Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 28

Chapter 283,647 wordsPublic domain

Even als in het eigenlijke Litauen, _vele_ in dat land te huis behoorende geslachten in het Polendom opgingen, zoo zijn in het Letten-land, dat is in Koer- en Lijfland, ten minste menigen in het Duitschdom opgegaan. Het Duitsch sprekende burgerlijke gedeelte der bevolking van de steden dezer Lettische landstreek, is gedeeltelijk van Lettische afkomst. Ja! ook onder den Lijflandschen adel, wiens voorouders anders meestal in Westphalen, in het Bremensche en andere streken van Noord-Duitschland gezocht moeten worden, bevinden zich eenige oorspronkelijk inheemsche geslachten. Zoo b.v. zouden de Vorsten Liesen van een Lettischen aanvoerder "Kaupo" afstammen.

Alleen de oorspronkelijke plattelandsbevolking in de genoemde streken is de oorspronkelijke taal en gewoonten van den stam onveranderd trouw gebleven, en leeft nog, ofschoon zij in strenge afhankelijkheid gehouden wordt, en van den eenen kant met het Duitsch overtrokken, aan de andere zijde door Poolsche en Russische nationale elementen overdekt is, een geheel eigenaardig en in Indië zijn wortel hebbend leven; niet ongelijk aan dat der bijen, spinnen en andere dieren van lagere orde, die onder eene op haar nedergestorte rots, hun leven leiden. Trots het bij hen ingevoerde christendom, vindt men in hunne zeden en gebruiken nog veel heidensch. Ook hierin herinneren de Litauers en Letten aan Indië. Even als de Hindoe's, hebben zij altijd onder vreemde opperheerschappij gestaan, en toch even als deze, ten minsten in de lagere volksklassen, aan hunne zeden en hun voorvaderlijk geloof, met eene hardnekkige taaiheid eeuwen lang vastgehouden, ofschoon zij wederom geene geestkracht bezaten, en het hun daardoor ook nooit gelukte, hun nationaal-type ook op eenige andere natie te drukken. Ten gevolge van dit gebrek aan énergie, hadden ook de hoogere klassen der Litauers, en hunne Vorsten en hun hof, reeds gedurende, den tijd der staatkundige grootheid van hun stam, Russische taal en zeden aangenomen, die zij later weder tegen de Poolsche omruilden.

Ofschoon zij in Litauen zelf den Katholieken godsdienst, in Pruissen, Koer- en Lijfland echter het protestantisme omhelsden, en ofschoon onder hen zelven menige stam-verscheidenheid en tallooze variaties in tongval, kleeding en gebruiken bestaan, zoo zijn toch nog heden ten dage alle opmerkingen, die men over hen gemaakt heeft, zoowel over de Litauers, die voor de poorten van Koningsbergen wonen, als over die aan den Duna en aan het Peipus-meer, alsook over die bij Wilna en aan den Niemen, zoo bijzonder overeenstemmend, dat men wel inziet, dat men overal splinters van hetzelfde blok, een en dezelfde nationaliteit voor oogen heeft.

De nuancen hunner taal zijn niet grooter, dan die onder de verscheidene Duitsche dialekten. Hunne poëzie heeft overal een gelijksoortig gronddenkbeeld, behandelt gelijksoortige onderwerpen op gelijksoortige wijze, en Duitsche letterkundigen, die hunne tradities in Gumbinnen in Oost-Pruissen opzamelden, stieten op letterlijk dezelfde verdichtingen en sagen, ja dikwijls op letterlijk dezelfde verzen, uitdrukkingen en gedachten, als de Russische literatoren, die aan het meer Peipus dergelijke Lettische of Litauische bloemlezingen vervaardigden.

In hunne kleeding, ofschoon deze dikwijls in kleinigheden bijna in iedere landstreek verschilt, hebben zij toch in de hoofdzaak overal dezelfde voorliefde voor zekere kleuren en vormen, denzelfden nationalen smaak en snit, die van dien der Russen, Polen, Finnen en Duitschers merkelijk afwijkt. In de wijze waarop zij hunne huizen bouwen, hunne gereedschappen vervaardigen, is overal een gelijksoortige stijl, welke van dien der Russen en andere naburen zoo zeer afwijkt, dat men b.v. met een enkelen oogopslag, een Russisch huis of dorp van een Lettisch of Litauisch onderscheiden kan. Ditzelfde valt omtrent hunne gebruiken en gewoonten bij bruiloften, begrafenissen en andere gebeurtenissen in het leven op te merken.

