Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 37
Minder hebben de Joden, even als al de Oosterlingen, op het gebied der _beeldende_ kunsten gepresteerd. Er is in Duitschland een tijd geweest--en het is nog niet lang geleden--toen slechts ééne _beeldende_ kunst, namelijk het graveeren, bij voorkeur door de Joden beoefend werd. Schilders en beeldhouwers hebben zij bijna niet voortgebracht, maar ook hierin bracht de nieuwere tijd verandering. Ik behoef onder anderen slechts aan een Bendemann, wiens "treurende Joden" en andere werken algemeen bekend zijn, te herinneren. Met goed gevolg hebben de Joden ook het tooneel betreden, en eenige acteurs en actrices, die in den laatsten tijd in Frankrijk en Duitschland het meest bewonderd werden, b.v. Rachel, Dawison, zijn uit de geopende poorten der Joden-wijken van de Duitsche steden te voorschijn getreden.
Wat in de toekomst nog voor gelukkige talenten en vreugde verspreidende gaven, uit deze aan genie en geest rijke wijken verder moge opbloeien, laat zich niet bepalen. Verscheidene volken van Europa zijn, om zoo te zeggen, pas begonnen de oude banden te slaken, waarin hunne voorvaderen de Joden sloegen; de diepe duisternis, waarin men hen liet versmachten, weg te nemen.
Het zou te ver voeren, wanneer wij wilden beproeven den graad van bevrijding en den stand der vorderingen van de zoogenaamde Joden-emancipatie, met andere woorden, der wettelijke bepalingen, waardoor zij tot de uitoefening van burgerlijke rechten en plichten, tot deelneming aan het algemeene recht en tot het bezit van een vaderland toegelaten zullen worden, in _ieder_ land aan te geven. Wanneer wij een blik terugslaan op het weinige dat hier boven gezegd is, en ons oog laten weiden over de weldadige resultaten, die dat werk van den nieuweren tijd reeds hier en daar verkregen heeft, dan mogen wij hoop koesteren, dat het langzamerhand overal gelukken zal, de moeielijke kwestie in het belang van beide partijen, zoowel der Christenen als der Joden op te lossen. In ieder geval echter is, naar het ons toeschijnt, niets meer geschikt ons met liefde te vervullen voor onzen grootmoedigen nieuwen tijd, die zich tot taak gesteld heeft de Joden en naast hen nog andere dienstbaren uit Babylonische slavernij te verlossen, dan een terugblik op de schandelijke en wreede onderdrukking, die de Joden in de harde, door menigeen nog zoozeer bewonderde midden-eeuwen, te verduren hadden.
DE ARMENIËRS.
De Armeniërs hebben zich ten gevolge,--of ten minste _grootendeels_ ten gevolge--der hun door de Turken gegevene impulsie zoover in Europa verstrooid, en hebben zich in menige streek van ons werelddeel, even als de Joden zoo ingenesteld, dat zij onder ons waarschijnlijk nog den val van het Osmanische rijk overleven zullen; wij kunnen, na de Osmanen en Joden geschilderd te hebben, gevoegelijk tot eene beschouwing der Armeniërs overgaan.
Het vaderland der Armeniërs in Azië, ten Zuiden van den Kaukasus, is een hoog gelegen bergland vol prachtige weiden, dat zich om den heiligen berg der arke Noachs, om den Ararat, groepeert. De oorsprong van dit volk verliest zich in de grijsste oudheid, maar de berichten aangaande eenen vroegtijdigen bloei, macht en onafhankelijkheid van het door hen gestichte rijk, zijn zeer mythisch en zeer fabelachtig. De geschiedenis toont ons hen schier nooit anders dan in afhankelijkheid en verbrokkeld. Zij zelven noemen zich "Haik," naar hunnen stamvader, die, even als Abraham, uit de vlakten van Mesopotamië de bergen binnentrok, en daar de wieg van zijn volk in gereedheid gebracht zou hebben. Ontelbare malen tot op den tegenwoordigen tijd, werd hun land door naburige veroveraars onderworpen en verdeeld.
