Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 34

Chapter 343,454 wordsPublic domain

Bijna 400 jaar lang, leefden zij in het land Kanaän onder wakkere krijgshaftige hoofden, die gewoonlijk "richters" genoemd worden, en namen toe in aantal, macht en rijkdom. Het was het eerste heroïsche tijdperk van het volk. Omtrent het jaar 1080, kozen zij zich--ten gevolge van een opstand tegen de priesters--"Koningen", die zich al ras, even als de gebieders van andere Oostersche volken, met glans, onbeperkte macht en wapenroem omgaven. Onder de Koningen David en Salomo, nagenoeg 1000 jaren na Abraham, bereikte het Israëlitische volk het toppunt van macht en bloei. Toenmaals heerschte het over een groot gedeelte van Syrië en Arabië, oostwaarts tot aan den Eufraat en westwaarts tot aan Egypte en tot aan de kusten der Middellandsche- en Roode Zee. Op beide zeeën hadden zij hunne vlooten, en wedijverende met de Pheniciërs, werden zij voor de eerste maal van gewicht in den wereldhandel. Uit de rijke steden van Phenicië vonden luxe en schoone kunsten ingang bij hen, en met behulp van Phenicische werklieden bouwde Salomo zijn tempel in Jeruzalem, een der wonderen van het Oosten. Onder David en Salomo maakten de Israëlieten zich beroemd en gevreesd in geheel Westelijk Azië, en onder aanvoering dezer beide uitstekende Vorsten die zelfs door God in geestdrift ontstokene dichters en wijzen waren, heeft hunne taal en literatuur den grootsten rijkdom en hare klassieke zuiverheid ontvouwd.

Vermoedelijk heeft dus toen ook de geest en het karakter van het volk het hoogste gestaan. Deze periode van bloei duurde echter niet lang,--nagenoeg 60 of 70 jaar. Die tijd is de korte zonneschijn van het leven van dit naderhand zoo ongelukkige en altijd zoo hard behandelde volk. Want nooit heeft het, ofschoon nog tijden van roem en vrijheid terugkeerden, weder eene zoo groote mate van nationale zelfstandigheid genoten. De roemrijke tijd van David en Salomo, is in zekeren zin het verloren paradijs der Israëlieten geworden, waarnaar zij steeds, maar te vergeefs, terugverlangden, met de herinnering waaraan zich hunne phantasie steeds bezig hield, en wiens terugverkrijging, naar zij meenden, de taak van den door hen verlangden Messias zijn zou.

Reeds dadelijk na Salomo, splitste het rijk zich in twee deelen, in dat van Israël en dat van Juda, die met elkander dikwijls in bloedige twisten en burgeroorlogen leefden, en die ten laatste, de een na den ander, de buit werden hunner machtiger naburen (de zich aan den Eufraat bevindende monarchiën der Assyriërs en Babyloniërs). Niettegenstaande de inwendige verdeeldheid van het volk, viel het den veroveraar uit Ninive en Babylon niet gemakkelijk, dit vaderlandslievende, door God in geestdrift ontstokene en stijfhoofdige volk te onderwerpen. Zij voerden daarom na iedere overwinning geheele geslachten en stammen van dit volk, van hunnen vaderlandschen bodem weg, en verplaatsten ze naar de landstreken aan den Eufraat en de Tigris. Ook hadden zich bij de verovering van Jeruzalem door Nebukadnezar (in het jaar 585 voor Christus geboorte) verscheidene gedeelten der bevolking naar Egypte begeven, en zich in de steden van dat land nedergezet.

Hiermede is dus de merkwaardige verstrooiing der Israëliten begonnen, die later bij herhaalde omwentelingen zich nog veel verder zou uitstrekken, en hen ten laatste als vluchtelingen uit Palestina over de geheele wereld verspreiden zou. Natuurlijk troffen die verdrijvingen of de zoogenaamde Assyrische en Babylonische gevangenschappen, alleen de hoofden van het volk, de patriotten, de aanvoerders, de hardnekkigste stijders. Eene massa rustig levende landbouwers bleef altijd in het land achter. Maar evenzoo bleef dan ook weder een aanzienlijk gedeelte der uit hun vaderland medegevoerden, in den vreemde terug, toen de Persische Koning Cyrus hun, omstreeks het jaar 500, verlof gaf naar hun vaderland terug te keeren en den ombouw van den tempel te hervatten. De nationale en politieke eenheid van alle stammen des volks, die na David en Salomo geheel verbroken was, werd niet weder hersteld. Daar alleen in het koningrijk Juda,--niet echter in dat van Israël, welks inwoners (de zoogenaamde tien verlorene stammen) zich geheel in de overige massa der Oostersche bevolking opgelost hadden--eene soort wedergeboorte plaats had, zoo heetten de Hebreërs van nu af aan _Joden_.