Wat hun lichamelijk voorkomen aangaat, verschijnen de Litauers en Letten als een goedgevormd slag van menschen. Zij zijn over het geheel genomen grooter dan hunne naburen de Finnen, en men vindt vele lange, hooge gestalten onder hen. Hun gelaat draagt schier geene sporen van het Mongoolsche type, dat bij de Russen zoo duidelijk spreekt. Ook bezitten zij niet die vlugheid en lenigheid, die den Russen en anderen Slawen eigen is. Hunne vrouwen bezitten in den regel, een frissche vroolijke gelaatskleur en eene zachte liefelijke schoonheid. Naar hun geheelen lichaamsbouw is men eerder genegen de Letten tot de Germanen, dan tot de Slawen te rekenen.

In hunne kleeding zijn ze vermoedelijk even ouderwetsch als, naar hetgeen hierboven vermeld is, in hunne taal. Wat de Duitsche kroniekschrijvers, voor 500 jaren, over de kleeding der oude Litauische Pruissen mededeelden, geldt nog heden ten dage van hen. Dit is trouwens zeer natuurlijk bij een volk, dat op het gebied van kleeding geene kunstenaars bezit, bij hetwelk niet alleen het winnen en de eerste toebereiding der stof, maar ook hare fatsoeneering en vervaardiging eene familie-aangelegenheid is; waar de dochter des huizes zingende, als Penelope het weeftouw in beweging brengen, en de vrouwen zelve, evenals de echtgenoote van Odijsseus, die fraaie kleederen vervaardigen, de broeders en vaders eigenhandig de pelzen bereiden, en de knapen hunne schoenen zelf snijden en maken. Konden wij maar onze kleermakers afschaffen, en wilden onze zusters, dochters en vrouwen voor ons weder spinnen, weven en naaien, dan zouden wij ook weldra een vast nationaal kostuum hebben.

Men heeft bij de naakte, wilde natiën opgemerkt, dat die, welke zich bijzonder prachtig tatoueeren, gewoonlijk ook een trotschen en koenen geest hebben. Bij de van kleeding voorziene volken, kan met betrekking tot hunne kleedij eene dergelijke opmerking gemaakt worden. De moedige Hongaren, de ondernemende Russen, de levendige Polen, hebben allen een zeer opgeruimd en schitterend nationaal kostuum. De nationale kleederdracht van het "_pacatum genus_" der Litauers en Letten, heeft, zoo oud zij is, niets bijzonder in het oog vallends, niets elegants of zwierigs in kleur en snit. Hunne lievelingskleur is nu nog, evenals in de heidensche oudheid, wit en lichtgrijs. Niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen kleeden zich meestal met flauwe kleuren. Zij vormen daarin een groot contrast met de levendige Russen, die in den regel veel van bonte kleuren houden, en zelfs liever groene en roode dan witte hemden dragen. Dit gemis aan scherpte, dit gebrek aan kleuren, schijnt eene weerkaatsing te zijn van den lauwen, weekelijken, weinig levendigen en weinig hartstochtelijken zin der Letten. Als iets van het vúúr, dat zijne naburen bezitten, hem éigen was, dan zou hij daarvan wel iets in de kleur en de manier van kleederdracht toonen, evenals de tijger dat in zijne gevlekte huid doet.

In de vervaardiging van hun schoeisel zijn zij niet meer vooruitgegaan, dan de Indianen van Canada; het bestaat gewoonlijk slechts uit een zacht stuk leder, dat door eene lis om den voet vastgesnoerd wordt, of ook wel uit een vlechtsel van linden- en wilgen-bast, dat zij "_passeln_" noemen. Met lichten tred loopen zij daarmede over de moerassen van hun land heen, waarin de zwaar gelaarsde Pool of Duitscher dikwijls zou blijven steken. Daarentegen zorgen zij meer voor eene stevige bedekking der hand, dan zij zulks voor den voet doen, en men zal moeielijk een volk op aarde aantreffen, waar de handschoen eene zoo groote rol speelt dan bij de, _in dit opzicht_ zeer bijzondere, Letten en Litauers. De herdersknapen, die achter de ossen en paarden loopen, de houthakker in het bosch, ja, zelfs de staljongen, zijn allen altijd "_bien ganté_." Waar zich de eene Lette aan een anderen verhuurt, daar wordt telkens het aantal der te leveren handschoenen vastgesteld, vier paar 's jaars voor den ganzenhoeder, acht paar voor den eersten knecht enz. Handschoenen zijn dientengevolge bij hen ook vaste feestgeschenken geworden. Zoo worden zij den gasten als een geschenk, als eene ridderorde, aan den jas vastgespeld, gewoonlijk tegelijkertijd met een eveneens ruim versierden, met rood garen omzoomden handdoek, het symbool der zindelijkheid. Eene bruid moet voor haren huwelijksdag wel eenige honderd paar handschoenen en handdoeken gereed hebben.

