Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 4

Chapter 43,629 wordsPublic domain

Ook de Corsicanen, met wier volksnaam men de benaming van het handwerk der "corsaren" (zeeroovers) in verband gebracht heeft, waren in het binnenste van hun eiland, van oudsher niet veel beschaafder dan de oude oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika, de Barbarijers. Roofzucht, bloedwraak, de ruwheid van de herdersvolken, haat en verachting voor alle nieuwigheden en veranderingen, heerschen nog heden bij hen, ofschoon zij reeds sedert eene eeuw tot een beschaafden staat behooren, en Frankrijk veel gedaan heeft om hen naar dezelfde regelen als de andere Franschen te regeeren. De bruinachtige gelaatskleur, de kleur van het haar, de uitdrukking van het gelaat en de geheele vorming van het lichaam der zoogenoemde "Italiaansche" eilanders schijnt er op te wijzen, dat zij in zekere mate een overgangsvorm uit Afrika naar Europa zijn.

En wat eindelijk de bevolkingen van Spanje en Portugal betreft, deze zijn, voornamentlijk in het zuidelijke deel dezer landen, nog heden ten dage dikwijls met Afrikaansche (Moorsche) elementen bezwangerd. Niettegenstaande later christelijke Koningen van Spanje, de Mooren en Morisco's van hun land, op eene allerwreedaardigste wijze deden vervolgen, en ofschoon het hun gelukte hun rijk van hen die hun geloof trouw bleven, zooals zij het noemden te "zuiveren," zoo hebben zij toch het Moorsche of Afrikaansche karakter, bij de bevolking van Andalusië, Granada, Murcia, Valencia, niet geheel kunnen doen verdwijnen. Het is een ten deele eeuwenoud, en reeds ten tijde der Pheniciërs en Carthagers hier ingeworteld karakter. Takken van Arabische industrie bloeien, al is het dan ook op vrij wat jammerlijker wijze dan ten tijde der Abderhamans, daar nu nog; en onder de zwarte sluiers, in snede en maaksel van Arabischen oorsprong, der schoone dames van Cadix en Sevilla, schittert dezelfde gloed der donkere oogen, reeds door Arabische dichters bezongen.--Zeer veel in de levenswijze, kleederdracht, zeden, dansen en volksliederen, der bewoners van het zuidelijke deel van het Pyreneesche schiereiland, is van Afrikaanschen oorsprong. Vele, nog heden geldende geographische namen in die streken zijn Arabische benamingen, die door de Spanjaarden eenigzins gewijzigd zijn. Zulke benamingen dragen daar rivieren, b.v.: de Guadalquivir, Arabisch _Werd al Kebir_ (het groote water); steden, b.v. Gibraltar, Arabisch "_Dschebel al Tarik_" (de rots van Tarik); provinciën, b.v. Algarvië, arabisch _El Garb_; bergketens b.v. de Alpujarras, Arabisch _Alboscharat_. Een zeer beroemd bergland heet nog heden het _Moorsche_: "Sierra Morena."

Dergelijke geographische sporen en monumenten der volksverhuizingen uit Afrika naar Europa, treffen wij nog veel meer noordelijk aan, b.v. in een dal der Helvetische Alpen. In het kanton Wallis is nog heden ten dage eene geheele reeks namen voor bergpaden, afgronden, gebergten en dorpen in gebruik, die hun Arabischen oorsprong duidelijk verraden. _Piz del Moro_ (de top der Mooren), _Monte-Moro_ (de Mooren-berg), _Fontane More_ (de Mooren-bronnen), en de plaats-namen "Allalie," "Alangel," "Algabi" zijn eenige der Arabische namen in dit land. Ten tijde toen de Arabieren en Mooren in Spanje en Zuid-Frankrijk machtig waren, hebben, zegt men, zich eenige Saraceenen uit Noord-Afrika in de bergpassen der Alpen, voornamentlijk in de kloven van den St. Bernard nedergezet, vanwaar zij het zuiden en het oosten van Zwitserland onophoudelijk beoorloogden, tot in 954, in welk jaar zij zelfs St. Gallen bedreigden. Van hen zouden deze Arabische namen, in deze zoover van de Arabieren en Mooren verwijderde landstreek, wier zwartharige, bruinkleurige inwoners, volgens de opmerkingen van een reiziger, nog heden eene Arabische afstamming verraden, afkomstig zijn; ofschoon zij anders in zeden, taal en levenswijze van hunne blonde Duitsche en Fransche naburen niet meer verschillen.

