Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 30
Niettegenstaande de vele wijze ouden, die men, evenals de leerlingen van Plato, sprekende onder de Letten gevonden heeft, is toch nooit een Plato onder hen opgestaan. Niettegenstaande hunne fraaie spreuken en leefregels, hebben zij nooit een Lycurgus of Solon voortgebracht, die hun eene vaste en zelfstandige nationaliteit gegeven en een staatsgebouw opgetrokken heeft.--Bij al hunne bekwaamheid en hun vindingrijk genie, is toch nooit iets blijvends, iets van ingrijpenden aard bij hen gevonden. Ongeacht hunne neiging tot vrijheid en onafhankelijkheid, die hun even als allen menschen eigen is, trots de verwonderlijke hardnekkigheid, waarmede zij in oude tijden somwijlen hunne vrijheid tegen Slawen en Duitschers verdedigd en ook later nog dikwijls getracht hebben te herwinnen, hebben zij toch geen Mozes en Jozua, die het volk een eigen en duurzaam huis gebouwd of veroverd had.--Daartoe heeft hun een hoogere vlucht, een sterk geconcentreerde energie, eene groote neiging zich met elkander te vereenigen, kortom, een zeker iets ontbroken, wat eerst elken schoonen aanleg eener natie ontwikkelt, en wat de groote en machtige volken vormt. Hoe zich dit laat verklaren en waardoor dit komt, valt moeielijk te zeggen. Op de vraag: waarom één volk machtig, rijk en groot wordt, en waarom het andere zich nooit uit zijne moerassen en wouden tot het daglicht opwerkt? vinden wij dikwijls geen meer voldoend antwoord, dan op die: waarom de eene plant in de natuur een bloemrijke heester blijft, terwijl de andere tot een eik of een vruchtdragenden boom opgroeit?--Een Lettisch spreekwoord zelf zegt: "wie zich tot een lam maakt, die wordt door den wolf verscheurd." Hebben zij begrepen, dat dit woord op hun geheele volk past, en dat het daarom den buit van anderen werd, omdat het niet, zooals de duigen van een goed wijnvat, van ijzeren hoepels voorzien was?
Even als dat spreekwoord, zoo zou men ook de vele poëtische klaagtoonen en treurliederen, die de Letten aan de arme weeskinderen wijden, zeer goed op het geheele volk kunnen toepassen. "Arme verlatene weeskinderen, tot wie niemand woorden van liefde richt, die niemand hebben die hun tot voorspraak kan dienen; die in storm en sneeuwjacht weenen en klagen, wier tranen alleen door de zon gedroogd worden," zijn beelden en tooneelen, die in hunne, boven door mij aangehaalde, elegische "Raudas" zeer dikwijls voorkomen. Dit volk schijnt in zijne weeskinderen eveneens zich zelven te bezingen. Eene dier Lettische weeskinderen-Raudas luidt als volgt:
"Wij arme weeskinderen, aan den oever van een snelvlietend beekje toevende, wachten onze moeder. O! wij treurende meisjes, verlatene weezen, gewoon in bittere ellende te ontberen: niemand weet, hoe droevig wij schreien. Alleen de zon weet het, die onze tranen met hare warme stralen droogt. Alleen ons doekje weet het, waarmede wij onze oogen afwisschen. Ach! zullen de moeders niet met den stroom komen aandrijven?--Eeuwig stroomt het, eeuwig ruischt het. Maar de kinderen wachten te vergeefs en snikken. Zuchtend en klagend gaan zij hunnen weg."
Met die weeskinderen, welke zij zoo dikwijls bezingen, zeg ik, is dit in geheel Europa vergetene, verweesde, onderdrukte en werkelooze volk der Litauers en Letten te vergelijken. Zij verwachten de reddende moeders van den stroom der tijden. Maar nimmer komen deze aandrijven.
FINNEN, LAPPEN EN SAMOJEDEN.