In hunne _woningen_ zijn zij vermoedelijk niet minder primitief dan in hunne kleeding. Boven is reeds opgemerkt, dat, bij de schrijvers der ouden, eenige aanduidingen over hunne gebouwen voorkomen, die nog heden geldig zijn. Zij huizen gewoonlijk in op zich zelf staande, verstrooide boerderijen. Want de weinige lust tot gezelligheid dezer menschen, liet hun niet eens tot het vormen van dorpen en dorps-gemeenten geraken, zooals die bij de Russen en bij alle Slawen van oudsher schijnen bestaan te hebben.

Ver van de sloten en lusthoven, die de Poolsche, Russische en Duitsche edellieden bij hen gebouwd hebben, ter zijde van de wegen, die de vreemde veroveraars aanlegden, daar, waar de wegen en paden van het land, slechts aan de in het mos nauw zichtbare sporen van wagens en paardenhoeven, te herkennen zijn, en zich in de bosschen en moerassen verliezen, daar begint het eigenlijke vaderland der landskinderen, daar liggen hunne kleine, onaanzienlijke landhoeven, beschut door eenige oude eiken of berken, of in plaats van door vruchtboomen, door hooge pijnboomen omgeven.--Even als overal in het Noorden, ook bij de Russen en Zweden, zijn hunne huizen uit over elkander liggende en in elkander ingelatene balken gebouwd, maar zij zijn weder geheel anders geconstrueerd dan deze.

Al de gebouwen der boerderijen liggen in een cirkel, waarbinnen zich eene ronde binnenplaats bevindt. Alles is even eenvoudig, even klein, met stroo gedekt, naar buiten zonder eenige versiering en zonder vensters, maar ook van binnen zijn er deze slechts weinige. Het geheel ziet er uit, als een kleine houten burgt voor bange menschen, die zich tegen de ruwheid van het klimaat (en der menschen?), evenals de slakken zoo diep mogelijk in hunne woning verbergen. Langs een smallen, hobbeligen weg, aan weerszijden met hooge heggen beplant, komt men tot de uit balken in elkander geslagen deur der boerderij. Daar binnen ziet het er bont genoeg uit, en alles is, evenals bij de Lilliputters, zeer in het klein.

Het gebouw bestaat uit eene menigte kleine afdeelingen, kamertjes en hokken. Daar is het gemeenschappelijke woonhuisje, dat door een paar vensters wat in het oog valt; daaraan sluit een ander huisje "_Kleete_" genaamd, voor de kleederen, het lijnwaad, den voorraad boter, vlas en koren van den huisheer; een andere "_Kleete_" voor het huisraad van den knecht, een derde voor de meiden; dan is er nog een klein schuurtje voor de sleden en wagentjes, voor de lompe ploegen en landbouw-gereedschappen; een afzonderlijk huisje, dat wij het best met een duiventil kunnen vergelijken, voor het droogen van kaas; vervolgens nog een koren-droogoven, eene zoogenaamde "_rige_" voor het droogen en het dorschen van het koren; gewoonlijk ook nog een vertrek voor stoombaden in de koude winters, zooals men die bij de Finnen en Russen aantreft, en somwijlen ook een ijskelder voor den heeten zomer. Bovendien nog eene massa andere kamertjes en hokjes, die zich naast elkaar bevinden als de kajuiten in een schip; een stalletje voor de schapen, een ander voor de kleine, magere, meest horenlooze koeien, en wederom andere voor de even kleine en ongelooflijk geplaagde en daarbij duurzame paarden; een afzonderlijk stalletje voor het rijpaard van den huisvader, een ander voor de paarden van den knecht, en nog een ander voor andere paarden, want de paarden en het rijden, zoo te paard als in een rijtuig, speelt bij deze menschen nog eene even groote rol, als waren zij pas van Azië naar Europa heengereden. Naar hun werk op het veld gaan zij òf te paard, òf in rijtuigen en sleden; naar de kerk gaan alleen zij die er het dichtst bij wonen te voet, de meesten echter te paard of op wagens. Wanneer hier of daar eene boodschap moet gedaan worden, zetten zich de knapen, en ook de meisjes die hier bijna evenveel rijden als de mannen, in den zadel, en rijden daarheen waar wij, die veel van te voetgaan houden--reeds Tacitus duidt ons als voetgangers aan--als Merkurius, de sandalen of waterlaarzen zouden aantrekken. Schuifkarren, draagkorven, handwagens, en dergelijke Duitsche uitvindingen, komen in de huishouding der Letten niet voor, terwijl men bij de Duitschers, de menschen met kruiwagens en draagkorven dikwijls verre reizen maken, en als het ware geheele winkels op hun rug dragen ziet.

