Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 27
De Russen en hun vaderland maken in groote mate eene wereld op zich zelve uit, en hangen deze hunne vaderlandsche wereld, met eene groote liefde en met patriotisme aan.--Zij noemen hun Moskovitisch vaderland, dat even goed in politieken en nationalen, als in godsdienstigen zin, eene zoo groote eenheid vormt als er geen tweede bestaat, het "heilige Rusland."--Zij beminnen dit heilige Rusland met al zijne eigenaardigheden, voordeelen en gebreken. Zij zijn zelfs verliefd op zijn klimaat, en zij hebben medelijden met de landen, waar niet evenals bij hen, sneeuw en winter aangetroffen worden. Even zoo zijn zij schier hartstochtelijk ingenomen met de grootheid en de onbeperkte heerschappij van hunnen Czaar, en zij gevoelen zich zelven groot in hunnen grootschen heerscher.--Eene constitutie, die de macht zijner Czaren beperkte, zou den echten Moskoviter een vermindering van zijn eigen gewicht toeschijnen.
En deze vaderlandsliefde, deze zucht in het vaderland te blijven, dit sterke nationale gevoel, doordringt in Rusland alle standen der maatschappij in zoo hooge mate, als men wel bij gelijke rechten bezittende Romeinsche burgers verwacht te vinden, maar als men bij den eersten blik op zulk een volk, bij zoo despotisch geregeerde onderdanen, zeer zelden zal aantreffen.
LITAUERS EN LETTEN.
Midden tusschen de Duitschers in het Westen, de Finsche stammen in het Noorden, de Slawische Polen in het Zuiden en de Russen in het Oosten, woont sedert overoude tijden in Europa een volkstam, dien men, naar den naam zijner beide meest bekende onderafdeelingen, den Litauischen of ook wel den Lettischen genoemd heeft. "Litwa" of "Ljetuwa" (Letland), schijnt wel de oude en inheemsche naam van hun land te zijn. Onder andere namen is waarschijnlijk land en volk, reeds in de vroegste eeuwen der geschiedenis, bekend geweest.
Nu bewonen deze Litauers en Letten het beneden-gebied der groote rivieren Duna en Niemen, langs de Oostzee het geheele schiereiland Koerland, een gedeelte van Oost-Pruissen tot dicht bij Koningsbergen, de zuidelijke helft van Lijfland, noordelijk tot bij Dorpat, bijna de geheele naar hen genoemde provincie Litauen, en een stukje van het Koningrijk Polen tusschen den Niemen en de Pruissische grenzen tot aan Augustowo. Het is een groot, met wouden, moerassen, heiden en zandvlakten, nu en dan door vruchtbare weiden afgewisseld, bedekt gebied, dat nagenoeg even groot is als het Koningrijk Hongarije en eene bevolking van iets meer dan drie millioen menschen telt.
De Litauers en Letten zijn, ofschoon zij van al hunne bovengenoemde naburen, waarmede zij dikwijls in oorlog of vrede zich vermengden, waardoor zij somwijlen beheerscht werden maar die zij ook af en toe beheerschten, veel in taal en zeden aangenomen hebben--toch een van hen zeer verschillend en zeer eigenaardig volk gebleven. Dat zij van Indo-Germaanschen oorsprong zijn, en dien ten gevolge met de Slawen, Grieken, Latijnen en Duitschers tot een en denzelfden grooten, oorspronkelijken stam behooren, is door niemand in twijfel getrokken. Hunne taal, die in bouw en wortels al het wezenlijke met de talen van den Indo-Germaanschen stam gemeen heeft, duidt zulks voldoende aan. Ook is het nagenoeg even zeker, dat zij, onder al die stammen het nauwst aan de Slawen verwant zijn, ofschoon wij ons weder die verwantschap niet zoo denken mogen, dat wij ons daardoor gerechtigd zouden achten, de Litauers op dezelfde wijze als de Tschechen tot de Slavoniërs of de Kroaten tot de Slawen te rekenen. De Litauers zijn niet in den nieuweren tijd, en ook niet op Europeeschen bodem, uit het Slawendom ontstaan. Het is eene overoude en scherpe scheiding, die reeds in het Aziatische moederland moet gebeurd zijn, en waaromtrent geen onderzoek meer valt in te stellen.
