Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 39
Vele dergelijke verhalen en schilderingen van eene dergelijke, aan alle verandering weerstand biedende, en steeds tot haren oorspronkelijken vorm terugspringende natuur, treft men ook in andere landstreken aan, en het is daarom begrijpelijk, dat na zoovele pogingen tot gewelddadige verdrijving of tot langzame beschaving, wij nog heden ten dage de Zigeuners weinig veranderd vinden, in alle landen die zij reeds voor 400 jaren als pelgrims uit het Oosten binnentrokken en waarin zij zich genesteld hebben.--In de beneden-Donau-landen, waar zij zich bij voorkeur ophouden, heeft men hun aantal op meer dan 300.000 geschat; in Zevenbergen alleen op 75.000, in Moldavië en Walachije op 150.000. De heer Borrow, de beroemde beschrijver en waarnemer der Spaansche Gitanos, rekent hun aantal aldaar op 20.000. De heer Grapp, de vriend der Engelsche Gipsies, gelooft dat op de Britsche eilanden hun aantal 18.000 bedraagt. Waarschijnlijk zullen zich evenveel in Duitschland en Frankrijk ophouden. In Europeesch Turkije en Rusland is hun aantal ongetwijfeld aanzienlijk grooter. Bedenkt men, dat ook in Italië, waar zij in het Patrimonium Petri [9] het talrijkst zijn, en dat ook in Zwitserland, Nederland, Denemarken en Zweden, zelfs in Finland nog overal eenige Zigeuner-geslachten aangetroffen worden, dan mag men wel aannemen, dat het gezamenlijk getal Zigeuners in geheel Europa wel bijna een half millioen bedraagt. Grooter schat men ook niet het aantal van alle in Noord-Amerika woonachtige Indianen, en daardoor wordt aangetoond, dat ons oud, beschaafd werelddeel nog altijd een bijna even sterk element van nog niet aan de beschaving onderworpen nationaliteiten in zich omdraagt, als dat groote gedeelte der nieuwe wereld, zelfs als wij daarbij niet eens de Lappen, de Samojeden en welke heiden- en jagerstammen nog meer op onzen bodem mogen rondkruisen, in rekening brengen.
In genoemde Donau-landen, waarover zij, uit het Oosten komende, zich het eerst verspreidden en waar men hen nooit met strenge wetten geplaagd heeft, hebben de Zigeuners zich ook het aanzienlijkst vermeerderd en hunne diepste wortelen geschoten. Zij hebben de politieke instellingen en den aard dezer landen en hunner gastvrije volken, zoo overeenkomstig hunne eigene neigingen gevonden, dat deze om zoo te zeggen een nieuw vaderland, een beloofd land voor hen geworden zijn, even als de Poolsche provinciën zulks voor de Israëlieten werden. De genealogie van vele Zigeuners in de meer Westelijke landen, wijst naar die Donau-landschappen, als de bakermat van hunnen Europeeschen oorsprong, heen. En wij zien daarin in zekere mate eene naäping of een naklank van die geruchtmakende en oorlogzuchtige ondernemingen der Hunnen, Magyaren en van andere uit dezelfde middelpunten naar dezelfde streken trekkende volken.
In die landen zijn zij zoo zeer met het leven der inheemsche volken samengeweven en saamgegroeid, dat zij er een niet onwezenlijk deel van uitmaken. Verscheidene broodwinningen worden daar bij voorkeur door Zigeuners beoefend, en verscheidene takken van industrie zijn geheel in hunne handen. In Moldavië b.v. zijn zij in de huizen der grooten de huisslaven, de kamerdienaars en lakeien; zooals ook de Bojaren meestal aan de borst en met de moedermelk der Zigeuner-vrouwen groot gebracht worden, want deze zijn de gewone minnen bij de voornamen.
Verscheidene onaangename rollen in het drama van het burgerlijke leven, hebben daar de Zigeuners op zich genomen. Zoo waren zij b.v. van oudsher in Hongarije scherprechters en beulsknechten, en als zoodanig muntten zij in de sombere dagen der martelingen van de arme aangeklaagden, door hunne, vindingrijke wreedheid uit. Ook wordt daar verder al het moeielijke en onaangename, wat niemand anders gaarne ten uitvoer wil brengen, aan een Zigeuner opgedragen, die gewoonlijk, als hem slechts eene geringe winst wacht, door vuur en water zou loopen.