Met zekerheid kennen wij slechts ééne periode van groote Armenische nationale macht en bloei. "Tigranes de Groote," een Armenisch Vorst ten tijde van Pompejus, onderwierp zich een aanzienlijk gedeelte van Westelijk Azië. Sedert deze groote Tigranes door de Romeinen overwonnen werd, is Armenië bijna altijd, ofschoon af en toe nog zelfstandige en inheemsche regenten-familiën voor korten tijd bij hen optraden, een speelbal der naburige machten, een schouwplaats van Aziatische harrewarrerijen en oorlogen geweest, en weldra geheel of gedeeltelijk door Byzantynsche, Egyptische of Perzische Satrapen, Arabische of Turksche Pascha's en Russische gouverneurs beheerscht geworden. Even als de Joden werden de Armeniërs nu eens door dezen, dan door genen machthebber uit het land verdreven, of in gevangenschap weggevoerd, of wel ter kolonisatie naar afgelegene provinciën gezonden. Dit treurige lot, even als de armoede hunner eigene bergen, die zij dikwijls, even als onze Alpenbewoners, vrijwillig verlieten, heeft hen zeker tot datgene gemaakt, wat zij geworden zijn, tot een even als de Joden overal verspreid, overal speculeerend handelsvolk.
Reeds vroegtijdig hadden zij handelsverkeer met Babylon, waarheen zij langs den bij hen ontspringenden Eufraaat, de producten hunner berg-dalen voerden.--Ook naar Tyrus en andere Phenicische steden zouden zij reeds in de oudste tijden, de muildieren en paarden, die zij op de in hunne bergen gelegene weiden aanfokten, gebracht hebben, even als zij ook aan het hof der oude Perzische Koningen, jaarlijks 20,000 veulens van hunne edele en beroemde paarden-rassen leverden.
Hoe meer zij hunne zelfstandigheid en hun oorlogzuchtig karakter verloren, des te handeldrijvender werden zij, zoodat zij zich ten laatste als handelscommissarissen over geheel Azië verspreid hebben. Men vindt ze reeds vroegtijdig tot in Hindostan toe, van waar ons reeds in de midden-eeuwen door hunne bemiddeling, de rabarber, de zijde, de edelgesteenten, kruiden en andere kostbare waren toegevoerd en in het Westen verdeeld werden. Zij waren en zijn, in deze takken van Oosterschen handel, in zekeren zin de mededingers eerst der Joden en Arabieren en later van het andere, reeds dikwijls genoemde en nog verder oostwaarts verspreide volk, de Tadschiks of Bucharen. Later heeft de handelsgeest hen zelfs in het Oosten naar China en in het Zuiden naar de bronnen van den Nijl gevoerd, waar de geschiedenis ons bij wijlen in Abessinië invloedrijke Armeniërs toont.
Ook reeds in Europa zelve moeten deze Aziatische industrie-ridders, reeds vroegtijdig bezoeken hebben afgelegd; enkele wellicht reeds met de oude Pheniciërs, Grieken en Romeinen. De Byzantijnsche Keizers verplantten sedert de 8ste eeuw vele uit hun land verdrevene Armeniërs, die reeds vroegtijdig ijverige aanhangers van het Christendom waren geworden, naar Europa, en ruimden hun wijken in Thracische en Grieksche steden in. In de midden-eeuwen, ten tijde der kruistochten, zullen waarschijnlijk ook de Venetianen en Genueezen hen hebben leeren kennen, en naar hunne Europeesche markten gebracht hebben.
Evenwel zijn zij eerst hoofdzakelijk en in grootere massa's tot ons gekomen, na de veroveringen der Polen, Russen en Turken in het Oosten,--en sedert hebben zij zich dan ook op verscheidene Noord- en West-Europeesche punten nedergezet. Eene der eerste, vaste Armenische gemeenten, die ons bekend zijn, heeft zich in het midden der 13de eeuw in Lemberg in Gallicië gevormd, waar zij van de Gallicische Vorsten zelfs een eigen magistraat verkregen, en waar zij nog heden ten dage onder een afzonderlijken bisschop staan. Van daar uit hebben zij zich in kleine genootschappen of factorijen over alle steden van Polen verspreid. Ofschoon zij daar hunne Armenische taal vergeten hebben, en ofschoon daar ook hunne Kerk zich aan die der Katholieken aangesloten heeft, zoo herkent men hen daar nu nog overal aan hun eigenaardige Oostersche gelaats- en lichaamsbouw, zoo als ook aan hunnen ouden speculatieven zin.
