Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 36
In Zuidelijk Rusland echter heeft zich met de Tataren eene zeer merkwaardige, ofschoon helaas! weinig talrijke sekte der Joden, namelijk de zoogenaamde "Karaër" of "Karaïten" verbreid. Een zekere "Anan," moet omstreeks het midden der achtste eeuw, dus kort na het optreden van Mohamed, deze sekte gesticht hebben. Zij hebben zich ook, naar het schijnt, te gelijk met en door het Mahomedanisme in de wereld verspreid, zijn met de Muzelmannen naar Egypte, naar Spanje, naar Turkije en, zooals gezegd is, ook naar Rusland gekomen. Op Europeeschen bodem treft men ze in beduidend aantal alleen nog aan in Constantinopel en in Zuidelijk Rusland, voornamelijk in de Krim. Deze Karaïten zijn onder de Joden, wat de Protestanten zijn onder de Christenen. Want zij verwerpen de toevoegsels en overleveringen van den Talmud, en beroepen zich, even als de Protestanten, alleen op den letter en den geest der Schrift. Daarom hebben zij ook aan een Semitisch woord, dat zooveel als "Schrift" beteekent, en waarvan ook het Arabische woord "Koran" afstamt, hunnen naam "Karaïm", dat is "de getrouwen aan de Schrift," te danken. Zij zijn dientengevolge vrij van de opeenstapeling van stellingen en van de geheimzinnigheden der talmudistische of rabbinistische Joden, eenvoudig in hun geloof en wezen. Dit was het wellicht, wat hen achtingswaardig maakte in de oogen der Mahomedanen, en hun daarom bij dezen overal eene hoogere mate van burgerlijke vrijheid verschafte. Dientengevolge toonen zich de Karaïtische Joden overal, in tegenstelling met de andere Joden, zeer gezellig, eerlijk, ordelijk en zindelijk, en hebben zij een afkeer van den woekerhandel en den handel in oude kleeren hunner broederen. Slechts zeer zelden zou het voorkomen, dat een Karaït wegens diefstal of bedrog een lijfstraffelijk vonnis opliep. Armen en bedelaars treft men bij hen niet aan, zij komen allen op eerlijke en fatsoenlijke wijze aan den kost. Zij staan in zekeren zin tegen de talmudistische Joden over, als de Protestantsche Ieren tegenover de Katholieke, en zij schijnen te bewijzen, dat vele der onaangename eigenschappen, die wij den Joden als aangeboren toeschrijven, hun slechts door hunne wet en hunne gedrukte stelling eigen geworden zijn, en dat deze door hervormingen het best kunnen weggenomen of ten minste verzacht worden.
Naast Groot Rusland heeft geen Christelijk rijk in Europa zich zoo vrij van de Joden gehouden als Skandinavië. Enkele uit Duitschland gevluchte, of om handels- of andere belangen daar heentrekkende Joden, zijn daar natuurlijk ook altijd geweest. Zelfs hebben soms Zweedsche Monarchen (b.v. Koningin Christina) geschikte Joden in hunnen dienst gehad en hen tot diplomatieke doeleinden gebezigd. Maar eene eigenlijke geschiedenis der Skandinavische Joden begint eerst daar, waar de geschiedenis der Joden in het Westen, in Spanje en Portugal, eindigt. Even als de Nederlanden, Engeland en Hamburg, zoo is ook _Denemarken_ voor de voortvluchtige zoogenaamde Portugeesche Joden eene schuilplaats geworden, en hebben zij daar, van Hamburg uit, in eenige steden van Jutland verspreid, altijd vele vrijheden genoten, maar zijn zij toch altijd weinig in getal gebleven. _Zweden_ heeft--eerst sedert korten tijd--slechts een gering aantal Joden in Stokholm en Gothenburg opgenomen. Verder moet ook nog _Zwitserland_ genoemd worden als een land; waarin de Joden van oudsher slechts weinig geluk gehad hebben. Ook in alle Helvetische staten vindt men slechts zeer weinig Joden. Noorwegen durfde echter tot nu toe een Jood niet betreden.
Over het geheel kan men zeggen, dat het geheele Noorden van Europa door de Joden slechts weinig geëxploteerd is geworden. Misschien ook gevoelden zij, als een Zuidelijk volk, zich daarheen slechts zeer weinig getrokken.