Eene zeer moeielijke en weinig winstgevende taak valt hun in Zevenburgen en Hongarije ook algemeen ten deel, namelijk het asschepoesters-werk, de glimmende stofjes edel metaal, uit de goud bevattende rivieren en beken van die landstreken, te zoeken. Men ziet hen in de Donau-landen, vooral in den ergsten tijd van het jaar, in het begin der lente, wanneer de sneeuw smelt en de regen bij stroomen nedervalt, wanneer de bodem door de wilde elementen doorploegd en nieuw goudzand opgewoeld wordt, langs de oevers der rivieren rondtrekken, hunne tenten opslaan, en nu hier dan daar beproeven, of niet iets van het blinkende stof in hunne schaapsvellen, die hun tot zeven dienen, hangen blijven wil.
Het verlangen naar een stuk gouden treswerk, dat zij aan hun hoed hangen, naar een briljanten ring voor hunne vingers en ooren, naar het een of ander zilveren of vergulden voorwerp, dat zij honderd malen onder hun haardvuur begraven, bij het verwisselen van legerplaats weder voor den dag halen, in hunne lompen verborgen met zich omdragen, en dat zoo van overgrootvaders tijden op hunne kinderen overgaat,--deze den Zigeuners aangeborene blijdschap over alles wat maar schittert, wat zij even als de eksters in hunne nesten bijeenbrengen, is zeker er de oorzaak van geweest, dat zij, zooals gezegd is, ook de goudzoekers en goudwasschers van die streken geworden zijn.
Wonderlijk is het, dat ook het edelste aller metalen, op welks bearbeiding onze ontwikkeling in zoo hooge mate berust, het ijzer, algemeen in de handen van dit onontwikkelde volk gekomen is. "Zoo veel smeden, zoo veel Zigeuners," zegt een Hongaarsch spreekwoord. Ditzelfde spreekwoord is ook in Zuidelijk Rusland, in geheel Europeesch Turkije, zoomede in Azië en Egypte in zwang. Waarschijnlijk werd den Zigeuners deze kunst en die last reeds te beoefenen en te dragen gegeven in Indië, waar, zooals ik reeds aanmerkte, ook rondtrekkende en verachte Sudra's ze reeds van oudsher uitoefenden, daar toch in andere landen, b.v. bij eenige volken van Afrika, de ijzersmid de werkzaamste persoon en de eerste na den Koning is.
In al die landen vindt men in de voorsteden der groote en kleine plaatsen, de talrijke kleine vuurhaarden der dubbel zwarte Zigeuner-smeden. Als aanbeeld sleepen zij een steen aan, tot blaasbalg gebruiken zij een geitenvel, als brandstof dikwijls niets anders dan gedroogden mest. Naast den steen graven zij een diep gat in den grond, om er hunne beenen in te steken, ten einde het werk zoo gemakkelijk mogelijk te verrichten. De moeder met de tabakspijp in den mond, brengt den blaasbalg in beweging, de vuile knapen reiken den vader het armzalige gereedschap toe, en daar naast ligt, om het beeld te voltooien, een magere, levenszatte hond met stoïcynsche gelatenheid in het gras. En zoo zittende en onophoudelijk door rookende, smeedt de meester dagen lang uit den kuil weg, terwijl hij dikwijls zijn weinig geregeld werk afbreekt, nu eens uit zijn kuil springt, om zich zoo lang hij is in het gras uit te strekken, dan weder er in springt en tusschen de bedrijven door, nog dit en dat op hunne ongedurige wijze afdoet en in orde brengt. Zij moeten overigens menigen moeielijken kunstgreep van hun handwerk verstaan, b.v. betere en hardere zeissen kunnen vervaardigen dan andere smeden. Een Zigeuner, die zich eene oude, verdraaide tang, eene vijl, een hamer verschaft en een goed steenblok voor aanbeeld gevonden heeft, kan trouwen en zich als huisvader vestigen.
Er zijn nog vele andere kleine bezigheden, die den zich aan zijne kudden, akkers en wijnbergen wijdenden Magyaar, Walachyer of Turk te nietig schijnen, en die dien ten gevolge den, naar het schijnt in alles wat gering is lust hebbenden, Zigeuner ten deel vallen. De bezembinders, zeefmakers, ketellappers, zwamsnijders, mandenmakers, vervaardigers van houten lepels in die landen, zijn bijna altijd Zigeuners; zooals zij ook altijd rondtrekken met apen, beren en andere dieren, om die te laten kijken en wier dans zij met gezang begeleiden.
