Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 32
Nog verder Oostwaarts van de Permische Finnen, wonen de _Wogullen_ en naast hen de _Ostjäken_, wier met elkander verwante talen bewijzen, dat zij eveneens tot den Finschen stam behooren.
Al deze volken echter, vallen in hoofdzaak reeds buiten den kring onzer beschouwing, want zij staan, om zoo te zeggen, nog slechts met éénen voet op Europeeschen bodem. Het gebied, waarover zij verspreid zijn, strekt zich grootendeels aan de andere zijde van den Ural uit, langs de Westelijke nevenrivieren der Irtisch en Ob. Ook gaan zij, aan de Ob, Siberië diep in tot aan Tomsk en verder.
Noordelijk van de Wogulen en Sirjänen, in het allerwoestste en door de natuur het schraalst bedeelde gedeelte van ons werelddeel, op kale, boomlooze gebieden, en in zelden ontdooide moerassen, de akelige zoogenaamde "Tundren" aan de oevers eener bijna altijd met ijs gevulde zee, houdt zich eindelijk de armzalige stam der Samojeden op. Wel behooren zij in hoofdzaak tot Azië, en hebben daar (aan den Altai) ook hun oud stamland, van waar uit zij, door onbekende gebeurtenissen en omwentelingen, naar de uiterste, noordelijke uiteinden der wereld gedreven zijn.
Hunne jachten en hun heen en weer trekken brengen hen echter ook op Europeesch gebied, zelfs tot in de nabijheid van Archangel, waar zij somwijlen dat andere, Europa geheel toebehoorende, trekkende volk, de Lappen, ontmoeten.--Even als de Lappen, en in nog hoogere mate dan die, verschillen de Samojeden in taal en wezen van hunne Finsche naburen. Volgens Pallas behooren zij naar de vorming van hun hoofd, naar hunne breede platte gezichten, "die echter bij hunne jonge vrouwen somwijlen zeer aangenaam kunnen zijn," naar hunne opgetrokken lippen, hun zwart, borstelig haar, het meest tot de Tungusen, den grootsten volksstam van Noord-Oostelijk Azië. Desniettemin zijn zij ook weder aan hunne Finsche naburen verwant, zooals dit een nieuw, onvermoeid onderzoeker dezer streken en volken, de uitstekende geleerde en reiziger Castrèn, aangetoond heeft.
Even als de Finsche Ostjäken kleeden zij zich in rendiervellen. Hunne taal toont in hare wortelwoorden eene groote overeenstemming met de Finsche dialekten aan de Wolga. Ontelbare eeuwen lang hebben zij met deze Finsche volken in nabuurschappelijke, landbouw- en familie-betrekkingen gestaan. Ook in hunne zeden en gebruiken hebben zij dikwijls eene groote mate van overeenstemming met die der Finnen. Zoo, om één voorbeeld uit velen aan te roeren, b.v. bij verlovingen. Bij de Samojeden rijdt de trouwlustige met dengeen die zijne aanstaande voor hem vragen zal, naar het huis der uitverkorene. De bruidwerver gaat binnen en brengt den vader of voogd der bruid, de aanvrage over. Gedurende dien tijd, moet de minnaar zelf daarbuiten in de koude bij de slee en de paarden blijven wachten, tot men hem de toestemming komt mededeelen. Dit en alle verdere, daarbij voorkomende details van het gedrag en handelwijze, vindt men juist zoo ook bij de 500 mijlen verwijderd wonende Finsche Esthen in de Duitsche Oostzee-provinciën weder.
Zelfs de naam _Samojeden_ of _Samogieten_, waaronder zij van oudsher bij alle volken, ook bij de Mongolen bekend waren, schijnt van Finschen oorsprong. Deze naam komt ons, onder de meest verschillende vormen, in de geheele Finsche wereld, tot aan de grenzen van Duitschland tegen. Ik heb reeds opgemerkt, dat de Lappen zich "Samelads" de Finnen "Suomalaiset" noemen. In Litauen vinden wij eene oude provincie "Samogitie" en zelfs in Pruisen nog een "Sameland." Het zijn allen woorden, die een gemeenschappelijken Finschen oorsprong schijnen te hebben.