Door de onmetelijke wouden, aan de tallooze meren, over de uitgestrekte, moerassige en dorre vlakten van het Noorden van Europa--in de heuvel- en bergketenen, die ons werelddeel van Azië scheiden en in de uiterste einden der Skandinavische Alpen, zoomede aan de kusten van de Yszee, zijn eene menigte merkwaardige volken en overblijfselen van volken verbreid, die allen in lichaamsbouw, taal, zeden en ontwikkeling met elkander meer of min verbroederd, en evenzoo van hunne zuidelijke naburen verschillend zijn, en die men daarom kan beschouwen als tot eene en dezelfde volkengroep te behooren.
Reeds Herodotus, de vader der geschiedenis, schijnt een oppervlakkig bericht aangaande het bestaan van deze kinderen van het Noorden, misschien door tusschenkomst der in verre streken handeldrijvende Grieksche kooplieden aan de Zwarte Zee, gekregen te hebben. Want hij zegt, "dat aan gene zijde der akkerbouwende Scythen (Slawen), in de landen waar de zon niet meer schijnt, geheel wilde, geheel vreemdsoortige volken leefden die hunne eigene taal spraken, die niets met de 'Scythen' gemeen hadden, die zonder de minste gezellige orde, jagende in de bosschen rondzwierven, en waarvan hij onder anderen een stam aangeeft, die door hem de 'Melanchlänen' (de zwartmantels) genoemd worden."
Ook wat Tacitus in zijne beschrijving van Germanië ons van zijne "uiterste Europeanen" mededeelt, en wat dezen Romein door tusschenkomst der Germanen ter oore kwam, is slechts weinig en fabelachtig.--Toch noemt Tacitus voor het eerst den naam der "Fennen" of Finnen, en zegt van hen, dat zij van kruiden leefden, zich met dierenhuiden kleedden, geene paarden bezaten, geen ijzer kenden en dat zij in "verwonderlijke wildheid, in de allergrootste behoeftigheid" (mira ferocitas, foeda paupertas) levende, geene Goden schenen te vereeren.
De naam Finnen, die van het Germaansche "Fenn" (broekland, moerassig land) afgeleid schijnt te zijn, is dien ten gevolge waarschijnlijk eene overoude benaming der Duitschers voor hunne, in de noordelijke moerassige streken wonende, naburen geweest. Wij hebben dien naam tot op den huidigen dag blijven gebruiken, en op den geheelen ver verbreiden Finschen volkstam overgebracht.
Van alle Germanen zijn van oudsher de Skandinaviërs dezen Finnen, die ook gedeeltelijk met hen hetzelfde schier-eiland bewoonden, het meest nabij gekomen. De oudste Skandinavische overleveringen maken van hen melding als van een ruwen, elkander over en weer beoorlogenden stam, als "zonen der rotsen," als het "volk der bergkloven" en duiden hun land aan met den naam "Jötunheim," het vaderland der "Jötunen" of "Jätten"--der "bergwolven" en "der het licht schuwende toovenaars." In latere geschiedkundige geschriften geven de Zweden en Noorwegers, even als de Duitschers, hun ook den naam Finnen of Fennen.
Behalve de Duitschers en Skandinaviërs, kennen wij in den historischen tijd geen ander Europeesch volk, dat met deze Finnen in zoo groote aanraking gekomen is, dan de Oostelijke Slawen, de tegenwoordige Russen, wier woonplaatsen sedert onheugelijke tijden over eene lange, groote uitgebreidheid, naast die der Finnen zich uitstrekten. Ook zij schijnen in deze hunne naburen, het den Slawen vreemde en het hun onder elkander eigenaardige, reeds vroeg opgemerkt te hebben. Want zij hadden en hebben voor hen eene overoude, veelbeteekenende benaming. Zij noemen hen "Tschuden", een woord, waarvan de afleiding duister is, maar dat vermoedelijk zooveel beteekent als "vreemden," "niet-Slawen."
