Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 33
Het bezingt hoofdzakelijk de avonturen en krijgstochten van Kalewa, van zijn zoon Wainämoinen en de heldendaden van andere Finsche halfgoden en helden. Vele interessante schilderingen der oude tijden en zeden zijn daarin bewaard. De kruistochten dier Finsche helden gaan bijna allen naar het Noordland, "Pohjola" genoemd, waardoor Lapland bedoeld wordt, en daarbij is het meestal te doen om eene schoone Prinses te winnen, (even als het doel van den Trojaanschen oorlog Helena was) alsmede om de verkrijging van een zekeren kostbaren schat of talisman, "Sampo" genoemd, die in het Finsche epos ongeveer hetzelfde schijnt te zijn, als het gulden vlies in de sage der Argonauten, of de "Nibelungen-Hort" in het Duitsche nationale-heldendicht. Ook worden daarbij den helden dergelijke taak opgelegd of dergelijk werk gegeven, als aan Herkules bij de Grieken. Zoo moet b.v. de geweldige "Lemminkainen," die in zekeren zin de Ajax of Achilles dezer Finsche Iliade is, het vuursnuivende ros van Heisi beteugelen, het vlugge hert van Pohjola opvangen, de zwaan, die op den vloed van Tuonela (de onderwereld) zwemt, dooden. Bij deze laatste onderneming wordt hij wel gedood, in stukken gehouwen en in de rivier der onderwereld geworpen, maar zijne moeder, die van de zon bericht ontvangt aangaande het lot dat haren zoon wedervaren is, haalt met eene lange hark alle stukken van het lijk haar zoons uit het water op, voegt ze weder bijeen, maakt hem met zalven en tooverspreuken weder levend, en reist met hem naar huis, om hem na eenige verzorging, tot het verrichten van nieuwe daden weder te laten vertrekken.
Het is merkwaardig, hoe behalve het genoemde, ook nog verscheidene andere poëtische thema's en opvattingen in dit Finsche heldendicht voorkomen, die men ook in de gedichten der Grieken en andere volken aantreft. Zoo b.v. brengt Wainämoinen met zijn gezang de geheele natuur in verrukking, even als Orpheus zulks ook doet, en even als deze, verzamelt hij alle dieren des wouds om zich. Zoo betoovert hij de vijanden en doet hen door zijn spel op zijne "Kantele" (harp) inslapen, even als Oberon met zijn tooverhoorn.
Over het geheel echter is de geest van het Finsche nationale-heldendicht veel zachter, dan die in de Oud-Noordsche sagen der Germanen, waarin het bloed bij stroomen vergoten wordt en al wat wreed en verschrikkelijk is, opeengehoopt is. Alle familie-verhoudingen worden er met bijzondere voorliefde in behandeld. Man en vrouw, ouders en kinderen, broeders en zusters, bruid en bruidegom, in een woord alle personen en gedaanten, waarin zich het huiselijk en zedelijk leven openbaart, worden er met de fijnste penseelstreken in afgemaald. Zeer merkwaardig is het slot van het gedicht. Het maakt aan het geheele avontuurlijke doen en streven een einde, door eene onberispelijke jonkvrouw "Mariatta" (Maria) te doen optreden. Zij is met haar pas geboren kind uit een ver land door den wreeden Koning Ruotas (Herodes) verdreven geworden. Zij gaat daarop naar "Tapiomäki" in Finland, waar zij in een stal wonen moet en haar kind in eene krib laat slapen. Toen zij wenscht het te laten doopen, verzet zich Wainämoinen, de Finsche God van het gezang daartegen, en beweert hij dat men, naar eene oude Finsche wet, den kleinen vreemdeling het hoofd splijten moet. Maar het kind, dat pas twee weken oud is, doet den mond open, spreekt met Wainämoinen, bewijst hem, dat hij eene valsche uitlegging aan de wet geeft, laat zich doopen en blijft met zijne moeder Mariatta in het land. Wainämoinen, hierover beschaamd en verschrikt, gaat in een koperen schip zitten en zeilt voor eeuwig weg naar het uiterste einde der wereld, terwijl hij zijne onvergetelijke gezangen en zijne "Kantele" aan de Finnen achterlaat.