Het duidelijkst openbaart zich de verwantschap der Samojeden en Finnen, in den verwanten geest hunner taal en nationale-poëzie. Tot in het midden der vorige eeuw had men, in het dikwijls laatdunkende Europa, zulke grove en onphilosophische voorstellingen van de arme Samojeden, dat men meende, dat dit volk zich in plaats van eene taal, bediende van "een zeker dierachtig knorren en sissen." Het is eerst een resultaat van nieuwe onderzoekingen, waarover men zich zeer te verheugen heeft, dat ook de Samojeden niet alleen eene zeer kunstige en ontwikkelde taal met verschillende dialecten bezitten, maar in deze taal, ook allerlei sprookjes, aardige vertellingen en liederen gedicht hebben.
Een groot kenner der Finsche volkeren zegt, dat zelfs het beroemde Finsche heldendicht "Kalewala," waarvan wij hier beneden het een en ander zullen mededeelen, alleen te beschouwen is als eene ontwikkeling der zaadkorrels, die ook in de Samojeedsche volkswijze verborgen liggen. De rapsodiën van het Finsche heldendicht Kalewala en der Samojeedsche heldenliederen, schijnen uit dezelfde bron voortgekomen te zijn.--"Heldenzangen van dit soort staan bij de Samojeden in hoog aanzien. Met bijna godsdienstige aandacht luisteren de toehoorders naar ieder woord, dat over de lippen van den zanger komt." Zij laten hem gewoonlijk midden in het vertrek plaats nemen en de toehoorders plaatsen zich in een kring om hem heen. "De zanger zelf is niet zelden gedurende zijne voordracht zoo geroerd, dat bij zeer aangrijpende passages zijn lichaam trilt en zijne stem beeft." De toehoorders zitten meerendeels stom om hem heen. Bij opwekkende passages en momenten van het verhaal echter--wanneer de held van het gedicht, die nog in de wieg liggende er reeds aan denkt dat het tijd is zich eene huisvrouw te kiezen, vervolgens, even als Herkules, als een krachtig mensch uit de wieg opstaat, en uittrekt om de koningsdochter op de met koper bedekte burgt te winnen--als hij na eene avontuurlijke reis van zeven weken, onder de aarde door, het doel bereikt,--daar in eene hermelijn verandert en op de muren en boomen huppelende alles afloert--als hij met zijne minnaars in strijd geraakt,--zijn tooverpijl op hen afschiet, die nog krachtiger dan de snorrende pijl van Odysseus, op den aftocht 20 dezer medeminnaars doodt, en op den terugweg, terwijl hij tot zijnen heer gehoorzaam terugkeert, weder 20 doorboort--wanneer dan echter ook de strijder zelf òf valt en sterft, òf triumfeerend met zijne veroverde geliefde op een adelaar rijdende opstijgt--bij al zulke passages van de vertelling, drukken die Samojeedsche toehoorders luide en eenstemmig hunnen bijval uit.
Overigens houden de Samojeden--zoo zegt ten minste de heer Castrèn--het voor eene gemakkelijke zaak een lied te dichten, want ieder hunner rekent zich daartoe in staat. Maar een lied goed te kunnen zingen, roerend te kunnen _voordragen_, dat geldt bij hen voor een zeldzaam en hooggeschat talent. Men zou hier kunnen zeggen: _Tout comme chez nous_. Want ook bij ons zijn de zangers en acteurs er beter aan toe dan de dichters.
Nadat wij zoo de wereld der Finnen tot hare uiterste Noord-Oostelijke voorposten en stamverwanten gevolgd hebben, willen wij ons naar het Westen keeren, waar wij midden tusschen de overblijfselen der Finnen van het Skandinavische schier-eiland, en tusschen de gedeeltelijk verturkte of verrussischte Finnen van den Ural, het verreweg grootste getal echte Finnen langs de Oostelijke kusten van de Baltische zee in eene hoofdmassa dicht bijeengedrongen vinden. Dit zijn ten eersten de Finnen in de nu bij voorkeur "Finland" genoemde Russische provincie, vervolgens de Kareliërs in het Oosten en Noorden, de _Ingern_ ten Zuiden van Petersburg, en eindelijk de _Esthen_ in Esthland.
Al deze stammen waren als oorspronkelijke bewoners aan weerszijden en rondom de groote golf, die met veel recht naar hen de Finsche genoemd is geworden. Te zamen tellen zij meer dan twee millioen zielen, en zij overtreffen in aantal verreweg alle andere bovengenoemde zwakke en dun gezaaide Finnenstammen in het Oosten, Noorden en Westen, die gezamenlijk wel niet meer dan een millioen zielen zullen tellen.
