Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 35
Even als bij de Mooren, zoo bloeiden de Joodsche aangelegenheden gelijktijdig ook bij de Christelijke Koningen van het schiereiland, wier finantiën gewoonlijk in de handen der Joden waren, en die somwijlen moeielijke wetenschappelijke opgaven (b.v. Koning Alphons de Wijze van Castilië zijne beroemde astronomische tafels) door Joodsche geleerden moesten laten oplossen. Vooral echter verhief het grondbezit, dat hun toegestaan was, de Spaansche Joden overal tot vaderlandslievende en weerbare zonen van het land. Zelfs van de ridderlijke oefeningen der Spanjaarden waren zij niet uitgesloten, en schenen zij in wezen, taal en houding aan de Spanjaarden gelijk. Hoe verder het gebied der Christelijke Koningen zich uitbreidde, hoe minder de Mooren te vreezen waren, hoe grootere overwinningen het kruis behaalde, des te meer ook veranderde dit. Met het aantal van anders geloovende onderdanen, die men met de nieuwe veroveringen opnemen moest, nam ook de angst voor en de strengheid tegen hen toe. De geestelijkheid verlangde hunne bekeering, en toen zij tegenstand boden, ontstonden reeds tegen het einde der 14de eeuw eenige bloedige vervolgingen. Wel hebben in zulke omstandigheden de Joden in Spanje soms, in groot aantal hun geloof verloochend en het Christendom aangenomen, wat zij in andere landen, zelfs bij het hardste lot, nagenoeg nooit gedaan hebben: maar dit laat zich daaruit verklaren, dat zij overigens zoo geheel met de Spanjaarden gelijk gesteld waren en zij bij eene weigering, in dit hun zoo gunstige vaderland zooveel te verliezen hadden. Het meerendeel echter bleef ook in Spanje het geloof hunner vaderen trouw, en tegen dezen slingerde nu, toen de zaken langzamerhand tot rijpheid gekomen waren--nadat de verschrikkelijke en snoode inquisitie diepe wortels geschoten had--in hetzelfde jaar, waarin de laatste Moorsche staat in Granada onderdrukt was (1495), Koning Ferdinand zijne vreeselijke verbannings-dekreten.
Deze Koning meende dat hij den Schepper zijn dank voor de op de Mooren behaalde overwinning niet beter bewijzen kon, dan door òf de Joden te noodzaken het geloof hunner vaderen af te zweren òf hen uit Spanje te verdrijven. Driemaal honderdduizend Spaansche Israëlieten verlieten het land, waarin zij langer dan de voorvaderen van Koning Ferdinand gewoond hadden, en waarin hun leven hoopvoller en schitterender geweest was dan ergens anders in Europa. Zij verkochten hunne fraaie bezittingen voor spotprijzen, de een zijn wijnberg voor een pakpaard, de ander zijn huis voor een reismantel aan de geldgierige Spanjaarden. Velen vluchtten onder onnoembare kwellingen over de zee, en zochten in Afrika, in Italië en in het Oosten een nieuw vaderland. Twintig duizend familiën vonden een tijdelijk toevluchtsoord in Portugal. Daar echter de Portugeesche Koningen en geestelijkheid weldra de Spaansche politiek volgden, doordien ook daar de Spaansche inquisitie ingevoerd was, werden ook daar de Joden door bekeerings-bevelen en verbannings-decreten getroffen, en moesten zij weldra hun zwaar kruis weder op zich nemen, en hunnen met doornen voorzienen wandelstaf weder ter hand vatten. Verscheidene Joden lieten zich, in Lissabon achterblijvende, doopen. Maar ook deze verstrooiden zich bij latere verontrustingen, die hun om hun geloof aangedaan werden (want in het geheim plantten zij het Jodendom op kinderen en kindskinderen voort) naar Bordeaux en Bayonne, naar Frankrijk, en vooral naar de tegen de elementen en tyrannen kampende Nederlanden, waar in de 16de eeuw, de Voorzienigheid voor alle vervolgden en onderdrukten eene haven geopend had, en later naar Hamburg en andere Noordsche steden.
Deze sedert de tijden van Karel V en Philips, in het Noorden en het Oosten verspreide, zoogenaamde Portugeesche Joden, die nu nog overal hunne Spaansche zeden en taal, als eene herinnering aan het land hunner vaderen, getrouw blijven, maken een bijzonder geachten tak van het Joodsche volk uit. Zij munten boven de Duitsche en Poolsche Joden uit, door hun manlijk en rechtschapen karakter en door eene edele houding. Men meent het hun te kunnen aanzien, dat zij eens eene onafhankelijke stelling genoten en eigen grond onder hunne voeten gehad hebben.