Vooral echter is de muziek van een groot gedeelte van Oostelijk Europa in de handen der Zigeuners. Zij hebben een in het oog vallenden aanleg en hartstocht voor deze schoone kunst. Bij de Turken, even als bij de Tataren, bij de Walachyers en Hongaren, zijn zij de nationale-muzikanten. Even als naar de godsdiensten dezer verschillende volken, weten zij zich ook bijzonder goed te schikken naar den nationalen smaak wat muziek betreft, luisteren hunne lievelingswijzen af en reproduceeren deze, terwijl zij er iets van hun eigen smaak bijvoegen, op eene allezins bevredigende wijze. De hof-kapellen der Tataren-clans _waren_, en die der Moldavisch-Walachysche Vorsten bestaan nog heden ten dage, uit Zigeuner talenten. Krassende violen met cymbalen en trommels, door half naakte, harige gezellen bespeeld, geblazen en geslagen, vallen den reizigers nog heden ten dage in de schoone dalen der Krim, even als in die der Karpathen, bij iederen voetstap als het ware op het lijf, en vorderen schatting in naam der Muzen. In Hongarije heeft ieder dorp, ieder comitaat een orkest van Zigeuners, waarop het zich beroemt. Hun hoofd-instrument is de violine, en hierop hebben zij in Hongarije, waar hunne talenten het meest gewaardeerd werden, vele zeer bewonderde virtuozen voortgebracht.
De Magyaar is met de muziek zijner Zigeuners niet weinig ingenomen. Zij vroolijkt bij hem den dans op, en brengt de treurende patriotten tot tranen. Zelfs de beroemde Hongaarsche volks-hymne, de Rakoczy-marsch, kan alleen door Zigeuners zoo gespeeld worden, dat zij een Hongaar electriseert. Even als onze voorvaderen door hunne barden, zoo zijn de Hongaren bij hunne nationale-oorlogen bijna altijd door blazende en vioolspelende Zigeuners vergezeld geworden. Den componist van het zooevengenoemde muziekstuk kent men niet, evenmin als men de geschiedenis van bijna geen der fraaie Zigeunerstukken op authentieke wijze kan aantoonen. "Zij ontstaan onder het volk, men weet niet hoe, worden als toonen uit de geestenwereld beluisterd, worden als eene goede vondst beschouwd, ruischen over de velden als de toonen eener Eolus-harp, steeds sterker en sterker klinkende, worden ten laatste door iedereen met verrukking vernomen, en zetten zich eindelijk in alle hoeken des lands en in de ooren en harten van het volk vast."
De Zigeuner-virtuozen zijn dikwijls ook de componisten der door hen voorgedragen stukken. En ofschoon zij niet bekend zijn met de theorie der muziek, ter nauwernood de noten kennen, ook nooit iets nederschreven, en ofschoon zij hunne geheele kunst als bij inspiratie leeren kennen, zoo worden zij toch af en toe niet zelden door de geleerdste musici en muziekkenners bezocht, die vol bewondering en ten zeerste bevredigd naar de voortbrengselen hunner scheppende phantasie luisteren. In de opvatting der compositiën van anderen, toonen zij een bijzonder sterk muzikaal geheugen te bezitten. Zij zijn in staat eene sonate van Mozart, eene symphonie van Beethoven die zij eenmaal hoorden, van het begin tot het einde te onthouden en na te spelen. De heer Kogaleitschan, de Walachysche geschiedschrijver der Zigeuners, verhaalt, dat hij eens in den Franschen schouwburg te Jassy een dezer, geene opleiding ontvangen hebbende musici gadesloeg, hoe hij op zijne violine zacht en langzaam de ouverture en andere gedeelten der opera "la dame blanche" volgde, en hoe hij, toen het stuk afgespeeld was, naar buiten ging en de geheele muziek aan zijne vrienden, in de kroegen der stad, met meer gevoel en volharding voordroeg, dan de violisten in het orkest, die hij afgeluisterd had, gedaan hadden. Gevierde geboren kunstenaars van dit soort, worden in