Van hunne Duitsche naburen in het Zuiden, weken de Litauers echter stellig meer af dan van de Slawen, en eene nog grootere klove scheidt hen van hunne naburen in het Noorden, de Finnen, ten minste in den oorspronkelijken stam, in taal en wezen; want hetgeen zij, wat hun uiterlijk betreft, in hunne zeden en ook in hunne denkwijze en zielsstemming met de Finnen gemeen hebben, is in hoofdzaak eene uitwerking van het gemeenschappelijk klimaat en van het harde lot, dat sedert oude tijden al die volken van het Noorden met elkander deelden, ten deele echter zeker ook tengevolge van plaats gevonden hebbende vermenging, en van het lang neven elkander wonen.
Hoe en wanneer die Litauers, uit het Indo-Germaansche Azië naar hun tegenwoordig vaderland aan de Oostzee gevoerd zijn, is eveneens een ondoordringbaar geheim. Dat zij zich onder heldhaftige aanvoerders daar heen doorgeslagen hebben, is niet waarschijnlijk, want hunne sagen en gedichten hebben zoo weinig heroïsch, en wijzen even weinig naar een grootschen voortijd heen, als het tegenwoordig niet hoog strevende karakter dier menschen, die reeds door een der oude schrijvers als een "_pacatum hominum genus omnino_" (een uiterst vreedzaam menschengeslacht) geschetst worden. Zij werden wel door andere volken, op groote vóór de geschiedenis plaats gehad hebbende volksverhuizingen, daarheen _gedrongen_ waar zij nu zitten, en waar zij vervolgens op wonderbare wijze, trots al verdere voortstuwingen, sedert eeuwen zijn blijven zitten en hunne eigendommelijkheid bewaard hebben. Zij liggen daar, als een van elders overgekomen rotsblok, alleen en afgescheurd, midden tusschen louter vreemde, maar toch in de verte verwante stoffen. Wij herkennen wel het afgelegene gebergte, waaraan dit blok ontnomen werd, maar de zonderlinge wegen waar langs het in den chaos der volken-stroomen hier heen kwam, verraadt ons zelfs de sage nauwelijks met eene vingerwijzing.
De Litauers en Letten hebben, zooals dikwijls met onderdrukte en in hunne ontwikkeling tegengehouden volken het geval is, het oorspronkelijke en oude in menig opzicht zuiverder bewaard, dan andere volken van een krachtiger leven en meer energieken drang tot ontwikkeling. Hunne taal duidt nog heden ten dage hunnen Hoog-Aziatischen oorsprong duidelijker aan, dan die der Germanen en Slawen. Zij heeft de vroegere vormen en wortels der oude Indo-Germaansche oorspronkelijke taal, veel meer onveranderd bewaard, dan bij voorbeeld het tegenwoordige Duitsch of Russisch. De Godheid, de zon, de elementen, de deelen van het menschelijk lichaam, en vele andere wezenlijke en over de geheele Aarde gelijke zaken, worden door de Litauische en Lettische boeren nog heden ten dage door namen aangeduid, die bijna geheel dezelfde zijn als wij ze in de heilige schriften der Brahminen vinden. En over het geheel genomen, bestaat er in Europa wellicht geene taal, die de oude oorspronkelijke moeder meer nabij staat, dan die der Litauers en Letten. Vele klanken en woorden dier moeder heeft de dochter nagenoeg geheel onveranderd bewaard. "_Esmi_" (ik ben) zegt de Lette, "_asmi_" (ik ben) zegt de Himalaya-bewoner; "_eimi_," (ik wandel) heet het aan de Oostzee, "_aimi_" (ik ga) luidde het in Indië; "_Diewas_" (God), "_sunus_" (zoon), "_wissa_" (alles), klinkt het aan den Niemen, "_dewas_" "_sunis_." en "_wiswa_" hoort men wederom aan den Ganges.
Ja! men heeft zelfs getracht, eenige Sanskritische spreekwijzen samen te stellen, die een Litauisch Duna-bewoner, toen men ze hem voorlegde, zonder veel moeite even goed verstond als de taal van zijn buurman. Er bestaat een verwonderlijk verband tusschen de vorming der talen, die in ruimte door vele honderde mijlen, en in tijd door eeuwen gescheiden zijn. Het is een verschijnsel, waaruit menigeen het bewijs heeft trachten af te leiden, dat de Litauers en Letten, later dan alle andere Europeanen, hunne Aziatische woonplaatsen verlaten hebben, en onder de Indo-Germanen de laatste betreders van den Europeeschen bodem geweest zijn, maar dit bewijs is fout; wellicht laat zich de zaak gedeeltelijk daaruit verklaren, dat de Litauische taal nooit geschreven werd, en dat zij dientengevolge even als alle andere talen, die geene literatuur bezitten, die zich niet verder ontwikkelden, onveranderd en verstijfd--meer dan het Slawische en het Duitsche--op het aanvankelijk standpunt bleef staan. Ook bij de literatuur-looze Vlaamsche taal, [5] zien wij de oude vormen der Nederduitsche moeder meer bewaard, dan in het Hollandsch, dat zich grammaticaal, in proza en poëzie meer ontwikkelde, en door de veranderingen die het onderging, zijne jeugdige kracht behield.