De Koningen van het Oosten hadden de weggevoerden in den regel niet met hardheid behandeld. Zij waren niet gedwongen geworden, de zeden van hun vaderland tegen de zeden van het land te verruilen, of de vreemde Goden te aanbidden. Ja! verscheidene kundige Joden waren door de veroveraars zelfs in staatsdienst genomen en tot hooge betrekkingen benoemd.--De schoonheid der Joodsche vrouwen evenals het talent der mannen, heeft hen dikwijls tot invloed en rijkdom gebracht, en velen hunner vergenoegden zich daarom, bij den wederopbouw des tempels ten tijde van Cyrus, hun steentje daartoe bij te dragen, maar gingen voort, den vreemden bodem die hen voedde, als hun vaderland te beschouwen.

Dientengevolge dus--zeg ik--bleef sedert de Assyrische en Babylonische verovering, de massa van het Joodsche volk, voor altijd in hooge mate verstrooid. In het vaderland bleef nog geruimen tijd een min of meer aaneengesloten kern bestaan, en geraakte onder gunstige omstandigheden bij tijden ook weder tot politieke onafhankelijkheid.

Het groote handelsgenie en de harstochtelijke lust tot speculeeren, die de Joden in zoo hooge mate kenmerken, zal hun waarschijnlijk reeds eigen geweest zijn, toen zij nog als herders langs den Jordaan hun nomadisch leven leidden. Alle Arabische en Semitische stammen munten door dit talent en door dezen hartstocht uit, die zij toonen zoo ras hun daartoe maar eene gunstige omstandigheid zich aanbiedt. De Pheniciërs, de naaste bloedverwanten en broeders der Joden, die ook met de Joden tot de "Hebreën" gerekend worden, hadden reeds lang de grootste geschiktheid voor den handel van den toenmaligen tijd ontwikkeld. Maar ook worden, geloof ik, alle volken, wanneer zij met geweld aan hunnen vaderlandschen bodem ontrukt en in den vreemde verstrooid worden, altijd met voorliefde voor handel en speculeeren bezield. Den akkerbouw en het grondbezit vinden zulke verdrevenen in het vreemde land reeds in handen van anderen, en het valt hun moeielijk zich daar in te werken. De over uitgestrekte landstreken verbreide koloniën of factorijen hunner stamgenooten, die zij kennen en aan wie zij krediet geven, met wie zij door correspondentie of door elkander over en weer te bezoeken, in verbinding blijven, bieden een groot gerief aan, om de produkten van vreemde landen te ontbieden en ze den inboorlingen van het land toe te voeren. Zulke onder verscheidene volken verstrooide volkplanters _moeten_ daarom, zeg ik, bijna van zelf de tusschenpersonen voor het verkeer der menschen, waaronder zij leven, worden. Er moet zich bij hen eene neiging voor den handel ontwikkelen. Even als bij de Joden, zien wij dat b.v. ook bij de Armeniërs, oorspronkelijk een berg-herders-geslacht, die na hunne verstrooiing een der merkwaardigste handelsvolken van Azië en Europa geworden zijn. Wij zien het, om een voorbeeld uit den nieuweren tijd te kiezen, aan de Hernhutters, die oorspronkelijk slechts ten gevolge hunner godsdienstige verschillen, her- en derwaarts verstrooid werden, en die later begonnen zijn van uit hunne zendingsplaatsen een zeer merkwaardigen ruilhandel te drijven, en zich nevens hunnen godsdienstijver tegelijk een grooten en uitstekenden koopmanszin eigen te maken.