Toen de Russen bij de uitbreiding hunner veroveringen tot aan den Ural doordrongen, vonden zij daar ook overal deze vreemdsoortige ("Tschudische") stammen, en daar men nu dit geheele, lange gebergte, dat de Finnen "Ogur" d.i. "de hoogten" noemden, door hen bezet vond, en omdat men meende, dat zij uit de dalen van dit Aziatische grensgebergte, als van uit hunne oorspronkelijke woonplaatsen, even als de daar ontspringende rivieren, zich over het Noordelijk Europa verspreid hadden, zoo heeft men hun daarna ook wel den naam van "Ogurischen, Ugrischen of Uralischen volkstam" gegeven.
Bij de Finnen zelven, zijn natuurlijk al deze hun gegevene namen onbekend. Daar zij, verspreid als zij waren over eene groote uitgestrektheid, al hunne stambroeders nooit hebben leeren kennen; daar zij nooit eene tot gemeenschappelijke daden, en onder hetzelfde staatsbestuur verbondene natie gevormd hebben, zoo bezitten zij ook geen naam, die op hen allen van toepassing is.--Iedere kleine stam heeft zijn eigen naam. Toch keert bij velen hunner den naam "Suomalaiset" of iets dergelijks, terug, dat naar de meening van Duitsche onderzoekers, even als het Duitsche woord "Finnen" zooveel als "watermannen of moerasbewoners" beteekenen moet, en men zou dien in zekeren zin als den echten inheemschen, en met de moerassige natuur van hun vaderland zamenhangenden, nationalen naam der Finnen kunnen beschouwen.
De tijd, waarin de verbreiding der "Finnen" of "Tschuden" of "Suomen," van den Ural plaats mag gevonden hebben, moet vóór den oorsprong der geschiedenis, ja vóór al de sagen van ons werelddeel, gezocht worden; hij heeft zich noch door taalonderzoek, noch door andere gevolgtrekkingen laten bepalen. Wijl wij intusschen in den historischen tijd, de Slawen zoowel als de Germanen, altijd van het zuiden af, tegen de Finnen zien optrekken, en deze, steeds voorwaarts gaande, naar het noorden zien terugdrijven, zoo is het aan te nemen, dat de Finnen als de allereerste binnentrekkers, als de eigenlijke oorspronkelijke bewoners van Europa, of ten minste van een groot gedeelte van Europa te beschouwen zijn, en dat, zoowel de Germanen als de Slawen, als latere indringers binnen hun gebied moeten aangemerkt worden.
Diensvolgens zullen, naar de zienswijze van verscheidene Duitsche en Skandinavische geleerden, deze moeras-menschen zich eens veel verder zuidwaarts hebben begeven, niet slechts het grootste deel van Rusland en het Skandinavische schier-eiland bewoond hebben, maar dat men ook in Denemarken en Duitschland, ja zelfs in Engeland en Frankrijk, zooals ook in den nieuweren tijd in Zwitserland, in de zoogenaamde "paalwoningen", sporen en monumenten van het bestaan der "Fennen" ontdekt en aangewezen meent te hebben. Naar dit oordeel moeten zij daar als de eigenlijke voor-historische, oorspronkelijke bewoners beschouwd worden, wier kleine rookerige hutten in onze bosschen en moerasachtige streken en langs onze rivieren verspreid waren, en op wier graven wij Indo-Germanen, wij Duitschers, Celten, Slawen, later onze steden bouwden en onze beschaafde staten oprichtten.