Even als in hunne Aziatische berglanden, zoo leggen zij zich ook in Polen hoofdzakelijk op den veehandel toe, en trekken zij met de kudden rundvee en paarden uit Podolië en Ukraine naar Warschau, Krakau en ook naar Breslau in Duitschland.--Ook hebben zij in deze landen buitendien nog altijd een groot deel van den handel in Turksche en Perzische waren in hunne handen, en deden zij daarvoor weleer dikwijls groote reizen van de Duitsche grenzen tot naar Perzië en tot diep in het Oosten.
De Turken, die sedert het einde der 15de eeuw den Perzen bijna geheel Armenië afnamen, brachten het volk weder in grooten getale naar Constantinopel, waar sedert dien tijd de Armeniërs naast de Joden, Italianen en Grieken tot de aanzienlijkste en ondernemendste kooplieden behooren.--Men vindt ze nu ook als kramers, beambten, pachters van tollen en in de meest verschillende betrekkingen in alle steden van Europeesch Turkije, waarin zij naast de Grieken en Osmanen de derde rol spelen.
Voornamelijk zijn zij de bankiers der Pascha's, en men kan zeggen, dat bijna alle inkomsten der Turksche provinciën door hunne handen gaan. Zij crediteeren hunne Pascha's in Constantinopel bij de regeering, zenden dan echter ook hunne agenten mede naar de provinciën, om op de inning der belasting het oog te houden. De handel in edelgesteenten en paarlen in Turkije is bijna geheel in hunne handen; zij zijn de voornaamste juweliers en geldwisselaars der Turksche hoofdstad.
Van uit het Turksch-Grieksch schier-eiland, verspreidden zij zich vervolgens met de Turken ook over de Donau-Vorstendommen Moldavië en Walachije. In Zevenburgen bezitten zij eene eigene stad: "Armenopolis" genoemd, waarin 400 Armenische familiën wonen, die handel drijven in hoornvee en in fabriekswaren. In Hongarije wordt de geheele stad Neusatz bijna uitsluitend door Armeniërs bewoond, en in de vlakten tusschen Donau en Theiss pachten zij gewoonlijk de groote Keizerlijke püsten of weiden, om er stoeterijen op te richten en waar zij, even als eens ten tijde der oude Perzen-Koningen in hun vaderlandsch bergland aan den Ararat, paardenhandel drijven. Zij zijn overal ook in Hongarije even als in Polen, de grootste pachters, vee-fokkers en rundvee-handelaars. Als zoodanig zijn zij dikwijls rijk en aanzienlijk geworden en somwijlen in den adel van Hongarije, Walachije, Moldavië en Bukowina opgenomen. Ook onder den Poolschen adel vindt men somwijlen familiën van Armenischen oorsprong, even als men eens onder den Spaanschen adel vele familiën van Joodsche afkomst aantrof.
In verbinding met de Turken, heeft de toenemende macht der Russen het meest tot de verbreiding der nijvere Armeniërs bijgedragen. Reeds onder de Tataren hadden zij zich aan de Wolga in Astrachan nedergezet. Toen de Russen deze stad in het midden der 16de eeuw veroverden, begonnen de Armeniërs, even als de Bucharen, den handel van Rusland met dien van het Oosten, in het bijzonder met dien van Perzië, te verbinden. Vooral Peter de Groote stelde veel belang in hen en verleende hun, in het einde der 17de eeuw, vele privilegiën voor hun verkeer in en door Rusland. Daar de Perzen zelven hun vaderland niet gemakkelijk verlaten, en nog minder gaarne tot groote reizen in Noordelijke landen besluiten, zoo werden de Armeniërs zoowel in Europa als in Azië hunne zaakvoerders. Zij zetten zich nu niet alleen in grooten getale in Astrachan, maar ook in andere Zuid-Russische steden neder, en maakten zich langzamerhand grootendeels meester van den Perzischen handel aan de Kaspische Zee; daar hebben zij in beide werelddeelen hunne kantoren, aan de eene zijde ver naar Iran toe, aan de andere zijde even ver Rusland in.