De Letten transporteeren zelfs de kleine hoeveelheden melk, die hunne magere koeien geven, het pondje boter, het hoopje vlas, het bundeltje hout, dat zij als "houtdieven" uit het bosch van hunnen heer haalden, op den wagen, en om een paar hazen naar de markt te brengen, spannen zij twee hunner paardjes in. Vroeger--zoo gaat de sage onder dit volk--waren de menschen veel grooter, waren het ware reuzen en daarbij verschrikkelijk sterk, en "zij torschten zulke zware lasten, als men nu nauwelijks durft te zeggen". Later echter werden de menschen van jaar tot jaar zwakker en "wij zullen nog zoover komen, dat wij in dwergen veranderen en met ons zevenen aan een stroohalm moeten trekken". Dergelijke sagen treft men, wel is waar, ook wel bij andere volken aan, maar bij de tegenwoordige Letten komen zij recht te pas en schijnen zij reeds half in vervulling gekomen te zijn.

Ook hunne dooden _dragen_ zij niet als wij ten grave, zij zetten ze op een met paarden bespannen slede, en rijden zoo met den doode in snellen draf over de sneeuwvlakte en door de wouden naar het kerkhof heen. Treurende mannen en vrouwen jagen er te paard, onder het prevelen van klaagliederen, achter aan. Veelvuldig en bij allerlei gelegenheden ziet men dus karavanen sleden en wagens door het land trekken, en bereden mannen, knapen en vrouwen over de velden jagen. En dit is niet alleen van toepassing op Koer- en Lijfland en op de Russische Litauers, maar dergelijke tooneelen en zeden neemt men ook in Oost-Pruissen waar.

Even als het paard onder de dieren, zoo speelt de berk onder de boomen de voornaamste rol in de huishouding en den landbouw der Litauers en Letten. Hunne tafels, hunne kroezen, emmers, vaten, kortom het grootste gedeelte hunner gereedschappen zijn vervaardigd van het taaie berkenhout, dat zich zoo fraai en gemakkelijk op de draai- en schaafbank laat bewerken. Hunne sleden loopen over lijsten van berkenhout, de velgen der raderen zijn van hetzelfde hout vervaardigd. Aan de elastieke berkentakken worden ook de schommelende kinderwiegen opgehangen.