Deze zienswijze wordt onder anderen ook ondersteund door de opmerking, die eenige taalonderzoekers gemaakt hebben, dat namentlijk de Finsche taal met die der in Europa ook overoude Iberiërs en Celten, met welke de Finnen het bezit van het wereldeel deelden, veel meer overeenkomst heeft dan met de talen der jongere Germanen en Slawen. Ook Engelsche taalonderzoekers hebben in het idioom der Britten eenige Finsche elementen ontdekt.--Ook aan gene zijde van den Ural, in de onmetelijke landstreken van Noordelijk en Midden-Azië, heeft men de sporen van ten ondergegane Finsche volken gevolgd.--Tusschen den Ural en de grensgebergten van China, vindt men ontelbare gedenkteekenen van verschillende soort: grafheuvels, aarden wallen, ruïnen, overblijfselen van mijngrotten en bergwerken, waarvan de daar nu wonende Tataarsche volken zeggen, dat zij noch van hen, noch van hunne voorouders, maar veeleer van een ten ondergegaan ras afkomstig zijn. Men beschouwt daarom deze werken als zoovele getuigenissen voor de aanwezigheid van een daar wijd verspreid volk, en de Russen die nu die streken beheerschen, gelooven, dat ook dit volk een "Tschudisch" of "Finsch" volk moet geweest zijn. Zij noemen al die bovengenoemde overblijfselen uit een over-ouden tijd "Tschudengraven", "Tschuden-vestingen" en "Tschuden-putten."
"Er is of was dus", zegt reeds de Duitsche Schlözer, "eene groote Finnenwereld, die, met betrekking tot hare uitgebreidheid, een der grootste in de geschiedenis der menschheid is, en in vergelijking waarmede zelfs de groote Slawenwereld, zoo ver wij hare oorspronkelijke grenzen kennen, eens eene kleinigheid was."--Nu ligt deze eens zoo bloeiende Finnen-wereld in duigen, en is zij niets meer dan eene ruïne, en wanneer eenig volk in Europa recht heeft, eene gouden eeuw, een verloren Arcadië te beklagen, dan zijn het de Finnen, die dan ook dikwijls de levendige frischheid van hunnen lang verdwenen levensmorgen, "den tijd, waarin ieder Fin vrij, sterk, wijs en gelukkig was; toen de honig van de takken zijner eiken druppelde, en beken van melk zijn grond bevochtigden", in hunne sagen afschilderen. Er zijn nu nog slechts eenige schrale loten in 't leven van den eens zoo breed getakten boom, en ofschoon zij nu van eene geringe politieke beteekenis zijn, zoo blijkt uit het boven aangevoerde toch voldoende, van hoe groot belang in andere opzichten, de studie en de poging eene karakterbeschrijving te vervaardigen van deze Finsche volkenoverblijfselen, voor ons Europeanen zijn moet.
_Hoe_ in Azië de vroegere Finsche volken te gronde gingen, en _welke_ overblijfselen van hen, daar in Siberië en aan den Altaï misschien nog te vinden zijn, hebben wij hier niet te onderzoeken. Volgens ons aanvankelijk plan, blijven wij met onze beschouwing aan de westelijke zijde van den Ural. In de zuidelijke gedeelten van dit woud-gebergte, aan de midden- en boven-Wolga en hare nevenrivieren, hebben in oude tijden die Finsche stammen gewoond, wier namen in de wereld-geschiedenis het meest bekend zijn geworden. In die streken waren de woonplaatsen der "Spalen", "Skamaren", "Sabiren" en na hen die der meer beroemde Avaren, Bulgaren, Chasaren en Magyaren, die men allen in hoofdzaak voor volken van Finschen oorsprong houdt.--Ik zeg in hoofdzaak, want daar de Zuid-Finsche stammen zich allen in de nabijheid van die breede volken-poort tusschen den Ural en de Kaspische Zee, en bij den grooten Nomaden-weg uit Azië naar Europa ophielden, zoo werden zij vermoedelijk reeds van den oudsten tijd af, door de langs dezen weg binnentrekkende, hun naar taal en afstamming meer of minder verwante, Mongolen en Tataren, in hunne woonplaatsen verontrust en in beweging gebracht. Bij alle andere echte en onvervalscht geblevene Finnen, zoover wij hen nu nog kunnen opnemen, merken wij geen grooten lust tot reizen en trekken of tot het maken van veroveringen op. Veelmeer verschijnen zij ons overal als stille, zwakke, verbrokkelde stammen, als duldende offers en onderdanen van vreemdelingen, en niet als de overweldigers en gebieders van dezen.--Misschien namen, zeg ik, de genoemde Zuidelijke Finnen die groote vlucht, alleen door eene vermenging met hunne, uit Azië voorwaarts rukkende bloedverwanten, en wij hebben dus in hen alleen getatariseerde of gemongoliseerde Finnen--bastaardvolken--te zien, die door genen uit den Ural, waar zij woonden, losgescheurd en medegevoerd werden, en die door hen met een grooteren ondernemingsgeest bezield, vervolgens, gedurende een meer of minder langen tijd, zelfstandig eene rol in de geschiedenis van Oostelijk Europa speelden.
