Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 29
Bij dit feest speelt de bruid zelve wel de voornaamste, maar ook de treurigste rol. Op haar mooist aangekleed, gaat zij aanhoudend, en zooals zulks haar plicht is de aangename gastvrouw spelende, tusschen de gasten door. Maar, terwijl zij hun de mede toedient, vergiet zij menigen traan, tracht hun medelijden in te boezemen, en toont zich zoo treurig als wachtte haar het zwaarste lot. De smart, dat zij haar moederlijk huis, de plaats waar zij hare jeugd doorgebracht heeft, nu verlaten zal, doet zich nu veel meer bij haar gevoelen dan de vreugde, dat zij nu haren geliefde toebehooren zal.--De ongetrouwde meisjes, hare vriendinnen, houden zich intusschen druk met haar bezig en trachten haar te troosten. Door de getrouwde vrouwen worden zij daarover bespot in verzen, die zij improviseeren en in koor zingen. De meisjes antwoorden de vrouwen ook weder in verzen, die zij eveneens in koor zingen, en op die wijze ontspinnen zich formeele zang-gevechten en poëtische wedstrijden, die zij elkander, aan lange tafels zittende, leveren.
In de verzen der eene partij wordt het huwelijk en de stand der huisvrouwen geprezen, en met nadruk geëischt, dat de bruid door de meisjes uitgeleverd zal worden. In de liederen der andere partij daarentegen, wordt de jeugd en de maagdelijke staat geprezen, worden de ruwe getrouwde mannen voor hard en wreed uitgescholden en de vrouwen berispt. Somwijlen komen de zangeressen daarbij zoo in vuur, dat zij van hare plaatsen opspringen en staande peroreeren, terwijl zich dan de geheele rei op de maat van het lied op en neder beweegt, of heen- en weerschommelt. Om de kracht te vermeerderen en de maat voor het gezang duidelijker aan te duiden, slaan zij daarbij met een klein met ijzer beslagen instrument, dat met schellen en kletterende metalen plaatjes behangen is, op de tafel.
Slaat eindelijk het bittere uur, waarin de bruid het moederlijke huis moet verlaten en naar dat van den bruidegom gevoerd zal worden, dan bereikt de droefheid den hoogsten graad. Zij mijdt dan de gasten, trekt zich terug, verschuilt zich; staat de reisslede eindelijk gereed, dan ontdekt men haar ten slotte in de slaapkamer harer moeder, op wier bed zij ligt te schreien. Slede en paard zijn met doeken, bonte linten en pluimen versierd, en de schelklinkende bellen en de het geheel omgevende ruiterschaar, verkondigen iederen voorbijganger, dat het eene bruid is, die men ontvoert.
Even als de bruiloften, zoo worden ook andere gebeurtenissen in het leven, even als alledaagsche zaken door de Letten in liederen ("_Dainos_" genaamd) verheerlijkt. Het hoofdthema voor alle dichters en van alle liederen is meestal, de aan de bruiloft voorafgaande liefde.
De Letten behandelen dit thema met groote gevoeligheid en poëtischen tact. Uit hunne "Dainos" spreekt eene zuivere zedelijkheid, eene hooge achting voor betamelijkheid en voegzaamheid, die, vooral wanneer men in aanmerking neemt het weinige, wat kunst en opvoeding daaraan voor deel hebben, iemand werkelijk met bewondering vervult. "Ook geen enkel lied," zoo luidt de merkwaardige uitspraak van den bekenden professor Rhesa, die 13 jaren lang bij de Litauers liederen verzameld heeft. "Geen enkel," zegt hij, "vindt men er onder, dat men ruw zou kunnen noemen, dat ook maar in het allerminst de grenzen, door tucht en zedelijkheid voorgeschreven, te buiten gaat. Veeleer komen daarin overal trekken van het fijnste zedelijk gevoel voor, die even vele waarborgen zijn voor de edele gezindheid van het volk, en den reinen grondtoon zijner bestemming. De liefde is bij hen niets minder dan een wilde hartstocht, veeleer een zeer teeder en kuisch gevoel. Eene zachte melancholie, een treffende weemoed geeft eene eigenaardige, weldadige tint aan al hunne liefde-liederen. Levendige schilderingen der bekoorlijkheden van de geliefde, zooals bij de Zuidelijke dichters, komen in de 'Dainos' dezer schuchtere en beschaamde minnaars van het Noorden in het geheel niet voor. 'Vurige' of 'smachtende blikken,' of zelfs 'een kus van roozeroode lippen,' zooals onze poëten zulks in hunne verzen zeggen, zouden hun al te sterke uitingen van hun gevoel toeschijnen, en zij laten dat alles uit hunne liederen weg; evenals de Grieksche treurspeldichters alle, het zedelijk gevoel en de oogen kwetsende zaken, van het tooneel verwijderden. Ja! de liefde zelve heeft ter nauwernood een naam bij hen, en is nog dat heilige geheim der natuur, dat hij, die het gevoelt, ter nauwernood durft uit te spreken. En toch is alles in hunne gedichten even waar gedacht, als diep gevoeld en zedelijk gehouden." (Rhesa.)