Wanneer ook al iets minder onzeker, zoo toch nagenoeg even duister als de allereerste tijd van hun bestaan, is de latere geschiedenis der Letten en Litauers, dezer "_inter septentrionales populos obscurissimi_" (de allerduisterste onder de noordelijke volken) zooals een oud Slawisch schrijver hen noemt, in hunne woonplaatsen in de moeras- en boschachtige steden aan de Oostzee. Zij schijnen van oudsher een landbouwend volk geweest te zijn, want reeds de eerste Grieksche en Romeinsche berichten over hen, uit den tijd van Christus geboorte, maken melding van hunne korenschuren, "die zij met groote ovens verwarmen, om het koren van hunnen altijd vochtigen bodem, spoediger te droogen," en de Romeinen beschrijven deze graanovens ongeveer op dezelfde wijze, als men ze heden ten dage nog in Koerland, Lijfland en Litauen zien kan.
Zij leefden, naar het schijnt, onder de heerschappij van een gemeenschappelijken opperpriester, een soort van paus "_Kriwe_ of _Kriwe-Kriweito_" (d.i. de rechter der rechters) genoemd, die met zijne "_Weideloten_" (onder-priesters) de zaken van het volk regelde--Oude, eerwaardige eikenbosschen, de beroemde van "Romowe" in het tegenwoordig Oost-Pruissen en andere, worden als de verblijfplaatsen van zulke Lithauische priesters en der heidensche godheden, in wier naam zij regeerden, genoemd. "_Waidawut_", een soort van Lithauische Mozes, zou de eerste dier opperpriesters en de stichter der priesterheerschappij geweest zijn. De "_Kriwe-Kriweito_" was de vertrouwde der goden, die in donder en onweder bij voorkeur tot hem spraken.--Hij verkondigde het volk hunnen wil en stond in zoo groote eer, dat een mensch, dien hij met zijn opperpriesterlijken staf ergens heen zond, als een heilig persoon beschouwd werd. Misschien kwam oorspronkelijk ook deze priesterheerschappij, evenals de taal der Litauers, regelrecht uit het land der Brahminen.
Ook hunne godsdienst en hunne mythen, voor zoover die ons bekend zijn, ademen een geheel Indischen geest. Daar de Litauers zoo laat tot het Christendom bekeerd werden, hunne oude heidensche beschouwingen nu nog bij hen eene niet onbeduidende rol spelen, en nog veelvuldig in de phantasie en de dichtkunst der landskinderen voortleven, zoo schijnt een vluchtige blik op hunne mythologie, hier op zijn plaats te zijn. Evenals de Slawen en andere Indo-Germanen vergoodden de oude Litauers en Letten de natuur. De hemel, de zon, de maan, de sterren, de bliksem en alle in het oog vallende natuurverschijnselen, werden door hen aangebeden; hunne phantasie schiep uit al deze, levende en persoonlijke gedaanten.
Zij schijnen vooral eene algemeene moeder der natuur, onder den naam "_Karaluni_" (Godin des lichts), waarin zich de geheele hemel en al zijne verschijnselen verlichamelijkte, vereerd te hebben. Zij stelden zich deze "_Karaluni_" voor als eene schoone maagd, wier hoofd met den diadeem der zon versierd was. Zij droeg den blauwen met sterren bezaaiden hemel-mantel aan den schouder, door de maan, bij wijze van broche, vastgehecht. De veelkleurige regenboog was haar gordel. Haar lachen was het morgenrood. Als het echter bij zonneschijn regende, dan "schreide Karaluni."--Bij verdere ontwikkeling hunner godsdienstige denkbeelden, werden ook de afzonderlijke verschijnselen aan den hemel, afzonderlijke godheden; zon, maan en sterren, werden op zich zelf staande goden. De zon was eene godin, die over de wereld heenreed in een wagen met drie paarden bespannen, een gouden, een zilveren en een diamanten. Haar paleis lag in het oosten, in het land waarheen de zielen der deugdzame menschen na den dood terugkeeren, om, nadat zij den hoogen, gladden hemelsberg beklommen hebben, eene eeuwige gelukzaligheid te genieten. Twee sterren, "_Anschrinne_" en "_Wakarinne_" (morgen- en avondster) staken de zon aan, maakten haar bad in orde en spreidden haar bed:
"Schoone zon! dochter van God! hoor mij aan! Wie steekt des morgens het vuur bij U aan? Wie moet des avonds uw bedje weer spreiden? De morgen- en de avondster beiden. De morgenster stookt het vuurtje goed heet, En d' avondster maakt mij het bedje gereed. Gij hebt dan ook zulk een kinderstoet! En van schatten zulk een overvloed!"