de Hongaarsche annalen reeds voor 300 jaren genoemd. In de vorige eeuw was een dezer natuurkunstenaars hof-musicus van den Kardinaal Czaky, de Zigeuner Michaël Barnu, die in een door dezen prelaat in het leven geroepen Wartburgs-kampstrijd, onder twaalf der eerste violisten van het rijk den prijs won, en wiens melodiën, door de kenners op papier gebracht, nu nog in het land in zwang zijn,--zoo ook de even zeer geprezene violinpeelster Czinka Panna, die gedurende haar leven door de Hongaarsche Magnaten, dikwijls op 30 à 40 mijlen afstands, geroepen en met gejuich binnen hunne sloten gevoerd en met goud en kostbaarheden begiftigd werd. Een Hongaarsch bisschop zette op haar grafsteen als opschrift: "De Orpheus der Magyaren," terwijl men tevens ontelbare Latijnsche en Magyaarsche verzen in het graf schudde. Maar de beroemdste Coryphee dezer halfwilde Muzen-zonen was Johan Bihary, een der musici van het Weener Congres en van het Oostenrijksche Keizerlijke hof, dien Keizer Frans in den adelstand wilde verheffen, maar die echter, origineel genoeg, deze genade slechts wilde aannemen onder voorwaarde, dat zijne geheele bende en zijne verwanten in dit voorrecht zouden deelen. Ook in de tegenwoordige dagen, ofschoon de bloeitijd der Zigeuner-muziek voorbij schijnt te zijn, ontbreekt het niet aan zulke in het oog vallende talenten, die in Pesth en ook in Weenen gezocht en bewonderd worden.
Ofschoon de muzikale composities der Zigeuners zoo eigendommelijk van aard en kleur zijn, dat men er slechts twee maten van behoeft te hooren, om ze dadelijk als zoodanige te herkennen, zoo laat zij zich toch niet gemakkelijk in woorden kenschetsen. Zij zijn even moeielijk na te teekenen, als de phantastische dessins der Brabantsche kanten. Men meent er het evenbeeld van het wonderlijke volk, dat ze vervaardigde, zich in te zien afspiegelen. De maat en de melodie dezer muziek wisselen even dikwijls af, als de luimen van den beweeglijken Zigeuner. Zij maakt sprongen en beweegt zich zigzags-gewijze als eene elektrieke vonk. Zij is arabeske-achtig vol van teneenenmale onverwachte wendingen en afwisselende tempo's. Zij murmelt en stoeit als de beek des wouds, aan welker oevers de Zigeuners hunne hutten opslaan; zij huilt, loeit en piept, als stormen op de heidevelden en püsten, waar zij zich in aardholen verbergen. Zij bedriegt, boezemt u belangstelling in en verrast u door hare schoonheden, zooals gij niet zelden door den aanblik van een schoon Zigeunermeisje verrast wordt, door wier wild kapsel en armoedige lompen de schoonste lichaamsvorm, de liefelijkste gestalte en twee vurige oogen u tegenblinken. Zij kermt en klaagt, als ware zij ten prooi aan de grootste vertwijfeling, en dadelijk daarop juicht en jubelt zij, even als de zoo veranderlijk van aard zijnde Zigeuner-kinderen, die altijd klaar staan om te huilen en te lachen, en door zeer heftige, maar tevens zeer kort van duur zijnde hartstochten, beheerscht worden. Als in geestdrift ontstokene Korybanten, razen de zwartgelokte musici op hunne violen en cimbalen:
En rondom in wijde kringen Hoort het moedig volk ons aan. Laat de vedels wilder zingen! Wilt de bekkens harder slaan! Woester en niet zachtkens meer Klinkt der instrumenten strijd; D'oude krijgszang ruischt ook weer, Die te voren met veel macht Flinke knapen en ook grijsaards Tegen Turken samenbracht.
In Engeland komen, even als in Hongarije, dikwijls muzikale talenten onder de Zigeuners voor. En in Rusland gaf de groote Catalini eens aan eene Zigeuner kunstenares, die zij beluisterd had, een shawl, die, zooals zij zeide, door den Paus voor de "grootste zangeres van dien tijd" bestemd was geweest.