Ten bewijze van het hierboven medegedeelde, zal ik eenige proeven van zulke bescheidene en gracieuse "dainos" of liefdeliederen der Letten, die ik zelf eens bij dat volk verzameld heb, mededeelen. Ik merk hierbij echter op, dat de geliefden elkander in deze liederen gewoonlijk "zustertje" of "broertje" noemen. Ook de naam "_geliefde_" schijnen zij dus te sterk te vinden. Hunne genegenheid is zoo zacht als broeder- en zusterliefde.
"Zustertje! zustertje!" zoo zucht een Lettisch minnaar in een vers:
"Kom in mijne woning en zie nu, Hoe ik mij wakend en slapend steeds kwel, In tranen steeds baad en--dit alles om U.--"
Dat zij echter, even als andere menschen, zeer goed een onderscheid tusschen broeder- en zusterliefde en dat andere gevoel kennen, blijkt ons onder anderen uit het volgende vers, waarin een minnaar zijne eigenlijke zuster en zijne geliefde met elkander vergelijkt:
"Zoet is de boschbezie, Maar zoeter nog de aardbezie. Mijn zuster heb ik schrik'lijk lief, Maar meer toch nog mijn hartedief!"
Even als ook andere dichters, leggen zij dikwijls gevoelens, waardoor zij zelve bezield zijn, voorwerpen in de natuur waarmede zij omgaan, bloemen en boomen waaronder zij eenzaam wandelen, in den mond:
"Ik beluisterde mijn appelboom, toen hij 't volgende bad: Als de herfstmaand komt, dat dan een meisjelief moge Van mijn takken plukken, heel de appelenschat; Daarna haar garen aan mijn takken doe droogen."
Eigenaardig en teeder--maar psychologisch zeer natuurlijk--is de oorzaak en de grond tot de liefde, die een meisje in de volgende verzen aangeeft:
Ik breide onlangs een handschoenenpaar! Zal ik ze aan mijn broedertje geven? Neen! ik schenk ze dien goeden jongling maar, Die mijn moeder zoo roemt om zijn leven.--
Zij laten in hunne "dainos" veel _raden_, wat zij niet bepaald uitdrukken, zooals b.v. in de volgende verzen geschied is, waarin een meisje, dat ziek is van liefdesmart en verlangen, door het bezoek van den geliefde en de eindelijke toestemming en verloving genezen wordt:
Door berkenboschjes, door pijnboomenwoudjes droeg mij mijn paardje, mijn bruintje, naar het huisje van mijn schoonvader. "Een fraaie dag, een fraaie avond, geliefde schoonvader! Hoe maakte het mijn zusje? wat doet mijn jong meisje?"--"Ziek is het meisje, ziek, ach! zeer ziek! ginds boven in de nieuwe kamer, in haar wit bedje!"--Daar, in den tuin! en voor de deur weenende, wischte ik de tranen uit mijne oogen; ik greep hare hand en stak er het ringetje aan. "Gaat het u zoo niet beter, mijn liefje?" "Ha! zal uw hart u nu niet genezen?"