De schors en de bast van den berkenboom zijn zeer taai en laten het water niet door. Zij nemen daarom dikwijls de plaats van het leder in, korven, goten, flesschen en drinknappen worden er van gemaakt. En bij het vervaardigen van daken op de huizen, wordt de schors der berken in even groote hoeveelheden verbruikt, als bij de Indianen van Noord-Amerika. Ook bevat zij die krachtige looistof, die het Noordsche juchtleder zijne beroemde eigenschappen geeft. De ziekelijke uitwassen van den berk, zijne zwammen, knoesten en de verharde vlechtingen zijner plantenvezels dienen dikwijls de industrie van het land. Tonder, kurken, sleutels en verscheidene andere kleinigheden worden er uit vervaardigd. De lentesap uit den berk, wordt ook wel bij ons uit den boom gehaald, maar meer slechts uit aardigheid. Bij deze Noordlanders echter word de zaak ernstiger behandeld. Want in de lente is het zoetachtige berkenwater niet alleen hun gewone drank, maar zij vervaardigen er ook hunnen azijn van, en weten het ook weder hier en daar tot eene stroop te verdikken, die hun tot suiker dient. In Maart of April, als de sappen uit de wortelen opstijgen, worden in alle krachtige berkenboomen gaten geboord, en met groote emmers, vaten en bakken begeven de meisjes en knapen zich naar het bosch om het begeerde vocht naar hunne voorraadkamers te halen. Zij hebben het daarmede even druk als de wijngaardeniers bij den druivenoogst. Door het bijvoegen van kruiden weten zij het berkensap een tijdlang goed te houden, en tegen Paschen en Pinksteren hebben dan de armen, wien mede of bier te kostbaar is, geen anderen feestdrank dan dezen palmwijn van het Noorden.

De berk gaat, om zoo te zeggen met bloed en been, in de huishouding dezer Noordsche volken over. Uit de vette wortelen van den boom winnen zij hun teer,--zijne eerste, jonge, eenigzins bitter smakende knoppen verzamelen zij, om met hun heilzaam planten-aroma de ledematen hunner jichtigen te versterken,--uit de frissche, licht groene, juist ontvouwde bladeren bereiden zij eene fraaie, gele verf,--en in den herfst verzamelen zij weder de drooge bladeren van dezen boom, om hunne divans of althans hunne bedkussens er mede te vullen.

Bovendien is de berk het voornaamste sieraad van een Lettisch landschap. Hij omzoomt als een dunner voorhout overal de dichte dennenbosschen, en is de meest voorkomende boom in de tuinen van het Noorden, waar men haar gaarne kweekt, omdat zij in de lente het eerste gewas is, dat tot het nieuwe leven ontwaakt, en reeds spoedig na het smelten der sneeuw met zijn liefelijken, frischgroenen bladerensluier getooid, daar staat. Ook in den herfst nog, voor de bladeren geheel verbleeken en wegwaaien, verheugt zijn loof het oog door zijne violette-, weerschijnende-, bruinroode-, goudgele kleuren. Even als de berk in den tuin de boom der vreugde is, zoo is hij als treurberk op de Noordsche graven, de met de menschen sympathiseerende boom van den rouw.--Hier en daar vormen de berken op zich zelf staande groote, vroolijke bosschen, door de Letten "_Behrsen_" genoemd, waar een Ruysdael de liefelijkste gezichten voor zijne schilderijen zou kunnen vinden. Zij hebben dikwijls veel van door de natuur aangelegde parken. Deze "_behrsen_" zijn de geliefkoosde schuilplaatsen voor de talrijke zangvogels van het land, die zich in de donkere eeuwenoude wouden niet wagen. In hen huist de berkhaan en dikwijls ook de ree en het reuzenhert van het Noorden, de eland, die gaarne het jonge loof van den boom afknauwt.--De Letten zelven houden niet minder van hunne "behrsen". In hunne liederen bezingen zij dikwijls den lof der berkenbosschen, die in de lente en in den zomer op zon- en feestdagen hunne gewone plaatsen zijn, waarin zij zich vermaken, dansen, en waar zij ook aan de boomen hunne schommels hangen. Voor deze schommels, die in het voorjaar even regelmatig als de bladeren zelve, in de Noordsche berkenbosschen verschijnen, hebben de Letten eene even groote voorliefde als de Russen. Als er niets te doen is, dan brengen de meisjes, gedurende de heldere zomernachten, er uren lang zingende en tusschen de boomen op- en nederzwevende, in door. Wellicht hebben hunne voorouders op gelijke wijze in de palmbosschen van Indië geschommeld.

Even als in alle bovengenoemde zaken, in hunne kleeding en hunne huiselijke inrichtingen, zoo hebben zij ook verder in hunne gewoonten, in hunne levensbeschouwingen, in hun bijgeloof, in hunne gebruiken bij begrafenissen, bruiloften en andere plechtigheden, veel overouds en zeer eigendommelijks.