Ja, bij het Waadlandsche dorp Saas, maken deze dalbewoners nog, ter bevochtiging hunner Alpen-matten, gebruik van eene oude waterleiding, die de Saraceenen daar, hoog boven het dorp en boven de toppen der boomen uit, in de rotsen hebben uitgehouwen. Dat is dan wel een het verst naar het binnenste gedeelte van ons werelddeel vooruitgeschoven post, van die merkwaardige verhuizingen, veroveringen en invloeden uit Afrika; het meest nabijgelegene spoor der zamenvlechting en zamensmelting der bevolkingen van beide werelddeelen, dat ik aanwijzen kan, en hiermede sluit ik daarom dit hoofdstuk.

OOSTELIJKE NABUREN VAN EUROPA.

TARTAREN, MONGOLEN, ENZ.

Er bestaan tamelijk gegronde redenen om te vermoeden, dat eens niet alleen de Kaspische zee en het meer Aral eene zamenhangende watermassa vormden, maar dat die groote binnenzee zich ook ten noorden van den Kaukasus uitbreidde en zich met de zee van Azof en de Zwarte zee vereenigde, terwijl zij in het westen de vruchtbare streek van Oostelijk Europa, en in het noorden den zuidelijken voet van het Uralisch gebergte bespoelde. In het oosten reikte die binnenzee tot aan den aanvang van het centraal-Aziatisch hooggebergte. Had deze voor-historische binnenzee een duurzaam bestaan gehad, dan zou ons werelddeel, door eene bijna onoverkomelijke natuurlijke grens, van de Aziatische binnenlanden gescheiden zijn geweest. De ons onbekende natuur-veranderingen, tengevolge waarvan de Zwarte zee, die van Azof, de Kaspische en de Arabische zee zich in afzonderlijke bassins oplosten, en zich binnen de tegenwoordige engere grenzen terugtrokken, hebben veroorzaakt dat sedert dien tijd, het Zuid-Oosten van Europa zich meermalen nauw verbonden heeft met Azië. De bergvolken konden zich nu droogvoets van den Kaukasus verder westwaarts begeven. Vooral echter is daardoor eene groote breede opening, tusschen het noordelijk uiteinde der Kaspische zee en den zuidelijken voet van den Ural ontstaan, en deze is van oudsher eene der merkwaardigste volken-poorten voor Europa geweest. De Kaspische zee liet, toen zij het noordelijk gedeelte van haren diep ingezonken bodem ontblootte, een uitgestrekt en woest land na, welks grondgesteldheid nog heden ten dage aantoont, dat het vroeger met water bedekt geweest is. Het is een uitgestrekte, boomlooze, zoutachtige steppengrond, die met zand, kiezel, mosselschelpen en ontelbare zoutkorrels, de overblijfselen der vroeger hier woedende baren, bedekt is. En deze onhuisselijke steppen-natuur loopt in zuidelijke richting voort tot aan de vlakten van Perzië, oostelijk tot aan het begin van den hoogen bergmuur van den Bolortagh, waarvan twee groote rivieren afstroomen, die de beroemde vruchtbare oasen van het oude Baktrië besproeien.

In het Noord-Oosten breidt zich deze onverkwikkelijke grondgesteldheid, zonder bepaalde grenzen naar Siberië uit, en in het Noorden eindigt zij aan den zuidvoet van het met bosschen begroeide Ural-gebergte. In het westen dringt zij tusschen den Ural en de Kaspische zee, door het gebied der beneden Wolga, Europa binnen, waar deze woeste vlakte een vruchtbaar land ontmoet, dat ten minste iets boven de oude zee-oppervlakte verheven is. Dat geheele groote bassin, in welks midden het meer Aral gelegen is, en waarin de Kaspische zee zich van den Kaukasus af rondkronkelt, is een der eigenaardigste diepten van den aardbodem. Het ligt met al zijne meeren en rivieren, nu nog merkelijk lager dan de Zwarte- en Middellandsche zee. Alexander von Humboldt en andere geleerden hebben daarom over een "afgrond" van de Kaspische zee gesproken, en spraken over de geheele woeste streek, die ons Europa als op sleeptouw medegegeven is, als over een kolossalen, wijdgeopenden "krater". Vroeger noemde men het naar de beide hoofdwateren, die ook nu nog zijne diepste plaatsen bedekken, ook wel het "Aralo-Kaspische bassin", of ook wel de "lage vlakten van Turan", naar een oud Perzisch woord, dat zooveel beteekent als "het land der duisternis", in tegenstelling met Perzië of Iran zelf, dat beteekent "het land des lichts".