De Zuidelijke grens, tot waar deze Baltische Finnen de grondbevolking uitmaken, loopt nu tot eene lijn, welke van het Zuidelijk uiteinde van het meer Peipus, westwaarts door het midden van Lijfland kan getrokken worden.--Vroeger gingen ook hier de Finnen veel verder Zuidelijk, in voorgeschiedkundige tijden waarschijnlijk, zooals reeds gezegd is, tot diep in Duitschland en het Westen van Europa; evenwel zijn zij zelfs nog in historische tijden--nog buiten geheel Lijfland en Koerland aan te wijzen.
Even als door de Skandinaviërs in het Westen, door de Slawen en Tataren in het Oosten, zoo schijnen ook hier in de Oostzee-provinciën de Letten door hunne naburen, de Indo-Germaansche Letten of Litauers, die zich aan den Niemen en aan de Duna vastgenesteld hadden, aangevallen, overweldigd, uit hunne woonplaatsen verdreven of van hunne nationaliteit beroofd te zijn geworden, en wellicht duidt op deze gebeurtenis nog de tegenwoordige naam, die de Letten den Finnen geven, de naam "_Iggaunis_," dat zooveel als "de verdrevenen" beteekent. Deze naam staat in eene zeer beteekenisvolle tegenstelling tot dien, welken deze Finnen zich zelven geven, namelijk met den naam "_Tallopoig_" "zonen der aarde," of "_Maamees_," "mannen des lands." Het is, alsof deze oorspronkelijke Europeanen, met dergelijke nationale-namen als "het volk," "de mannen," "de lieden," "de menschen," die herhaaldelijk bij verscheidene hunner stammen als nationale-namen voorkomen, en die er op schijnen te wijzen, dat zij zich als het eigenlijke ware, oorspronkelijk Europeesche menschen-geslacht, beschouwen, hebben willen protesteeren tegen de invallen der binnendringende Indo-Germanen.
Men vindt in de Noordelijkste punten van Koerland, en ook in het Zuidelijke of Lettische gedeelte van Lijfland, eenige kleine districten, in welke, midden onder de Letten, overblijfselen der oude Finsche _Koeren_ en _Liven_ tot op den nieuweren tijd toe leefden. Doch ook bij deze Finsche overblijfselen krijgen Lettische taal en zeden de overhand. In hoofdzaak bestaat hier niets meer van hen dan de landnamen Koerland en Lijfland, die niet van de Letten ontleend, maar van Finschen oorsprong zouden zijn.
De Finnen, die nu nog de grond-bevolking van het Noordelijke Lijfland en van de provincie Esthland uitmaken, worden door de Duitschers gewoonlijk _Esthen_ of _Oesthen_ (dat is Oostlanders) genoemd.
Het is een overoude naam, dien de Germanen voor alle Oostwaarts van hen wonende kustvolken der Baltische zee gebruikten, die bij Tacitus reeds bekend was en die nu, in de zooeven aangegevene nauwe grenzen, nog in zwang is gebleven. De zoogenaamde Esthen kennen hem natuurlijk niet.
Zij tellen wel bij de 600,000 zielen. Vroeger waren zij een koen en vrij jagers-, visschers- en zeeroovers volk, maar sedert lang hebben zij onder eene harde dienstbaarheid der Duitsche ridders en kolonisten gezucht, die hun land onder elkander verdeelden, en nu nog in vele heerlijkheden, steden en vlekken onder hen, of liever gezegd over hen wonen. Veel van de hun aangeborene nationaliteit zal in deze dienstbaarheid verloren gegaan zijn, veel is waarschijnlijk juist door haar behouden gebleven. Als "gegermaniseerd" kan men hen niet beschouwen.
Zij spreken nog altijd hunne oude Finsche taal, die tot de Finsche idiomen in dezelfde verhouding staat, als het Saksisch tot het Beiersch. Zij hebben hunne oude sagen, verhalen, overleveringen, spreekwoorden, gedichten met de overige Finnen gemeen.
Ook schijnen zij eene overoude Finsche volkskleeding van oudsher trouw gebleven te zijn. Daar zij bij deze hunne nationale-kleeding gewoonlijk donkere, zwarte kleuren kiezen, zoo hebben Duitsche geleerden gemeend, dat deze Esthen, de vroeger vermelde "Melanchlänen" (zwartmantels) van Herodotus zouden zijn.--Men heeft opgemerkt, dat in zeker distrikt van Esthland, de menschen witte en in eene andere streek zwarte kousen dragen, en men heeft gevonden, dat in de oudste, reeds voor 500 jaren geschrevene kronieken van het land, deze districten "_Mustjalla_" (het land der zwarte kousen) en "_Waldjalla_" (het land der witte kousen) genoemd werden. Toont zich in de kousen eene zoo groote 500 jarige bestendigheid, dan is het niet zonder grond, als men voor de zwarte mantels een duizendjarig bestaan waarschijnlijk vindt.