Het slot van het gedicht zou ons reden geven om te veronderstellen, dat het tijdens de eerste invoering van het Christendom in Finland, in de 13de eeuw, ontstaan is. Het is echter ook zeer goed mogelijk, dat alleen het laatste gedeelte van het gedicht toen ontstond, en dat zijne eerste, bepaald heidensche gezangen, reeds vroeger bestonden.
De neiging en het talent voor de dichtkunst en wat daarmede samenhangt, zijn onder de Finnen ook nu nog niet uitgestorven. Bij de Esthen, even als bij de Tawasten, bij de Quänen, en ook wel bij andere Finsche volken, geldt nog heden ten dage het oude spreekwoord: "de dag wordt verlengd door den er bij gevoegden nacht, en evenzoo verdubbelen gezangen het karige maal," en nog tegenwoordig leeft bij al deze volken het verlangen, zich op de vleugelen der phantasie uit de treurige werkelijkheid op te heffen, een verlangen, dat in de schoone inleidende verzen van het zoo even vermelde gedicht Kalewala, zeer lief uitgesproken wordt, wanneer de dichter zingt:
Altijd ben ik vol verlangen, En ik denk steeds naar behooren, Om legenden in gezangen, Of te zingen of te hooren. Gouden broertje, is 't niet waar? Ed'le metgezel in 't dichten! Zelden spraken wij elkaar; Laat ons in dit woeste land, In deez' noordsche barre streken, Plaatsen samen hand in hand Gelijk men haak in haak zal steken. Laat ons bezingen goede dâan, En verhalen beste werken, Dan hooren deze braven 't aan, Deez geliefden zal dat sterken, Ook deez' jeugd, die nu al opgroeit, En dit volkje, dat vooruitgaat. En men alzoo een ieder boeit, Met dien zegen, met die weldaad, Die men vindt in 't hooge Noorden Bij Kalewala's barre oorden.
Ter verklaring der toespraak in deze karakteristieke verzen, aan het "gouden broertje," aan den "ed'len metgezel" en "het plaatsen hand in hand, gelijk men haak in haak zal steken," moge deze opmerking dienen: de Finsche dichters improviseeren meestal twee aan twee, en zitten daarbij met in elkander geslagen handen knie aan knie, als aan elkander geketend, tegen elkander over. Terwijl de een zijne strophe zingt, bedenkt de ander wat hij antwoorden zal, en beiden herhalen daarna--terwijl zij op de maat voor- en achterover buigen--het laatste vers van hunnen "ed'len metgezel in het dichten."
Dit zijn zeer merkwaardige en zeer in het oog vallende dichterlijke gebruiken. Ook eigent zich de Finsche taal uitstekend voor de dichtkunst; zij is uiterst melodieus en zeer klankrijk. Zelden komen bij haar twee medeklinkers en vele sissende en ruischende klanken, zooals in het Duitsch en Russisch, bij elkander, en de meeste woorden eindigen in eene volklinkende vocaal. Nooit komen bij haar zulke opeenhoopingen van consonanten voor als b.v. in ons "schelmsch," of "herfststorm." Als harde Germaansche woorden door de Finnen in hunne taal worden opgenomen, dan ondergaan zij in hunnen mond een verfraaiings-proces. De korte Zweedsche naam "Olof" verandert tusschen hunne lippen tot "Wuolaba." Het harde Zweedsche "Konge" (Koning) maken zij tot "Kunigu." Ons "Petersburg," verzacht zich bij hen tot "Pietapori." Van ons "vaandrig" maken zij "wänteriki." De welluidende namen der bekende Russische meeren "Onega" en "Ladoga," ook die der "Newa," zijn van Finschen oorsprong. Hoe lieflijk klinken ook niet, de door mij reeds genoemde namen der zang- en luchtgoden "Wainämoinen" en "Ilmarinen."
De Finsche taal heeft, als zij goed gesproken wordt, eene zekere deftige volheid. Zij is rijk aan tweeklanken en vocalen en is daarin wel met het Italiaansch vergeleken. Men heeft dikwijls verhaald, hoe een Russisch gezant uit Esthland eens aan het Spaansche hof, toen er van welluidende talen sprake was en men het welluidende van het Portugeesch, het Italiaansch en het Spaansch geciteerd had, de volgende Esthnische of Finsche woorden uitsprak: "_pois ssaïda tassa ülla sülla_," en den aanwezigen verzocht hem te willen zeggen tot welk genre zij den inhoud dezer woorden rekenden te behooren, Zij dachten dat het het begin van een episch of lyrisch gedicht was en stonden niet weinig verbaasd, toen de Noor hun den volzin vertaalde, die niets meer of minder beteekent dan: "hallo! domme knaap, rijd langzaam over de brug."--eene phrase, die men men op de slechte wegen dier landen zich dikwijls genoeg genoodzaakt ziet, den postillon toe te roepen.