Uit de enge kringen van hun klein vaderland, waar zij tot nu toe alleen wijn-, olie- en graanbouwers, herders en veefokkers, priesters en krijgslieden geweest waren, werden naar hetgeen boven gezegd is, de Joden in den vreemde en op de banen van het groote wereldverkeer, noodzakelijk gedwongen zich op de handwerken en op de koopmanschap toe te leggen.--En was deze neiging eenmaal ontwaakt, dan moesten diezelfde invloeden ook natuurlijk verder om zich heen grijpen. Ook zonder nieuwen dwang greep vervolgens de toenemende speculatiegeest om zich heen, en was de aanleiding tot verdere vrijwillige reizen, nederzettingen en de stichting van factorijen.

Zoo is het dus geen wonder, dat wij reeds tijdens de groote Persische monarchie, en niettegenstaande de vergunning van Cyrus om naar hun vaderland terug te keeren, in alle Medische en Persische steden Joden zich blijvend zien vestigen,--dat wij hunne koloniën reeds in de Oostelijke provinciën van dit uitgestrekte rijk waarnemen,--ja, dat zij toen, 500 jaren voor Christus geboorte, zonder nieuwen dwang, waarschijnlijk ook reeds in Indië en niet lang daarna ook in China binnengedrongen waren. Ons wordt bericht, dat reeds lang voor Christus geboorte, Joden-koloniën in China bestonden. Toen reeds stonden de Joden bij de Chineezen in hoog aanzien, en verscheidene hunner moeten zich onder de Keizers van het Hemelsche rijk tot mandarijnen en stadhouders hebben weten op te werken.

Met de Europeanen kwamen de Joden, het eerst door de Macedonïërs en Grieken, op belangrijke wijze in aanraking. Het behoeft wel geen betoog, dat, reeds lang voor Alexander den Groote, enkele Joden den Europeeschen bodem betreden hadden. Koning Salomo immers moet reeds zijne vloot met die der Pheniciërs vereenigd, en aan hunne handels-verrichtingen in het Westen deel genomen hebben, en er zullen dus toen in de Phenicische koloniën van Afrika en Spanje, ook wel Joodsche agenten geweest zijn.--Ook is het tamelijk waarschijnlijk, dat onder de 100 volken, waarmede de Persische Koningen Darius en Xerxes Griekenland binnenvielen, zich ook krijgslieden uit het land Kanaän bevonden hebben. Al deze verschijningen der Joden in Europa zijn deels in hunne geschiedenis zeer duister, deels waren zij van zeer voorbijgaanden aard en hadden geene blijvende gevolgen. Eerst de inval der Macedoniërs en Grieken in Azië, die onder anderen het Phenicische handelsvolk vernietigde, bracht de Joden ons werelddeel eene goede schrede nader.--Zij sloten zich bij de Grieken aan, leerden even als andere Aziaten hunne taal, en namen bij de Grieken de plaats der Pheniciërs in. Voornamelijk bevolkten zij met hen de groote, sterk bloeiende stapelplaats van den Egyptischen handel, het door de Macedoniërs gestichte Alexandrië, de opvolgster van Tyrus, waar zij onder de Ptolomeën eene zeer talrijke kolonie stichtten, en van waar uit zij met de overige wereld in verbinding traden. Van daar uit kregen zij punten van aanraking over Cyrene door Noordelijk Afrika heen, waar hunne geloofsgenooten, stamverwanten en handelsvrienden zich verspreidden. Van Egypte uit, gingen zij naar Nubië en Abessinië, en zuidwaarts door de woestijn van Sahara tot in het binnenste van Afrika, waar naar men zegt, nu nog zwarte Joden-stammen bestaan.--Ja! wij zien in die tijden ook reeds in de Grieksche kuststeden van Klein-Azië, eene reeks bloeiende handelsfactorijen der Joden. Men kan dus zeggen, dat door de Grieken en Macedoniërs, de Joden, die reeds lang in grooten getale in Azië werden aangetroffen, in zekeren zin tot aan de poorten van Europa werden vooruitgeschoven.