Daar de Czaren gaandeweg in die streken eene vaste orde van zaken in het leven riepen, en begonnen hunne banieren over de Christenen van het Oosten te laten waaien, zoo namen de Armeniërs ook bij verscheidene gelegenheden, als zij in de oorlogen tusschen de Turken en de Perzen in het nauw gebracht werden, met geheele scharen de wijk naar Rusland. In de tachtigste jaren der vorige eeuw vluchtten eens niet minder dan 15000 Armeniërs, onder aanvoering van hunnen aartsbisschop Argutinsky Dolgoruky, over den Kaukasus naar Europa. Catharina II wees hun verscheidene woonplaatsen aan, van waar uit zij zich verder verspreidden. Onder anderen stichtten zij, in de moerassen en steppen van den Don, de niet onbelangrijke en wel bekende stad Nachitschewan, van waar uit door hen de wijnbouw en zijdeteelt over Zuidelijk Rusland verbreid werd. In Astrachan, de stad aan den mond der Wolga, waren reeds tegen het einde der 18de eeuw, nagenoeg alle fabrieken en industrieele etablissementen in het bezit der Armeniërs. Zij hebben nu ook hunne factorijen en kleine koloniën tot aan Moskou, en tot aan de Oostzee in Petersburg vooruitgeschoven.
Nadat Rusland den Kaukasus overschreden was, werd dan ook een aanzienlijk gedeelte van het oude Armenië, en met dit gedeelte ook de heilige berg Ararat zelve, de oude hoofdstad Eriwan en het beroemde klooster Edschmiadzin, de zetel van het opperhoofd der Armenische kerk, van deze Europeesche macht afhankelijk, en hiermede werden voor dit Aziatische volk weder vele nieuwe wegen en poorten naar Europa geopend. Men ziet hen nu ook dikwijls, soms zelfs als officieren, in het Russische leger, ook zijn zij in den Russischen adel binnengeslopen, en eenige der bij ons meest bekende namen van Russische Grooten--ik wil slechts de beroemde familie der Graven Lazareff noemen--zijn van Armenischen oorsprong.
Ook in Westelijk Europa heeft dit merkwaardige Oostersch handelsvolk, zich in lateren tijd verder verspreid. Zij ontbreken natuurlijk niet op de wereldmarkt te Londen. Men vindt ze in Amsterdam en in Marseille, en eveneens in de Keizerstad Weenen. In de lagunen van Venetië, op het kleine eiland San Lazaro, dat de senaat in het jaar 1717 aan eene, door den Armenischen hervormer Mechitar gestichte, en door de Turken uit Morea verdrevene gemeente schonk, hebben zij een door zijne literarische werkzaamheid, zijne Armenische drukkerij en opvoedingsgesticht beroemd klooster gebouw, "het Mechitaristen klooster van S. Lazaro," van waar uit de gezamenlijke Armenische koloniën van Europa en ook het Aziatische vaderland zelf, gedurende anderhalve eeuw, van boeken en geletterde zendelingen en priesters voorzien geworden is.
Dergelijke Armenïsche drukkerijen en instellingen voor geleerdheid, hebben ook bij tijden in Marseille, Rome, Amsterdam, Livorno, Moskou en in andere plaatsen bestaan. Want trots hun treurig nationaal-lot zijn de Armeniërs van oudsher,--en ook hierin komen zij met de Joden overeen--zeer ijverige navorschers geweest, en hebben zij overal eene levendige belangstelling voor de literatuur van hun vaderland en van hunnen godsdienst bewaard. Nadat zij--reeds in de 2de eeuw na de geboorte van Christus--tot het Christendom bekeerd werden en den bijbel in hunne taal overzetten, hebben zij eene massa theologen en kroniekschrijvers voortgebracht, en hunne geschiedschrijvers worden, boven alle historici der Oosterlingen, als kritisch en als mannen van smaak geroemd. Hunne literatuur is eene rijke bron voor de geschiedenis der West-Aziatische volken, waarmede die der Armeniërs steeds innig samenhing.