De vele in die verzen telkens voorkomende diminutiva zijn bij de Letten bijzonder in trek. Deze weekelijke, eenigzins vervrouwelijkte menschen, die, zooals ik boven reeds opmerkte, ook in hunne huishouding, zooveel Lilliputachtigs hebben, bij wie alles, gedachtengang, gezichtskring, phantasie en gevoel om zoo te zeggen van kleinen stijl is, die van alles hier op Aarde slechts een klein weinig bezitten, bij wie ook in natuur en land alles zoo armoedig en niets in overvloed is, die ook naar hun bedeesden aard, zoo gaarne vleien en liefkoozen, zijn de grootste vrienden van verkleiningswoordjes. Zij hebben eene menigte aanhangsels in hunne taal ontwikkeld, om verkleinings-vormen te maken en zij verkleinen daarmede alles: zelfstandige naamwoorden, werkwoorden, bijvoegelijke naamwoorden en bijwoorden.--Als men hen hoort spreken, is het, of zij alles door een verkleinglas bezien. Zij verkleinen zelfs nog die woorden, die reeds uit en op zich zelve iets kleins aanduiden, en hunne bedelaars b.v. bidden niet, om "een stuk brood" maar om "een klein stukje broodje." Zij verkleinen ook nog weder de verkleinwoorden zelf, en hebben zooveel dubbel-verkleinwoorden, als men moeielijk in eene andere taal zal aantreffen. Zoo b.v. beteekent "_Matte_" bij hen "moeder", en daarvan maken zij door verschillende aanhangels de verkleinwoorden: "_Mahtite_", "_Mahminja_" (moedertje) en "_Mahmulite_" (klein moedertje). Van dit laatste vormen zij weder het uiterst vleiende drievoudige verkleinwoord "Mahmulinga" (heel klein moedertje). Hetzelfde is ook het geval met "_Meita_", "_Meitscha_" en "_Meitschinga_" (meid, meisje en klein meisje).
Dit nu over de verkleinwoorden der Letten. Ik keer tot de "Dainos" terug. Ik sprak boven over het verdriet der Lettische bruid bij het afscheid van haar ouderlijk huis. Dit thema is door hen natuurlijk in vele roerende verzen behandeld. Als proeve daarvan diene het volgende:
Waarom toeft gij meisje! hier zoo alleen? Waarom 't hoofdje in de hand, schatjelief! spreek? Zijt ge niet prettig gestemd of tevreên? Is ook uw hartje soms ietwat van streek? 'k Ben zeer vrolijk en tevreên bovendien, Ook mijn hartje is kalm en vol van de vreugd! Maar toch kan ik wel eens bedrukt om mij zien, Want heden toch eindigt mijn jeugd. O! mijn kransjelief! schoone bruidskrans! Steeds zal 'k U bewaren zorgvuldig en goed. Leef wel, moederlief! 'k neem afscheid thans, Vaartwel, broeders, zusters, 't ga U allen goed!
In de volgende verzen wordt de smart der bruid nog onbestemder, algemeener en daardoor nog poëtischer uitgedrukt:
Wat huilt de wind, wat zucht het woud! Wat zwaait de lelie op en neêr! Doch de wind, zij huilt noch loeit in 't woud Noch zwaait de lelie op en neêr! De teedere maagd, het meisje weent, Haar bruidskrans slingert heen en weer. Hebt ge over uw moeder geweend? Of treurt ge om uw zuster zoozeer? Of kindlief, betreurt g'uw maagdelijken tijd? Ik beween mijn goede moeder niet, En betreur mijn lieve zuster niet, Maar ik beween, betreur mijn maagdelijken tijd!--
In tallooze verzen van dit soort en met menigerlei variatie, mengen zich de snaren treurende onder het vroolijke huwelijksfeest. In de ziel van dit altijd zoo ongelukkige volk, dat altijd zoo'n hard lot te verduren had, wortelt een diep melancholisch element. Hunne halve literatuur bestaat uit zoogenaamde "_Raudas_" of klaagliederen, afscheidsliederen, grafgezangen en in verzen gebrachte verzuchtingen. Zij schijnen zich zoo recht te goed te doen in de poëtische beschouwing der weemoedige en smartelijke zijden en gebeurtenissen van het leven.
In de aan hunne afgestorvenen gewijde verzen, zijn zij gewoon deze complimenteus aan te spreken en hun vele verwijtingen te doen, dat zij de hunnen in den steek gelaten hebben.
Waarom gestorven, moedertjelief? Hadt ge geen levend dochtertje meer? Waarom vertrokken, moedertjelief? Was mijn verpleging niet zorgzaam en teêr? Sta op! sta op toch! moedertjelief! Ik zal uw graf van zijn zoden ontdoen.