In Griekenland, dat eens ten tijde der apostelen, de eerste talrijke Joden-koloniën ontvangen had, waren bij slot van rekening toch niet vele overgebleven. De "rechtgeloovige" Byzantynsche Keizers en de Grieksche Patriarchen zijn hun daar even weinig genegen geweest, als de Czaren-Pausen in Rusland. Nieuwe krachten verkreeg daar het ingesluimerde leven der Joden, door het ontstaan van het _Rijk der Osmanen_.
Ofschoon de Joden bij de Turken, in maatschappelijken zin, niet in hoogere achting stonden dan bij de Christenen, zoo bleven zij toch, als zij slechts de hun opgelegde schatting betaalden en de hun bevolene blauwe kleederdracht droegen, voor het overige, in zaken hunne gemeente rakende, tamelijk onafhankelijk. Wel voerde de nationale antipathie meermalen tot het plegen van gewelddadigheden jegens hen, maar nooit heeft onder de Turken de doos van Pandora, het in haar bevatte lijden en zorgen, zoo geheel over de Joden geledigd en uitgeschud, als in het overig Europa tijdens de kruistochten. Nooit zijn zij door de Turken zoo geplaagd, gebrandschat, getergd en mishandeld geworden, als bij wijlen in Duitschland, in Spanje en door de Byzantynsche Keizers.--"De geheele geschiedenis van het Osmanische rijk in Europa" zegt een Joodsch schrijver, "is, in vergelijking met de midden-eeuwen van het Christendom, eene bloeiende oase in de Joodsche herinneringen." Verscheidene Turksche Sultans bedienden zich in staatszaken bij voorkeur van de Joden. Hunne ambtenaren bij de munt waren gewoonlijk Joden, even als ook bijna altijd hunne lijfartsen. Sultan Selim benoemde een Jood tot Hertog der Cykladische eilanden. En de groote Joden-gemeenten in de steden van het rijk, waren, wat hun innerlijk bestuur aanging, in hoogen graad onafhankelijk. De halve maan, die het overige Europa een onheilspellend meteoor toescheen, ging derhalve boven de Joden als eene verwarmende zon op. Van vele zijden stroomden, na de verovering van Constantinopel door de Turken, rabbijnen naar de groote steden van het Turksche rijk. Zij vluchtten uit de Christelijke landen, voor de Spaansche inquisitie, voor het uitjouwend "Hepp-Hepp" der Duitschers, voor de piek der Russische Kozakken naar Turkije, waar zij zich nu nog naar de landen, waaruit zij afkomstig zijn, in zoogenaamde "Aschkenaren" of Duitsch sprekende Joden, in Spaansch sprekende, in Hongaarsche, Italiaansche, Poolsche en oud-Grieksche Joden verdeelen. Joodsche drukkerijen werden reeds vroegtijdig in Konstantinopel, Salonika, Damaskus aangelegd, in een tijd toen den Mahomedaanschen Turken zelven het drukken nog verboden was.
Bij den strijd van het Christendom tegen het Mahomedanisme, vinden wij dan ook de Joden gewoonlijk aan de zijde der Turken en Saracenen. Zij stonden b.v. met de Muzelmannen op de muren van Jeruzalem, toen de kruisridders die stad aanvielen, en werden door dezen tegelijk met de Muzelmannen afgemaakt. Ook in het jaar 1686 bij de belegering van Ofen door de Duitschers, streden de Joden naast de Turken en leden met hen. Ook zijn in den _nieuwen_ tijd de in Turksche steden opgehoopte Joden zeer achterlijk gebleven, als men de toenemende ontwikkeling hunner Westersche broeders, en de wijze waarop deze zich van oude vooroordeelen vrij maakten, in aanmerking neemt, terwijl dat gedeelte der Joden, dat onder Turksche Pascha's in het beloofde land hunner vaderen woont, tot de ongelukkigste Joden van den aardbol behoort.
