Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 31

Chapter 313,643 wordsPublic domain

De Tschuwaschen maken nu nog een tamelijk volkrijke stam uit, en moeten bij de 400.000 hoofden tellen, die in den omtrek van Kasan, Simbirsk en Pensa, in de wouden en weiden aan de Wolga, als vreedzame akkerbouwers en bijenhouders wonen.

Zoo gewichtig de rol was, die de "door de Tataren geïnspireerde," door hen in beweging gebrachte en met hen vermengde Zuidelijke en Oostelijke Finnen in ouden tijd speelden, zoo weinig schitterend was het lot hunner meer Noordelijke broeders. Over al de oorspronkelijke stammen dier moeras- en boschmenschen, waarop de Skandinaviërs, Slawen en ook andere Indo-Germanen, bij hun eerste binnendringen in Europa gestooten zijn, en die zij waarschijnlijk uitgeroeid hebben, zwijgt de geschiedenis. Zij zijn door den stroom der gebeurtenissen weggevaagd, zonder eenig--behalve misschien de boven vermelde "paalwoningen"--belangrijk spoor van hun bestaan, of eenig opschrift op hunne graven achtergelaten te hebben. In den tijd van de eerste schemering der authentieke geschiedverhalen, vinden wij hunne overblijfselen reeds ver naar het Noorden teruggedrongen, en hunne Indo-Germaansche naburen met hen, over eene lange grenslijn, aanhoudend in aanraking en strijd. Daar de Skandinaviërs vroeger dan de Slawen, in het Noorden van Europa eene groote politieke macht ontwikkelden, zoo ontvangen wij ook eerst van deze zijde de eerste stellige berichten aangaande hen. De voorgangers der Noormannen en Zweden zien wij van den beginne af, op hun schiereiland aanhoudend voorwaarts schrijden, in een voortdurenden veroveringsoorlog tegen de Finsche "Jötunen," die zij voet voor voet altijd verder naar het noordelijk uiteinde van hun schiereiland terug- en zamendrongen.

Zelfs de allernoordelijkste Finnen aan de oevers der Witte- en der IJszee werden reeds vroegtijdig door Noormansche zeevaarders bezocht. In de 9de en 10de eeuw dreven zij in den omtrek van het tegenwoordige Archangel een bloeienden handel, bij welken voornamelijk een Finsch volk, de "Biarmiërs" of "Termiërs," als tusschenpersonen diende. Naar hunnen eens zoo beroemden naam, draagt nog tegenwoordig het Russisch gouvernement "Term" zijn naam.

Sedert het midden der 12de eeuw, tijdens de kruistochten, begonnen de Zweden onder hunnen koning Erik, door den bekeeringsgeest der kruisvaarders aangetast, die gedeelten van het Finsche Oostland, die het dichtst bij gelegen waren, namelijk het groote schier-eiland tusschen de Bothnische en de Finsche golf te veroveren, blijvend te bezetten en van kolonisten te voorzien. Sinds oude tijden woonden hier de Finsche stammen der "Tawasten," "Cajanen" of "Quanen," "Carelen" of "Karjalaiset" (d.i. kudden-mannen) en der "Inger," naar wie nog heden de provinciën Tawasteland, Quäneland, Ingermanland, en Karelië genoemd worden. De Zweden behielden het land 500 jaren, maakten zijne bewoners tot Christenen, en onder hunne niet zeer harde kolonie-wetten, is daar in dit _par excellence_ zoogenaamde Finland, nog heden ten dage de grootste massa der eigenlijke Finnen blijven bestaan. Ook in de koloniën die de Denen en de Duitsche ridders aan de Oostzee vestigden, werd een Finsch volk, de zoogenaamde "Esthen", onder de Germaansche heerschappij gebracht.