En dan ontwaken de dooden uit het graf en trachten de achtergeblevenen te troosten:
Wie beweent mij boven op aarde? Wie knielt op mijn grafheuvel neêr? Dochterlief! ga naar huis, mijn waarde! Waar een ander' moeder toch weêr, 't Haar van uw hoofd zal opmaken willen, Waar een jongling zal spreken van liefde, En daarmêe uw tranen zal stillen.
Tot eene zeer rijke verzameling treurdichtcn onder de Letten heeft voornamelijk eene nu regelmatig van tijd tot tijd terugkeerende ramp, de Russische recruten-lichting, aanleiding gegeven. Ofschoon zij zich, zooals reeds opgemerkt is, in geval van nood en wanneer het hun vaderland gold, dapper genoeg geweerd hebben, zoo is toch dit herders- en landbouwersvolk, van nature en uit eigen beweging, zeer weinig oorlogzuchtig en ondernemend. Zij hebben, zooals reeds ter loops aangemerkt is, zelfs geene overleveringen van vroegere helden. Hunne poëzie is zoo weinig heroïsch, zoo zuiver idyllisch als die der Arkadische herders. Als natuurkinderen, zonder eenigen zin voor politiek, zijn deze geheel onstaatkundige menschen aan den zeer beperkten kring van hunne geboorteplaats en hunne familie gehecht. Wanneer derhalve de Russische werver zijne trom roert, om de landskinderen onder de keizerlijke vanen te verzamelen en hen de wijde wereld in te voeren, dan rilt, om zoo te zeggen, het geheele land. Het geheele volk baadt in tranen, en overal hebben de treffendste en hartroerendste tooneelen plaats, welke hij, die ze eens zag, nimmer weder vergeet.
Het einde der treurliederen bij het afscheid van de tegen hun zin ten oorlog trekkende jongelingen, is gewoonlijk, dat de zusters klagende naar den tuin gaan, om den hoed van hunnen broeder voor het laatst met bloemen te versieren. Terwijl zij dien tooien, vragen zij hem weenend: wanneer hij terugkomen wil? en de wanhopende broeder antwoordt haar in troostelooze beelden: _dan_ zal hij terugkeeren,--als de palen der omheining bloeien,--als de steenen verrotten--als de keien op het water drijven--en als de veeren naar den bodem van het water zullen zinken. Hij neemt dus afscheid voor eeuwig.
Als proeve van een dergelijk lied, moge den lezer het volgende dienen, waarvan echter het beloop eenigzins anders is, waarin de zusters het lot van den broeder profetisch vooruitzien, en al het verschrikkelijke van den slag, als zagen zij alles in een droombeeld, uitschilderen. Ik moet nog opmerken, dat de in dit vers voorkomende "mees" dikwijls de profetische vogel der Letten is.
Klagend klinkt der meezen gefluit, Dicht onder 't raam van den broeder: Zuslief! ga en hoor toch eens uit Wat zij wel zegt van dien broeder?-- Dit liedje zingt het meesje ons voor: Ten oorlog moet de broeder gaan!-- O! zuslief! pluk dan bloemen, hoor! Steek die op broeders hoed, vooraan.-- Zingend, maar ook weenend, smeekt hij: Zuslief! wil niet droevig wezen! Mij zult gij weerzien goed en blij. Mocht uw wachten vruchtloos wezen, 't Paardje zult gij wederzien! Het paardje komt, helaas! wel weer, Maar broeder is er niet te zien. Toen het teruggekeerd was, weer Met stof bedekt zeer bovenmate, Vroeg ik het paardje vleijend af: Waar hebt ge uw ruiter nu gelaten? Ginder ligt de ruiter in 't graf, Waar men niets dan bloed zag stroomen, Waar de beenderen bruggen maken, Waar gelijk gevelde boomen, Vele lijken hopen maken.--
Ook de dagelijksche taal der Letten is vol klagende tusschenvoegsels, zuchten en jammerkreten, rijk aan uitdrukkingen voor ellende, zorg, verdriet, weemoed, kommer en gebrek, zoomede aan woorden om verzoeken en smeekbeden uit te drukken. Daar zij altijd een treurig nationaal-lot hadden, daar zij ten allen tijde vreemde gestrenge Heeren boven zich zagen, wier genade en medelijden zij afsmeeken moesten, zoo is onder anderen het gezegde: "Erbarm u!" bij hen stereotiep geworden, en wordt het zelfs daar gebruikt, waar van medelijden volstrekt geen sprake is, en waar anderen eene andere uitdrukking zouden gebruiken. Zij zeggen b.v. "Erbarm u! wat regent het van daag!" of ook "Erbarm u! gij zoudt iemand zich dood doen lachen!"