Het overig Europa ontwaakte eindelijk uit zijn langen, middeneeuwschen nacht, en zijn geest begon zich langzamerhand van de oude knellende banden te bevrijden. Het ondermijnde de macht zijner ruwe ridders en leenvorsten; het riep de wetenschappen en de beschaving uit de graven der Grieken en Romeinen weder op; het verwerkte de staatsregelingen; het arbeidde aan de hervorming der kerk en eindelijk ook aan de _emancipatie der Joden_, een vraagstuk, dat echter eerst sedert de Fransche omwenteling overal eene bevredigende oplossing nabij gebracht is.--De grootste zwarigheden, de grofste vooroordeelen, de diepst ingewortelde antipathieën moesten daarbij overwonnen worden, oude wetten moesten worden afgeschaft, de tegenstrijdigste belangen vereffend en de sedert de oudste tijden bestaande gewoonten afgelegd worden. Eeuwen lang was men gewoon geweest de Joden als de moordenaars van den Heiland, als de doodsvijanden der Christenen te beschouwen en te behandelen.--Sedert den tijd der kerkvaders, op wie men zich beriep, had men hen van misdaden beschuldigd, die zij denkelijk _nooit_ begaan hadden.
Opdat iedereen zich reeds in de verte voor hen hoeden kon, had men hen overal genoodzaakt, zekere kenteekenen te dragen, zoo b.v. in Duitschland puntig toeloopende hoeden, in Spanje en Italië gele vlekken op het overkleed. Op andere plaatsen, moesten het groene, of ook wel blauwe vlekken zijn. Een oud-Egyptisch tyran (Ptolomäus Philopator) had eens bevolen, alle Joden, de figuur van het aan Bacchus gewijde klimopblad, voor het voorhoofd te branden. Een ander Oostersch despoot, had hen eens allen in de hand laten brandmerken. Weder een ander had bevolen, dat zij allen het beeld van een kalfskop, ter herinnering van het gouden kalf, om den hals moesten dragen. Slechts door groote geldsommen, konden de Joden zich deze hun opgedrongene schandteekenen afkoopen. Even als den vreeselijken inval der Mongolen in de 13de eeuw, zoo schreef men ook iedere ramp die de Christenheid trof, aan de Joden toe en strafte hen daarvoor, als waren zij er inderdaad schuldig aan. Sedert de kruistochten, werd bijna iedere gebeurtenis, die allen met schrik vervulde of enkelen schade berokkende, epidemiën, branden enz. op de Joden door roof en moord gewroken. Toen de pest uit het Oosten ons werelddeel binnentrok, schreeuwde men, dat de Joden de melk der aarde, de bronnen, vergiftigd hadden. Uit hostie en christenbloed, zoo zeide men, wisten zij een vreeselijk elixer te bereiden. Als ergens een hevig onweder, gepaard met hagelslag en wolkbreuk losbarstte, dan heette het, dat de Joden gedurende dien tijd een wassen beeld van den Verlosser in hunne synagogen gekruisigd hadden, en met een vreeselijk Hepp-Hepp-geroep viel dan het razende gepeupel op de Joden-kwartieren aan. Eene Konings-krooning of eenige andere plechtigheid, die vele Christenen te samen bracht, ging gewoonlijk met een "Joden-spektakel" gepaard, als behoorde dit mede tot de Christelijke feesten. Als zelfs Koningen in hunne, in het parlement gehoudene redevoeringen, over de Joden als over een "verpestend, volk" spraken, waardoor zij hun land bevlekt beschouwden; dan was het geen wonder, dat buiten het parlement en de residentiën der Koningen, zulke mannen als de beruchte ridder Rindfleisch in het jaar 1290, zich verhieven, en terwijl zij verklaarden, door God gezonden te zijn om den aardbodem van de pest dezer christenvijanden te zuiveren, de landen aan het hoofd van woeste horden doortrokken, de Joden als wilde dieren doodden en hen op de marktpleinen bij groote hoopen verbrandden.
Afschuwelijke misdaden zijn daarbij, door hen die zich Christenen noemden, gepleegd. De geest der kinderen Israëls echter ontvlamde zich tot roerende, bewonderingswaardige en heldhaftige daden.--Men zette hun het mes op de keel en riep hun toe: "zweer uw geloof af, Jood, of sterf!" Zij riepen uit: "Hoor ons, God Israëls!" en stierven als vrome martelaars. Om hun geloof te redden gaven zij dikwijls zelf zich den dood. Vaders stieten hunne dochters neder, en deze bliezen haren laatsten adem uit, terwijl zij zuchtten: "goed gedaan, vader!" "Zulke den dood verachtende menschen," roept een christen-geschiedschrijver van den toenmaligen tijd uit, "kan men met recht met de meest geprezene helden der geschiedenis vergelijken."
