeuners in andere landen hoorden, dat het nauwelijks noodig zijn zal, de portretten nog eens in al hunne bijzonderheden te vergelijken, om de stelling te bevestigen, dat dit Aziatische volk door geheel Europa heen, en men kan er aanstonds bijvoegen, ook in Brazilië en in andere gedeelten der nieuwe wereld, waarheen hen het noodlot in den nieuweren tijd eveneens gevoerd heeft, op eene hoogst wonderbare en op even beklagenswaardige wijze zich zelven trouw is gebleven.

Ook bij de Joden heeft men dikwijls deze zelfde buitengewone taaiheid en onveranderlijkheid van het nationaal-karakter opgemerkt. Bij de Zigeuners echter is zij toch nog veel merkwaardiger en onverklaarbaarder dan bij de Israëlieten, Turken, Armeniërs of bij alle andere Aziaten.--Bij de Turken, wien eene zoo groote politieke macht ter zijde staat, en die in geconcentreerde massa te samen leven, laat zich de zaak gemakkelijk begrijpen. Het andere onder de geheele Europeesche familie verspreide volk, de Israëlieten, heeft zijne nationaliteit op stevige fundamenten opgetrokken. Zij hebben grootsche overleveringen, eene heldhaftige en geloofwaardige geschiedenis. Zij bezitten eene zeer beschaafde taal en rijk ontwikkelde literatuur. Hun geheele huiselijk en innerlijk leven wordt door eene aaneenschakeling van oude, zeer duidelijke bepalingen geregeld en bijeengehouden. Zij zijn eindelijk een door en door godsdienstig volk. Hun godsdienst, die hun geheele leven doordringt, is hoogst eigenaardig. Zij beschouwen zich als Gods uitverkoren volk, en ieder individu is even als het geheel, door dit geloof bezield. Hoe geheel anders is zulks het geval met hunne lotgenooten, met den even als zij, in de wereld rondgeworpen en voorttrekkenden stam uit Hindostan. De Zigeuners hebben niet eens Goden gehad. Zij hebben geene vaste grondstellingen en gebruiken, geene geschiedenis, zelfs geene overlevering, ja nauwelijks een hun eigenaardig bijgeloof: want ook de verschillende soorten van _bijgeloof_ der volken, tot welke zij zich begeven, nemen zij even gemakkelijk aan, en laten zij even gemakkelijk weder varen, als hunne godsdiensten. Zij hebben ook geene bijzondere, hen van anderen onderscheidende, uiterlijke kenteekenen behouden, geene nationale kleeding, geen bijzondere soort van doop of eenige andere het volk eigene kenteekenen. Bij de Tataren kleeden zij zich Tataarsch, bij de Spanjaarden Spaansch, en overal hebben zij zich in de lompen gekleed, die de andere volken hun toewierpen. Hun woordenboek heeft, zooals de geleerde Pott aantoont, geene uitdrukking voor het begrip "hebben" en "bezitten", ook geen voor "moeten" of "plicht" of "wet". Zij hebben hunne geheele "zaak op niets gesteld." Zij zijn onder ons opgegroeid, zooals luchtplanten, zonder wortelen, zonder bodem, zonder vaderland. Zij vormen ook nergens zulke talrijke en compacte gemeenten, als de Israëlieten. Zij leven luchthartig en los, nauwelijks stamsgewijze, maar overal alleen familiesgewijze, en deze Zigeuner-familiën zijn als het onkruid dat men op de steppen van Rusland aantreft, dat daar "de windsbruid" genoemd wordt, en dat, zijne zaadkorrels en bloesems met zich medevoerende, van den grond losgerukt, door den wind, door de lucht en over de heuvels gevoerd,--als het water in droppels en atomen over Europa verbreid wordt. Hun ontbreekt in één woord alles, wat eene duurzame en blijvende nationaliteit verzekert. En niettegenstaande dat alles, zijn toch die atomen onder het gewicht der andere op hen drukkende nationaliteiten, tot nu toe nog niet verdrukt; niettegenstaande dat alles bezit, zooals ik reeds trachtte aan te toonen, ieder droppeltje uit die bron tot op den huidigen dag geheel en al de kleur, de temperatuur en het karakter van het geheel, als waren het niet schuim en bellen, maar ontelbare harde granietblokken. Hun geheele bestaan en behoud is in de geschiedenis van het Europeesche menschengeslacht een raadsel, dat wij alleen bewonderen maar niet voldoende verklaren kunnen.

DE ITALIANEN.

Van de groote bergkern van Midden-Europa, de Alpen, scheidt Zuidwaarts de lange tak van het Apennynsche kalk-gebergte zich af, dat in Zuidelijke richting voortloopende, in de Middellandsche Zee zich uitstrekt.--Met de talrijke kleine plateau's en dalen, waarmede zijne Oostelijke en Westelijke hellingen voorzien zijn, met de grootere vlakten, die aan weerszijden tegen hem aansluiten als spieren tegen den ruggegraat, vormt hij een grooten en breeden landendam, die als een slinger midden in de zee neêrhangt, en door een driehoek van groote, naburige eilanden omgeven is.--Het is de "_Bella Italia, de l'Apennin divide é l'mar circonda_" [10].