Eenige dezer Uralische of Finsch-Tataarsche gemengde volken hebben zich slechts gedurende een korten tijd doen opmerken, zooals de nu nog ter nauwernood bij naam bekende "Spalen", "Skamaren" en "Sabiren". Zij zijn weldra weder verdwenen, en hunne namen staan deels nog slechts in de oudste Russische annalen opgeteekend, deels leven zij nog, maar niet zonder eene slechte nevenbeteekenis, in den mond der Slawische volken, bij welke b.v. "Skamare" zooveel als een schelm, "Sabire" zooveel als knecht, "Spale" zooveel als een lompert of roover beteekent.
Andere van deze gemengde Finsch-Tataarsche volken daarentegen, zijn tot grooter en blijvender macht gekomen.
De Avaren, die wij in Europa het eerst aan de beneden-Wolga en aan den Don zien verschijnen, volgden de Hunnen van Attila op hunnen tocht naar het Westen, en stichtten een machtig rijk aan den midden-Donau in het tegenwoordige Hongarije, van waar uit zij, even als de Hunnen, in vele deelen van Westelijk Europa strooptochten deden. Zij leden echter eene nederlaag tegen de Duitschers onder Pepijn en Karel den Groote, door wie zij in het Westen, en tegen hunne eigene stamgenooten, door wie zij in het Oosten aangevallen werden. De overblijfselen van hun volk in het Donau-land, hebben zich later met de Magyaren vermengd.
De Chasaren stichtten na de Avaren, aan de benedenste gedeelten der Wolga en van den Don, een groot rijk, dat zijne grootste macht en uitgestrektheid ten tijde van Karel den Groote verkreeg.--In deze voor den wereldhandel zoo gunstig gelegene streken waren de Chasaren, die niet onvatbaar voor ontwikkeling waren, een tijdlang de personen die het goederen-verkeer tusschen Europa en Azië bevorderden en in handen hadden; en het natuurlijke handelskanaal der Wolga droeg in het Oosten, naar hen, langen tijd den naam "Chasaren-rivier". In de 9de eeuw werd echter hunne macht door de Russen, die onder hunne Noormansche aanvoerders den eersten bloeitijd hunner geschiedenis intraden, gebroken, en zij verdwijnen daarna midden in de later hier bruisende volken-baren. Zij gingen geheel in de Turksche stammen op, die reeds sedert het begin der 9de eeuw door de Uralisch-Kaspische volken-poort Europa binnenstormende, de keten der Finsche volkstammen aan den Zuidelijken Ural verbroken hadden.