De taal, waarin zij schreven, is wel rijk en beschaafd, maar even als hun bergachtig vaderland, uiterst hard, vol opeenhoopigen van lastige consonanten en schier nooit gehoorde klank-samenstellingen. En daarin vormen de Armeniërs een opvallend contrast met hunne gebieders, de Osmanen. Zij, een zacht en buigzaam handelsvolk, bezitten een hard en ruw orgaan en tongval. Deze daarentegen, de Turken, een oorlogzuchtig heerschersvolk, hebben eene uiterst zachte, melodieuse en welluidende taal, wier accenten men met het gekabbel van het water vergeleken heeft.--Men heeft er lang over gestreden, tot welken grooteren stam die Armenische taal en het haar sprekende volk, gerekend moeten worden. Wegens groote overeenkomst met het Syrisch en Oud-Phrygisch, heeft men de Armeniërs met de Joden en Arabieren tot de Semitische stammen willen tellen. Vele geleerden waagden het echter niet, hen bepaald onder de Semiten of eenige andere groote groep te rangschikken. En de Duitsche taal-vorscher Adelung meende te mogen beweren, dat het Armenische volk en hunne taal, die zoovele, nergens anders te vinden eigenaardigheden bezit, eene natie en een tongval op zich zelve waren en dat zij geheel op zich zelven stonden. Eerst in lateren tijd is men het daarover eens geworden, dat de Armeniërs met hunne naburen, de Perzen en Kurden, als ook met de Slawen en Duitschers, een tak van den grooten Indo-Germaanschen volks- en taalstam uitmaken. Men heeft in hunne taal de wezenlijkste elementen en karakter-kenmerken van dezen grooten stam weder herkend, ofschoon in haar, in de laatste vier eeuwen, tengevolge van het voortdurend verkeer van het volk met de Turken en Arabieren, niet alleen vele Turksche en Arabische _woorden_ ingedrongen zijn, maar ook zelfs de geheele Armenische bouworde der volzinnen, zich naar de wetten der taalkundigen dezer beide volken veranderd heeft.
Met het aannemen van de Indo-Germaansche afkomst der Armeniërs, stemmen de opmerkingen, die men over hun lichamelijk voorkomen maken kan, zeer goed overeen. De Armeniërs zijn een welgemaakt slag van menschen, zij hebben zeer regelmatige en volle gelaatstrekken en, bij donker haar en zwarte oogen, eene fraaie, blanke Kaukasische tint, en hebben onder alle Oosterlingen de meeste overeenkomst met de Perzen, de echte broeders der Indo-Germanen. Merkwaardig is het, hoezeer alle Armeniërs op elkander gelijken, en hoe bij hen schier iedereen even fraai en even welgemaakt is, als waren zij allen van dezelfde familie. Veel in hun uiterlijk en in hunne manier van doen, en zelfs in hunne wetten en gewoonten, herinnert echter ook aan de Joden. Zoo hebben zij b.v. verscheidene Joodsche verordeningen aangenomen, zooals de Joodsche gebruiken bij het slachten van vee, bij het vasten, en de Mozaïsche beschouwingen over reine en onreine spijzen. Misschien wijst dit op eenen vroegeren historischen en ethnischen samenhang beider volken. Misschien echter ook hebben de Armeniërs deze dingen eerst met het Christendom, en met den daardoor bij hen bekend wordenden bijbel overgenomen. Het beroemde Koningsgeslacht der Bagratiden, dat Armenië in de 9de en 10de eeuw regeerde, zou van Joodsche afkomst geweest zijn. Ook vindt men bij de Armeniërs, even als bij de Joden, en daarin verschillen zij, even als andere Oosterlingen, zeer van de Indo-Germanen--geene standen, geene geboorterechten, geen adel, geene onderhoorigheid of lijfeigenschap. Hunne gemeenten hebben een zeer democratisch bestuur, terwijl bij hen, even als bij de Joden, eene groote patriarchale macht uitgeoefend wordt. De familie-band is bij hen even sterk als bij de Joden. Zoolang de hoofden van het gezin, vader en moeder, leven, zoolang blijft steeds de geheele familie één, en blijven alle leden, zonder dat er boedelscheiding plaats heeft, onvoorwaardelijk gehoorzaam aan het hoofd. In hun vaderland zelf, komt het niet zelden voor, dat bij een 80 jarigen patriarch drie geslachten bij elkander leven en met elkander huishouden, vier à vijf gehuwde schoonzonen en dochters in den ouderdom van 50 tot 60 jaar, en dan nog kleinkinderen van 30 jaar en hunne kinderen, de achterkleinkinderen. Even als de Joden, zoo houden ook de Armeniërs den gemeenschappelijken band van den godsdienst in eere. Deze band is bij hen sterker dan taal, afkomst en alle andere kenmerken van nationaliteit. Men heeft hen dikwijls de Christelijke Joden genoemd. Daarom wil de Armeniër liever naar zijn geloof "Katholiek" dan naar zijne nationaliteit "Armeniër" genoemd worden. Alleen zij, die de oude Armenische kerk trouw gebleven zijn, noemen zich gaarne "Armeniërs," evenwel niet omdat zij tot het Armenische volk, maar omdat zij behooren tot de Christelijk-Armenische kerk, waaraan zij hunne beschaving en het geheele bestaan hunner nationaliteit te danken hebben.