Het tweede groote Europeesche veroveraars-volk, de Romeinen, zouden hen eindelijk ons werelddeel geheel binnen halen. Onder de opvolgers van Alexander had, behalve de verspreide handels-koloniën, nog altijd in het oude vaderland een aanzienlijke kern Joden, bewoners der steden, grond-bezitters, landbouwers bestaan, die bij tijden nog eene bewonderenswaardige, heldhaftige vaderlandsliefde, moed in den strijd, en zucht tot onafhankelijkheid ontwikkelden en b.v. onder hunne nationale helden, de Makkabeërs ("strijdhamers"), in de tweede eeuw v. Chr., tijdelijk een roemrijk, gevreesd rijk herstelden, dat veel overeenkomst met dat van Salomo had, meestal echter door stadhouders en onderkoningen der machtige naburige rijken geregeerd werd.

De heldendaden, welke die inheemsche, met heldhaftige geestdrift voor vrijheid en vaderland strijdende Joden, bij alle aanvallen van buiten verrichtten--de blijmoedigheid waarmede zij zich allerlei opofferingen getroostten, om bij de herhaalde verwoestingen van hun heilig Jeruzalem, telkenmale hunnen Jehovahtempel te herstellen,--de onvernietigbare geestkracht waarmede zij, wanneer zij inwendig verdeeld waren, wanneer tijdelijk losbandigheid en zedeloosheid bij hen de overhand verkregen,--wanneer zelfs, zooals zulks eenmaal gebeurde, de oude Mozaïsche boeken en bepalingen geheel verloren en vergeten waren--zich toch weder uit zich zelven verjongden, en den tempel, zoowel uiterlijk als ook in zich, op nieuw opbouwden,--de ongewone energie, waarmede zij weigerden de Romeinsche Goden aan te nemen,--de verschrikkelijke veldslagen die zij den legioenen der meeste gevreesde Romeinsche veldheeren, eenen Pompejus, eenen Crassus, eenen Vespasianus leverden,--de aard en de wijze van hunnen eindelijken ondergang, de laatste opflikkering hunner kracht tegen Keizer Titus, voor wiens overmacht zij slechts voet voor voet en tot aan den laatsten man en huis weken,--dit alles vervulde de wereld steeds, en telkens weder op nieuw, met bewondering voor hen, en _moest_ vooral bij hunne in het buitenland verstrooide stamgenooten de vaderlandsliefde zeer versterken, terwijl het hun medelijden voortdurend wakker hield, hunnen gemeenschappelijken nationalen trots steeds opwekte, en hen overal, waar zij ook zijn mochten, een verheffend gevoel van eigenwaarde inboezemde.

De verwoesting van Jeruzalem onder Titus, in het jaar 70 n. Chr., en ten slotte na vernieuwde opstanden, de ontzettende bloedbaden, en de geheele verwoesting van Palestina onder Trajanus en Hadrianus, moesten diepe en onvergetelijke herinneringen in het gemoed van alle Joden achterlaten. De laatste der oude tempelsteenen werden toen uit hunne fundamenten gescheurd. Op de heilige stad liet men ploegen en deed men boomen planten. Het afgodsbeeld van Jupiter werd op de plaats der wet-tafelen van Jehovah geplaatst, het oude heilige Hierosolyma tot op zijnen naam uitgeroeid, met nieuwe kolonisten bevolkt en ter eere van Keizer Aelius Hadrianus "Aelia" genoemd, tot welk "Aelia" zelfs aan alle Joden den toegang verboden werd.

De door Jozua eens voor 1500 jaren onder de Israëlieten verdeelde akkers van het beloofde land, werden door de Romeinen verkocht en kwamen in vreemde handen. De meeste der na de slachtingen nog overige inwoners bracht men aan boord der schepen en voerde hen naar het Westen. In het land zelf bleef maar een klein hoopje, dat echter van nu af, trots al zijne droomen van herstelling der oude Joodsche heerlijkheid, en ook enkele zwakke pogingen daartoe, tot op onzen tijd nooit weder als eene gebiedende natie optreden kon. Dat bij deze, door de Romeinen veroorzaakte, geheele verstrooiing der Joden door de wereld, ook de Joodsche koloniën in het geheele Oosten weder nieuwen toevoer ontvingen, spreekt van zelf. Voor ons echter is het van meer gewicht te vernemen, hoe de oude Joodsche factorijen in Macedonië en Griekenland daardoor aanzienlijk versterkt werden, en dat nu de Joden met de Romeinen ook in eenige andere landen van Europa, in Italië, Spanje, Gallië, ja zelfs in de Germaansche Rijnlanden, die zij met de Grieken en Macedoniërs nog niet hadden kunnen bereiken, binnentrokken.