Het land der _Ingren_ en _Kareliërs_, Ingermannland en Karelië, ten Zuiden en Noorden van Petersburg, was zoo lang een twistappel tusschen Russen en Zweden, dat van hun aantal en hunne nationaliteit niet veel meer is overgebleven.
De Finnen eindelijk in het _par excellence_ zoogenaamde Finland, zitten nu eigenlijk, om zoo te zeggen in het centrum der wijd verspreide overblijfselen der Finnenwereld. Zij overtreffen ook al de overige stammen in getalsterkte en vormen bijna de helft van alle Finnen. Reeds vroegtijdig werden zij door de Zweden tot het Christendom bekeerd, daarna werden zij Luthersch, en door den invloed van Zweedsche scholen verkregen zij eene hoogere mate van beschaving. Ook hebben al de nieuwere levens-uitingen, die sedert den aanvang dezer eeuw, even als bij alle volken van Europa, zoo ook bij de Finnen ontwaakten, zich nergens met meer energie doen kennen dan bij de Finnen in Finland. Van dit Finland zijn de meeste patriotische bemoeiingen tot redding van het Finsche volksleven, tot het instellen van een onderzoek naar hunne talen en zeden, tot herstel en ontdekking hunner poëtische schatten, uitgegaan.
Uit dit alles is het duidelijk, dat de _Finnen_ in _Finland_ zelf de beste gelegenheid geven, om aan hen de eigenaardigheden, en vooral de lichtzijden van het nationaal karakter der Finnen in het algemeen, op te merken. In Finland vindt men de Zweden in grooten getale alleen aan de zeekusten, waar zij talrijke havensteden gebouwd hebben, en waar daarom de Finnen ook meer onder hen verdwenen of tot Zweden veranderd zijn. In het binnenste van het aan rotskloven en meren overrijke land, hebben zich de oorspronkelijke bewoners in grootere zuiverheid bewaard.
Daar kan men hen nog in hunne oude "zwarte" of "rookkamers," die uit ruwe balken, zonder vensters en schoorsteen, getimmerde woningen zien, die op donkere houten holen gelijken, waarin als Noordsch hoofd-meubel zich een groote oven, als rustplaats der familie, verheft, waaruit den binnentredende een altijd vochtige en warme damp tegenslaat, en waarin altijd tot op 3 voet van den zolder een dikke rooksluier afhangt.
Daar kan men ook nog het oorspronkelijke type der beruchte Noordsche zweetbaden vinden, in wier heete en bedwelmende dampen de Finnen de beste uren van den dag wegzweeten, waarin zij een niet gering deel van hun leven doorbrengen, die ook bij alle Noordsche, Finsche en Mongoolsche volkeren der Aarde, zelfs bij de Indianen van Noord Amerika, op dezelfde wijze gebruikelijk zijn en wier gebruik van de Finnen eerst later op de Russische Slawen overging.
Daar kan men eveneens nog de eigenaardige kleederdrachten der Finsche vrouwen bestudeeren, op wier opvallende en origineele sieradiën zoo menig reiziger opmerkzaam gemaakt heeft, die hooge uit berkenschors vervaardigde en met munten en banden versierde mutsen,--verder de kolossale, zoogenaamde "Preesen" of zilveren gespen, waarmede de vrouwen hunne mantels vastmaken, die echter door toevoeging van allerlei versierselen van munten, crucifixen, koralen, stukjes barnsteen, gouden schilfers en bellen, tot zulk eene grootte aangegroeid zijn, dat zij de borst als met een harnas bedekken, en die later als pronk-erfstukken in de familie van moeder op dochter overgaan--eindelijk ook de sierlijk met roode draden afgezette en omgeboorde hemden, die op dergelijke wijze, ofschoon in de menigvuldigste modellen en variaties, bij alle Finsche natiën, tot zelfs bij de Samojeden, teruggevonden worden. Daar, in dat oude Finsche kernland, geldt ook nog het oude Finsche spreekwoord: "aan den hoorn den os, bij het woord den man", dat het vaste, eerlijke en tegelijk halsstarrige karakter der Finnen zeer juist aangeeft. Finsche eigenzinnigheid is bij de Zweden even als bij de Slawen spreekwoordelijk geworden, en deze hoekige stuurschheid, deze afstootende wijze van in zich zelven gekeerd te zijn, moet een grondtrek zijn, die in de geheele Finnenwereld opgemerkt wordt, want men zou verscheidene door Duitsche, Russische en andere schrijvers gemaakte beschrijvingen der genoemde Tscheremissen, Mordwinen, Wotjäken enz. kunnen aanhalen, die overal, ook bij deze stammen, "hunne schuwe ontoegankelijkheid, hunne onbuigzaamheid en eigenzinnigheid," als eene in het oog vallende eigenaardigheid opgeven.