Zoo wordt nog heden ten dage in de Lettische volksliederen gezongen. De Zon was de gemalin van de Maan. Als deze ontrouwe echter de rooskleurige Morgenster het hof maakt, dan grijpt "Perkronos", de god van den donder, het zwaard, en verminkt de volle Maan tot straf het gelaat, terwijl hij hem toeroept:
Waarom hebt gij de zon verlaten? Waarom bij 't morgenrood vertoefd? Waarom des nachts alleen gedoold?
De sterren waren de kinderen van de Zon en de Maan, die slechts een weinig licht ten huwelijk mede kregen. Deze karig uitgeruste zonnedochters huwden met zonnezonen, en daaruit ontstonden dan weder de kleinste en allerkleinste sterren, wier uitzet nog geringer was. De sterren werden door de mythologie der Litauers ook met de menschelijke ziel, die zij zich als eene vonk van het goddelijke licht voorstelden, in verband gebracht. Met de geboorte van ieder kind op Aarde, geloofden zij, verscheen ook eene nieuwe ster aan den hemel. Eene Parce hing deze ster aan het hemelgewelf op en bevestigde daaraan de levensdraden van den jonggeborene. De Parce of schikgodin, door hen "_Laima_" genoemd, spint den levensdraad, en weeft daaruit voor den mensch een kleed, dat hij na zijn dood, ter herinnering aan de vreugde en de smart van zijn aardsch leven, dragen moet. Van de "_Laima maminga_" (het noodlots-moedertje) zingen zij nog ten huidigen dage in hunne liederen, waarin wij somwijlen spreekwijzen als: "gisteren zat ik in den nacht met Laima te praten", ontmoeten.
Merkwaardig, maar zeker niet onnatuurlijk is het, dat de zonnegodheid bij de Letten, even als Helios op Sicilië, ook de hoeder en beschermer der veekudden is:
O! Godheid met uw gouden lokken! Wil mijne koe doen weiden, Zoo ook mijn ossen, schapen, bokken, En hun der wolven bloeddorst mijden! Dit smeek ik U! o Zonne!
Op deze wijze zingen de herders in Litauen en in het Lettenland nog heden ten dage.
Behalve de "kudden beschermende" zonnegodheid, en de het leven leidende "noodlot-moeder", hebben zij ook nog eene "woud-moeder", eene "bloemen-moeder", eene "tuin-moeder", eene "wind-moeder". Het meest echter hoort men hen over eene "_Semmes-Mathe_" (het aard-moedertje) praten. Deze heerscht op en onder de oppervlakte der Aarde. Hare helpsters heeten "_Swehtas meitas_" (de heilige maagden), die bij hen de plaats onzer Elfen bekleeden, en die, zonder toedoen van den mensch, bij nacht alles in de natuur klaarmaken; van de aard-moeder zeggen de Lettische boerenmeisjes nog heden, als zij iets verloren hebben, b.v. eene naald, schertsenderwijze: "aardmoedertje geef mij mijne naald terug".