Vóór allen echter drongen, sedert de stichting van een grooten Russischen staat, onder Rurik, de Slawen het gebied der Uralisch-Finsche stammen binnen, alles vernielende en onderwerpende. Zij streden met de "Wessen," met de "Meezen," de "Muronen" en andere volken van dezen stam. Voornamentlijk waren de ver om zich henen grijpende burgers der Russische republiek Nowgorod, van wier jongen staat de "Meezen" een hoofdbestanddeel uitmaakten, verderfelijk voor de Finnen, en van de zooeven genoemde Finsche volken bestaat nu niets meer, dan hunne in de Russische annalen van Groot-Nowgorod opgeteekende namen. De Russen bezetten en koloniseerden hunne landen, en namen de oorspronkelijke Finsche bewoners in den schoot hunner eigene nationaliteit op. Zij drongen op deze wijze veranderend, van Nowgorod uit in noordelijke richting naar de Witte Zee door, en vernietigden op dezen tocht, gelijk een lawa-stroom, langs de Dwina, schier alle oorspronkelijk Finsche bewoners. Als eene breede wig dringt het Slawische land zich hier, langs de rivieren Dwina en Onega, tusschen de onder de Zweden staande Finnen en de oorspronkelijk Finsche stammen, naar den Noordelijken Ural in.

Deze decimeering, opname en slawiseering van Finsche stammen door Russische kolonisatie, heeft tot op de nieuwste tijden geduurd, en heeft bij de toenemende vergrooting van het Russische rijk, ook in noord-oostelijke en oostelijke richting om zich heen gegrepen.--Hier zijn de eens zoo beroemde Finsche volken, b.v. de genoemde oude "Permiërs" bijna geheel verdwenen. De Wogulen, Sirjänen, Permiërs, Wotjäken, Tscheremissen en Modwinen, zijn tot op eenige ver verstrooide bewoners van woeste streken saamgesmolten.

De Groot-Russen zonden niet alleen soldaten en handelaren naar hen, maar ook ijverige zendelingen en bisschoppen, die in de Russische annalen als apostelen en martelaren der heidensche Finnen geprezen worden. Bijna alles, wat zij doopen en tot de Grieksche kerk bekeeren konden, nam ook langzamerhand de Russische taal, kleeding en zeden aan. En dien ten gevolge is daar een groot gedeelte van hen die wij nu Russen noemen, niets anders dan bekeerde en geslawiseerde Finnen, even als een groot deel der tegenwoordige "Duitschers," als verduitschte Slawen moeten beschouwd worden.

Sedert de verovering van Siberië door de Russen in de 16de eeuw, sedert de annexeering van verscheidene Oostzee-provinciën onder Peter den Groote, en eindelijk sedert het verkrijgen van Finland in het begin dezer eeuw, zijn nu schier alle Finsche stammen, met uitzondering alleen der Magyaren en een gedeelte der van de Zweden afhankelijke Lappen, onder het opperbestuur der Russen gekomen.--Om nu een gemakkelijk overzicht te hebben, over hetgeen na al deze gebeurtenissen, van de eens zoo groote volkenfamilie op Europeeschen bodem nog overgebleven is, kunnen wij na het boven opgemerkte het geheel in drie groepen verdeelen, en de volgende drie afdeelingen aannemen:

1. De overblijfselen der Finsche volken op het Skandinavische schiereiland, die door de Baltische zee van hunne broeders in het Oosten gescheiden zijn.

2. De overblijfselen van Finsche stammen, aan het noordelijke en middelste gedeelte van den Ural en aan de Kama en de Wolga, die door eene breede geheel Slawische landstreek aan de Dwina, gescheiden zijn van hunne broeders in het Westen.

3. De Finsche volken in het midden tusschen die beide gedeelten, die in het westen door de Baltische zee en in het oosten door de breede Slawische landen-wig, van hunne broeders gescheiden zijn.

De overblijfselen der Finsche bevolking in Skandinavië, of _Westelijke_ Finnen, zijn van deze drie groepen tegenwoordig de zwakste en minst belangrijke.