Uit den "afgrond" der Kaspische zee, komen op bepaalde tijden van het jaar verschillende soorten van visschen te voorschijn: geheele scharen zalmen, steuren en andere groote waterbewoners, begeven zich stroomopwaarts door de groote kanalen der Wolga, tot diep in het Westen en het Noorden van Oost-Europa, waar zij zich over de neventakken van dat gebied verdeelen. Even zoo trekken uit die zuidelijke, laaggelegene landen, voortdurend geheele scharen land- en watervogels naar het Westen en het Noorden. Zij komen uit den omtrek der Kaspische zee en van het meer Aral, passeeren de bovengenoemde landen-poort tusschen deze zee en den Ural, en verspreiden zich in de lente over Rusland, vanwaar zij tegen den herfst weder naar de streken vanwaar zij kwamen, terugkeeren. Ook de verwoestende zwermen vliegende sprinkhanen, die met andere, minder te vreezen soorten van sprinkhanen daar hun vaderland hebben, vliegen, overal verderf aanbrengende, dikwijls en in groote zwermen door die poort uit Azië Europa binnen.

Met één woord, een groot gedeelte, der levende natuur schijnt hier zich uit het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen en Westen te bewegen. Even als met de dieren, zoo ging het ook van oudsher met de menschen. Met uitzondering van enkele vruchtbare rivier-gebieden en oase-achtige vruchtbare streken in het Oosten en het Zuiden, die reeds in oude tijden de zetels waren der ontwikkeling van volken, die daar hunne bestendige woonplaatsen hadden, en waarin de steden Taschkent, Samarkand, Buchara, Chiwa en hare oude voorgangsters bloeiden, was het geheel bewoond door steeds heen- en weer trekkende Nomaden. Reeds in de oudste tijden, tijdens Cyrus, worden ons als zoodanig de "Massageten" genoemd, en later nog ontelbare andere stammen, die langs hunne zuidelijke grens in onophoudelijken strijd met de meer ontwikkelde bevolking van Iran of Perzië leefden. Aan gene zijde der hooge bergen in het Oosten, meer naar het binnenste van Azië toe, zijn nog andere dorre bassins, die gelijk zijn aan het Aralo-Kaspische bassin, en die ook, even als deze, van de vroegste tijden af door Nomaden bewoond werden: de woestijn "Gobi", die van "Schamo" of de door de Chineezen zoo genoemde "zandzeeën".

Dikwijls reden de Nomaden dezer Oostelijke "zand-zeeën," door de passen der bergen, naar het westelijk bassin aan de Kaspische zee, en brachten zoodoende aan de bewoners daarvan nieuwen toevoer van bevolking en nieuwe meesters. Dikwijls begaven zich omgekeerd de Westelijke Nomaden naar hunne naburen in het Oosten. Maar nog menigvuldiger vereenigden zij zich, en trokken zij door de Uralisch-Kaspische volken-poort, even als die vogels waarvan wij gewaagden, Europa binnen, en verspreidden zij zich daar, om even als de zwermen vliegende sprinkhanen, overal verwoesting aan te brengen.

Men zou haast zeggen, dat de menschen op dien van water beroofden zeebodem, den onrustigen aard dier eens hier klotsende zilte baren aangenomen hebben. Als de zee, zoo woedt en stormt hun geest hier eeuwen lang, en slechts nu en dan, in tijden van rust en vrede, komt zij tot kalmte, even als zulks ook bij de zee het geval is.

Sedert het begin der geschiedenis, waren dergelijke overstroomingen en doorbraken hier aan de orde van den dag. Maar wanneer wij de geschiedenis der eeuwen nagaan, zien wij die overstroomingen nu en dan in omvang tonemen, de baren hooger rijzen en, als een tweede zondvloed, de beschaafde landen overstroomen en de geheele wereld van China tot Rome op hare grondvesten doen schudden, als zouden, waar het menschengeslacht niet verdelgd werd, ten minste al de bloesems der beschaving van den aardbol weggevaagd worden.

Ten gevolge van dergelijke gewelddadige bewegingen, is China herhaalde malen, van het eene einde tot het andere, in handen gevallen der uit het binnenland van Azië komende Nomaden-stammen, maar heeft het zich door zijne onweerstaanbare vastheid van karakter en zijn staatsbestuur, steeds weder er boven op weten te werken, en door omwerking der vreemde bestanddeelen die waren blijven hangen, steeds zijne eigendommelijkheid weten te bewaren.