In het land ten noorden van Spanje, in Frankrijk, hebben de Joden nooit zooveel gewicht in de schaal gelegd als in het Pyreneesche schier-eiland, ofschoon zij ook daar sedert de tijden der Romeinen, in de steden woonden. Lyon was een hunner belangrijkste plaatsen. Zij maakten zich door hunne kennis, waarin zij de toenmalige Christenen overtroffen, en door hunne uitgebreide relatiën dikwijls zeer nuttig bij de eerste Koningen der Franken. Karel de Groote zond een Jood als afgezant naar den Kalif Harun-al-Raschid. Lodewijk de Vrome verzette, ter wille der Joden, den marktdag in vele plaatsen van Frankrijk van sabbath op een anderen dag der week. Karel de Kale maakte de belasting der Joden nagenoeg gelijk aan die der Christenen. Maar hoe meer het leenstelsel veld won, hoe meer de macht der Bisschoppen en der Kerk zich uitbreidde, des te meer werd den Joden de bescherming der Koningen onthouden, en moesten zij voor het geweld van een hen vervolgenden clerus onderdoen. Zij werden door de in Frankrijk zeer hierarchische en invloedrijke geestelijkheid bestreden, en door de somwijlen opflikkerende geestdrijverij der Franschen zeer in het nauw gebracht. Na de tijden der Karolingers herhaalden zich de Joden-vervolgingen in alle plaatsen van Frankrijk. Meer dan eens werd nu ook, door de onder den invloed van den clerus staande Koningen, het gezamenlijke vermogen hunner Joden verbeurd verklaard; zij overvielen en plunderden ze in het geheele rijk en verdreven hen. Eens deed dit Philips Augustus in het jaar 1182, en eene andere keer Philips de Schoone, dezelfde ijdele en hebzuchtige despoot, die de wreede vervolging der tempelheeren in het jaar 1306 beval. De Joden spreken over de vervolgingen onder dezen laatsten Koning, als over de verschrikkelijkste die zij door te staan hadden. Al hunne synagogen werden in Christelijke kapellen veranderd. De Parijsche synagoge schonk de Koning aan zijn koetsier Jean Truvin. Na dien tijd verheugden de Joden zich in Frankrijk, ofschoon zij nog eens weder teruggeroepen werden, nimmer weder in een rustig bestaan. Het eigenlijke Koningrijk Frankrijk was toen nog klein, en zij vonden somwijlen bescherming in de min of meer onafhankelijke, naast Frankrijk gelegene landen. Maar af en toe werden zij toen ook van het eene naar het andere Hertogdom verjaagd. In het jaar 1320 hadden zij in Zuidelijk Frankrijk de groote zoogenaamde herders-vervolging te verduren. Geïnspireerde schaapherders waren in Zuidelijk Frankrijk als profeeten opgestaan, en hadden het volk tot een kruistocht naar het beloofde land opgewekt. Volgens de spreuk: "het hemelrijk behoort den eenvoudigen," geloofden en stelden zij vast, dat het Heilige land, dat zoovele Koningen en Keizers vergeefs getracht hadden te veroveren, slechts door eenvoudige menschen kon teruggewonnen worden. Zij brachten eene massa herders, boeren, landloopers en boeven op de been, die zich in beweging stelden, maar niet eens kundigheden en middelen genoeg bezaten, om uit Frankrijk te kunnen komen. De tocht liep uit op eene algemeene plundering en gedeeltelijke uitroeiing der Joden, in de steden van Languedoc en Provence. Karel VI, dezelfde meestal diepzinnige Koning, die op een beroemd gemaskerd bal als satyr verkleed in brand geraakte en in levensgevaar verkeerde, tengevolge waarvan hij zijn verstand verloor, maakte het den Joden eindelijk geheel onmogelijk in Frankrijk te vertoeven, doordien hij hen in het jaar 1394 voor altijd uit Frankrijk verbande.