Door het geheele binnenste gedeelte van het Zweedsche schiereiland tot aan het Wener-meer, gaat in zuidwaartsche richting een streek, wier bevolking nog min of meer met Finsche elementen doortrokken is, en gedeeltelijk ook nog de Finsche taal spreekt. Zelfs in eene der zuidelijkste provinciën van Zweden, in Gothland, vindt men nu nog verscheidene zoogenaamde "Finnenheiden" of "Finnenwouden," waarin enkele overblijfselen van Finsche bevolking uit de oudste tijden, zouden zijn blijven bestaan. De Zweedsche Koningen hebben ook nu en dan deze oude Finsche bevolking van hun rijk, door nieuwe versterkt, doordien zij Finsche landlieden van gene zijde der Bothnische golf, uit het eigenlijke Finland haalden en in Zweden zich lieten nederzetten. In den ouden Skandinavischen tijd, waren de Finsche bewoners van het schiereiland bijzonder beroemd om de vervaardiging van smidswerk. Finsche zwaarden spelen eene hoofdrol bij de Zweedsche helden. Ook moeten, zoo luidt ten minste de sage, de belangrijkste bergwerken in Zweden, door Finnen ontdekt geworden zijn. Nu echter hebben deze Zweedsche Finnen niet meer het karakter van eigendommelijke stammen of volksgroepen. Zij bezitten geene nationale stamnamen meer, leven verspreid onder de Zweedsche boeren, zijn reeds sedert lang Luthersche Christenen en verstaan meestal ook de Zweedsche taal.

Ook de in het hooge Noorden van Skandinavië, als Bedouïnen rondtrekkende _Lappen_, worden door de Noorwegers en Zweden gewoonlijk Finnen genoemd, en ofschoon de Lappen zich van de eigenlijke Finnen, zoowel door lichaamsbouw, als door levenswijze en karakter zeer onderscheiden, zoo schijnen toch de onderzoekingen naar hunne taal en andere omstandigheden, het bewijs geleverd te hebben, dat zij slechts een verschillend ontwikkelde tak van één en denzelfden wortel zijn. De Lappen zijn over het algemeen klein van stuk; de eigenlijke Finnen daarentegen even groot als andere Europeesche volken. De Lappen hebben in den regel zwart haar, eene sterk geelachtige lichaamskleur, een hoekig gezicht, platten neus, lange oogen, hooge bakbeenderen, breeden mond, spitse, baardelooze kin, dik hoofd, pyramidale schedelvorm, en schijnen in dit alles het Aziatisch-Mongoolsche type in zeer hooge mate te naderen. Hunne naburen en broeders daarentegen, de eigenlijke Finnen, hebben meestal blond haar, ronde gelaatstrekken, eene frissche gelaatskleur, en dragen over het algemeen in mindere mate de kenteekenen van het Mongoolsche ras. Beiden hebben een zeer van elkander afwijkend temperament. De eigenlijke Fin heeft in den regel iets beslissends, iets krachtigs, een rijp verstand, een dikwijls somberen ernst en diepe melancholie. "De Lap daarentegen is een ten eenemale wild, zorgeloos natuurkind, een wonderlijk mengsel van wantrouwen en kinderlijke luimen en gemoedsaandoeningen." Eindelijk is de Lap met hart en ziel een nomade, trotsch op zijne kudden rendieren, heeft eene echte Bedouïnen-natuur, en laat zich volstrekt niet in een rustigen kolonist veranderen. Kan hij als eigenaar van kudden niet meer bestaan, dan grijpt hij in zijn nood naar het visschers- en jagers handwerk, letterlijk nooit naar den akkerbouw.

Zijn buurman, de eigenlijke Fin daarentegen, is in den regel een rustig landman, en als zoodanig wordt hij door de Lappen verafschuwd. Deze gaan voor de nederzettingen der Finnen overal op de vlucht. En dat de antipathie, deze nationale weerzin tusschen Lappen en Finnen reeds van zeer ouden datum is, wordt daardoor bewezen, dat het beroemde oude, Finsche nationale-heldendicht "Kalewala" hoofdzakelijk de tegenkanting en den strijd tusschen de oude Goden en helden der Finnen en die der Lappen tot onderwerp heeft.