Ditzelfde is ook het geval met het den Finnen zoo algemeen toegeschrevene, "droefgeestige temperament." Zelfs de zich in Skandinavië met der woon gevestigd hebbende Finnen worden door de Zweden voor melancholici uitgemaakt, en zelfs de Russen, die langeren tijd onder de Finnen woonden--er bestaan midden in Finland eenige oude Russische gemeenten--"_hebben niet meer_" (zooals Rühs, een vroegere aardrijksbeschrijver van Finland, zegt) "_de Russische vroolijkheid_". Aan de melancholieke tint die zij gekregen hebben, herkent men hunnen omgang met de Finnen.
Het is zeer gemakkelijk te begrijpen, dat zulk eene droefgeestige tint, als grondtrek diep in de ziel van een volk zetelen moest, dat een vroege buit van ondernemende naburen geworden is, geen anderen strijd gestreden heeft dan den strijd van vertwijfeling, en nimmer vroolijke zegepralen behaald heeft.
Mijn ziel is zwart gelijk koolteer, Mijn hart niet blanker dan houtskool.
zoo klaagt een Finsch poëet in een gedicht.
Uit slechte tijden werd mijn hemd geweven, Uit nijd en boosheid mijn hoofddoek gemaakt.
zoo hoort men in een ander volkslied der Finnen, wier gedichten men bijna alle: "uitvloeisels van weemoedigheid en zwaarmoedigheid" zou kunnen noemen. Zelfs bij die, welke een vroolijker inhoud hebben, is zielesmart als omkleeding niet te miskennen:
"Harpan ar of sorgar bildad, Och ut af bekümmer danad, Kupan ut af harda dager. Strängarne af smärter spunna, Og af andra widrigheter, Skrufvarna in harpens ända."
Mijn harp ontstond uit zorgen, Uit verdriet werd zij geschapen, In droeve dagen kreeg zij haar vorm, De snaren zijn uit pijnen gesponnen En de schroeven aan haar hals Zijn uit ellende gedraaid.
De liederen, die aan eene dusdanige Noordsche harp ontlokt werden, zijn droefgeestig en kunnen met die nevelachtige herfstdagen vergeleken worden, wanneer een zonnestraal slechts zelden door de wolken henendringt. Welk zwart treurfloers somwijlen het gemoed der Finnen omhult, wordt op zeer pikante wijze duidelijk in den inval, dien een hunner dichters in een lied bezingt. Daar hij zijn innerlijk verdriet, zijn aan zijn hart knagende "vogel des verdriets" niet kwijt kan raken, zoo komt hij op de gedachte hem in de zee te werpen. De gedachte komt daarbij echter bij hem op, dat zijne droefheid zich dan aan de vroolijke visschen zoude mededeelen, en dat zoodoende de geheele natuur zou kunnen aangestoken worden.
Alle visschen zullen treuren, Op den bodem zakken baarsen, Groote snoeken zullen barsten, Pijnlijk sterven de forellen, En de roodoog zal bedrukt zijn. Ieder vischsoort zal vergaan, Door de smart des diepbedroefden Door des zwarten vogels woede.--
Tot deze melancholie en tot die halsstarigheid der Finnen, heeft hun diep ingeworteld bijgeloof en hun sedert de oudste tijden bekend geloof aan wonderen, waarschijnlijk veel bijdragen. De Finnen gaan bij al hunne naburen door voor heksenmeesters. Zelfs in Stokholm wendt men zich tot de eerste de beste Finsche meid, als men meent eenige hulp uit het geestenrijk noodig te hebben. Hoe Noordelijker de Finnen wonen, des te grooter is hun roep te dien opzichte. Maar zelfs de beproefdsten onder hen gelooven, dat de Lappen hen allen nog verre overtreffen. Van een beoefenaar der zwarte kunst, die in zijn vak goed te huis is, zijn zij gewoon te zeggen: die is door en door een Laplander. In iederen vreemden dwarrelwind, meenen zij, huist eene Laplandsche heks. Evenzoo worden in het Oosten de daar wonende Finnen beschouwd als in die kunsten ver boven de Tataren verheven, en zoo ook gelooft men dat de _Noordelijk_ Samojeden weder de _Zuidelijke_ Finnen overtreffen.