Eerst met het verkrijgen der Duitsche provincie Elsasz, onder Lodewijk XIV, kreeg Frankrijk weder een aanzienlijk getal Joden. Onder Hendrik II, in het jaar 1550 waren slechts eenige weinige dier zoogenaamde Portugeesche Joden in Bayonne en Bordeaux opgenomen, en deze, zooals nog eenige andere sedert dien tijd weder in het land gekomene Joden, zijn eindelijk ten gevolge der nieuwere Fransche politieke hervormingen, en voornamelijk door de hulp van hunnen grooten beschermer Napoleon, hunnen weldoener en bevrijder, geheel met de overige burgers gelijk gesteld en als Franschen erkend.
Het Engelsche Jodendom was schier altijd een tak van het Fransche, want uit Frankrijk kreeg Engeland vermoedelijk, tegelijk met het Christendom, zijne eerste, nog weinig talrijke Joden, en later met de Noormannen onder Willem den Veroveraar een aanzienlijker aantal. Zij verwierven zich aanvankelijk onder de Engelschen, door hunne industrie en voornamelijk, even als overal elders, door hunne geschiktheid tot het leiden van geldzaken, welstand en rijkdom, werden echter door de Koningen weldra zoo gebrandschat, en door het volk, ten tijde der kruistochten, zoo dikwijls geplunderd, mishandeld en gedecimeerd, dat ook daar hunne zaken in verval kwamen en hunne hardverdrukte gemeenten verarmden. Koning Eduard I, een groot krijgsman en held, de veroveraar van Wales en Schotland, beval in het jaar 1290 plotseling, dat alle ellendige en geheel beroofde Joden het Koningrijk moesten ruimen; vermoedelijk omdat hij het nut, dat hij van hen trekken kon, niet groot genoeg vond, om deswege den Jodenhaat zijner Christelijke onderdanen, en de ophitsingen zijner geestelijkheid nog langer te wederstaan. Zestien duizend arme vluchtelingen verlieten daarom met schepen het groene eiland, waarop zij niets dan de oorkonde hunner ellende, eenige plaatsnamen en hunne grafsteenen achterlieten. Zoo ontstond er in de 16de en 17de eeuw eene periode, waarin tengevolge der verbannings-edicten van de Koningen van Spanje, Frankrijk en Engeland, in het geheele Westen van Europa bijna geene Joden meer te vinden waren. Cromwell, in wien menige Jood een Messias zag, en zijne Independenten, die zich geloofsvrijheid wisten te verwerven, begonnen intusschen de Joden weder naar Engeland terug te voeren, en sedert dien tijd hebben zij, in het nu gaandeweg verdraagzamer wordende land, van den fanatieken haat en van de talrijke, in andere landen nog voortgezette, Jodenkwellerijen minder geleden, en men heeft daar nu tot op onze dagen, aan hunne steeds grooter wordende vrijheid en gelijkstelling met de andere staatsburgers, met zeer veel gevolg gewerkt.
Misschien heeft geen volk zich in de midden-eeuwen minder door bloedige Joden-vervolgingen bevlekt dan de Italianen, die den Paus zelf in hun midden hadden, en die zich misschien juist daarom minder schuldig maakten aan godsdienstige onverdraagzaamheid en fanatisme, dan de meer verwijderde natiën der Christenheid. De oude Romeinsche geest, de Joden te dulden, is in Italië nooit geheel verloren gegaan--noch in Sicilië, zoolang het niet onder Spaansche heerschappij kwam, waar de Joden zich beroemen Palermo tot eene bloeiende stad gemaakt te hebben,--noch in Napels, waar zij sedert de tijden van het Romeinsche Keizerrijk in alle landschappen woonden, waar zij in de middeneeuwen te Bari eene beroemde hoogeschool hadden, en van waar zij eerst door de Spaansche heerschappij verdreven werden--noch zelfs in Rome, waar de Joden, even goed als de Christenen, als er een nieuwe Paus gekozen was, met groote vreugde, onder het zingen van lofliederen, met hunne vaandeldragers, schrijvers en rechters--naar het oude gebruik hunne Thora (wetboek) onder den arm dragende,--het nieuwe opperhoofd der kerk tegemoet gingen en hem in de Hebreeuwsche taal toespraken, terwijl de Paus hun in het Latijn genadig antwoordde. Zeker echter verhinderde dit niet, dat menige Paus zich den Joden ongenadig betoonde, en hen soms bij geheele scharen verdreef, ja soms zelfs verbrandde.
