Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 38

Chapter 383,643 wordsPublic domain

Nauwelijks laat zich eenig spoor van verwantschap tusschen deze vreemdsoortige schepsels en de Europeanen ontdekken, en toch hebben zij zich om alle volkeren van ons werelddeel als eene woekerplant--die tegen den eikenboom opklimt en zich om al zijne takken henen vlecht--heengeslingerd. In hooge mate onvatbaar voor ontwikkeling, hebben zij zich vrijwillig en met eene soort voorliefde aan de beschaafdste wezens der Aarde aangesloten, en al onze steden, de altaren en zetels der Muzen, omfladderd als nachtuilen het licht. Door de zon verbrande, half naakte kinderen van het Zuiden, zijn zij zelfs tot in de Noordelijkste uiteinden van ons werelddeel doorgedrongen, en hebben, zelfs in de koude landen der Moskowieten en Finnen, nauwlijks geleerd hunne naaktheid te bedekken. Door niemand uitgenoodigd, zooals de Magyaren door keizer Arnulph, of zooals de Turken door de Byzantynsche Keizers, zijn zij toch, als ongenoode gasten overal binnengedrongen. Zonder dappere aanvoerders, zonder wapens, voor ieder geweld terugwijkende, schuw als de vogelen van het woud, hebben zij zich allerwege in de kleine wildernissen, die zij tusschen onze akkervelden vonden en waarin zij hun verblijf zochten, gehandhaafd. En toch is bij al deze zonderlingheden ten slotte deze niet de geringste, dat de Zigeuners zich daar nog niet reeds lang bevonden, maar dat zij, die menschen zonder wet, ons werelddeel eerst binnentrokken, juist toen het zich uit den toestand van middeneeuwsche ruwheid tot de hoogte der moderne staatsregeling begon op te werken. In de ongeordende en politie-looze middeneeuwen, zou voor hen bij ons veel meer ruimte geweest zijn. En aan zulke aanleidingen tot landverhuizing uit Azië, als die was, welke hen omstreeks het einde der 14de en het begin der 15de eeuw van daar verdreven zou hebben, heeft het ook _vóór_ dien tijd niet ontbroken.

Men zegt, en dit is wel de _waarschijnlijkste_ onder de vele hypothesen over het begin der volksverhuizing der raadselachtige Zigeuners, dat de vreeselijke invallen der Mongolen in Hindostan onder Timur en zijne opvolgers, het land zoo zwaar getroffen hebben, dat vele leden der meest onderdrukte en geplaagde onder de Indische volksklassen, zich weeklagende opgemaakt hebben en westwaarts de wereld ingetrokken zijn. De taal, die de Zigeuners naar Europa brachten, hunne huidkleur en hun lichaamsbouw, hunne neigingen en hunne lievelings-bezigheden, de hun zoo ingedrukte stempel van geringschatting der zedelijkheid, dit alles leidt ons naar Hindostan, en wel voornamelijk naar de geringste kasten van dit land, zooals ook hunne verschijning in Europa naar die gebeurtenissen heenwijst, die toen de geheele menschheid in rep en roer brachten. Vele der uitdrukkingen voor de eenvoudigste zaken, de namen voor de ledematen van het menschelijke lichaam, voor de tijdsverdeeling zijn in het Hindostansch (Sanskriet) en in het Zigeunersch bijna geheel dezelfde. Met betrekking tot hunnen lichaamsbouw schijnen zij, om zoo te zeggen, den Hindoe uit de ribben te zijn genomen. Zij hebben de ronde gelaatstrekken, de gebogen neus, het donkere oog, de kleur van haar en huid der Indische volken. Hun beenderenbouw is, even als die der Hindoe's, sierlijk en fijn. In den strijd met ontberingen zijn zij bijzonder taai, ofschoon zij niet op groote lichaamskracht kunnen bogen. Dikke Zigeuners vindt men niet. Hunne handen en voeten zijn klein en goed geëvenredigd.

Verscheidene zeer onbeteekenende afdeelingen der Indische kaste der Sudras (de klasse der handwerkers), worden ons als het uitvaagsel der maatschappij geschilderd, die door alle anderen als onrein veracht worden. Zij voeren daar een zwervend leven in woeste streken, buiten de steden en bewoonde plaatsen, die door de hoogere kasten in bezit genomen zijn. Zij houden zich onledig met handwerken, die niemand anders beoefenen wil. Voornamelijk zijn zij de dienders en scherprechters van het land, dikwijls de rij- en stalknechten der rijken. Verder zijn zij smeden, welk edel handwerk, vreemd genoeg, in Indië tot de minst in tel zijnde behoort.

