Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 26

Chapter 263,580 wordsPublic domain

Dit alles kan men echter beter bij de Russische solo-dansers waarnemen. Solodansers komen bij ons in het alledaagsche leven niet voor, men ziet ze bij ons niet anders dan op het tooneel. Bij de Russen neemt echter dikwijls één enkele het op zich, een geheel gezelschap te vermaken. Wie zich verveelt, mag zijn Russischen kamerdienaar, zijn loopjongen, den soldaat, dien hij bij zich in kwartier heeft, verzoeken hem dien avond door een solo-dans te amuseeren; deze verschijnt zonder lang te aarzelen, versierd, beschilderd, phantastisch opgetooid met de bonte doeken en lappen die hij bij de hand had, en de viool in den arm--want hij is ook zelf zijn eigen orkest. En als er tusschen stoel en tafel zooveel ruimte is, als een vogel in zijn kooi heeft om te springen, dan krijgt gij zeker wat te zien, wat het zien en ook het nadenken er over waard is. De akteur begint zijne voeten in alle bedenkelijke posities te brengen, op de maat der muziek te bewegen, te kruisen, uit elkander te brengen en bij elkander te voegen. Daaronder zijn passen, zooals een Fransch dansmeester zijnen leerlingen nooit geleerd heeft. Hij smijt zijne beenen vooruit, als wilde hij ze wegwerpen. Hij trekt ze terug en slaat ze weder in elkander. Somwijlen knikt hij plotseling tot op den grond toe, in zijne knieën door. Men meent, dat hij op den grond gevallen is, maar spoedig springt hij juichende weder op. En bij al deze hevige lichaams-bewegingen verlaat hem noch zijne zingende stem, noch het accompagneerende gekras op zijne viool. Alle andere deelen van het lichaam nemen ook aan deze op de maat uitgevoerde beweging deel. De schouders worden op en neder getrokken, het hoofd wordt op zij en achterover geworpen; eene zenuwtrekking gaat door het geheele lichaam. Het is, alsof iedere spier afzonderlijk geoefend moest worden, als voerde de danser op bevel van den dokter gijmnastische toeren uit. Ook het gezicht wordt daarbij niet vergeten--de mond wordt heen en weer, de oogleden op en neder getrokken, de baard kromt en spitst zich als eene levende slang. Het geheel eindigt ten laatste met nogmaals op te springen, met de voeten te stampen, juichen, fluiten, ten slotte een streek over alle snaren der viool, en dan staat de danser voor een oogenblik recht op en stil als een standbeeld, in zich zelven zeer tevreden lachende en uwe bijvals-betuigingen afwachtende.

Dergelijke zaken in hunne details gade te slaan, is voor den etnograaf niet van belang ontbloot. Men leert daarin zeer duidelijk den geheelen, er zich in afspiegelenden geest kennen, van dit vlugge, behendige, naar omstandigheden onvermoeide, dichterlijke, tooneelkunstige, in woord en daad welbespraakte Russische volk, de levenslustigsten onder de Slawen, die vroolijk blijven onder de grootste ontberingen, en zich in de neteligste toestanden weten te helpen. Men begrijpt gemakkelijk, dat men uit zulke duizendkunstenaars, uit zulke gom-elastieke mannen, zonder veel moeite alles maken kan, wat men wil: infanteristen, kavalleristen, trompetters, paukenslagers, of wat ook hunne overheid hun op den rug schuift--sjouwerlieden, handwerkslieden, kooplieden of wat het toeval van hen maken wil,--lakeien, kamerdienaars, en door hunne betrekking van kamerdienaar ook staatsbeamten, en ten laatste zelfs grands-seigneurs, waartoe zoowel geest als fortuin helpen, en waartoe de wil van een rijken groote of van den Czaar zelven hen roepen wil.

Want de Rus van licht, week en taai hout, gevoelt zich, (in tegenstelling met de veel eigenzinniger eikenhoutachtige stof der Germanen) zeer spoedig in alle omstandigheden en kringen te huis. Tallooze Russen hebben zich van den laagsten tot den hoogsten trap der maatschappelijke ladder opgewerkt. Menig met ridderordes versierd en met eerbewijzen overladen generaal, zag het daglicht in de hut zijner ouders, die lijfeigenen waren. Menig uitstekend Russisch dichter werd als boerenzoon onder een rietendak geboren. Lomonosoff was de zoon van een visscher aan de Witte Zee, Koslow de zoon eens herders, en Karamsin het kind van een Tataar aan den Ural.

Gelukt het hem, dan speelt de boeren jongen den edelman, den hoveling, den grooten heer, als had Noach reeds zijne brieven van adeldom gered; en verbant de Czaar een der grooten van zijn hof, of steekt hij hem met geschoren hoofd als gewoon soldaat bij een zijner Kaukasische regimenten, dan weet ook deze afstammeling van Rurik, die rol met eene zelfverloochening en gehoorzaamheid te spelen, die men zou moeten bewonderen, als in zulke zaken niet juist het omgekeerde te prijzen en te wenschen was.