In de 13de en 14de eeuw stonden de Joden in innigen samenhang met alle Italiaansche geestes-werkzaamheden, en vooral was Rome de zetel van een levendig, zelden verhinderd Joodsch gemeente-leven. Toen ten tijde kregen de Joden in Duitschland, even als die in Frankrijk, hunne ontwikkeling en hunne letterkundige werken van de Italiaansche Joden, en de uit Duitschland even als uit Frankrijk voorvluchtige Joden, werden meermalen in Italië opgenomen. Den uit Spanje verdrevenen bereidden de Medici een asyl, en voornamelijk door hen, maakten zij hun Livorno tot eene wereldberoemde zeehandelstad. Livorno was altijd, even als later Amsterdam, een centraalpunt van het Joodsche leven.
Van het, in de Venetiaansche landen heerschende bedrijvige en ongestoorde leven der Joden, hebben wij de onloochenbaarste bewijzen. Er bestonden in Venetië drie klassen van Joden, de zoogenaamde "Ponentini" (de Westelijke) uit Spanje, de "Levantini" (de Oostersche) en de Duitsche uit het Noorden, welke laatsten het armst waren. Zij stonden daar aan het hoofd der geldzaken, hadden echter somwijlen ook hunne eigene zeeschepen. Zij werden door de regeering der republiek altijd op dezelfde wijze behandeld, benuttigd en in hunne--hoewel zeer beperkte--rechten ook tegen de inquisitie beschermd. De zusterstad Genua toonde zich echter den Joden veel minder gunstig gezind, en heeft hen ook nooit in grooten getale binnen hare muren toegelaten.
In latere tijden liet zich Italië, even als in andere zaken, ook met betrekking op den vooruitgang die de zaak der Joden-bevrijding maakte, door andere landen overtreffen. Het tegenwoordig _Italia Unita_ zal daar echter ook wel beter voor zorgen.
Een zeer treurig schouwspel biedt ons de geschiedenis der Joden in Duitschland aan, waar zij zich ook reeds sedert de tijden der Romeinen in de Rijn- en Donausteden nedergezet, en zelfs hunnen handel op schepen langs deze rivieren gedreven hadden. Bij het ontstaan van een op zich zelf staand Duitsch rijk, na Karel den Groote, werden zij onder dezelfde omstandigheden en door dezelfde middelen, als eens ten tijde der Assyrische Koningen, namelijk door vervolgingen en door gewelddadige verplaatsingen verder naar het Noorden en het Oosten verbreid. Gedurende de middeneeuwen zijn zij nu eens in deze, dan weder in gene Duitsche stad, waarin zij wortel geschoten hadden, uitgeroeid, nu hier dan daar, werden zij uit het land gezet en in gevangenschap weggevoerd. Zij begaven zich dan naar meer afgelegene landschappen, en daar, naar den wankelmoedigen geest der Vorsten en der volksstemming, op een verbannings-edict (zooals onder Nebukadnezar) meermalen weder eene terugroeping (zooals onder Cyrus) volgde, en daarbij ook altijd, zooals bij Esra en zijnen terugkeer, een gedeelte in den vreemde achterbleef, zoo gevoelden zij zich langzamerhand in alle kreitsen en marken van Duitschland te huis.
Den verschrikkelijksten en voor hunne verspreiding de grootste gevolgen hebbenden tijd, beleefden zij in Duitschland, even als elders, gedurende de kruistochten, toen de geheele bodem van Midden-Europa, en vooral het zeer godsdienstige en zeer opgewondene Duitschland, van Christelijken ijver gloeide. De kruisridders meenden hunne buitenlandsche roeping tegelijk met het werk eener binnenlandsche roeping, tegen de niet-Christenen in het vaderland te moeten beginnen. Men verdacht de Joden, (deels omdat zij Christenvijanden, deels ook omdat zij Aziaten waren) van met het Oosten te heulen. Zij waren beschuldigd geworden de Mooren naar Spanje geroepen te hebben, zij werden aangeklaagd het met de ongeloovige Saracenen te houden, zij zouden zelfs later ook de Mongolen naar Spanje gelokt hebben. De kruisvaarders begonnen daarom de verovering van Jeruzalem reeds aan den Rijn en aan den Donau, waar wreedheden tegen de arme kinderen Israëls werden uitgeoefend, zooals hunne voorvaderen die nauwelijks van Salmanassar geleden hadden, en bij welke gelegenheid de vertwijfelde Israëlieten, bij de verdediging van hunne Jodenkwartieren, van hunne synagogen en van hun geloof, een heldenmoed en eene gelatenheid aan den dag legden, als vroeger de Makkabeën bij de verdediging hunner heilige oorspronkelijke woonplaatsen. Sedert den tijd der kruistochten waren bloedige vervolgingen der Joden in Duitschland eene zeer gewone verschijning, en zij keerden in den loop der tijden zoo dikwijls terug, als onweder en hagelslag in den loop van het jaar.