Eveneens hebben ook de andere beschaafde schiereilanden van Azië, Indië, Perzië en Klein-Azië, herhaalde malen nieuwe bevolking en overheerschers van die zwervende Nomaden-stammen ontvangen; zijn gedurende lange tijd-ruimten in hunne innerlijke ontwikkeling gestoord geworden, en hebben niet dan na veel strijds, hunne onafhankelijkheid en de hun eigene ontwikkeling, even als China, weder kunnen herstellen.

Ons Europa, dat zelfs door onze natuurvorschers soms niet eens als een op zich zelf staand werelddeel, maar meer als een groot aanhangsel van Azië, als een der Aziatische schiereilanden ("zooals Bretagne een aanhangsel van Frankrijk is," zegt Humboldt) beschouwd is geworden; dit Europa schijnt ook door die Nomaden-stammen van oudsher als een gedeelte van Azië aangezien te zijn, en zij zijn het even dikwijls in- en uitgetrokken, als de schiereilanden China en Indië, als maakte het mede een gedeelte uit van hun moederland en van het gebied, waarop zij meenden recht van grazen te hebben.

Gewoonlijk golden die invallen wel alleen de oostelijke gedeelten van ons werelddeel, en meer in het bijzonder de volken der uitgebreide vlakten van Rusland, die den Nomaden als bijzonder geschikt moeten voorgekomen zijn. Slechts tweemaal zijn zij, bij wijze van uitzondering, zoo diep ons vasteland binnengetrokken, dat het scheen als wilden zij daar, even als in Azië, alles mongoliseeren. Eenmaal in het begin der 5de eeuw onzer tijdrekening, toen tengevolge van een aan de Chineesche grenzen uitgebroken strijd onder de herdersvolken, Rome met vernietiging bedreigd werd; toen Atilla, de geesel Gods, de volkeren tot in Frankrijk en Italië, in beroering bracht en hen, als een stormwind de wolken, voor zich heendreef, en ze als een hoop kaf tot naar Spanje en Afrika deed overwaaien. En een tweede maal in het begin der 13de eeuw, toen Dschingis-Chan en zijne bloeddorstige opvolgers door alle langs den Donau en de Wolga gelegene landen heentogen, en tot aan de grenzen van Duitschland de akkervelden onder de hoeven hunner paarden vertrapten. Beide malen hebben Duitsche krachtsontwikkeling ons werelddeel voor eene dreigende mongoliseering gevrijwaard. De eerste maal deden zulks de West-Gothen onder Setius op de vlakten van Châlons, en de tweedemaal de Duitsche ridders onder Hendrik den Vrome van Silezië, op het slagveld aan den voet der Sudeten bij Wahlstatt, waar nog heden ten dage jaarlijks, de den barbaren geleverde, en voor de bevolking zoo merkwaardige slag, herdacht wordt.

Daar deze beide invallen der Aziaten, die bijna een duizendtal jaren na elkander plaats hadden, voor Europa de meest belangrijke geweest zijn, zoo zijn ook de namen, waaronder de Nomaden in beide tijdstippen verschenen, het meest verspreid geworden.

De ruiters van Attilla werden _Hunnen_ genoemd. Dezen naam hebben zij van de Chineesche grenzen medegebracht. Geschiedschrijvers van het Hemelsche rijk noemden hen "Hungnu" of "Hiongnu," en daar zij onder dezen naam de schrik van het door hen geteisterde Romeinsche rijk en van de door hen in rep en roer gebrachte Germanen werden, zoo heeft men langen tijd na dien, alle uit Azië komende en gelijke zeden met hen hebbende barbaren, onder den naam van Hunnen-volken zamengevat, even als in vroegere tijden de Grieken dezelfde wilde volksstammen onder den algemeenen naam "Skythen" aanduidden.