Dat echter, trots al deze sterke verschillen, de Lappen toch met de Finnen tot één en denzelfden volkstam gerekend moeten worden te behooren, wordt, zooals opgemerkt is, uit verscheidene verhoudingen en omstandigheden duidelijk. Ten eersten daaruit, dat beide stammen sedert onheugelijke tijden naast elkander gewoond hebben. De Lapsche taal heeft denzelfden bouw en wortelen als de Finsche, en het is niet aan te nemen, dat den Lappen deze Finsche taal met geweld opgedrongen zou zijn, omdat wij er niets van hooren, dat de Finnen ooit de gebieders en leermeesters der Lappen geweest zijn. De sagen en mythen der Lappen zijn, trots den strijd tusschen hunne Goden en helden, innig met die der heidensche Finnen samen geweven. Men heeft, kort geleden, ook bij hen, epische gedichten ontdekt, die zeer overeenkomen met die der Finnen. Dat de Skandinaviërs beide volken onder denzelfden naam "Finnen" samenvatten, moge te dien opzichte niet veel bewijzen, wel echter de omstandigheid, dat de Lappen zich zelven een nationalen naam geven, die in vorm en beteekenis geheel overeenstemt met dien, welken ook de Finnen op zich toepassen. Deze noemen zich, zooals reeds opgegeven werd, "Suomalaiset," gene "Saomelad" en beide beteekenen hetzelfde, "moerasmenschen." Daarenboven zijn ook alle zooeven aangegevene afwijkingen en contrasten tusschen de beide natiën niet zoo groot, dat zij eene nauwe verwantschap zouden uitsluiten. De kleinere gedaante der Lappen kan hare oorzaak hebben in het ruwere klimaat en in het verschil van levenswijze. Het leven der Lappen wisselt veel meer af dan dat der Finnen, tusschen den grootsten overvloed en het bitterste gebrek, tusschen groote hitte en scherpe koude, tusschen groote inspanning en volslagene werkeloosheid. Door muskieten vervolgd, vluchten zij sedert eeuwen in den zomer naar de zee, om zich en hunne kudden in zeelucht en zout water te baden, en door honger gedreven snellen zij in den herfst terug naar de bergen, waar hun rendiermos groeit. Dat van verschillende takken van denzelfden stam, zich de eene aan landbouw, de andere aan een nomadisch leven wijden, en er scherpe contrasten en groote antipathiën tusschen hen zijn ontstaan, is eene verschijning die in de geschiedenis der volken meermalen voorkomt. Ja! onder de onderafdeelingen en de verschillende gedeelten der Lappen zelven, bestaat eene bijna even zoo sterke, ten deele onverklaarbare tegenzin voor elkander. De "Lappen van Umea" b.v. hebben een zoo diepen afschuw voor de "Lappen van Lulea," dat zij, ofschoon beiden nomadische bloedvrienden zijn, volstrekt niet met elkander om gaan en nooit onder elkander trouwen.

Het in aantal zwakke volk der Lappen is, als op zich zelf staande familiën, verstrooid in de wilde dalen en kloven, aan de tallooze meren en fjorden van een uitgestrekt en onvruchtbaar, maar aan natuurwonderen rijk en weinig bekend gebied, dat zich door noordelijk Zweden en Noorwegen, en door een gedeelte van Rusland tot aan de Witte Zee uitstrekt. De kale rotsen en ijsbergen hunner marken, en de ontembare natuur van deze, geven voor het vervolg niet de minste hoop, dat ook akkerbouw, beschaving en sterke bevolking zich tot in dezen uithoek van Europa zullen uitstrekken. Rendieren en Lappen is het beste wat het daar geven, kan, het eenige wat daar bestaan kan. Echter moet hierbij nog opgemerkt worden, dat eene zekere langzame germaniseering bij de aan de Zweden en Noorwegers onderworpene Lappen, schijnt plaats te grijpen. Taalkundige onderzoekingen ten minste hebben doen zien, dat reeds een derde der woorden van hunnen taalschat van Skandinavischen oorsprong, of wel eene bloote overzetting van het Zweedsch en Noorweegsch is. Bij de aan de Russen onderworpene Lappen kan een dergelijk proces van langzame slawiseering plaats hebben.