Daar zij altijd van de godsdienstige gebruiken en plechtigheden hunner landslieden uitgesloten waren, zoo hebben zij bijna geenen godsdienst. "Zij hebben eene in het oog vallende neiging, alles wat andere menschen voor verheven houden, te bespotten. In de plaats van den godsdienst is bij hen het allergrofste bijgeloof getreden, en daar zij steeds onder een ongelukkig lot gebukt gingen, zoo hielden zij zich van oudsher veel bezig met het lezen in de toekomst, en met het voorspellen der zoo vurig verlangde verbetering van hun hard lot."

Zij treden in Indië overal als waarzeggers op en voornamelijk houden zij zich onledig met de "chiromantie" (kunst om de toekomst uit de lijnen der hand te voorspellen). Verder wordt van hen gezegd, dat zij eene groote voorliefde voor muziek hebben, en daarvoor, even als voor den dans, eene groote geschiktheid bezitten. De beroemde Indische danseressen, de Bajadères (ten minste de geringste en rondreizende klassen onder hen), komen meestal uit hun midden te voorschijn.

Ik behoef er nauwelijks op te wijzen, in hoe hooge mate dit alles, wat van de laagste klasse der Indische Sudras gezegd is, ook op onze Zigeuners van toepassing is.--Noch bij de Tataren, noch bij de Kopten in Egypte, noch bij de Arabische Bedouïnen, noch bij de tien verlorene stammen Israëls, noch bij eenig ander verwilderd of laag gezonken volk der wereld, waarvan men de Zigeuners wel heeft willen afleiden, ontdekken wij het portret van een stam of eene volksklasse, dat in alle bijzonderheden zóó op de Zigeuners gelijkt.

De rondtrekkende klassen der genoemde Sudras hielden zich, naar het schijnt, van overoude tijden af, binnen de grenzen van Hindostan op. Ofschoon daar altijd onderdrukt en vervolgd, trokken zij, voor zooverre ons bekend, _nooit_, of ten minste nooit in aanzienlijken getale, _voor_ dien inval der Tataren het land uit. Noch den overwinnenden aanval der Macedoniërs onder Alexander den Groote, noch de talrijke latere invallen der Arabieren, Perzen en andere naburige volken, schijnen hen in aanhoudende en zich ver uitstrekkende beweging gesteld te hebben, ofschoon wel _eenige_ sporen, die wij reeds vroegtijdig van hen in Perzië en in eenige andere landen van het Oosten vinden, ook op, bij deze gelegenheden plaats gehad hebbende volksverhuizingen wijzen.

Dat zij nu plotseling bij den inval der Mongolen, tegen het einde der 14de en het begin der 15de eeuw, van gedachten veranderden, op eens de vleugels uitbreidden en vervolgens, tegelijkertijd in zoo groote hoeveelheid en ook zoo ver naar het verre Westen, de vlucht namen, hebben eenigen als een bewijs der onvergelijkelijke wreedheid, waarmede die aanval gepaard ging, bij welken de menschen bij honderdduizenden geslacht werden, willen beschouwen. Daar de inval der Mongolen hoofdzakelijk uit het Noorden en het Noord-Oosten plaats had, zoo hadden de opgejaagde Sudras de beste gelegenheid om weg te komen, in Westelijke richting over den Indus.--In het Westen van Indië, in de delta van den Indus, waarin zij, waarschijnlijk kort voor zij hun land verlieten, samengedrongen werden, vinden wij ook nog den naam der provincie "Sind," naar welken de Zigeuners een der bij hen gebruikelijke namen "Sinti", d.i. "menschen van Sind" schijnen ontleend te hebben.

Daar aan den Indus, moet ook nog een oude Indische volksstam "de Ziganen" bestaan, van welken verscheidene zich, bij hen die het land verlieten, aansloten, Van hen zal de bij de Westersche volken gebruikelijke benaming dier vluchtelingen afkomstig zijn. Bij de Perzen, Turken, Walachyers, Hongaren, Italianen, Duitschers, heeten zij Tschingenáhh, Chyganis, Cigaris, Zincalis, Czigánys, Zigeuners, wat niet anders dan wijzigingen van dien voor Oud-Indisch gehouden naam schijnen te zijn.