Een hunner machtigste goden, hun "donderaar", hun Zeus, heette "Perkun". Hij speelde bij hen ongeveer dezelfde rol als Thor bij de Skandinaviërs. Hem was de eik toegewijd, en ieder voorwerp dat door zijnen bliksem getroffen werd, gold eveneens voor heilig. Ook hij, die door zijnen bliksem gedood werd, kon van zijne zaligheid zeker zijn. Perkun hadden de Litauers met de Slawen gemeen, en even als deze, offerden zij hem paarden. Anders waren hunne offers in den regel noch zeer bloedig, zooals b.v. de offers der Celten, noch waren hunne godheden wreed en verschrikkelijk, als die van vele Oost-Aziatische volken. Slechts één bij hen gebruikelijk offer, verdient bijzondere opmerkzaamheid, daar het bewijst, tot welke heldhaftige vaderlandsliefde deze menschen toch ook in staat moeten geweest zijn. Wanneer een oorlog of eenige andere ramp het volk bedreigde, dan wijdde een hunner zich als zoenoffer ten dood. Hij stortte zich te midden der vijandelijke gelederen of doodde zich op eene andere wijze. Wanneer zich niemand anders daartoe voordeed, dan trad een priester in plechtgewaad te voorschijn, en wijdde zich tot heil van het vaderland, openlijk aan den dood in de vlammen. Deze trek herinnert aan dergelijke gebeurtenissen uit de geschiedenis der Romeinen en der Zwitsers.
Deze en andere overleveringen en mythen aanklevende en bovengenoemde goden vereerende, kunnen de Litauers zich waarschijnlijk gedurende onmetelijke tijdruimten in vele, door geene geschiedschrijvers beschrevene, gevechten en oorlogen, met hunne Slawische, Finsche en Duitsche naburen gemeten hebben. Alleen de met wapens en doodsbeenderen gevulde grafheuvels, die men hier en daar in de bosschen en langs de rivieren van hun land aantreft, getuigen van dergelijke gebeurtenissen.
Ofschoon zij hunne heilige wouden, hunne vaderlijke akkers, somwijlen dapper en hardnekkig genoeg verdedigden, zoo toont de geschiedenis hen ons toch, nu eens onderworpen aan dezen, dan aan genen nabuur. Zelfs de Finsche stam, de Koeren, Lijflanders en Esthen, hebben bij tijden het Lettische land en volk overheerd, en de beide eersten hebben zelfs, aan de hoofdzakelijk Lettische provinciën Koerland en Lijfland, hunne namen opgedrongen.
Veel hadden zij van oudsher te dulden van hunne naburen aan de andere zijde van den Oceaan, van de Gothen of Germaansche Skandinaviërs, wier groote koning Hermanrich hen reeds in de 4de eeuw na Christus, even zoo onderwierp en bij zijn groot rijk inlijfde, als hij zulks met hunne naburen, de Finnen en Slawen deed. Reeds toen zullen waarschijnlijk menige arme Letten op de slagvelden der Gothen gesleept geworden zijn, en als gedwongen recruten aan de volksverhuizing en de verovering van Rome deel genomen hebben, even als zij nog heden ten dage in de regimenten van den keizer van Rusland, bij Austerlitz en Leipzig, aan den Donau en bij den Kaukasus, hun bloed moesten vergieten, voor eene zaak die hun niets aanging.--Menig geleerde heeft de metgezellen van Odoaker, die een einde maakte aan het Romeinsche Keizerrijk, "de Herulers", voor Litauers of Letten willen houden.
Een tweede Hermanrich, de Noorman Rurik, versmolt hen, of ten minste een gedeelte van hen, op gelijke wijze in de 9de eeuw, met het door hem gestichte Russische rijk, en reeds van dien tijd af hebben de Russen deze Litauers en Letten en hun land als hunne onderdanen beschouwd, ofschoon zij volstrekt niet, sinds dien tijd altijd in het bezit der opperheerschappij geweest zijn. Skandinavische in- en aanvallen op Litauen en Lettland zijn tot op de jongste tijden herhaald.
Veel beslissender voor den tegenwoordigen toestand van dezen volkstam, dan al die ontelbare en voorbijgaande Zweedsche invallen van over de zee, zijn zijne aanrakingen met de Duitschers en Slawen, van wie hen geene zee scheidde, geweest. Reeds in de oudste tijden schijnen de Litauers meermalen, onder den invloed en de heerschappij van Duitsche en Slawische volken gestaan te hebben,--maar wij willen over de vroegere duistere en twijfelachtige gebeurtenissen heenstappen. Sedert den aanvang den 13de eeuw echter, drongen de Duitsche ridders en kolonisten van twee zijden op hen in, eens van af den Duna en eens van den Weichsel af, bij wier mondingen deze zich aan de Oostzee nederzetten.