De tweede of Oostelijke groep overblijfselen van Finsche volken, aan den Noordelijken en Midden-Ural en aan de Wolga, biedt eene groote verscheidenheid van zeer verschillende stammen en namen aan. Tot hen behooren de van het Zuiden naar het Noorden naast elkander wonende _Tscheremissen_, _Mordwinen_, _Wotjäken_, _Permiërs_, _Wogulen_, _Ostjäken_, _Sirjänen_, en in velerlei opzicht ook nog de aan de IJszee hun kommerlijk bestaan rekkende _Samojeden_.

De Zuidelijkste van deze Oostelijke Finnen zijn de _Tscheremissen_. Zij hebben de meeste overeenkomst met de Tschuwaschen, zoowel wat betreft hunne woonplaatsen als met betrekking tot hunne stamverhoudingen. Even als de Tschuwaschen wonen zij in den omtrek van Kasan, maar meer noordelijk dan deze, en aan de oevers der beneden-Kama. Daar zij, even als Tschuwaschen, dikwijls en lang onderworpen waren aan de Tataren, zoo hebben ook zij veel, ofschoon veel minder dan gene, van dezen overgenomen. Zij zijn een overoud Finsch volk, van wier namen wij, reeds sedert duizend jaren, eenige sporen in de Russische annalen vinden. De meeste der Tscheremissen zijn nu christenen, maar even als onder andere dezer Noord-Oostelijke Europeanen, vindt men onder hen ook nog heidenen, die echter tegelijk met hunne afgoden, de Russische heiligen even als ook Mahomed aanroepen, en zoowel mahomedaansche als christelijke feestdagen en heidensche gebruiken waarnemen. Hunne lichamelijke gesteldheid, hun blond haar, hun dunne baard, hun eerlijk maar stuursch karakter, hun schuw wezen, dit alles kenmerkt de Tscheremissen als Finnen. Ook zijn de bij hen gebruikelijke kleederen, even als de inrichting hunner woningen en hunner huishouding, geheel op Finschen voet geschoeid.

De heidensche Tscheremissen noemen hun oppersten God, "Juma" wat een onder de Finsche volken zeer algemeen verspreide naam is. Want "Juma" of "Jumala" of "Jummal" of "Ibmel" is bijna bij alle Finnen de naam der Godheid of van den Hemel. Deze "Juma", zeggen de Tscheremissen, is de schepper der natuur en der menschen en regeert het wereldgebouw.

Zij gelooven ook aan een boozen geest, dien zij "Keremet" of "Keremiet" noemen. Bij de schepping der wereld, en der menschen, hielp deze Keremiet Juma. Maar hij werd hoogmoedig en wilde Juma evenaren. Daar hij echter in kracht bij dezen ten achter stond, zoo bedierf hij Juma's scheppingen. Toen deze b.v. het drooge land scheppen wilde, en Keremiet beval in de gedaante van eene eend op de wateren rond te zwemmen, en in het water duikende de aarde op te halen, toen deed Keremiet dit wel, maar hij gaf niet alle aarde, die hij opgedoken had aan Juma af, maar hield er een gedeelte van in zijn bek, en toen de schoone oppervlakte van het landschap klaar was, toen spuwde hij de achtergehoudene aarde uit, en waar die nederviel ontstonden wilde bergen en andere nadeelige zaken.