Ja zelfs de zoogenaamde jubelliederen der Letten, die vreugde moeten uitdrukken, zijn door min of meer melancholieke melodiën vergezeld, die als treurmuziek klinken. In de heldere zomernachten, omstreeks St. Johannes, wanneer op alle heuvels en aan de oevers van alle rivieren, de zingende maagdenscharen zitten; wanneer de herders al zingende het vee naar de weiden drijven; wanneer de paardenhoeders, zich tegen middernacht, rondom hunne wachtvuren, zingende aan den zoom van het woud verzamelen, dan klinken deze murmelende melodiën over het geheele landschap heen, even als in het land der Kozakken het klaaggeschreeuw der krekels en kikvorschen, en de geheele landstreek schijnt dan hem, die dit geneurie--onbewust, dat het hier eene uitdrukking van vreugde is--hoort, als gehuld in een somber treurwaas van muzikale klaagtoonen.
Zekerlijk mag men dit alles slechts over het geheel en in het algemeen aannemen. Ik geef hier natuurlijk slechts den _grondtoon_, die in het geheel merkbaar is, en de meest in het oog vallende kleur aan. Want geen een volk is zoo door God en de natuur verlaten, dat hem geheel alle vroolijkheid van gemoed ontbreekt. Tusschen hun nachtelijk geneurie heen, hoort men somwijlen zeer vroolijke, zeer aangename en zeer bekoorlijke wijzen en melodiën, die echter--vreemd genoeg--nog niemand op noten gebracht heeft. Ook in hunne spreekwoorden en in hunne puntdichten, waarvan zij er zoovele bezitten, toonen de Letten genoeg, dat het hunnen geest niet aan kernachtigheid, hun verstand niet aan scherpte en Attisch zout ontbreekt.
Zij merken de zwakheden, ondeugden en belachelijkheden hunner medemenschen zeer duidelijk op; bezitten even als alle onderdrukten, zooals b.v. ook de Joden, eene besliste neiging tot satirieke bonmots, tot het bespotten en uitlachen van anderen, en zijn daarbij uiterst vindingrijk, zinrijk, somwijlen zeer bijtend. In het volgende vers b.v. bespot een Lettisch meisje een jongen man, die haren vader beleedigde, op pikante, lakonieke en treffende wijze:
Met de stoute achterpootjes Sloeg een haasjen eens mijn vader, Gaarne had ik hem gewroken, Maar--door 't lachen ging het niet.
Vele hunner spreekwoorden zijn ook vol scherpe en bijtende satire en zijn even vele bewijzen eener gezonde levens-philosophie. Uit honderden, die voor de hand liggen, neem ik slechts enkele:
"Laat den duivel maar eerst in de kerk, dadelijk wil hij ook den kansel bestijgen," luidt een hunner, dat de brutaliteit van een Mephistopheles, die in dienst van de hel zich zelfs vermeet Gods woord te prediken, zeer treffend aangeeft.--Een eenvoudigen sukkel zonder eenige ondervinding kan men moeielijk beter uitduiden, dan in de volgende spreekwoordelijke uitdrukking der Letten geschiedt: "de goede man schijnt in eene ton grootgebracht en door het spongat gespijsd te zijn."--In eene andere spreekwijze drukken zij zeer naïef en duidelijk ons "schoenmaker blijf bij uw leest," uit. Zij zeggen: "het schaap wenscht zich hoorns, maar het hert geeft ze hem niet."--Het Lettische "met een gouden hengel visschen" herinnert ons aan het Duitsche "met een zilveren spinnewiel spinnen."--Dat men den duivel niet op den muur uitteekenen moet, leeren zij in de volgende spreuk: "roep den wolf maar, en hij is er al." Ons "van den regen in den drup," is bij hen niet minder veelbeteekenend en eigenaardig uitgedrukt in: "hij vluchtte voor den wolf en liep den beer in den muil."