Het gewichtigste gevolg van al het lijden, dat met de kruistochten in Duitschland over de Joden kwam, en hun gedurende de 12de, 13de en 14de eeuw bleef drukken, was ongetwijfeld de gedurige beweging der Duitsche Joden naar het Oosten, naar de Slawische landen, naar Moravië, Silezië en Polen, waar, onder de daar aanvankelijk zeer gunstige verhoudingen, hunne gemeenten beduidend vermeerderden. Reeds vroeger met de eerste overwinningen der Duitschers op de Slawen, en met het binnendringen van Duitsche burgers, waren ook Joden in Slawische steden gekomen. Duitschland was eene groote Joden-kweekschool voor de Oostelijk gelegene landen, en daaruit laat het zich verklaren, dat nu nog, in bijna alle Joden-koloniën in Hongarije en Polen, overal de Duitsche taal heerscht.
Maar ook Duitschland zelf moest een der voornaamste Joden-landen van Europa blijven, want het ontving steeds nieuwen toevoer uit het Westen, waar zooals reeds gezegd is, de inquisitie en de machtig gewordene monarchen de Joden geheel verdreven. In Duitschland, waar noch de inquisitie, noch den doortastende wil van eenigen erfelijken souverein zoo veel vermocht, waar zich, zoo zij uit de eene plaats verdreven werden, eene andere plaats hun weder een toevluchts-oord was, kon men de Joden niet, zooals in Frankrijk, Engeland en Spanje, door één enkele pennestreek verdrijven. Dien ten gevolge zien wij nog altijd verreweg het grootste gedeelte der Joden van het christelijk Europa, onder de Duitschers en Slawen verstrooid. Voornamelijk echter, zooals reeds opgemerkt is, bij de laatsten en bij voorkeur in al de uitgebreide provinciën, die eens tot het Koningrijk Polen behoorden.
Nagenoeg de helft der Joden van ons werelddeel wonen onder de Polen aan den Weichsel, aan de Duna en aan den Dniepr, even als vroeger het grootste gedeelte van alle Aziatische landverhuizers uit Palestina, aan den Euphraat en den Tigris. Naast de reeds vermelde aanleidingen van buiten, hebben ook de innerlijke omstandigheden der Polen en van eenige hunner naburige volken er het hunne toe bijgedragen, de Joden bij hen in zoo groote massa bij elkander te brengen. Noch het Christendom zelf, noch de macht der Christelijke hiërarchie, vierde bij deze laat bekeerde volken zulke zegepralen, als het Romanische en het Germaansche Westen gezien had, en de antipathie tegen het Joodsche wezen had daar haren oorsprong meer in de eigenaardige nationale verscheidenheden, dan in het verschil van geloof. Godsdienstig fanatisme heeft zelden in Polen geheerscht. Van kruisridders en consorten hebben de Joden in Polen minder te lijden gehad, ofschoon zij ook in dit hun paradijs, niet van enkele op zich zelf staande vervolging en van verachting vrij gebleven zijn. De maatschappelijke en staatkundige verhoudingen van Polen waren den Joden bijzonder gunstig. Daar bestond geen derde stand, en de industrieele en werkzame Joden konden de plaats van dezen in zekeren zin innemen. Zij zijn de kooplieden, handwerkslieden en kunstenaars der Polen geworden, en hebben zich overal als klissen aan hen vastgehecht. Zeer spoedig kwam Polen daardoor in een toestand, die het dit land onmogelijk maakte de Joden te verdrijven, wilde het zich zelf niet verwoesten.
De hoogere Poolsche standen vormden eene soort republikeinsche adels-aristokratie. Ieder edelman kon tot Koning gekozen worden, en ieder leefde, ook zonder gekozen te zijn, op zijne bezittingen zoo onafhankelijk als een Koning, en even als de Spaansche Monarchen eens het liefst de Joden tot hunne ministers van finantiën maakten, deels omdat zij voor de behandeling der moeielijke en gecompliceerde geld-zaken de fijnste vingers hadden, deels omdat zij als vreemdelingen geene partijen of standen behoefden te ontzien, en tegenover de onderdanen trouwe aanhangers hunner Heeren waren, zoo hebben, om dezelfde redenen, de Poolsche edellieden dit ook altijd gedaan, en hunne Joden dikwijls met nadruk tegen hunne boeren, tegen de geestelijkheid, tegen de regeering in bescherming genomen.