Onder denzelfden breedtegraad met de Tscheremissen, maar meer westelijk, aan de rechterzijde van de Wolga, zijn de overblijfselen der Mordwinen verstrooid. Zij werden in deze streken, dus in den grooten landencirkel tusschen de Oka en de midden-Wolga, reeds door Byzantynsche schrijvers en als onderdanen der West-Gothen genoemd. Hoe lang zij reeds in deze streken te huis behooren, blijkt onder anderen reeds uit de omstandigheid, dat zij nog heden ten dage de Wolga met denzelfden naam noemen, waaronder zij den Grieken en Romeinen bekend was. Zij noemen haar "Ràwa", wat eigenlijk met den naam der ouden: "Rha" tamelijk wel overeenkomt.

Als zeer dicht bij de hoofdmassa der Slawische bevolking van Rusland, hebben zij nu reeds meer van de levenswijze van het Russische landvolk aangenomen, en komen zij ook in lichaamsbouw en in hun geheele wezen den Russen meer nabij dan de andere Finnen.

Men heeft al de zooeven genoemde Finnen-stammen, ook wel samengevat onder den naam Wolga-Finnen, omdat zij zich allen langs den oever en de vertakkingen van deze rivier groepeeren. En de Wolga zelve, aan wier machtige polsader het leven der Finnen, zich eens zoo belangrijk en voor de wereldgeschiedenis zoo gewillig ontvouwde,--aan welke de dikwijls door mij genoemde Bulgaren en Chasaren hunne bloeiende en niet geheel onbeschaafde rijken stichtten--van waar de Finsche Avaren en Magyaren naar Westelijk Europa trokken,--deze Wolga zelve, zeg ik, heeft men wel de groote "nationale rivier der Finnen" genoemd, evenzoo als men den Dnieper bij voorkeur de Slawen-rivier, en den Rijn de Germanen-stroom genoemd heeft. Even als naar het reeds opgemerkte, de den Grieken bekend geworden naam voor de Wolga "Rha", zoo moet ook de bij de Tataren gebruikelijke naam voor deze rivier, "Itil" niet van Tataarschen of Slawischen, maar van Finschen oorsprong zijn. De Tataren namen den Finnen de Wolga af, en nu is zij, nadat ook de macht dezer Tataren onderging, de hoofd-levensbaan der Groot-Russen en Kozakken geworden, en heeft daarom ook algemeen den Slawischen naam Wolga aangenomen.

Noord-Oostwaarts van de Wolga en van Kasan, aan de door hen zoogenoemde Wiatka, komen het eerst de _Wotjäken_ die zich zelven "Udmurdi" d.i., "mannen" noemen. Zij zijn in de meeste zaken den Finnen in het tegenwoordige Finland zeer gelijk. Zij moeten sedert de heerschappij der Russen, dus sedert 300 jaren, hunne nomadische levenswijze hebben laten varen en tegen een meer rustig leven verruild hebben. Zij worden als zeer vlijtige en bekwame landbouwers geroemd.--"Nauwelijks is de winter voorbij, of de Wotjäk verlaat zijne warme, vol rook staande 'Isba' (houten hut), waarin hij in gezelschap zijner ganzen, eenden en kalveren het koude jaargetijde zeer genoegelijk heeft doorgebracht, betrekt geheel doorrookt en met zieke oogen de luchtige zomerstroohut, en begint zijn werkzaam leven, ploegt, zaait en egt, evenwel niet eerder voor dat hij daarvoor de noodige gunstige voorteekens gehad heeft, voor hij den hemel nauwkeurig gadeslagen en den raad der grijsaards ingewonnen heeft." Zij zijn bij de Russen beroemd om hunne huishoudelijke bekrimping, maar ook om hunne eerlijkheid. Wat zij eenmaal bij wijze van verdrag, beloofd hebben te geven, dat geven zij ook even als alle Finnen. Hunne naburen, de Tataren schijnen zij van oude tijden af te vreezen, want zij hebben een spreekwoord "de Tataar is een wolf, de Wotjäk een hazelhoen." Gedeeltelijk zijn zij nog heidenen en vereeren, even als de meeste nog heidensche Finnen een aardgod (het goede principe) en een watergod (het booze wezen), en boven beiden een oppergod, dien zij "den Ouden" noemen. Hunne vrouwen, die zich even als de vrouwen van alle Finsche volken door eene groote eigenaardigheid in hunne nationale-kleeding van de mannen onderscheiden, dragen hooge uit berkenschors vervaardigde mutsen, die zij met geweven stoffen overtrekken en met zilveren munten versieren.