De natuur heeft dit schoone land, als een eigenaardig lid van ons vasteland, met een scherp uitgedrukt en, trots alle verschil in enkele zaken, met een in algemeene hoofdtrekken, gelijk karakter en wezen voorzien. Nauwelijks heeft men den Alpenmuur, die dit schiereiland in het Noorden omslingert en het van het middelste hoofdlichaam van Europa scheidt, overschreden, of men meent zich in eene andere wereld te bevinden. Eene zachtere lucht waait den reiziger uit de met duizend bekoorlijkheden getooide tuinen van het Po-land tegen. De lucht heeft zich ontdaan van hare Noordsche nevelen en dampen. De geheele natuur, de atmosfeer en het gansche landschap openbaren een nieuw karakter.--En dit karakter blijft over de geheele lengte van dien vulkanischen dam, met menigerlei wijziging in zoo hooge mate hetzelfde, dat al zijne Zuidelijke en Noordelijke, Westelijke en Oostelijke gedeelten veel minder met elkander een contrast vormen, dan het geheele schiereiland met andere gedeelten van het vaste land, aan gene zijde der Alpen of aan gene zijde der zee.

Met betrekking tot zijne gedaante, is het Apennynsche schiereiland veel minder compact dan het land der Pyreneën of dan Frankrijk in het Westen; niet zoo verbrokkeld als Griekenland in het Oosten, en veel slanker gevormd en veel meer opengesteld aan de invloeden der zee, dan de tot dit land neigende gedeelten van Afrika in het Zuiden. En bovendien vormt het met al deze zijne naburen in vele andere betrekkingen een contrast.

Het vormt daardoor een zeer scherp afgeteekend op zich zelven staand gedeelte van ons vasteland--een door de natuur afgeperkten tuin, die bestemd scheen, het vaderland van een bijzonder en op zich zelven staand menschengeslacht te zijn.

De van het Noord-Westen naar het Zuid-Oosten loopende keten der Apennijnen, deelt het land in twee deelen. Eene reeks kleine dalen en smalle vlakten wordt aan de Oostzijde aangetroffen. Zij is naar de Adriatische zee gekeerd, maar aan den invloed van Noorde- en Oostewind blootgesteld; ligt in het gezicht van Illyrië en Albanië, en hare zuidelijkste uiteinden loopen geheel uit in de naburige wateren van Griekenland.--Eene andere reeks dalen, berghellingen, rijk met allerlei kruiden begroeid, vruchtbare vlakten en fraaie golven en baaien slingeren zich langs de westzijde heen. Zij staan meer open voor de warme Zuide- en zachte Westewinden. Zij hebben een grooteren rijkdom aan dalen en eilanden. Aan dezen kant is het aangezicht van Italië, de beteekenisvolle en geschiedkundige glanszijde van dit lichtland, dat naar het Oosten zijne schaduw- en rugzijde heeft.

Daar in het Westen liggen hare bekoorlijkste landschappen, de liefelijke dalen van den Arno en den Tiber, het vroeg beschaafde Etrurië; verderop het hoofd-middenpunt der beschaving en macht-ontwikkeling, Rome; vervolgens het weelderige Campanië, het paradijs van Napels en andere brandpunten van het Italiaansche leven. De kust loopt langs de binnenzee, die gewoonlijk de Toscaansche genoemd wordt. Even als het hoofdlichaam van het schiereiland zelf, zoo slingeren zich ook de groote Italiaansche eilanden om deze binnenzee heen, en sluiten haar als het ware in: slechts door vier groote straten of waterpoorten heeft deze groote binnenzee met het hoofdlichaam der Middellandsche Zee gemeenschap. Men zou deze binnenzee de Westelijk-Italiaansche kunnen noemen, even goed als men den Archipelagus, het wezenlijke Grieksche levens-bekken genoemd heeft.--De schiereilanden van Griekenland en Italië staan in geographischen zin in omgekeerde rede tot elkander. Het eerste sluit zich tegen het Oosten aan open en heeft zijn rug in het Westen in de bergen van Albanië en Epirus. Dit daarentegen opent zich tegen het Westen, en keert den rug naar het Oosten. De beide elkander anders zoo verwante en naburige landen keeren het gezicht dus van elkander af. In deze verhouding is dan ook de oorzaak te zoeken, dat de Italianen altijd meer met het Westen, de Grieken--hetzij als overheerschers, hetzij als onderworpelingen--meer met het Oosten verbonden waren.

Aan water heeft Italië geen gebrek. De hoeveelheid regen en dauw, die in den loop van een jaar op haar oppervlakte nedervalt, is veel grooter dan in de naburige schiereilanden, Griekenland, Spanje en Afrika. Het is het rijkelijkst bevochtigde land aan de Middellandsche Zee. Van de Alpen-gletschers stroomen nimmer opdroogende rivieren in zijne lachende dalen neder, en in de hellingen der Apennijnen ontspringen tallooze bronnen, beken en watervallen. Vele grond-verdiepingen aan den voet der Alpen en langs de bergketen der Apennijnen, zijn dientengevolge met prachtige meren--in het drooge Spanje eene zeldzaamheid--voorzien.