Langs oude, door de natuur aangegevene wegen, verstrooiden zich de Zigeuners als het zand der woestijn, eenerzijds over de landengte van Suez naar Egypte, en door het geheele Noordelijke Afrika tot naar Marokko,' anderzijds door Klein-Azië over den Hellespont en langs de Zwarte Zee tot aan den Donau, en van daar uit midden door de woonplaatsen van alle Europeesche volken heen.

Als "wildvreemde menschen van donkere tint, met ravenzwarte haren, golvende als paardenstaarten, met een onaangenaam morsig uiterlijk, zooals men in Europa nog nooit gezien had, bekleed met lappen grove wol, die met banden en strikken over de schouders vastgebonden waren, gezeten op magere paarden als ruige beeren, aangevoerd door opperhoofden, die zich als Hertog van Egypte en Graaf van Babylonië betitelden, en met brokken van gouden tressen en passementwerk behangen waren,"--zoo verscheen den zeventienden Augustus 1427, de eerste bende Zigeuners voor de stad Parijs. En, in opschudding gebracht, als ware een meteoorsteen uit den hemel gevallen, liepen de nieuwsgierige bewoners der Fransche hoofdstad naar de legerplaats der wonderlijke vreemdelingen, om deze te bekijken. Zij vertelden aan deze goede burgers, dat zij Christenen uit het Oosten, uit Egypte waren, waar zij ter wille van hun geloof vervolgd en verdreven waren, en dien ten gevolge oogstten zij al dadelijk menig fraai geschenk en menige almoes.

Even als bij Parijs, in een dergelijken optocht en met _de zelfde_ klachten en vertellingen als _daar_, "een onbeschaafd, zwart, vreemd, woest en ellendig volk," zooals een oud Kroniekschrijver zegt, waren zij toen ook voor de poorten van Bazel, Zurich en vele andere Europeesche steden verschenen. En over het algemeen vallen nagenoeg alle datums, waarop in de oude kronieken der Westelijke landen van ons werelddeel, van hen melding gemaakt wordt, in de korte tijdruimte tusschen de jaren 1416 en 1430. In het Oosten, aan de Beneden-Donau in Hongarije en in Walachye, wil men hen reeds vroeger bespeurd hebben. In het jaar 1422 trokken zij over de Alpen en brachten zij ook de Italianen in verwondering, en niet lang daarna ontdekten ook de Spanjaarden hen in hunne bergkloven, en bij hunne schaapherders op de heidevelden der bergvlakten van Castilië. Ja! zelfs in Engeland en Skandinavië zijn niet _zeer_ lang daarna de jaarboeken des lands vol opmerkingen over deze geheimzinnige gasten.--Als kwikzilver schijnen zij door alle schiereilanden en landen, door alle bosschen en woeste streken van dit werelddeel heengegaan te zijn. Geene andere ons bekende volksverhuizing, is met zulk eene snelheid over Europa heengegaan. Zij waren zoo snel, als zat de schrik voor de Mongolen hen nog op de hielen.

Het boven medegedeelde verzinsel, dat zij verdrevene christen-pelgrims uit Egypte (misschien van de sekte der Kopten) waren, dat hun in de oogen der Christenen een waas van heiligheid geven moest, had bij Parijs even als overal elders eene goede uitkomst opgeleverd, en zij herhaalden het vertelsel, overal waar zij kwamen. Zij moeten dit den Paus te Rome ook verteld en geloofwaardig gemaakt hebben, en van dezen dan ook passen en een begeleidend schrijven ontvangen hebben, waarin de Heilige Vader, den Vorsten der Christenheid aanmaande, deze lieden ongehinderd in hunne landen te laten rondtrekken, zoo lang de hun door den hemel toegedachte jaren van pelgrimsschap en boete duren zouden, _eene boete_, die hun opgelegd was geworden als straf, dat hunne voorvaderen de heilige Maria en het kind Jezus op hunne vlucht naar Egypte, meedoogenloos water en brood geweigerd hadden.--Dit, zoomede de nieuwsgierigheid die zij overal opwekten, zal den Zigeuners wel het voordeeligst geweest zijn, en hunne verbreiding door de Christenheid bevorderd hebben.