Het is merkwaardig genoeg, dat de Finnen in hunne bijgeloovige gezichten en voorstellingen, en zelfs in de dit bijgeloof vergezellende verschijningen--de geestdrift--de vervoeringen hunner door de geesten bezielde toovenaars en in de daarbij op te merken gewoonten--met vele andere Noordsche volken eene groote gelijkheid in tooverformules en toovermiddelen verraden. De wonderdoeners der Finnen, de "Schamanen" der Tunguzen, de "Angeköko" der Groenlanders, ja zelfs de "Jongleurs" der Canadezen in Amerika, gaan bij hunne offerhanden en bezweringen allen naar de zelfde methoden en principes te werk.
Daaruit zijn zelfs--dit moet ik hier nog opmerken--bij ver afgelegene volken geheel gelijksoortige benamingen, voor deze verschillende toovernaars ontstaan. Wijl de Canadasche "Jongleurs" de reliquiën, toovermiddelen, medicamenten en gereedschappen, die zij voor hunne bezweringen meenen noodig te hebben, in een van dierenhuiden vervaardigden zak met zich dragen, hebben de Franschen hun den naam, medicijn-zak-mannen of medicijn-mannen (_Gens de médicine_) gegeven. Omdat de toovenaars in Zweedsch Finland een dergelijken zak met zich dragen, hebben zij ook daar den naam "_Kockoromies_" dat is "zak-mannen" ontvangen.
Er was en is nu gedeeltelijk nog door het geheele Noorden der wereld, van Amerika door Azië naar Europa, eene zekere godsdienstige wijze van beschouwing, die zich over een grootere aardruimte verspreidt dan zelfs het Budaïsme, en die men wellicht nog niet scherpzinnig genoeg onderzocht heeft, om bepaald te kunnen zeggen, of eene haast wonderbaarlijke gelijksoortigheid zich bloot psychologisch laat verklaren, of dat men daarbij tot de geschiedenis en ethnologie zijne toevlucht moet nemen.
Even als bij de Indianen van Amerika en bij de Siberische volken, zoo vindt men ook bij de Finnen, de helft en het oudste gedeelte hunner nationale-poëzie, in hunne zoogenaamde "_toover-Runot_" (toover-gezangen). Vroeger was eene meer algemeene neiging voor de dichtkunst over het geheele volk verbreid, en zij verfraaiden daarmede ook andere zaken en verhoudingen van het leven. Ieder Finsch moeras-bewoner dichtte liederen en gezangen. Uitstekende dichters droegen bij hen den eerenaam _Runo-niekat_ (lieder-kunstenaars), en stonden algemeen in aanzien. Hunne poëzie bestond meestal uit lyrische gedichten, die zij _Runot_ (Runen) noemden.--Kort geleden is echter ook een groot episch gedicht uit het land der Finnen tot ons gekomen, het in korten tijd beroemd gewordene, uit niet minder dan 50 gezangen en 20,000 verzen bestaande heldendicht "Kalewala," dat men de Finsche Edda of Iliade zou kunnen noemen.
Dit gedicht schijnt sedert oude tijden, even als door de Grieken de verzamelingen van Homerus, door de Barden der Kareliërs, aan de Tawasten en Esthen voorgedragen te zijn, en lang in den mond des volks bestaan te hebben. De een kende het eene, de andere een ander gedeelte, weinigen het geheel. Enkele gedeelten werden reeds in de vorige eeuw, bij verschillende gelegenheden opgeteekend en door den druk aan het overig Europa bekend gemaakt. Maar eerst in nieuweren tijd heeft een ijverig Finsch geleerde, de zeer verdienstelijke Lönnrot, alle brokstukken van dit bewonderingswaardige gedicht, als de scherven van een fraai standbeeld, te samengebracht en het geheel onder onze oogen gebracht.
Dit bijzonder merkwaardige Finsche heldendicht heeft zijn naam ontleend aan "Kalewa," den God van het gezang. "Kalewala" beteekent zooveel als: land van Kalewa of land van het gezang, waardoor Finland bedoeld wordt: "het schoone land, dat uit duizend zeeën de zon op haren loop vriendelijk toelacht."