De Bulgaren, die aan de midden-Wolga te huis behoorden, stichtten daar een, ten tijde der kruistochten bloeiend rijk, waarvan het middelpunt in de nabijheid van het tegenwoordige Kasan, aan de vereeniging der Wolga en Kama lag, en waarin zich, behalve landbouw en veeteelt, ook handel en industrie ontwikkelden, maar dat in de 13de eeuw door de Mongolen onder Batu-Chan vernietigd werd. Eene afdeeling dezer Finsch-Uralische Bulgaren aan de Wolga, was reeds tijdens Karel den Groote, door de naar het Westen gerichte volksbewegingen medegesleurd, waarschijnlijk door de Chasaren naar den beneden-Donau gedreven, en had daar op den rug van onderworpene Slawen, het tweede Bulgarenrijk, dat voor langen tijd het Byzantijnsche Keizerrijk lastig en gevaarlijk werd, gesticht. In dit Westelijke Bulgaren-rijk gingen echter de Finsch-Tataarsche nationaliteit, taal en zeden weldra geheel verloren onder de talrijke Slawen. Van hen is daar nu niets meer over dan de naam der provincie "Bulgarije."
De Magyaren eindelijk, wier oorspronkelijke woonplaatsen aan den midden-Ural, aan de bronnen van de Kama zich bevonden, en die hier door de Turksche Petschenegen opgejaagd werden, volgden wederom hunne broeders in den algemeenen tocht naar het Westen en nestelden zich, even als deze, in het midden-Donauland vast. Zij zijn van alle Finsch-Uralische stammen de eenige, die tot op onze dagen als een invloedrijk en historisch belangrijk volk zijn blijven bestaan. De geweldige Tataarsch-Mongoolsche inval onder Dschingis-Chan en zijne opvolgers in het begin der 13de eeuw, die weder zooveel Turken over het geheele Oostelijk Europa bracht, en die, zooals gezegd is, ook het laatste bloeiende Finnen-rijk, dat der Bulgaren aan de Wolga, vernietigde, schijnt aan alle oorspronkelijk Finsche volks-bewegingen in den Zuidelijken Ural een einde te hebben gemaakt. Van nu af hooren wij van geene Avaren of Magyaren, of van andere geheel of half Finsche stammen, die van daar uitgetrokken waren, meer. De geheele landstreek in den Zuidelijken Ural, aan de beneden-Wolga en aan den Don, schijnt nu bijna geheel getatariseerd of gemongoliseerd.--Heden ten dage vinden wij daar nog de Tschuwaschen, Teptjären, Metscherjäken en Baschkiren, allen tot den Islam bekeerde Finnen, die aan alle zijden door echte Tataren omringd zijn, en behalve hunnen godsdienst, ook hunne zeden en hunne taal aangenomen hebben, en daarom bijna even goed tot de Tataren gerekend kunnen worden, als b.v. de gegermaniseerde Slawen in Saksen tot de Duitschers. De meest bekende onder deze, tot Mohamed bekeerde en nu Turksch-Tataarsch sprekende Finnen, zijn de Baschkiren of zooals zij zich zelve noemen de "Baschkurt", die onder den naam "Pascatir" reeds in zeer oude tijden daar bekend waren. Zij wonen in het oude stamland der Magyaren, in de streken die eens "Groot-Hongarije" genoemd werden, aan de bovenste bronnen van den zuidelijken hoofdtak der Kama, in de dalen en op de heuvels der zuidelijke gedeelten van den midden-Ural, ten noorden van Orenburg, waar alle hoogten, alle rivieren en beken Baschkirische namen hebben, en luide verkondigen dat genoemd volk daar lang inheemsch is geweest. Hun tegenwoordige naam "Baschkurt," die ook bij de Arabische schrijvers genoemd wordt, moet zooveel beteekenen als "de bijenhouders" en wijst op hunne lievelings-bezigheid, de verzorging en voortteeling der in den Ural zoo veel voorkomende wilde bijen. Ook doen zij iets aan den akkerbouw, en eenigen van hen hebben vaste woningen. De meesten hunner wonen echter alleen in den winter in huizen, en gebruiken ook alleen in den winter brood. In den zomer leiden zij, met hun vee en hunne paarden een nomadisch leven, en generen zich, even als de Mongolen, van de melk van hun vee.