Het is zeer waarschijnlijk, dat deze, allen Russen meer of minder eigene eigenschap, zich overal en onder alle omstandigheden te huis te gevoelen, een gevolg hunner volksopvoeding en geschiedenis, die hen in de zwaarste diensten oefende, geweest is--het geweld hunner lijfheeren, die gewoon zijn alles van hen te verlangen--de hardheid hunner despotische heerschers, naar wier luimen zij leven en zich gedragen moeten.--Aan de andere zijde was hun karakter ook zeker iets van dergelijke Proteus-natuur aangeboren, en deze oorspronkelijke aanleg moest dan ook juist dat alles: heerschappij der Mongolen, lijfeigenschap, Czaren-despotisme, weder in het leven roepen, bevorderen en lichter doen dragen. Autokraten kunnen zich geen beter volk wenschen, dan menschen waaruit men alles maken kan, die niets te moeielijk of voor onmogelijk houden, die bij alle, zelfs de grootste hun in den weg komende hinderpalen, hun lievelingswoord: "Nitschewo!" (het is niets) in den mond hebben, die iedere rol weten te spelen, en bij wie men (men moge naar goedvinden een uit hun midden nemen) altijd nagenoeg denzelfden aanleg en dezelfde talenten vindt, of verwachten kan ze te kunnen opwekken.

Eene dergelijke algemeene begaafdheid is dikwijls, een ongeluk voor een volk, Waar allen evenveel verstand hebben, daar komen, schijnt het, uitstekende talenten, hoogere en grootere genieën niet zoo dikwijls voor. Ofschoon de Russen in den regel geboren mimici zijn, hebben zij toch geen Talma Garrick of Schroder aan het Europeesche tooneel geschonken. Ofschoon zij in den regel meer geschikt zijn voor den dans dan wij, zoo is toch nog eerder onder de Duitschers dan onder hen eene Elszler gevonden. Wanneer ook al ieder van hen een tamelijk handwerksman is, die met bijl en beitel, met de naald en met de draaibank weet om te gaan, zoo is nog nooit van hen eene belangrijke mechanische uitvinding uitgegaan. Wel schijnt de minste onder hen meer algemeene oorspronkelijke scherpzinnigheid, meer dichterlijk talent te bezitten, dan het meerendeel onzer prozaïsche landgenooten, en toch hebben zich deze gaven bij hen niet zoo in scheppende vernuften geconcentreerd, die zich boven de massa verheffende, de wereld geïmponeerd hebben. Het schijnt dat zij de eerste moeielijkheden gemakkelijk, al te gemakkelijk overwinnen, maar zich dan geene moeite meer geven, en het eens begonnene laten loopen. Even als in hunne door de zon nooit ticheel verlatene zomernachten, even als in hunne door het noorderlicht beschenene winteravonden, rust ook op de landschappen van hunnen geest eene alom verspreide schemering, maar treft men er weinige krachtige schaduwen en heiderstralende lichtpunten aan. Zelden verdicht zich de lichtstof tot diamanten, zelden verzamelt zich het water tot diepe meren. Overal heeft men eene even groote overstrooming. In Rusland zijnde, verbeeldt men zich soms, dat deze geheele massa van vele millioenen menschen, in denzelfden trog gebakken en gelijkmatig gekneed en gevormd is. Het Russische volk schijnt het grootste aantal gelijksoortige, gelijk begaafde, gelijk gestemde en gelijk gezinde menschen, dat in Europa aangetroffen wordt. Deze groote een- en gelijkvormigheid van de Russische volksstof, toont zich in hunne lichamelijke ontwikkeling--(dezelfde physionomieën ontmoet men zoowel in de eeuwenoude wouden als aan het hof van den Keizer, hier slechts geschoren en met van goud blinkende uniformen versierd), evenals in hunne oorspronkelijke scherpzinnigheid,--(dezelfde sarkastische, bijtende, scherpzinnige en luimige soort van gevatheid, merkt men zoowel in de hut van den boer, als in Petersburg op, alleen is zij hier in het Fransch vertaald)--zoo ook in hunne maatschappelijke toestanden. Want aangeborene en uit de geschiedenis ontstane standen en scherp verschil van maatschappelijke klissen, bestaan eigenlijk niet in een land, waar een Kalmuck even gemakkelijk tot geheimraad en tot edelman van den eersten rang verheven kan worden, als een vorstenzoon tot een naamloozen Siberischen kolonist gedegradeerd worden kan--waar burgervrijheid nooit ontstond--waar hij, dien de lijfeigene zijn heer noemt, in het rijk slechts weder een knecht is,--waar het maatschappelijk gebouw niet, naar het model eener Gothische kerk, met vele afdeelingen, trappen en spitsen gebouwd is, maar waar veeleer alles op een populier of denneboom gelijkt, een top, een stam en voor de rest niets anders dan kleine korte takjes.