Dat de Finnen zelven ook in hooge mate overtuigd zijn van de voortreffelijkheid hunner taal, bewijst de oude sage van het koken der talen, die zij te pas brengen, en waarin zij zich en hunne taal als lievelingen van Wainämoinen voorstellen. Toen deze Finsche Apollo, zoo heet het in die sage, wenschte, dat de menschen zich op aarde in verscheidene nationaliteiten verbreiden en ieder volk zijne eigene taal hebben zou, plaatste hij op een hoogen berg een tooverketel, en maakte er een vuur onder aan, om de talen voor de volken, die hij bijeenriep, te kooken. De gehoorzame Finnen volgden de roepstem van hunnen God zoo spoedig mogelijk, en verschenen zelfs zoo bijtijds, dat Wainämoinen nog niet eens met zijne toebereidselen klaar was. Verheugd over hunne buitengewone stiptheid, zeide de God hun daarom, dat hij, daar de taalmassa nog niet goed door elkander gemengd was, hun, dezen Finnen, zijne eigene goddelijke taal wilde geven en dat zij op Aarde zijn eerste en uitverkoren volk zouden zijn. Hij liet hen, vereerd door deze tijding, naar huis gaan. De talen der andere later komende volken echter werden uit het sissen, ruischen, knetteren, flikkeren en uit het schuim van het taal-brouwsel in den ketel, gevormd.--De Italianen zelve hadden geen treffender satire op de harde en met consonanten overvulde talen der Germanen en Slawen kunnen uitdenken.
Met den Wainämoinen, hunnen Musagetes, dien zij zich echter niet, zooals de Grieken, eeuwig jong en schoon, maar van zijne geboorte af met grijzen baard, wit hoofd, maar tevens met een jong hart, hooge wijsheid en dichterlijke geestdrift begaafd, voorstellen,--(het is zeer karakteristiek, dit moet hier nog ter loops opgemerkt worden, dat, terwijl de Hellenen zich alle Goden jong dachten, deze Noordsche volken zich de hunnen als oud en grijs voorstelden,)--met dien Wainämoinen zeg ik--houden zich, behalve het gedicht Kalewala, nog vele andere Finsche sagen en gezangen bezig, waarin verhaald en soms uitvoerig en dichterlijk beschreven wordt, hoe hij de Kantele, de Finsche cither, uitvond en vervaardigde; hoe hij aan de vogelen, aan de echo en de menschen de muziek leerde; hoe hij zelf zong, hoe hij door zijne eigene melodiën geroerd en in geestdrift ontstoken, dikke tranen schreide, die hem als dauwdroppels langs zijn baard vielen--en van den baard op de knie--en van de knieën in de zee--waar zij echte paarlen werden.
Ook de indrukken der natuur, de moeder van alle wezens, aan wier boezem deze stille volken zich zoo veel inniger vastprangen dan de naar heldendaden beluste, politieke en gezellige natiën van het _Zuiden_, waaraan zij zich voor de over hen heen bruisende stormen verbergen, vinden bij hen in die sagen en gezangen hunne zuiverste uitdrukking.