Toen men deze "boete doende" pelgrims, over wie men aanvankelijk alleen hoogelijk verwonderd was, wat nauwkeuriger in het gelaat en in het hart zag, toen men hun roofzuchtigen aard, hun zedeloos en ontoegankelijk, schuw karakter, hun hart dat geenen godsdienst bezat, leerde kennen, toen begon men weldra hen anders te beoordeelen. "Niet, _martelaars_ en _slachtoffers_ van den Koning der Mongolen," zeide men, "waren zij, maar zijne dienaren en spionnen, die gekomen waren om de landen van Europa op te nemen, om een nieuwen inval der Tataren voor te bereiden." Veelvuldig verspreidde zich nu het denkbeeld, dat zij "Kaïniten," kindskinderen van den broedermoorder Kaïn, waren; die sedert de dagen der schepping, door den vloek van hunnen stamvader getroffen, rusteloos en voortdurend op Aarde moesten rondwandelen. Men noemde hen ook, "zonen van den Booze," terwijl men hunnen naam "Gitanos" van het Arabische Sheitan (of Satan) afleidde. En eindelijk gaf men hunnen naam "Zigeuners" of "Zigauners," ingekort tot "Gauner" (dief), in Duitschland aan alle dief- en roofgespuis.

Op den korten gulden tijd der Zigeuners, waarin hun overal de wegen geopend waren, volgde dien ten gevolge al spoedig een ijzeren, waarin zij door verboden, straffen, onderdrukking, slavernij en plagen van allerlei aard vervolgd werden, en dat tot in den nieuweren tijd geduurd heeft. In Spanje trad reeds Koning Ferdinand, de vriend van Columbus, tegen hen op, en beval het geheele Pyreneesche schiereiland van het schadelijke gespuis te zuiveren. Maar ofschoon het dezen gekroonden jurist werkelijk gelukte, millioenen nuttige Mahomedanen en Israëlieten uit zijn rijk te verdrijven, zoo ontsnapten toch de _vlugge_ Zigeuners aan zijne ruwe handen. Zij fladderden, als opgejaagde vleermuizen, nu naar dezen, dan naar genen schuilhoek, en waren na eenigen tijd in Spanje weder in even grooten getale aanwezig als te voren.--Ook de machtige Keizer Karel V, vaardigde in al zijne Europeesche Staten, verschrikkelijke decreten tegen de Zigeuners uit. Maar, ofschoon hij groote legers der Franschen vernietigde en hunnen Koning gevangen nam, was hij toch machteloos tegen de kleine troepjes der onverdelgbare Zigeuners, die overal als hagedissen voor zijne jagers en gensd'armes vluchtten naar afgelegene plaatsen, en langs omwegen weder uit deze te voorschijn kwamen.

In Frankrijk gaf Koning Frans de eerste bevelen tot hunne verdrijving, en op een rijksdag te Orleans werd aan alle overheden der stad bevolen, de Zigeuners te vuur en te zwaard te vernietigen. Maar hunne verdelging moest in Frankrijk even dikwijls als in Spanje bevolen worden, en was even dikwijls zonder de minste uitwerking als daar en in andere landen.

Noch de verbannings-edicten der Koningen, noch de regelmatig van tijd tot tijd herhaalde besluiten der Fransche en Engelsche parlementen, noch de talrijke landdags-besluiten in Duitschland, noch ook de Pauselijke banbullen, die de eerste aanbevelingsbrieven vervingen, konden hen verslaan. Evenmin de harde verordeningen der Nederlandsche overheden, die, om zich van de Zigeuners te ontdoen, bevalen, dat ieder "heiden" (zoo noemde men ze hier)--die zich betrappen liet, na gegeeseld te zijn, uit het land moest verdreven worden.--Ook niet het nog hardere bevel der Zwitsersche republiek, waarbij ieder Zigeuner die, nadat de verbannings-wet uitgesproken was, op Zwitserschen bodem gevat werd, aan den _dood_ vervallen verklaard en aan den scherprechter overgeleverd werd. Zelfs Sultan Bajazeth fronste te vergeefs het voorhoofd, terwijl hij beval, dat deze zwarte kinderen van Indië zijn grondgebied in _beide_ werelddeelen _onverwijld_ verlaten moesten. Zij spotten ook met dezen maatregel, dachten: "_ubi bene ibi patria_" [8] en bleven tot op den huidigen dag talrijk in Syrië, Klein-Azië en in Europeesch Turkije, als onkruid dat niet vergaat. Ofschoon de minachting en de woede waarmede men de Zigeuners vervolgde, in verscheidene landen van Europa zoover ging, dat men als op wilde dieren jacht op hen maakte, zooals de Noord-Amerikanen zulks tegenwoordig op de arme Californiërs doen, ofschoon men deze ongelukkige menschenkinderen letterlijk met de wolven op ééne lijn stelde, zoo _bleven_ zij toch overal en plantten zich voort, als de vossen in de zandholen onzer heidevelden.