Ofschoon, zooals reeds gezegd is, oorspronkelijk Finnen, hebben zij nu zelfs hunne oude taal, die nog in de 13de eeuw zeer veel overeenkomst met die der Finsche Magyaren moet gehad hebben,--(Rubruquis, de beroemde reiziger en gezant van den Franschen Koning naar den Chan der Mongolen, merkt op, dat in zijn tijd de Baschkiren nog dezelfde taal als de Magyaren gesproken hebben)--geheel tegen die der Turken of Tataren omgeruild; zijn dezen zelfs ook in gelaatsuitdrukking en in de donkere kleur van het haar gelijk geworden, en hebben van hen eindelijk ook het Mohamedaansche geloof aangenomen.--Een bewijs voor hunnen oorspronkelijk Finschen oorsprong, vindt men onder anderen ook nog daarin, dat zij in oude tijden bij hunne Tataarsche naburen "_Sari-Ueschtek_" (roodharige Oostjaken) genoemd werden. Zij moeten dus wel, even als de meeste Finnen, vroeger blond of roodharig geweest zijn.
Op de zoogenaamde _Metscherjäken_ en _Teptjären_, die naast en gedeeltelijk onder de Baschkiren wonen, zijn alle opmerkingen, die wij aangaande laatstgenoemden maakten, van kracht. Met de genoemden te samen, moeten de Baschkiren in staat zijn een leger van 100.000 ruiters op de been te brengen, en de Russen zeggen van hen, dat zij, wat hunne dapperheid en rooflustigen aard aangaat, na de Uralische Kozakken, de eerste plaats onder de volken, der Orenburgsche landstreek innemen.
Aan de Baschkiren en de Metscherjäken, sluiten zich hunne naburen de _Tschuwaschen_ aan, die eveneens oorspronkelijk wel een Finsch volk, maar nu in zoo hooge mate getatariseerd zijn, dat zij door verscheidene ethnologen _geheel_ tot de Tataren gerekend worden. Bij de vermenging met de Tataren schijnen zij hunne oude Finsche taal geheel verloren te hebben. Bij eenige hunner stammen moet deze voor drie-vierde Turksch-Tataarsch zijn. Een Duitsch taalonderzoeker, Schott, die eene grammatica dezer taal uitgegeven heeft, houdt haar in haren geheelen bouw voor wezenlijk Tataarsch. De Tschuwaschen hebben ook, even als de Baschkiren, en anders dan de andere echte, zooals gezegd is, meestal blondharige Finnen, donkere haren en een donkeren baard gekregen, en ook in hunnen geheelen lichaamsbouw en levenswijze veel van de Tataren overgenomen, die zij zelfs in hunne liederen, hunne "broeders" noemen. Varkensvleesch is hun, even als den Tataren een gruwel, ofschoon zij ten deele Christenen geworden zijn en nooit Mohamedanen waren. Niettemin echter onderscheiden zij zich toch weder zeer merkbaar van de echte en eigenlijke Turk-Tataren. Zij hebben de Tataarsche kleederdracht niet. Zij wonen schuw en afgezonderd in hunne eigene dorpen, en hebben niet, zooals de Tataren, de gewoonte, te samen met de Russen in vlekken en dorpen te wonen. "Steden," zegt een Russisch schrijver, "schuwen de Tschuwaschen als de pest." Zij zijn ook veel koeler en ongevoeliger, dan de veel levendiger, nieuwsgieriger en weetgieriger Tataren, die, als zij maar een vreemdeling zien, allen klein en groot, voor de deur gaan staan en hem met duizend vragen lastig vallen. Geheel anders de Tschuwaschen, die, als zij een vreemdeling ontmoeten, hem nauwelijks met een blik verwaardigen. Zij laten zich verder ook nog gemakkelijk van de geheel verturkte Baschkiren en echte Tataren onderscheiden, redenen waarom Russische geleerden hen nog altijd tot de Finsche volken rekenen.