Het gemoed dezer eenzame, over uitgebreide streken spaarzaam verstrooide kinderen van het Noorden, gevoelt zich sterk aangetrokken tot den omgang met de natuur, en dicht aan alles, zelfs aan de geringste voorwerpen, ziel en leven, gedachte en taal toe. De Finnen, zooals ook hunne naburen, de Letten, beiden door de menschen zoo dikwijls mishandeld, zoeken hun troost in vertrouwelijke gesprekken met vogels, visschen en andere dieren, met bloemen en boomen, ja, met rivieren, meren en vijvers. Uit de, ieder mensch ingeschapene, behoefte en zucht naar gezelligheid, die zij, omdat bij hen de menschen zoo dun gezaaid zijn, zelden bevredigen kunnen, knoopen zij zelfs met boomstronken, steenen en granietblokken, die zij dikwijls aanspreken, eene dichterlijke vriendschap aan. Waar en bij welke gelegenheden zij nog heden ten dage hunne liederen componeeren en zij zich die over en weer overleveren, daarvan geeft weder de dichter van hunne Kalewala zelf, de trouwste schildering in een soort van inleiding, waarin hij op zeer aardige en naïve wijze allegorisch aangeeft, op welke wijze hij zijn schat van sagen samenbracht:
Vader leerde mij er menige, Als hij zich een bijlsteel kapte: En mijn moeder ook nog sommige, Als zij aan haar spinwiel trapte. Velen heb ik ook vernomen, Zoo al gaande langs den weg, Of ook zittend onder boomen, In de hei of bij een heg, Of wel midden in het groen, Of al loopende in de wei. Voorts als herder heb ik toen Op heuvels vol van bosch of hei, Op schoone bergen, ongestoord, Vele liederen ook verzonnen, Vele sagen ook gehoord.
Even als de natuurschilderingen, zoo speelt vooral ook de liefde in die Finsche volksgedichten eene groote rol. Ouder-, kinder-, broeder- en zusterliefde, riepen bij hen een gedeelte der bekoorlijkste lyrische producten in het leven. Eene zuivere, diepe en hartelijke innigheid ligt in hunne liefdeliederen. Zoo, om een uit duizend voorbeelden te nemen, in het volgende liedje, waarin eene Finsche vrouw hare smart over de scheiding van haren geliefde uitspreekt:
O! beste vriend, hoort gij 't wel. O! hartelief, merkt gij 't wel! Als ik zingend om u klaag? Scheiden moeten wij van daag!-- Wachtend moet ik naar u uitzien Schriklijk ver trekt g'hier van daan! Ik blijf terug bij vreemde lien, 't Is wel hard zoo weg te gaan. Pijnlijk is--het afscheid geven, Smartelijk tevens het vertrekken,-- Altijd blijf ik met u leven: Altijd zie ik uwe trekken Droomend, etend, zonder falen! Kunt g' de mijne voor u halen? Zullen w'elkander wedervinden? In 't dal of bij de linden? Bij den oever of in 't gras? In het koren, onder bloemen? Of als 't in den hemel was? Of bij vaders schoone bloemen? Ja! daar vinden wij elkaar, Om te sâam altijd te leven.--
Wel komt men bij de kennismaking van zulke liederen in de verzoeking, het gevoelen van een beroemd kenner en beminnaar der Finsche poëzie te beamen, wanneer hij, vol geestdrift over zijn onderwerp, beweert, "dat de echte innerlijke gloed en sterkte van gevoel niet in het warme Zuiden, maar in het koude Noorden bij de Finnen te huis behoort, en dat den Noorschen literator, alles wat hem van Zuid-Europeesche volken-stammen ter oore komt, in vergelijking met dergelijke producten van het Noorden, koud moeten toeschijnen."
Eindelijk zijn de Finnen, even als de Arabische Bedouïnen, groote vrienden van woordspelingen en poëtische aardigheden. Hunne taal en literatuur zijn zeer rijk aan spreekwoorden.--Een Duitsch geleerde heeft kort geleden onder de Finnen aan het meer Peipus, bij Dorpat en in verscheidene deelen van Esthland, eene menigte merkwaardige Finsche spreekwoorden bijeen verzameld, en eenige uit deze verzameling, die ik hier wil mededeelen, zullen voldoende zijn, om zoowel de scherpzinnigheid als den wijsgeerigen geest dezer menschen, te doen uitkomen:
"Eerst zaaien, dan maaien."
"Zit het geluk met iemand in het schuitje, dan behoeft hij niet naar het kompas te zien."
"De man schudt de dobbelsteenen, het geluk geeft de oogen."
Aan een zeer zwijgzaam mensch: "Spreek toch zoontje, de lippen vallen u immers niet af."
Aan de grootsprekers: "Ook de hoogste berg kan niet boven zijn top uitsteken."
In plaats van ons: "paarlen voor de zwijnen" zeggen zij: "geeft den ezel rozen, hij verlangt naar distels."
"De gierigaard zou wel eerst den molen en dan nog den wind willen verkoopen."
"Die een ongeluk houden moet, die zal ook wel den spiegel breken, als hij er maar in ziet."