Noordelijk van deze Wotjäken wonen de _Sirjänen_ en Oostelijk van hen de _Permiërs_. De 30.000 Sirjänen (grensbewoners) zijn verscholen in de Noordelijke gedeelten der groote wouden van Noord-Oostelijk Rusland, die de grootste naaldhout-magazijnen van geheel Europa vormen. Zij zijn als zeer goede jagers en vooral als koene beerenjagers beroemd. Reeds hunne kleine kinderen vragen hunnen ouders om niets met meer aandrang, dan om "knalspeelgoed" (een geweer). "Van de jeugd af in het jachtwerk geoefend, worden zij zulke volleerde schutters, dat bij hen geen ander schot voor goed geldt, dan in den snuit van het beest, opdat de huid onverlet blijve." Kruit, dat in hunne dichte wouden altijd een zeldzaam artikel is, schijnt hun even kostbaar als stofgoud. Alleen onder de dringendste omstandigheden, deelen zij daarvan aan anderen mede, en stellen dan daarbij als voorwaarde, dat het in _natura_, kruit tegen kruit, terug betaald moet worden. Als zij het woud binnentrekken, tellen zij zorgvuldig het aantal patronen of schoten die zij medenemen, en berekenen daarnaar het aantal pelzen, die zij mede terugbrengen zullen. Ook de in kruit handelende koopman weet precies, hoeveel otter- of hermelijn- of vossenpelzen hij voor ieder pond kruit, dat hij eenen Sirjän crediteerde, terug verwachten kan.--In hun nationaal-karakter verraden zij nog nu hunne nauwe verwantschap met den Finschen moederstam. Overleg, ernst, eerlijkheid en bedachtzaamheid kenmerken den Sirjän even als de andere Finnen. Voor het overige moeten zij nu ook reeds begonnen zijn, meer overeenkomst te krijgen met de Russische boeren. Rusland verandert of verzwelgt al deze Finsche volken, even als het Anglo-Saksische ras de Indianen van Noord-Amerika.

Hetzelfde laat zich van de niet talrijke _Permiërs_ zeggen, die in den omtrek der naar hen genoemde stad Perm wonen. Eens waren, zooals reeds gezegd is, deze Permïers beroemd, en was hun naam, als die van een bedrijvig Finsch handelsvolk, ver in het Noorden en bij de Skandinavische zeevaarders bekend. Men heeft ook wel de Sirjänen en Wotjäken, en nagenoeg alle Noord-Oostelijke Finnen, onder den gemeenschappelijken naam van den "Permischen Finnen-Stam" saamgevoegd en hen door deze benaming onderscheiden van de Zuidelijke "Wolga-Finnen."--Thans echter, nu de Russen vele houten steden onder hen gebouwd hebben, is de glans van den naam "Permiërs" verdwenen, hunne getalsterkte tot 30,000 koppen ingesmolten en hunne nationaliteit met die der Slawen vereenzelvigd.

Nauwelijks hebben zij van de, in de oude annalen der Skandinaviërs en Russen zoo dikwijls besproken tijd, toen de Permiërs, als een half beschaafd volk, den handel van het Europeesche Noorden met het Oosten in aanraking brachten, toen zelfs Arabische en Indische waren hier doorgevoerd werden, eenige overleveringen bewaard.