Van de christelijke scholen waren de Joden natuurlijk in den regel uitgesloten. Eveneens waren hun sedert de kruistochten de gilden gesloten en hun alle ambten, iedere eereplaats in den staat, ja! bijna ieder fatsoenlijk handwerk ontzegd. Zij behoorden bijna niet meer tot de maatschappij. Midden onder de burgers, leefden zij als paria's, als bannelingen. Onroerend goed mochten zij in bijna geen een land bezitten, en het roerende liet men hun slechts een tijd lang, om het hun ter gelegener tijd te kunnen ontrooven. In de meeste landen hadden de Joden geen ander grondbezit, dan _het plekje grond_, waarop zij hunne dooden begroeven, hunne _begraafplaats_. Bij de wreedheid voegde men nog de ergste hoon en bespotting. Overal waren oude, als wetten heilig gehoudene misbruiken, om de Joden te vernederen. In de rijksstad Worms in Duitschland was het de gewoonte, dat ieder jaar op zekere dagen een aantal Joden als muilezels opgetuigd, voor een rosmolen gespannen en door drijvers voortgezweept werden, en zoo lang de machine bewegen moesten tot er 8 malder tarwe gemalen was; hiervan liet de Christelijke overheid zich koeken bakken, om ze terwijl zij zich tevens aan wijn te goed deden, intusschen te verorberen. In de stad Toulouse in Frankrijk heeft een geruimen tijd de gewoonte bestaan, dat op zekere Christelijke feestdagen de syndicus der Joden, op het marktplein moest verschijnen, om eene plechtige oorvijg te ontvangen. En deze gewoonte werd dikwijls met zooveel barbaarschheid nageleefd, dat eens bij een dergelijke plechtigheid, de kapelaan der Christenen den hoogsten magistraatspersoon der Joden tegen den grond sloeg. Toch waren de vrome Joden bij zulk eene plechtigheid in grooten getale aanwezig om als martelaars in deze beleediging--die zij als eene eer beschouwden--te kunnen deelen.
Als schapen dreef men deze gesmade, gehate, geschandvlekte Joden, overal in nauwe, sombere, van de Christenen afgescheidene wijken der stad, samen, die men in Duitschland "Jodenstraten," in Italië "_Ghettis_," in Spanje "_Juderias_" noemde, die op Christelijke Zon- en feestdagen en ook verder iederen avond, met grendels en ketens gesloten werden. Even als het slachtvee moesten de Joden bij de poort van iedere Christelijke plaats, per hoofd tol betalen, welke vernederende tol hier en daar zelfs in Duitschland, naast vele andere drukkende misbruiken, tot op den nieuwsten tijd bestaan heeft. In die _Ghettis_, in de Jodenbuurten, waarin zij slechts onder elkander leefden, slechts onder elkander huwden, waarin zij met hunne steeds in angst verkeerende familiën ingesloten waren, en waarin zij gemeenschappelijke en stille wraakgebeden ten hemel zonden, moesten natuurlijk de Joden dat worden wat zij geworden zijn; zij moesten versuffen en verstompen. Zelfzucht, verstoktheid, christen- en menschenhaat moesten zich van hen meester maken. "Strenge afzondering even als groote mate van in zich zelve gekeerd zijn," zoo zegt een Duitsch schrijver, "schijnt een hoofdkaraktertrek der Joden in het algemeen te zijn. Nooit ziet men hen vroolijk en onbevangen de genoegens des levens genieten of die rondom zich verspreiden. Nooit ontleenen zij liefelijke woorden aan de phantasie, nooit maken zij al stoeiende kunstige verzen, nooit geven zij zich vroolijk en juichend over aan dans en spel. Alleen het beredeneerde verstand meent men bij hen aan te treffen. Een diepe ernst, een sombere angst ligt over hun geheele zijn uitgespreid." _Misschien zeer waar, mijnheer! maar zeker zeer natuurlijk_!--Want als dit alles al niet reeds van oudsher zoo bij de Oostersche Joden geweest is, hoe zou het bij de Joden der midden-eeuwen anders hebben kunnen zijn! Daar zij zich in den omgang met hunne medemenschen niet konden verheugen, daar zij zich met geene, ook niet met den laagsten stand der Christenen op gelijken voet konden bewegen, daar zij om zoo te zeggen, de paria's van Europa waren, was het gewis niet wèl mogelijk, dat zij anders dan verdrietig en bekrompen van geest werden?