"Voor de gelukkigen zijn de bergen vlakker, dan voor de ongelukkigen het dal."
"Braad den beer niet, voor gij hem geveld hebt."
"Dank God voor het stroo, als Hij u het koren ontzegd heeft."
"Dien runderen ontbreekt, die prijze zijne kat."
"Spring niet, voor gij bij de sloot komt."
"Wie bij windstilte slaapt, moet bij storm roeien."
"Ook de slimste slang, zal het nooit zoover brengen, dat zij rechtop loopt."
"Ver klinkt het klokje der vromen, maar nog veel verder het woord van den booze."
"Die zonder reden boos is, verzoent zich zonder zelfvoldoening."
"Ver _ziet_ de verstandige, maar verder nog _denkt_ hij."
"De tijd vraagt niet naar den man, als de man niet naar den tijd vraagt."
"Heeft de muis tijd tot geeuwen, als hij reeds in den bek van de kat zit?"
Wanneer bij een volk een schat van levenswijsheid gevonden wordt, waarvan het opgegevene slechts enkele proefjes zijn, dan mag men met recht beweren, dat niet moreele zwakte en slechtheid, maar alleen gebrek aan politiek verstand en aan staatkundige degelijkheid, zijn treurig lot heeft teweeg gebracht.
Ook de woordspelingen en raadsels, waarop de Finnen zich, ter oefening van het verstand, zoo gaarne toeleggen, zijn zeer origineel.
Het ei wordt daarin bestempeld als een "tonnetje met tweeërlei bier," een sluitkool als "een klein, rond, rimpelig vrouwtje, die haar hoofd in honderd doeken gewikkeld heeft." "De vader is nog niet geboren en de zoon zit reeds op het dak" beteekent de rook, voor dat de vlam nog te zien is. "Een rood hondje blaft door eene uit beenderen vervaardigde heg," is de booze tong tusschen de tanden. "Zij hebben geene voeten en loopen toch tot aan het einde der wereld," dat zijn de wolken, de schippers der lucht.
Slechts vluchtig kon ik hier op al deze interessante en karakteristieke dingen wijzen, die men overigens ook tot nu toe, nog slechts in hare bijzonderheden bij twee Finsche volken, bij de veelbesprokene Esthen en bij de Finnen in Finland, meer en détail nagegaan heeft.
Waarschijnlijk echter zijn deze raadselen, deze spreekwoorden, die lyrische "Runot," even als de Wainëmoinen, sagen en gedichten, tot hoog in het Noorden, door alle heide-, bosch- en moeraslanden der Tscheremissen, Wotjäken, Wogulen en Samojeden verspreid, en daar al die zaken gedeeltelijk met zeer oude heidensche mythen in verband staan, zoo is het eveneens waarschijnlijk, dat ook de vroeger genoemde nu verdwenen Koeren, Liven, Wessen, Mezen en andere talrijke verdwenen Finnen-stammen, van welke ons niet eens de naam overgebleven is, door een dergelijken geest bezield zijn geweest, en dat dus, als ik over eene onder onze voeten verdwenen Finnen-wereld sprak, daaronder niet alleen verwoeste paalwoningen, visschershutten en "rookkamers" verstaan moeten worden, maar ook, wat nog belangrijker is te vernemen, een geheel rijk van oorspronkelijke gedachten, eigendommelijke sagen, mythen, gedichten, zeden en gewoonten, over wier bouwvallen wij nu wandelen.
DE JODEN.
De Israëlieten verhalen ons in hunne eeuwen-oude geschriften en overleveringen de geschiedenis van hunnen oorsprong nagenoeg op de volgende wijze:
Niet geheel "2000 jaren na de schepping der wereld" (nagenoeg 2000 jaren voor de geboorte van Christus) leefde aan gene zijde van den Jordaan, op de steppen van Mesopotamië, onder het bestuur van zijnen Emir Abraham ("de vader der menigte"), een kleine nomadenstam, zooals men in Arabië tallooze aantrof. De herdersvorst Abraham en de zijnen, onderscheidden zich aanvankelijk noch door hunne zeden, noch door hunne taal, noch ook in hun physisch type van de overige Arabische herdersvolken. Hunne taal werd in vele dialecten, takken van den tegenwoordig zoogenoemden Semitischen stam, in groote gedeelten van het Westelijk Azië gesproken, en met hen verwante nationaliteiten waren over alle landen tusschen Perzië, de Indische- en de Middellandsche Zee verspreid.