Hier in het zuid-westen, roeiden zij in een langdurigen en bloedigen oorlog een ouden stam der Litauers, die der "_Porussen_", tot op eenige nu nog bestaande overblijfselen na, uit, en germaniseerden verscheidene streken van het land, tot aan den Niemen toe, waarin van de oude Litauers weinig meer over bleef dan de beroemde naam der tenondergegane Porussische vaderlandsverdedigers, die in "Pruissen" veranderd op hunne doodsvijanden overging, en nu nog als de naam van een grooten Duitschen staat bloeit.
Dáár in het noord-oosten van den Duna, maakten zich de Duitschers den stam in engeren zin, de _par exellence_ zoo genaamde, "Letten", onderdanig, en verdeelden zijn land onder de ridders der zwaard-orde, wier opvolgers daar nog tot op den huidigen dag de grondbezitters zijn. Het geheele Litauische volk werd op die wijze, toen in de 13de en 14de eeuw, om zoo te zeggen aan twee kanten door de Duitschers aangevallen, en het schijnt, dat juist daardoor ten minste de kern en het hoofdlichaam van den stam--het in het midden liggende eigenlijke Litauen--tot eene vereeniging gedrongen werd en zich, hoewel slechts van korten duur, een historisch gewicht verwierf. Er ontstond ten gevolge van dien druk van buiten, in de 13de eeuw, hartstocht tot oorlog voeren en landen veroveren onder dit "_pacatum genus_". Het tot dien tijd--ten minste als aanvallers (waarlijk niet als het de _verdediging_ van het vaderland gold) slaperige geslacht der Litauers, vermande zich en begon te steigeren, als een paard dat men de sporen in de beide zijden drukt.
Daar de Russische aangelegenheden toen ten tijde, onder de heerschappij der Mongolen, zeer in verval waren, breidde de machtig opdoemende heerschappij der vertoornde Litauers zich voornamelijk in die richting uit. Zij maakten veroveringen ten koste van Rusland; Litauische legers drongen tot aan den Dniepr, tot aan Kiew door, ja streden zelfs tegen Tataren en Russen aan de oevers van de Zwarte Zee. En zoo bestond dan, in het begin der 14de eeuw, een groot, zeer gebiedend Litauisch rijk, wiens woeste vorsten Gedemin, Olghard, Witoft en Jaguel (Jagello,) in geheel Europa beroemd en bij de Russische geschiedschrijvers maar al te bekend geworden zijn; zoo heeft dus ook deze "_duisterste_" en vroeger altijd onderdrukte stam der Europeesche familie, ten minste eens een tijd van roem gehad of eene invloedrijke rol gespeeld, wel is waar echter slechts ééne maal en ook slechts voor korten tijd, want reeds sedert het jaar 1386, nadat zij door het huwelijk van Koningin Hedwig en den Groot-Vorst Jagello met Polen verbonden werden, verloren de Litauers langzamerhand weder hunne nationale zelfstandigheid, en werden zij door eene andere, en wel krachtiger nationaliteit in de schaduw gesteld.
Eigenaardige bloesems van hoogere ontwikkeling, bracht het volk, ook ten tijde zijner politieke macht en zelfstandigheid, niet voort. De Litauers bleven zelfs heidenen tot aan het begin der 15de eeuw. In het land "Smudz" of "Samogitië" werden zij zelfs eerst in het begin der 16de eeuw gedoopt. Van alle grootere Europeesche volken zijn de, zon-, maan- en sterren aanbiddende, Litauers het laatste tot het christendom bekeerd. Genoemde Litauische Groot-Vorst Jagello gold zelfs in Polen voor een heidensch barbaar. Hoe donker het daar, zelfs ook in de oogen der Russen, moet uitgezien hebben, bewijst onder anderen de naam, dien zij van oudsher aan de, door de Litauers bevolkte bosschen en moerassige landschappen gaven, aan die wildernissen, die nooit de zetel eener beschaving geweest zijn, waarin zich nog heden ten dage, kudden der elders overal uitgestorvene wilde ossen ophouden. De Russen noemden die oorden: _Zwart-Rusland_.
In die vereeniging met een meer ontwikkeld, krachtiger en reeds sedert lang christelijk volk, werden de voornaamste klassen onder de Litauers gedenationaliseerd, gepoloniseerd en, ten minste in naam, Katholieke christenen. Sedert dien tijd zijn adel en stadbewoners in dat voornaamste gedeelte van Litauen, in zeden, denkwijze en taal geheel Poolsch geworden, en zijn ook, zelfs na de uitbreiding der Russische heerschappij over het geheele land, tot nu toe Poolsch gebleven.