Het _Jodendom_ zelf en zijne voorschriften moesten wel de voornaamste onderwerpen der studie worden, waarin zij zich verdiepten, waarover zij steeds redekavelden, uit wier bronnen zij hun geestelijk voedsel putten. Daardoor kwam het, dat zooveel geleerde rabbijnen en leerlingen van rabbijnen, zich op zoo verwonderlijk veel onnutte wetenschappen toelegden, zulke groote woordenzifters en spitsvondige uitleggers voortbrachten. Grootsche vrij denkende menschen, die òf door verstand òf door kunst uitblonken, konden zich, zoo als gemakkelijk te begrijpen is, uit die _Ghettis_ niet ontwikkelen, hoeveel talenten ook in hen sluimeren of telken jare afsterven of vernietigd worden mochten. Daar hun honderd andere wegen, waarlangs de Christen zich verdienstelijk of beroemd kon maken, afgesloten waren, zoo moesten zij zich wel met het _eenige_ bezig houden wat hun nog over bleef, en waarop de Christenen zich niet _mochten_ toeleggen, op de geringste en verachtelijkste handwerken, op geldwisselarij, woekerhandel, en op vele andere, winst beloovende en het lieve leven rekkende kruis- en dwarswegen. Door nood gedrongen moesten zij wel, kramers, oud-kleerenkoopers en schacheraars van het werelddeel worden of blijven.
Daar zij gedwongen werden, hoon en smaad te verdragen, gewenden zij er zich aan, zich daaraan zonder tegenspraak te onderwerpen en konden zij niet anders dan ongevoelig worden voor de eischen der eer. Daar zij zich overal voor de overmacht moesten terugtrekken, daar zij reeds als kinderen zagen hoe hunne vaders al het hunne verborgen, en zich zelven eene schuilplaats zochten, zoo werden ook deze afstammelingen der heldhaftige Makkabeën angstig en lafhartig, gedrukt en kruipend. Zij maakten zich al die talenten eigen, waarmede de zwakke en dienstbare zich alleen verdedigen of wreken kan, listige veinzerij, geslepene welbespraaktheid, voorzichtig en spitsvondig verstand, en een hun in hooge mate eigen sarcasme en satyrieken zin, die hen in staat gesteld heeft op het gebied van literatuur en kunst zeer pikant voor den dag te komen. Het is dien ten gevolge zeer natuurlijk, dat de Joden, wanneer zij ook al van den beginne af reeds eenigzins zoo waren, toch niet anders _worden_ konden dan zooals zij zijn.
Het is veeleer zeer te verwonderen, dat bij den onmenschelijken druk, waaronder zij eeuwen lang zuchtten, zij niet ten prooi zijn geworden aan volslagen ongodsdienstigheid, verwildering en zedeloosheid. Maar zoo zeer was de oude eerwaardige wet van Abraham en Mozes dit volk ingeprent, dat zij even als in Egypte en Babylon, zoo ook in hun duizendjarig martelaarschap aan den Rijn en aan den Weichsel, hun vromen zin, hun geloof aan eene verlossing, aan hunnen God nooit verloren.--Bijna alle volken van den aardbodem zijn sedert de tijden van Abraham, eens of meermalen van godsdienst veranderd,--heidenen zijn Christenen of Mahomedanen geworden; geheele groote en schitterende godsdienststelsels, zooals dat der vuuraanbidders, die der Grieken en Romeinen, zijn binnen die tijdruimte onder de geesten der menschheid opgekomen en weder verdwenen. _Het geloof der Joden_ alleen, heeft zich onder onnoembare verwoestingen, stuiptrekkingen en rampen onveranderd en ongedeerd, even als de piramiden van Egypte, weten staande te houden. En even onverwoestelijk zijn onder hen de oude patriarchale zeden gebleven, die hun door die begenadigde, persoonlijk met God en de engelen omgaande menschen, gegeven waren. Ouderliefde, kinderlijke eerbied, kuischheid en reinheid van omgang, innig familie-verband, verder barmhartigheid en hulpvaardigheid, zijn zoovele prijzenswaardige eigenschappen, die de Joden onder alle omstandigheden hebben weten te bewaren. Overal, waarheen zij getrokken zijn of waarheen het noodlot hen slingerde, hebben zij alles wat hen naar lichaam en geest kenmerkte, verwonderlijk goed weten te bewaren.