De heidensche Romeinen bereidden den Joden, die zich in hunne provinciën met der woon hadden nedergezet, een tamelijk dragelijk lot. Zij vervolgden hen niet--ten minste niet zoo hardnekkig en tot op het uiterste toe, als zulks later b v. in het Christelijke Spanje geschiedde [6]--wegens hun geloof; zij lieten hun hunnen godsdienst, zij stonden hun zelfs ten laatste het Romeinsche burgerrecht toe. Verscheidene Joden kwamen bij de Romeinen tot aanzien, betrekkingen en waardigheden. Een Joodsch dichter, Fucus Aristäus, is door zijn omgang met Horatius onsterfelijk geworden. Een Romeinsch stadhouder van Sicilië was een Jood enz. Dat nam echter niet weg, dat de Joden zich met de Romeinen even weinig versmolten als met andere volken. Hunne godsdienstige grondstellingen, hunne onveranderlijke trouw aan den God van Abraham en Mozes, hunne oude gebruiken, waaraan zij onder alle omstandigheden vasthielden, hunne eigenaardige voorschriften aangaande spijzen en kleeding, waren oorzaak, dat zij ook bij de Romeinen, even als overal elders, als eene afzonderlijke kaste bleven bestaan.--Zij waren daardoor ook reeds in het oog der Romeinen, die dikwijls het hoofd over hen schudden, eigenzinnige, altijd gelijkhebben willende, op zich zelf staande en onverbeterlijke menschen, en werden als zoodanig, even als bij ons, dikwijls het voorwerp van spot en het onderwerp der geestigheden bij Keizers, schrijvers en volk.

Toch zouden wellicht de Joden bij de onbeperkte burgerlijke vrijheid, die zij onder de Romeinen genoten, ten laatste, even als zoo menig ander Oostersch volks-element, dat door de Romeinen naar hunne Europeesche bezittingen overgeplant was, in den loop der tijden geheel in Europa verloren gegaan zijn, en zich met de landskinderen vermengd hebben, als niet het Christendom tusschen beide gekomen was. Het Christendom, wiens stichter in den schoot van het Joodsche volk geboren was, welks gezuiverde ideeën het eerst in de harten van vrome mannen in Juda weerklank vonden, en welks voorschriften het eerst door Joodsche apostelen in de kleine, in de Romeinsche wereld verstrooide, Joden-koloniën verkondigd werd--deze nieuwe godsdienst verscheen aanvankelijk als eene scheuring onder de Joden zelven, als een vervormd Jodendom.--Overal streden de oude Mozaïsten met de aanhangers der nieuwe leer, met de ijverzucht van tegenover elkander staande secten, en weldra met de verbittering van als vijanden tegen elkander over staande broeders. Toen het Christendom buiten de enge grenzen der Joodsche gemeenten trad, werd deze vijandige sectengeest ook op de bekeerde heidenen, die nu vooral die leer verbreidden, overgebracht, En toen de geheele beschaafde wereld, en eindelijk de Romeinsche Keizers zelven, tot de nieuwe leer overgingen, toen kwamen de Joden daardoor in eene veel gedruktere positie, dan ten tijde der heerschappij van den ouden heidenschen godendienst.--Pogingen tot bekeering begonnen, en toen deze mislukten ontstonden hevige vervolgingen, waardoor de in het nauw gebrachte Joden nog meer verstrooid en versnipperd werden. Huwelijken tusschen Joden en Christenen werden verboden en andere beperkende bepalingen werden ingevoerd, door welke alle vermenging der Joden geheel onmogelijk gemaakt werd, zoodat zij nog meer van de wereld buiten hen werden afgesneden, en te vaster beperkt werden in den toestand, waarin zij zelven tengevolge hunner innerlijke neiging zich gebracht hadden.