Nergens zijn de Armeniërs in Europa tot zoo diepe ellende verzonken, als op vele plaatsen de Joden, met wier lot het hunne anders bijzonder veel overeenkomst heeft. Men treft hen bijna overal aan als welhebbende, dikwijls rijke en invloedrijke burgers. Dit laat zich ten deele daaruit verklaren, dat aan deze zeer intelligente en voor hunne zaken zeer geschikte menschen, als oude Christenen nergens een zoo hard lot bereid werd als den Joden--ten deele ook daaruit, dat zij zich nooit zooals de Joden, uitsluitend op den kleinhandel toelegden. Zij zetten zich ook goedschiks als landbouwende kolonisten op eene of andere plaats neder, en hier en daar werden zij zeer goede kunstenaars en fabrikanten.
Overal toonen zij zich een stil en ernstig, volhardend, onverdroten en onvermoeid volk, alleen verzot op geld verdienen. Matig in eten en drinken, houden zij weinig van pronk en publieke vermakelijkheden. Zij zijn het best in hun schik, als zij met de hunnen, in hunne gewoonlijk zeer zindelijke en zorgvuldig versierde huizen opgesloten, hunne winst berekenen kunnen. Niet oorlogzuchtig maar bang van aard, trekken zij zich van alle twistpartijen, onrust en oploopen terug, en tevreden hunne zaken te mogen drijven, toonen zij zich loyale onderdanen. Zij koesteren niets minder dan lust tot veroveringen en gedachten voor eene nationale onafhankelijkheid, geen naar grootsche zaken strevenden zin, geen geestdrift _pour l'honneur_! Zoo lang hunne zaak goed gaat, zijn zij de onderdanigste menschen der wereld. Daarom zijn zij door de Turksche Ulema's ook wel de "_paarlen der ongeloovigen_" genoemd geworden.
Het geheele getal der in Europa levende Armeniërs zal nagenoeg een millioen personen bedragen. In Azië zullen er wellicht wel dubbel zooveel zijn. Van veel meer gewicht echter zou zich dit onder ons Europeanen verstrooide volk voordoen, wanneer wij de kapitalen en waarden, die zij bij ons in omloop brengen, konden begrooten.
DE ZIGEUNERS.
De wilde Nomaden-horden uit Azië, die met het zwaard in de vuist hunne invallen in Europa zoo dikwijls herhaalden, zijn ook allen (met uitzondering alleen der voor de beschaving gewonnene Magyaren) door het zwaard bij ons omgekomen. Nadat de Europeanen hunne macht gebroken hadden, hebben zij later geen last meer van hen gehad. Geene troepen, die van de horden van Attila of van Dschingis-Chan waren afgeraakt, hebben zich in de bosschen en op de vlakten van ons werelddeel verstrooid, en hebben daar getracht zich, als aanhoudende plagen der volkeren, staande te houden. Zij hebben niet getracht, in de landen, die zij niet als dappere ruiterstammen konden innemen, als sluipende dievenbenden voor altijd te blijven. Zij verschenen bij ons als een onweder en verdwenen als een nevel.
Maar dikwijls is het gemakkelijker, zich tegen leeuwen te verweren, dan de verbreiding van kleine plaaggeesten tegen te gaan. Wat aan de strijd- en rooflustige ruiter- en herdersvolken, volgens hunnen aard niet gelukken mocht in Europa, waar zij niet alle bergen en steden in weidelanden vervormen konden, dat heeft een stam, die alles behalve heldhaftig was, die volstrekt niet talrijker noch door eendracht machtiger was--de Zigeuners--tot stand gebracht.