Naar Hongarije kwamen de Joden reeds vroegtijdig met het Christendom uit Italië en Duitschland. Koning Lodewijk de Groote, wilde hen eens allen weder verdrijven. Maar over het geheel genomen, zijn zij ook daar niet zoo stelselmatig en hardnekkig vervolgd en geplaagd geworden, als in de Westelijke Europeesche landen. In de vele politieke stormen van het land hebben zij zich meestal aan de zijde van het Oostersche element der bewoners geschaard. Zij streden dapper aan de zijde der Turken, toen deze uit Ofen verdreven werden. En gewoonlijk voegden zij zich bij de Magyaren tegen de Duitschers.
Geheel anders was dit alles weder bij de Oostelijke naburen der Polen, de Russen. De Joden hebben ook eens op den bodem van het tegenwoordige Russische rijk, eene gouden eeuw Beleefd. In het, gedurende de 9de en 10de eeuw, bloeiende rijk der Chazaren aan de Wolga, waren de het land binnengetrokkene Joden, eens tot zoo groot aanzien gekomen, dat zij zelfs den Koning van het land tot het Mozaïsme bekeerd hadden. Uit het Joodsche Chazarenrijk in Rusland, verschenen zelfs in het jaar 1000, afgezanten, voor Wladimir, den heidenschen Groot-Vorst der Russen, en beproefden hem eveneens voor het Jodendom te winnen. Maar Wladimir verwierp hunne voorstellen, even als die der voor hem verschenen Mahomedaansche en Katholieke zendelingen, en verklaarde zich voor de Grieksche Kerk, die vervolgens de nationale Kerk der Russen werd. Deze oude Grieksche Kerk echter is van oudsher, zoowel in Byzantium als in Rusland, de gewone vijandin der Joden geweest. De eerste strijden der Grieksch gewordene Russen, hadden met de Joodsche Chazaren, en later met de den Joden vriendschappelijk gezinde Polen plaats. De Joden drongen altijd met de Polen Rusland binnen; zoover deze, met het zwaard in de hand, Rusland binnengetrokken zijn, zoo ver hebben gene er zich met hunne kunsten en handwerken genesteld. Maar de eigenlijke Kern-Moskowieten hebben, terwijl zij hunnen Polen-haat ook op de met dezen verbondene Joden overdroegen, de laatsten steeds van zich gestooten. Daarbij hadden de edellieden en Vorsten, die de Joden noodig hadden, in Rusland nooit zooveel vrijheid als in Polen en Duitschland. Er heerschte daar altijd een onbeperkte autokraat, die vervolgens tegelijk het hoofd der kerk werd. De monarchale en kerkelijke eenheid van den Staat, moest derhalve den Joden even verderfelijk en hinderlijk worden, als in Spanje ten tijde van Ferdinand en Isabella.
De Russische Kozakken vervolgden, in hunnen beroemden opstand tegen hun Poolschen gebieder in de 17de eeuw, de Joden met dezelfde verbittering als de Polen, daar de Poolsche Koningen Joden als inners der belastingen aangesteld hadden; ook eenige der Russische landschappen, die toen ten tijde den Polen afgenomen werden, gingen tegelijkertijd ook voor de Joden verloren, die nu, naar Polen teruggeworpen, daar nog meer samengedrongen werden. Daardoor is het gekomen, dat de kern van het Moskowitische land van Joden vrijgebleven is, waartoe zeker ook nog, hetgeen eens te Amsterdam door Peter den Groote tegen de Joden gezegd is, het zijne zal bijgedragen hebben, dat namelijk de Groot-Russen in alle handwerken en handelszaken, waarin de Joden uitmuntten, eene even groote bekwaamheid als dezen bezitten, en zij dus de Joden niet zoo noodig hadden, als de zich voornamelijk op den landbouw toeleggende Polen. Zelfs de vrijheden, die in lateren tijd Keizer Alexander den Joden in geheel Rusland gaf, hebben weinig tot de vermeerdering van hun aantal bijgedragen.