Hunne gebruiken bij bruiloften vooral, worden door de eerste en oudste Duitsche schrijvers over het heidensche "Pruissen", in hoofdtrekken juist zoo beschreven, als men ze nog heden ten dage in Koerland en Litauen mede beleven en zien kan. Ik zal ze hier, als voorbeeld, wat meer in bijzonderheden mededeelen. De jonge dochters der Letten en Litauers beginnen reeds bij tijds, zich voor hun huwelijk, eene gebeurtenis die haar allen dreigt en waarnaar zij allen in stilte wenschen, voor te bereiden. In haar vrijen tijd, spinnen, naaien en weven zij vlijtig, en verschaffen zich in den loop der jaren een kleinen bruidschat van handschoenen, doeken en ander nuttig huisraad. Hoort nu een jonge, trouwlustige knaap van een vlijtig, zedig en niet zelden ook mooi meisje, heeft hij geinformeerd hoeveel ponden wol zij bijeengegaard, hoeveel warme sokken enz. zij klaar, hoeveel lammeren zij groot gebracht heeft, en voor alles, of daar ook een paar koeien bij zijn, en heeft hij zich vervolgens, nadat hij dit alles overwogen heeft, van de gevoelens zijner geliefde verzekerd, dan zendt hij eerst naar het huis zijner uitverkorene een bruidwerver, die onder allerlei ceremonieel met hoesten, kuchen en verlegene complimenten, eene toespraak tot den huisvader richt. Met veel omwegen vertelt hij vervolgens, dat hij voor een vriend een meisje, een goed vlijtig meisje noodig heeft om te spinnen, te weven, te bleeken, te wasschen, te breien en te naaien, te melken en te karnen. Hij heeft nog nergens de rechte kunnen vinden, hij gelooft echter in dit hoog geachte en zeer geroemde huis te moeten zijn. De huisvader of woordvoerder der bruid bedankt voor het vertrouwen en de eer, en stelt vervolgens den bruidwerver de meisjes van het huis voor. "Hier zijn meisjes genoeg, zoek de uwe en neem haar!"--Daar de ware, om wie het te doen is, maar die zich gewoonlijk even als Asschepoestertje beschaamd verscholen heeft, niet onder haar is, zoo prijst de bruidwerver allen, die hem voorgesteld zijn geworden. "Maar," zegt hij, "zij, naar wie ik verlang, is er niet bij." Hij heeft gehoord, dat er nog een teeder wezen in huis is, een ander lieftallig duifje, een vreedzaam lammetje, een vroolijke ree, een sierlijk betooverend kindje, en die bedoelt hij eigenlijk. Na vele verontschuldigingen, dat men niets van haar weet, en nog verscheidene dringende pogingen en bemoeiingen van den bruidwerver, wordt vervolgens de gezochte eindelijk, uit den eenen of anderen hoek, voor den dag gehaald. Ontdekt en overwonnen, treedt zij eindelijk bedeesd en beschaamd te voorschijn, en nadat zij het jawoord gegeven heeft, en nog eenige andere punten vastgesteld zijn, geven vervolgens alle partijen elkander de hand, en drinken zij elkander toe met een glas mede of brandewijn, waardoor het verdrag bezegeld wordt.

Eenigen tijd daarna, verschijnt de vrijer zelf op een bontgetooid paard, en legt zijn bezoek af, om de bekrachtiging te halen en te geven.--Staat eindelijk de bruiloft voor de deur, dan noodigt de bruid in persoon al hare verwanten daartoe uit en evenzoo de bruidegom de zijne. Tot de trouwplechtigheid komen beiden, door hunne beredene bloedverwanten omgeven, in twee afzonderlijke treinen aan, die elkander bij de kerk ontmoeten, en na de plechtigheid zich het eerst naar de woning der bruid begeven.

Het bruiloftshuis is met dennentakken, in den zomer ook met berkenloof en met allerlei phantastische sieraden, die veel overeenkomst met kroonlichten en kransen hebben, versierd. Dergelijke zaken weten zij uit gras en stroohalmen zeer sierlijk te vervaardigen, en roode, gele en witte bessen nemen daarbij de plaats in van edelgesteenten, glas-kristallen of bloemen, die men in het Lettenland niet aantreft. In het bruidshuis, treedt de bruidsjonker, waartoe een der vlugste knapen gekozen is, op, en houdt eene aanspraak tot haar, en vervolgens nemen de feesten en maaltijden een aanvang, iets wat niet zelden drie dagen en drie nachten duurt.