De dans, die met de muziek hand aan hand gaat, is eveneens geen _kunst_ onder de Zigeuners, maar een hun aangeboren talent. Hunne lenige en van der jeugd af geoefende ledematen, die zij van hunne Hindostansche voorvaderen erfden, maakt hen bijzonder geschikt voor alle gymnastische oefeningen. Hunne dansen zijn aan den Donau, even als in Spanje en Rusland, beroemd. Zij zijn levendig en gracieus en daarbij bijna overal van dezelfde soort. Wat de Russen de "Ziganka" noemen, is bijna hetzelfde, wat bij de Spanjaarden de "Gitana" genoemd wordt, en die dansen zijn in de Russische steppe even gezocht als op het Spaansche tooneel.
Ook als dichters en sprookjes-vertellers komen de Zigeuners niet zelden voor. In Walachye zijn zij de voornaamste beoefenaars dier kunst, en zij dragen daar hunne verzen, die even als hunne muzikale voortbrengselen meestal geheel geïmproviseerd zijn, even als de Seguidillas-zangers in Estramadura, begeleid met muziek en zang voor.
In de poëtische vertellingen ontwikkelen zij, naar de staaltjes die ons laatstelijk daarvan geworden zijn, eene groote mate van gemakkelijkheid en verbeeldingskracht. Zelfs de heilige sagen en christelijke legenden van de wandeling op Aarde van den Heiland, en van de wonderen en reizen der apostelen, verhalen zij somwijlen met hunne eigenaardige bonte kleuren, op zoo bespottelijke en phantastische wijze, dat zij in originaliteit, verrassende avontuurlijkheid en fee-achtigheid, voor de sprookjes uit den duizend-en-één nacht volstrekt niet behoeven onder te doen.
Men moet de Zigeuners, niettegenstaande hun tegenzin in onderwijs en school, een zeer bekwaam en talentvol volk noemen. Bijzonder geborneerde wezens, domme menschen en kretins, treft men zelden onder hen aan. De fijne list en de slimheid, waarmede zij zich alle moeilijke plannen--dikwijls ook die voor diefstal en bedrog--weten gemakkelijk te maken, is door velen, die in de gelegenheid waren hier nauwkeuriger mede in kennis te komen, bewonderd geworden. En toch gaat het hun met zooveel gunstigen aanleg, als met andere begaafde maar wankelmoedige--schandere maar lichtzinnige--poëtische maar zinnelijke karakters--, zij komen niet zoover in de wereld als zij, die met geringere talenten eene grootere volharding, soliden ernst en hoogeren zedelijken zin verbinden.--Hunne onbestemdheid laat geene moeielijke onderneming bij hen tot rijpheid komen. Men moet zich over hunne wankelmoedigheid, over hunne onbedachtzaamheid verwonderen. Zij leven, als bestond er geen verleden en geene toekomst. Zij schijnen altijd slechts met den wensch, die juist in het tegenwoordige oogenblik hun gemoed in beweging brengt, vervuld. Hunne stormachtige en teugellooze wijze van zijn, herinnert dikwijls aan de manieren der apen. Het geschenk, dat zij van u met heftigheid, smeekende en biddende, op hunne knieën begeeren, pakken zij, als gij het hun geeft, weg als roofvogels hunnen buit, en vervolgens als er niets meer te verwachten valt, gaan zij verder, de aalmoezen doorbrengende en den gever ondankbaar vergetende.
Slechts op één punt vindt men hen bijna altijd voorzichtig, bedachtzaam en spaarzaam. Namelijk met betrekking tot hunne kleeding, waarop zij zooals reeds opgemerkt is, zeer gesteld zijn. Men ziet hen daarom bij hun werk meermalen met een naakt bovenlichaam, terwijl zij hunne kleeding zorgvuldig op zij leggen. Ja! als twee Zigeuners ernstig met elkander in strijd geraken, zoodat die met de vuist moet beslecht worden, dan zullen zij toch nooit vergeten, voor het begin der vijandelijkheden een wapenstilstand van eenige minuten te sluiten, om te voren hunnen gegaloneerden rok en met treswerk voorzienen hoed in zekerheid te brengen.