Hetzelfde deed men ook weder bij den tweeden grooten inval der Nomaden onder Dschingis-Chan. Toen ter tijde was in Azië de naam "Tata" of "Tatar" beroemd onder hen geworden. "Tata" was oorspronkelijk de naam van een kleinen nomaden-stam, die zich echter met den roem en de macht van dien stam meer en meer verspreidde. Het eerst kwam bij de Chineezen, en later ook bij de Perzen en Arabieren, die naam in gebruik, en eindelijk kwam hij, toen de Nomaden zoowel het Russische Kiew, als de Poolsche koninklijke residentie Krakau bestormden, en toen het heesche geschreeuw hunner kameelen zelfs aan den Oder vernomen werd, ook in Europa in zwang. Hier voegde men bij den naam, die zuiver Aziatisch "Tata" luidt, maar die de Europeanen in klank en beteekenis aan den Tartarus herinnerde, nog eene "r." "Wees getroost," had Koning Lodewijk IX van Frankrijk tot zijne moeder Blanche gezegd, toen deze hem uit naam der door de Aziatische horden geteisterde christenheid om bijstand smeekte--"wees getroost! want de hemelsche genade zal in allen gevalle met ons zijn, hetzij dat wij deze kwaaddoeners in den helschen afgrond van den Tartarus, waaruit zij voortkwamen, terugslingeren, hetzij dat zij zelf ons vernietigen en ons naar het paradijs zenden zullen." Sedert dien tijd werden zij Tartaren genoemd en paste men ook dien naam toe op de volkeren, die met Dschingis-Chan kwamen, hoe verschillend zij ook in taal en afkomst mochten zijn, en ook nog wordt wel in onze dagen, die naam op de gezamentlijke Nomaden-volken van Midden-Azië toegepast, op dezelfde wijze als de Oosterlingen alle Europeanen, tot welk volk zij ook mogen behooren, "Franken" noemen. Later zag men in, dat er onder die Nomaden twee zeer van elkander verschillende groote geslachten bestonden, met geheel van elkander afwijkende talen en gelaats-uitdrukking: een meer westelijk ras, dat den naam, "Turken" verkreeg, en eene meer oostelijke groep, die den naam "Mongolen" droeg. Deze laatste naam bracht Dschingis-Chan zelf in zwang, aanvankelijk als een eeretitel voor de élite zijner dappere strijdmakkers. "Ik wil", zeide hij, "dat dit mijn met een edel kristal te vergelijken volk, dat mij bij ieder gevaar zoo trouw was, 'Mongol' d.i. de trotsche of de onverschrokkene, heet, en het verhevenste zij, van alles wat zich op Aarde beweegt." Weldra beroemde zich ieder der Oostelijke Tartaren op dezen eeretitel, die door den nieuwen geesel Gods in eere gebracht was. "Mongolen en Mongolei" werden de namen van wijd verbreide volken en rijken, en ten slotte heeft men met dien naam een der vijf hoofdrassen van het menschelijk geslacht aangeduid.

Als men den gang dezer groote volken-bewegingen en de machtige rijken, die nog meer in grootte toenamen dan vroeger het Romeinsche rijk, en den oorsprong der talrijke beroemde landen-veroveraars en volken-vernietigers, die uit den Aziatischen Tartarus opdoemden, nagaat, dan komt men, even als bij de reuzenstroomen der Aarde, die verscheidene landschappen doorstroomen, gewoonlijk tot eene, in een afgelegene streek verborgen bron, en tot eene zeer geringe aanleiding van de groote beweging.

In de rookerige tent van een Tartaarsch edelman, midden op de dorre vlakte, wordt een knaapje geboren, dat als duizend andere, door zijne moeder naar landsgebruik voor het eenvoudige herdersleven wordt opgeleid. Vader en moeder sterven en de jongeling erft de kudde; eenige knechten en vazallen zijner famillie worden tegen hem weerspannig. Hij brengt hen weder tot gehoorzaamheid, treedt zegevierend uit den met de vuist beslisten strijd te voorschijn, en hierdoor ontwaakt in den opgewonden en zegedronken jongen paardenherder, een heldengeest die naar grootere daden snakt. Hij vindt in zijne nabijheid nog meer strijdvragen over weide-recht en kudden-gebied te beslechten.--Hij vereffent ze,--verzamelt om zich de uitgelezensten van zijn volk, die beginnen met hem in hunne liederen te bezingen. Spoedig brengen de hoofden der herderstammen van nabij en van verre hunne zaken voor hem. Hij verklaart zich voor de eene partij, verklaart de tegenpartij voor oproerlingen en vernietigt hen, zoo zij weerstand bieden, te vuur en te zwaard. Vrijwillig en uit vrees onderwerpen zich vervolgens vele andere hoofden van stammen aan den herdersknaap, "Temudschin" genaamd, die oorspronkelijk als een lam opgroeide, maar wiens stem weldra als het gebrul van den leeuw over de velden klinkt.--"Het volk staat op, de storm breekt los," en de op de grassteppen levendig geworden hartstochten en de opgewekte begeerten, zetten nu, alle grenzen overschrijdende, den aardbodem in lichte laaie vlam.