Alleen met betrekking tot hunne godsdienstige beschouwingen en gewoonten, waren Abraham en de zijnen begonnen, zich van hunne naburen te onderscheiden en af te zonderen. Hij moet een vroom en nadenkend man, met een innig godsdienstig gemoed en met een voorspellenden geest geweest zijn, en verhief zich daardoor boven zijne landslieden en tijdgenooten. Hij erkende een eenigen en onzichtbaren God. "Hij verbond zich met Hem", verwierp het veelgodendom en alle lichamelijke voorstellingen der Godheid. Hij bekeerde ook de medeleden van zijn stam tot dit geloof, en voerde bij hen, als teeken van hun geloof, zekere plechtigheden of eene soort doop in.
Dit maakte echter de Israëlieten oorspronkelijk niet zoozeer tot een afzonderlijk volk, veel meer slechts tot eene godsdienstige secte onder de Arabieren. Was Abraham, evenals Mohamed, heldhaftig en overwinnend uitgetrokken, en had hij met woord en zwaard ook de andere heidenvolken van zijn vaderland bekeerd, dan zouden wij geen eigendommelijk afgezonderd Israëlitisch volk gekregen hebben. Maar het was hem genoeg, bij zich en de zijnen de monotheïstische godsdienstbeschouwing in hare zuiverheid te bewaren, en de hemelsche vonken op zijne eigene nakomelingen en stamgenooten over te brengen. Daardoor vormden deze al ras een contrast met de overige Semitische stammen, sloten zich van hen uit, leerden op hen, als niet tot het uitverkoren geslacht behoorende, met trotschheid neder te zien, werden door dezen op hunne beurt vijandig behandeld, en daar hun, die een op zich zelven afgesloten geheel vormden, ook afzonderlijke lotgevallen ten deel vielen, zoo ontstonden bij hen langzamerhand een eigen physisch _type_, eene afzonderlijke taal, andere zeden, en een eigenaardig nationaal-karakter. De nakomelingen en stamgenooten van Abraham werden, ten gevolge hunner godsdienstige overtuigingen, van eene secte, een van al hunne Semitische verwanten, (Arabieren, Pheniciërs, Chaldeërs) verschillend volk, dat _eerst_ den naam "Hebreërs" (de van de andere zijde gekomenen) ontving, omdat zij eerst aan gene zijde van den Jordaan gewoond hadden.
Zeker was dit natuurlijk een zeer langzaam en langdurig proces. Want langen tijd na Abraham leefden zij nog, naar voorouderlijke gewoonte, als een herdersstam in het aan weiden rijke dal van den Jordaan, en ook naar Egypte trokken zij nog als Nomaden; daar werd hun door de Pharao's in het land Gosen aan de Roode zee een afzonderlijk weide-district aangewezen. De tocht der Hebreërs naar Egypte en hun vierhonderdjarig verblijf aldaar, heeft er in de eerste plaats zeer veel toe bijgedragen, om dit volk van zijn Arabisch vaderland en van de daar te huis behoorende nomadische gewoonten, te vervreemden. Toen later Mozes hen daarheen terugvoerde, voelden zij zich onder de Bedouïnen niet meer te huis, kregen zelfs heimwee naar het stillere en burgerlijke leven in Egypte, en gaven kort daarop het nomadisch leven geheel op, terwijl zij onder aanvoering van Jozua, het Zuidelijke deel van Syrië, het land Kanaän bezetten. Zij verdeelden dit onder elkander, vermengden zich meermalen met de, na de bloedige verovering nog overgeblevene oorspronkelijke inwoners, en legden zich daar toe op landbouw, wijnbouw, kunsten en handwerken, die zij gedeeltelijk in Egypte geleerd, gedeeltelijk van de in het land aangetroffene Kanaäniten afgezien hadden. Van Mozes, na Abraham hun grootste geloofsheld, hun godsdiensthervormer en wetgever, ontvingen zij eene staatsregeling, berekend naar den nieuwen toestand waarvoor hij hen bestemde; van deze staats- en godsdienstwetten, was de kern de oude monotheïstische godsdienst-beschouwing van Abraham, en daaruit ontwikkelde zich eene vaste hiërarchie, met verscheidene zeer eigenaardige grondstellingen.