Ik zeg: "ook wat hen naar het lichaam kenmerkte", want niet zonder verwondering kan men de Joden-physionomiën beschouwen, die vele eeuwen voor de geboorte van Christus, Egyptische kunstenaars op hunne monumenten afbeeldden, en die in vorm, uitdrukking en alle détails volkomen gelijken op die der Joden, die wij dagelijks om ons henen zien. Men zou de Joden in hunne oude ommuurde _Ghettis_, met de Prinses onzer vertelseltjes kunnen vergelijken. Als rozen bloeiden zij in die schuilhoeken, als in een bosch van allerlei struikgewas en onkruid. Als door een tooverslag leven om zich verspreidende, zijn de ridders van den nieuweren tijd, de voorstanders der Joden-emancipatie, eerst de Nederlanders en Engelschen, bij wie alle bevrijding der Europeanen uit de hen kwellende politieke banden een aanvang nam, daarna Frederik II en Jozef de Goede, vervolgens de Fransche revolutie en Napoleon, deze schuilplaatsen bevrijdend binnengedrongen, hebben op den geest der Joden ingewerkt, en hebben verstomptheid en dofheid plaats doen maken, voor leven en levendige deelname in hetgeen rondom hen gebeurde. Als nieuwgeboren is het onverwoestbaar Israël opgetreden, en talenten en krachten hebben zich onder hen ontwikkeld, wier ongedachte macht ons nu schier overweldigt. En thans, nu dit werk in alle landen reeds groote vorderingen gemaakt heeft, kan men slechts weinige takken van het menschelijke weten noemen, aan welke dit merkwaardige volk geene uitstekende vernuften geleverd heeft.
Aan de philosophische wetenschappen hebben zij mannen als Spinoza, de groote denker van Amsterdam, en Mendelsohn, de welwillende, zoo vast van karakter zijnde philosoof van Berlijn, gegeven, wier onsterfelijke namen naast die van een Des Cartes en Kant genoemd worden. De mathematische wetenschappen ontvingen van hen vele heldere en scherpzinnige koppen, en als rechtsgeleerden hebben onder hen een Asser in Nederland, Cremieux in Frankrijk en vele in Duitschland geschitterd. De artsenijkunde was van oudsher het erfdeel der Joden, en men zou eene eindelooze lijst kunnen maken, als wij al hunne Esculapen van ouderen en nieuweren tijd wilden opnoemen. De Israëliet Block is als natuurvorscher algemeen bekend. Friedländer is de naam eener Israëlitische familie, waarvan zich vele leden als geneesheeren, philosofen en schrijvers beroemd hebben gemaakt. Voor staatslieden en diplomaten hebben de Joden ten allen tijde getoond groote geschiktheid te bezitten, zoodra men hen daartoe maar wilde gebruiken. Zelfs toen zij zeer onderdrukt werden, hebben, in het Oosten zoowel als in het Westen, altijd eenige Joden, van uit de kabinetten der Koningen de lotgevallen der volken bestuurd en hunne betrekkingen geregeld. Joodsche Groot-Vizieren, die even als Jozef in Egypte, de rechterhand van machtige heerschers waren, wijst de oude geschiedenis ons in menigte aan. In den nieuweren tijd, sedert den vooruitgang der emancipatie, hebben wij de spreekgestoelten, de presidents-zetels onzer parlementen, ja! zelfs de minister-zetels in Engeland, even als in Frankrijk en Duitschland, door welsprekende, behendige, voorzichtige, vaderlandslievende afstammelingen van den stam Israëls bezet gezien.
Even als de pen, zoo hebben zij ook met ijver en goed gevolg de lier ter hand genomen, en wij behoeven ons slechts te herinneren, dat de dichter Michael Beer in Berlijn, dat Heinrich Heine, dat de componisten Meijerbeer en Moscheles, die de harten van het volk wisten te treffen, van dien stam waren, om ons van het talent te overtuigen, waarmede zij de Muzen wisten te dienen. Voornamelijk de muziek behoorde, sedert de tijden van den ouden Koninklijken harpspeler, tot de kunsten, waarvan de Joden hartstochtelijk veel hielden; en nu, sedert hunne banden geslaakt zijn, is er letterlijk geen instrument te vinden, waarop Israëlieten ons niet, even als David eens Saul deed, in verrukking hebben gebracht.