Uit de rotskloof bruischt de bergvloed Woedend, dondrend, naar benêen, Met zich voerend in zijn stortvloed Eikenboomen, brokken steen.

Temudschin beweegt zich weldra als een jonge adelaar in steeds grootere en grootere kringen. Hij neemt zijn vlucht naar de Chineesche grenzen, doortrekt met zijne "Tartarus-zonen" de prachtigste dalen, plundert met hen de rijkste steden, voert hen naar onbekende rivieren, laat hen onder indrukmakende plechtigheden van het water dier stroomen drinken, laat hen zweren dat zij, zooals hij zich sierlijk uitdrukt, "het onaangename zoowel als het aangename van dit leven met hem willen deelen." Een heilig kluizenaar, een zoon der woestijn, treedt nader en verkondigt in eene groote, "Kuraltaï" (een Mongoolsche rijksdag) aan het verzamelde volk, dat de Goden aan dezen Temudschin al het land dat langs de rivier ligt gegeven hebben, en dat hij van nu af "Chakan" (Vorst der Vorsten) of Dschingis-Chan (groote Chan) heeten zal.

Weldra drinkt nu deze Dschingis-Chan parelenden wijn uit de schedels zijner vijanden, de Koningen van Azië, die hij als gedenkteekenen van zijnen toorn en zijne strafoefening, in zilver en goud gevat, met zich medevoert. "Ik wil mijn stijgbeugel niet verlaten," zoo zweert hij, terwijl hij weder te paard stijgt, "voor ik geheel Azië als een kleine molensteen rond kan draaien."--Hij onderwerpt de halve wereld. Oude, door wapenmacht beroemde, door kunsten en wetenschappen en eene wijze staatsregeling uitmuntende rijken, worden medegesleurd door den dwarrelwind die aan gindsche dompige tent zijn ontstaan te danken heeft, en naar men later berekend heeft, dalen zes millioen menschen daardoor, afgemaaid als het gras, ten grave.

Gelijkluidende met dit verhaal, maar met menige variatie, zijn ook de tradities van de wijze waarop de andere Nomaden-bewegingen, die in de wereldgeschiedenis staan opgeteekend, ontstaan. Maar even snel als de door hen gestichte rijken in macht aangroeiden, even spoedig spatten zij weder uiteen. Even als de bergstroomen, zijn zij spoedig in uitgebreidheid en kracht toegenomen, hebben een tijd lang gedreigd en alles in rep en roer gebracht, en zijn als sneeuw-lawines weder verdwenen. Attila en Dschingis-Chan hebben geene opvolgers gehad. Bij hen is niet zulk eene opvolging van machtige mannen geweest, zooals de lange lijst der Romeinsche Keizers of der Chineesche Hemels-zonen ze ons doet lezen. De groote Herder-Keizers staan als een eenzamen Kolossus in de woestijn. Als bruischende golven stuwen de opgewonden volken tot aan zijn kruin tegen hem op, maar weldra is het: "zoo gewonnen, zoo geronnen" aan hen bewaarheid. Zij richtten geene gebouwen op, bij gemis van het duurzame fundament van onwrikbare grondstellingen en diep ingewortelde gewoonten. Hunne geschiedenis biedt geene stof aan, waaruit een Tacitus of een Gibbon een werk kan samenstellen, dat geschikt is het verstand te boeien. Daadzaken zijn wel is waar in massa voorhanden, maar zij kunnen niet gegroepeerd worden, er bestaat geen zamenhang tusschen. Er vindt geen organischen wasdom plaats, evenmin als een afsterven naar de wetten der natuur. Hoogstens een steppen-dichter bezingt hen in een wild lied. Alleen in de meer beschaafde landen, waarin zij zulke oude grondstellingen bij hunne verschijning vonden, en waar zij deze langzamerhand tot de hunne maakten, duurde de heerschappij hunner opvolgers langer.

Op de steppen van hun vaderland brak, nadat het alles overschaduwend genie, de groote komeet met den langs het halve hemelgewelf loopenden staart verdwenen, en nadat b.v. Dschingis-Chan onder een eenzamen boom, midden op een naakte steppe, zonder eenig gedenkteeken of monument begraven was, onder de tegenstrijdige elementen weder tweedracht uit. Reeds onder de eerste opvolgers ontstond bij de horden en in het rijk tweespalt, en de oude chaotische toestanden ontstonden weder.