Daar zij geen wrok blijven behouden en voorzichtigheid hun in groote mate ontbreekt, zoo kennen zij verder kommer noch zorg. Even als de vogels leven zij bij den dag, zich niet bekommerende over het "vanwaar" en "waarheen"; over het gisteren en morgen, zijn zij altijd vroolijk, luimig, lichtzinnig, buitengewoon praatachtig en snoevend. Ofschoon schijnbaar de meest behoeftigen en de meest geplaagden onder de levenden, zijn zij toch altijd op de meest benijdenswaardige wijze vergenoegd, en altijd tevreden met hun lot. In de Hongaarsche, Slavische en Walachysche gedeelten van het Oostenrijksche leger, is zeer dikwijls de potsemaker van het regiment een Zigeuner, die zijne kameraden met zijne onuitputtelijke grappen opvroolijkt. Ook in de sagen en sprookjes der Zevenburgers, valt den Zigeuners gewoonlijk de rol van "Hans Lustig" ten deel, en zij zouden ieder Christen, die te vergeefs tracht het gebod "zorg niet voor den dag van morgen" na te leven, tot voorbeeld dienen.
Evenmin als hunnen geestelijken zin lijdt aan droefgeestigheid of ontevredenheid, zoo ook zijn zij lichamelijk minder onderhevig aan ziekten en ongesteldheden, dan men naarmate van hun lichamelijk lijden en van de ontberingen, waarmede zij van hunne geboorte af tot aan den dood rijkelijk bedeeld zijn, zou verwachten. De harde, dikwijls ter nauwernood met gras of hooi bedekte schoot der moederaarde, is het bed waarop zij geboren worden. Kinderwiegen, die zelfs de Indianen van Amerika even zorgvuldig weten te vervaardigen als de zwaluwen hunne nesten, zijn voor de Zigeuners onbekende meubels. Zoo lang zij op eigen voeten niet kunnen staan, kruipen zij op den rug hunner moeder, even als de jonge beren op den rug der beerin, en van hunne geboorte af zijn zij even als dezen aan alle weer en wind blootgesteld. Zonder mantel of omkleedsel groeien zij tot jonge meisjes en jonge, mannen op, en verkrijgen ook dan slechts het allernoodzakelijkste. In onmatig eten hebben zij het, even als andere natuurkinderen, tot eene soort van virtuositeit gebracht. En hoe gemakkelijk zij te voldoen zijn op het punt van kleeding, blijkt uit het volgende voorval, dat door een reiziger verhaald wordt. Een kleine, naakte Zigeunerknaap schreeuwde, in het hartje van den winter, van de koude. "Daar, neem dat!" riep zijne moeder hem toe, terwijl zij hem een eind touw over den schouder wierp. "Bind het je om het lijf. Hul er je in zoo goed je kunt. Warm je er mee en troost je."
De armoedige leem- en stroo-hutten, waarin zij in de afgelegenste wijken der Hongaarsche en Walachysche steden wonen, de holen, die zij in de Krim en ook in de Zevenburgsche Alpen bewonen, zijn de armoedigste en onhuiselijkste menschelijke woningen, die men zich denken kan, en de zoogenaamde tenten, waarin zij, in de voorsteden van Kiew en Odessa, bij Bucharest of Szegedin, de stormen en de regenstroomen trotseeren, en die zij, nu eens hier dan eens daar, in de slooten of onder beschutting der ruïne van den een of anderen muur, opgeslagen hebben, zijn niets anders dan een oude en van gaten doorzichtige lap zeildoek, die over een doornstruik gehangen is en met de vier hoeken (bovendien nog zeer onoplettend en los) aan waggelende stokken gebonden is.--Deze woningen, met welke vergeleken de tent van den Baschkir, zelfs de Wigwam van den Indiaan een kunstig gebouw is, moesten, naar men gelooven zou, de broeinesten van ontelbare kwalen en gebreken, de zetels van rheumatiek, jicht, catharale en andere kwalen zijn. De waarheid echter is, dat de Zigeuners zelden last hebben van deze en andere kwalen, en dat zij tot het gezondste slag menschen behooren, dat men op de wereld aantreft. Zij hebben geene volksziekten. Uit de spichtige, dun gebeende, dik gebuikte, dikwijls half verhongerde, altijd kou lijdende, zelden gewasschene, nooit gekamde kleine Zigeuner-kinderen, groeien gezonde, sterke en welgemaakte mannen en vrouwen. "Hun geheele leven door, lijden zij schier nooit aan eene aanstekelijke ziekte, tot de natuur het hare terugvraagt en de machine in den ouderdom plotseling stil staat." Men beweert zelfs, dat de giftige adem der pest en van andere besmettelijke ziekten, in de Zigeuner-koloniën dikwijls zonder de minste uitwerking wegsterft.