Daar men met gedurende eeuwen uitgeoefende strengheid en geweld, met de zweep, met kerker en met galg, van de Zigeuners, wien toegevendheid en achteloosheid overal toegang verschaft had, niet meer bevrijd kon worden, besloot men eindelijk in nieuweren tijd in verscheidene landen, ze te behouden en hen door goedheid, scholen en opvoeding te beschaven, en zoo langzamerhand tot nuttige leden der maatschappij te maken.

Juist die harde vervolging, zoo begon men nu te redeneeren, had de Zigeuners, zooals ook andere vervolgden, slechts nog weerspanniger en brutaler gemaakt; zij hadden zich in dat vuur verhard. Juist die drijfjachten waren voor hen de beste school voor allerlei streken en knepen, waardoor zij zich aan de macht van den staat wisten te onttrekken. Hun ingeboren haat tegen de Europeanen werd nog heftiger, hun gehecht zijn aan en blijven bij hunnen eigen stam nog eigenzinniger. Even als bij de Israëlieten, werd onder het lijden hunne taaie nationaliteit nog taaier, de kloof tusschen hen en de Europeanen nog dieper. In plaats van die kloof nog dieper te maken, begon men er nu aan te denken, er een brug over te slaan. Koning Karel III van Spanje, Maria Theresia, Jozef II, Katharina van Rusland, en andere Vorsten van de "eeuw der humaniteit," vaardigden bijna gelijktijdig zeer wijdloopige, welwillende en grootmoedige verordeningen uit ter kolonisatie, verandering en gelukkigmaking der Zigeuners in hunne rijken. In al die Staten werden hun landerijen aangewezen, vaste huizen, dorpen en scholen voor hen gebouwd. Dergelijke verordeningen werden tot op den jongsten tijd ook in vele andere landen uitgevaardigd, meermalen hernieuwd en nu op deze dan op gene manier gewijzigd.

In Nederland en Groot-Brittanje trokken de zendeling- en bijbelgenootschappen zich de zaak aan, en in Engelsche steden (b.v. in Southampton) vormden zich "comités voor de verbetering van den toestand der Zigeuners." Men stichtte in Engeland een opvoedings-gesticht voor Zigeuners. Hetzelfde deed men ook te Friedrichslohr bij Nordhausen in Pruissen. Hier en daar traden ook eenige particulieren, die het lot der Zigeuners bijzonder ter harte namen, hunne behoeften en hun karakter bestudeerden, en aan het publiek voorstellen ter hervorming deden, als apostelen op. Ofschoon het wel geen twijfel lijdt, of deze in den nieuweren tijd ingeslagen weg ter bedwinging van het bij ons ingenestelde Zigeuner-element, is niet alleen de meest Christelijke, maar ook de eenige die eenig uitzicht op goede resultaten geeft,--want alle stemmen zijn het daarover eens, dat vervolging de Zigeuners doet blijven bestaan, dat verdraagzaamheid hen over het algemeen verzwakt--zoo moet men aan de andere zijde ook erkennen, dat _tot nu toe_ aan die vreemde en tegenstribbelende menschen, _ook zachtheid_ bijna altijd te vergeefs beproefd, en ook goedheid bijna altijd zonder het minste gevolg aan hen verspild werd. Onze pogingen om hen te verbeteren dateeren eerst uit de laatste eeuw, hunne barbaarschheid echter wortelt in den oorspronkelijken bodem van voor-historische tijden.