Niet lang na de aanneming van het Christendom, ging het rijk der Romeinen door tweedracht en innerlijke verdeeldheid te gronde, onder het zwaard der invallende barbaren. De heerschappij over de wereld werd hun ontnomen. In menige streek, zooals b.v. in het Grieksch-Byzantynsche rijk, verdwenen zij zelfs nagenoeg geheel. Overal echter bleven de taaie en volhardende Joden zich aan de uit de overblijfselen gevormde nieuwe rijken hechten, gelijk de buigzame, moeielijk te vernietigen en vele loten schietende klimop-rank, aan de deelen van een in elkander stortend gebouw. Ja, trots onderdrukking en gebrek, wiessen zij zelfs hier en daar zeer welig op en schoten zij nieuwe loten, uit duizend wonden bloedende en toch onbeschadigd; over de geheele wereld verspreid en toch als rotsen aan elkander bevestigd; verschrikkelijk onderdrukt en als het zwakke vrouwelijke geslacht getyranniseerd, en toch even als veerkrachtige vrouwen heerschappij uitoefenende, midden door het vreeselijke gewoel der volksverhuizing heen.

Het allereerst traden zij in het Pyreneesche schier-eiland, het oude kolonieland hunner broeders, de Pheniciërs, dat den West-Gothen ten deel was geworden, als een volk van invloed en gewicht op. Hun aantal en hun aanzien nam in Spanje toe onder de barbaarsche Koningen der West-Gothen, wien zij zich door hunne uitgebreide ontwikkeling, door hunne uitgebreide relatiën, door hunne buigzaamheid en slimheid, nuttig maakten, en door wie zij dikwijls in den staat en in het burgerlijk leven voortgeholpen werden. Eerst toen de West-Gothen van de Arianische [7] leer tot het orthodoxe Katholicisme overgingen, kwamen de Joden daar in eene meer gedrukte positie en werden vervolgens, tegen het einde der 7de eeuw, voor de eerste maal in Spanje in den ban gedaan, vervolgd en door de hardste maatregelen tot eene schijnbare aanname van het Christendom gedwongen. Het vermogen van alle Joden in Spanje moest ten voordeele der koninklijke schatkist worden verbeurd verklaard. Zij zelven moesten als slaven over het land verdeeld worden; maar hunne kinderen moesten hun worden afgenomen, om in de Christelijke leer te worden opgevoed.

Van deze katholieke West-Gothische verdrukking, werden zij bevrijd door de Mooren, die sedert 711 Spanje--gedeeltelijk door de hulp der Joden--veroverden. Onder de heerschappij der meer verdraagzame Moorsche Koningen, verspreidden zij zich weldra weder over het geheele Pyreneesche schier-eiland, en namen toe in aantal en ontwikkeling. Spanje werd toen in de 9de en 10de eeuw het toevluchtsoord van vele, in andere rijken onderdrukte Joden. Zij waren daar welgesteld, hadden hunne zelfstandige gemeente-inrichting, beslisten zelf hunne burgerlijke en godsdienstige geschilpunten, stonden niet zelden den Moorschen Koningen als raadgevers ter zijde, streden in de Arabische legers en beoefenden met de Mooren de wetenschappen. Vele der zoogenaamde Arabische geleerden en dichters waren geboren Joden. De grootste der _Arabische_ geleerden in Spanje, de beroemde Avarroes, en het grootste licht onder de Spaansche _Joden_, de hooggeprezene en wereldberoemde Maimonides waren tijdgenooten en persoonlijke vrienden (in het midden der 12de eeuw). Met de door laatstgenoemden nagelatene werken, houden de denkende Joden zich nu nog onledig, even als wij met die van Aristoteles.

Toen de nieuw gestichte Christelijke Koningrijken, Castilië en Arragon om zich henen grepen, en den Mooren langzamerhand de door hen bezette landstreken, de eene voor de andere na--en daarmede tegelijk ook eene menigte Joodsche onderdanen die daar veel invloed en grondbezit hadden--afnamen, waagden hunne Spaansche overheerschers het niet, deze al dadelijk naar Oud-Gothische wijze te onderdrukken en te verdringen. Zoolang in Spanje naast het Christelijk element zich het Moorsche nog deed gelden, zou de onderdrukking tot niets anders geleid hebben, dan dat de verdrukten zich naar de legerplaats van den nabijzijnden vijand begeven hadden. Hoe groot het aantal der Joden in beide legers geweest moet zijn, bewijst het best de omstandigheid, dat toen eens Spaansche en Moorsche legers op een sabbath op elkander stieten, de slag uitgesteld werd, omdat de talrijke Joodsche strijders in beide legers zulks verlangden.