Het Duitsche: "schrijf de schuld in den schoorsteen" heet bij hen: "dat betale de spade" (namelijk de grafspade, de dood). Vergelijkt Salomo de spraak bij een tweesnijdend zwaard, de Letten zeggen van haar: "de tong hakt om zich heen als eene bijl, de tong hangt op als een strik."--Hem, die eene oude verbintenis lichtvaardig breken wil, waarschuwen zij met het zeer begrijpelijke en uit het dagelijksch leven gegrepene beeld: "afgesneden brood plakt gij moeielijk weder aan een." Niet weinig pikant zijn nog de volgende spreekwijzen der Letten:
"Toon hem uw open hart, hij zal u den rug toonen," (van iemand, die zijn hart bij een hardvochtig mensch uitstort).
"Vraag den wolf om het lam," (bij een vergeefsch verzoek, dat men tot een onbarmhartig mensch richt).
"Hij zoekt het paard, waarop hij rijdt," (van een ontevredene, die zijn geluk miskent).
"Daar blijft de goudberg der rijken, daar blijft de bedelzak der armen," zeggen zij van het alles gelijkmakende graf.
Bestudeert men dezen door de Litauers en Letten in woorden gebrachten schat van levenswijsheid,--beschouwt men het fijne, dat hunne taal aanbiedt, fijnheden, die niet anders dan de uitdrukking van een even fijnen volks-geest kunnen zijn, overweegt men de vele echt dichterlijke gedachten in hunne liederen en "Dainos," die echter als _membra disjecta_, (verstrooide ledematen) als verstrooide steenen over het land verspreid liggen--ontdekt men ook de talrijke talenten en gaven, wier kiemen duidelijk bij deze menschen zichtbaar zijn, hunnen in kleinigheden zoo vindingrijken geest, hun buigzaam wezen, dat zoo gemakkelijk het een of ander opneemt, dan mag men zich wel met recht afvragen, hoe het toch gekomen is, dat bij dit volk zulk een aanleg nooit tot een krachtige ontwikkeling gekomen is, dat die _membra disjecta_ nooit tot een samenhangend geheel vereenigd geworden zijn.--Vele hunner lessen van wijsheid zijn een Uilenspiegel of een Esopus, ja zelfs een Sokrates niet onwaardig. Verscheidene hunner dichterlijke beelden en uitdrukkingen zijn zoo treffend en dichterlijk, dat geen Ovidius of Tibullus zich hun gebruik had behoeven te schamen. Meer dan één groot dichter schijnt om zoo te zeggen in deze geheele massa opgelost voorhanden, even als de parel in den beker van Cleopatra. En toch is nooit, noch een Shakespeare, noch een Goethe, noch een Tibullus of een Ovidius bij hen uit die massa geconcentreerd en nedergeslagen geworden. Bij de Duitschers vindt men nu eens een paar millioen prosaïsche boersche zielen, en dan weder een Uhland of een Schiller als een Blocksberg in de vlakte. Bij de Letten schijnt het dichterlijk bloed overal verspreid, bijna ieder heeft er min of meer talent voor, maar men treft er geene boven allen uitmuntende, geene opzien barende geniën. Het is alles als van een gereten en verbrokkeld. Een jachtsneeuw van vlokken en toch geen gletscher. Het is een uitgebreid veld met kleine boschjes, waarin de vinken slaan. Nergens echter verheffen zich hooge boomen waarin adelaars nestelen.
De Koerlandsche, Lijflandsche en Poolsche heeren zijn, in hunne dagelijksche gesprekken, altijd vol aardige anekdoten over hunne Litauische en Lettische boeren; vertellen veel van schrandere invallen en scherpzinnige opmerkingen, die deze gemaakt hebben; van de vindingrijke wijze en kunstgrepen, waarmede zij zich spoedig uit de verlegenheid geholpen hebben, en waarbij onze boeren om zoo te zeggen, de handen en voeten in den weg zouden staan; van roerende trekken, waarin zij de grootste aanhankelijkheid, trouw en liefde en andere schoone eigenschappen van hun hart openbaarden. Ja, menig bewonderaar van het Lettendom is tot de conclusie gekomen, dat dit volk door de natuur tot de ontwikkeling der heerlijkste humaniteit en beschaving bestemd schijnt geweest te zijn. Dit neemt echter niet weg, dat trots deze veelzijdige begaafdheid, die hoogere humaniteit en beschaving bij hen nooit doorgebroken of tot uitbotting gekomen is. Het volk is altijd in Europa een obscuur en laag, zwak, rank gewas gebleven.