De geschenken van landerijen, die hun in Spanje, Oostenrijk en Rusland gedaan werden, wisten zij niet naar waarde te schatten, en slechts weinigen van hen namen eene meer kalme en landbouwende levenswijze aan. In stede van de woonhuizen, die Katharina in Rusland voor hen liet bouwen, te gebruiken, leefden zij liever, als zij nu toch eens in het dorp blijven _moesten_, in hunne eigene tenten die zij in de tuinen of op de erven der boerenhuizen oprichtten. De kinderen der Zigeuners in Oostenrijk, die Jozef de weldaden van het onderwijs wilde doen genieten, moesten zijne beambten, als Alpenjagers de gemzen, opvangen en dikwijls met touwen gebonden naar den schoolmeester brengen. Hunne moeders, die men te vergeefs de goede bedoelingen trachtte begrijpelijk te maken, liepen schreeuwende mede, als wilde men hunne kleinen ter slachtbank voeren, en noemden den goedhartigen Keizer een tweede Herodes. Anderen zagen in deze pogingen om beschaving onder hen te verspreiden, den ondergang van hun volk, gaven hunne have en goed weg, en doodden soms zelfs, om den school- en woondwang te ontkomen, zich zelven, even als Cato, die den ondergang van zijn volk niet overleven wilde. Niet veel meer succes hebben de menschenvrienden in andere landen gehad, noch in Pruissen, waar de school in Friedrichslohr in 1837 weder verliep, noch in het zoo dicht bevolkte Engeland, dat zoo weinig plaats voor het wilde Zigeuner-leven schijnt aan te bieden. Hier werden de zoogenaamde verchristelijkte en hervormde Zigeuners, die de genoemde zoo werkzame maatschappij in Southampton in verscheidene burgerlijke betrekkingen bij Christenen gebracht had, nog ongelukkiger dan die hunner kameraden, die in een toestand van onbeteugelde vrijheid gebleven waren. Eenige Engelsche wijsgeeren hebben daarom het Zigeuner-ras met het ei van een koekkoek vergeleken, waarover zelfs een broedende paradijsvogel te vergeefs hare vleugels uitbreiden zou.

Zelfs de zorgvuldigste en liefderijkste privaat-opvoeding, heeft dikwijls den wilden zin bij de Zigeuners niet meester kunnen worden, zelfs als men begon hun reeds in hunne vroegste jeugd goede zeden in te prenten. Daarvan worden vele merkwaardige voorbeelden verhaald, zoo b.v. het volgende:

Een klein Zigeuner-meisje, dat in het beroemde door Willem den Veroveraar bij Southampton aangelegde woud, tot aan haar tiende jaar met de haren rondgetrokken had, beviel eene voorname en kinderlooze dame in zoo hooge mate, dat deze zich over de kleine wees ontfermde, haar onderwijs liet geven en haar eindelijk geheel bij zich in huis nam en als hare dochter hield. Charlotte Stanley--zoo heette de kleine, lieftallige wilde--werd als eene voorname Engelsche dame opgevoed en groeide tot eene schoone, talentvolle en goed onderrichte jonkvrouw op.--Een rijk jonge heer, een zeer beminnelijk bloedverwant harer pleegmoeder, vatte liefde voor haar op en was voornemens haar te trouwen. Hoe meer dit plan echter zijne uitvoering naderde, des te stiller en melancholischer werd de schoone Hindostansche bruid, en op een goeden dag was zij, tot niet geringe ontsteltenis der geheele familie, verdwenen. Dien zelfden dag hadden zich Zigeuners in de nabijheid van het slot opgehouden. Men ging hen na en vond de gezochte, de door allen beminde Charlotte, midden onder de kinderen des wouds, aan den arm van een langen, zwartharigen man, het hoofd der bende. Zij verklaarde, dat zij zijne vrouw geworden was en dat niemand het recht had haar van hem af te scheuren. Hare goedhartige pleegmoeder en haar voorname bruidegom waren daarover ontroostbaar. Later kwam Charlotte, in hare geheel veranderde kleeding, nog eens een vertrouwelijk bezoek bij hen op het slot maken, en toen vertelde zij: hoe het haar in de kamers van het kasteel langzamerhand te benauwd was geworden, hoe een onweerstaanbare trek naar haar vrij, omzwervend leven zich hoe langer hoe meer bij haar deed gevoelen, naar mate het oogenblik naderde, dat haar voor altijd aan die hooge muren zou vastkluisteren.--De man, dien zij onder hare halfwilde landgenooten voor zich uitgekozen had, moet een der losbandigste knapen geweest zijn, en zijne teedere en verwende echtgenoote op brutale wijze behandeld hebben. Zij echter beantwoordde zijne mishandelingen met toewijdende liefde, die hij als de schatting eener slavin ontving. Zij bleef hem echter trouw bij al de lotwisselingen van zijn stormachtig leven, dat hem nu eens naar de gevangenissen van Londen, dan voor de crimineele rechtbank van Schotland voerde.--Zij gevoelde geen verlangen naar haar vroeger luxueus leven en naar het paleis harer pleegmoeder. Daar bleef niets van haar over, dan haar steeds met een sluier behangen portret, waarnaar haar verlaten Engelsche vriend dikwijls treurend en zuchtend opkeek, en dat daar ook eens voor mij onthuld werd, om de heerlijke trekken dezer capricieuse schoonheid te bewonderen.