Dit gebrek aan groepeering, aan hoogte en diepte dezer gelijke kleur, die eene in het Russische wezen diep ingewortelde natuurlijke aanleg en oorspronkelijke neiging schijnt te zijn, toont zich eindelijk ook daarin, dat de Russen als natie en ras, reeds van den beginne af, in zoo weinig onderdeden verbrokkeld zijn, zich zoo weinig in zelfstandige, scherp afgeteekende neventakken gesplitst en afgescheiden hebben. In het groote vaderland van het Russische volk, bestaat lang zoo veel onderscheid in op zich zelf staande stammen niet, noch zooveel nuancen in het dialect, als in de andere Europeesche landen.

Welke contrasten zouden wij niet in het zooveel kleinere Duitschland vinden, binnen de grenzen van dezelfde taal en van denzelfden stam. Men plaatse slechts den langen Oost-Fries naast den kleinen bewoner van het Erz-gebergte, den prozaïschen Neder-Duitscher naast den poëtischen Schwaab, den lompen Beier naast den welgemanierden Sakser, den gemoedelijken Oostenrijker naast den phlegmatischen Pommeraan. Welke groote verscheidenheden treft men niet in alle onze provinciën, steden en stadjes aan! alle zijn het variaties op hetzelfde thema, maar toch variaties, die zeer van elkander afwijken. Vergelijkt men de Russen daarmede, dan schijnt bij hen altijd hetzelfde thema, of ten minste slechts nauw merkbare variaties er op te bestaan.

Onderscheid bestaat echter bij hen wel; Russische ethnographen, meer echter de vroegere dan de tegenwoordige, onderscheiden de Rood- Wit- en Zwart-, de Klein- en Groot-Russen, de Nowgoroder- de Kriwitscher- en de Susdaler-Russen en meer dergelijke.--Slechts ten deele waren deze dialect- en stamnuancen, als wijd uitgestrekte heidevelden over groote gebieden, in lange liniën uitgestrekt, deels was er zoo weinig onderscheid tusschen hen, dat, als men ze door kleuren op de kaart wilde aanduiden, men, om niet te overdrijven, grijs op grijs zou moeten kleuren, en nu en dan slechts eene verschillende nuance van grijs zou moeten kiezen, terwijl men de vertakkingen van andere volken door alle kleuren van den regenboog zou kunnen aangeven. Eindelijk zijn ook die kleine verschillen nu gedeeltelijk geheel verdwenen. Het eenige, wat in deze eenvormige massa, van oude tijden heen en ook nu nog, eenigzins sterk in het oog valt, is het onderscheid tusschen de zoogenaamde Ruthenen of Klein-Russen en de Moskoviters of Groot-Russen. Dit onderscheid kan men het best vergelijken met het verschil tusschen de Noord-Duitschers en Zuid-Duitschers.

De Klein-Russen treft men aan in het geheele zuidelijk gedeelte van Europeesch Rusland, van de Karpathen tot aan den Don. De Groot-Russen vindt men in het geheele grootere midden der noordelijke en oostelijke helft van het rijk, tot aan de IJszee. De eerst genoemden sluiten zich meer bij de Westelijke en Zuidelijke Slawen van Oostenrijk en Turkije aan, en hebben in hunne taal vele oud-Slawische vormen en beelden bewaard, die bij de Groot-: Russen verloren gingen. Hun taaleigen is meer verwant met de oude Russisch-Slawische Kerktaal. De Groot-Russen werden door de Ruthenen als een nieuw ontstaan, gemengd volk beschouwd, en hunne geleerden mochten zij slechts voor geslawiseerde Finnen uitgeven. De Klein-Russen stichtten het heilige Kiew, de oudste wieg van de Russischen Staat, de Groot-Russen het nieuwere Moskou, waar nu de hoofdwortelen van het land liggen. Zoo is dan ook de Klein-Rus over het geheel wat ouderwetscher en stijver dan de Groot-Rus, op wien hetgeen ik boven aanmerkte, aangaande de vlugheid der Russen in het algemeen, inzonderheid betrekking heeft: De Klein-Rus houdt meer van den landbouw. Hij verlaat niet gemakkelijk zijne geboorteplaats, hem ontbreken handelsgeest en industrieele talenten. Het reizen en trekken bevalt, hem niet. Heiden onderscheiden zich ook zeer door hun uiterlijk voorkomen. De Klein-Russen hebben iets meer Zuidelijks, donkere oogen, bruinachtige gezichten en zwart haar. De Groot-Russen daarentegen hebben eene frisschere gelaatskleur, meestal blauwe of grijze oogen en even als de Finnen; blond haan Hoe sterk de verwijdering en de ongenegenheid dezer twee, met elkander in contrast staande hoofdstammen is, bewijzen de Klein-Russische spreekwoorden, die zij dikwijls gebruiken, wanneer er over een Groot-Rus gesproken wordt: "Ja! hij mag een goed mensch zijn, maar hij is toch een Moskoviet." Met het oog op dezen, zeggen zij ook: "Sluit als gij wilt, vriendschap met een Moskoviet, maar houd een steen bij de hand."

Over het algemeen genomen geeft de bijzonder werkzame en levendige Groot-Rus in het rijk den toon aan. Zij vormen in Rusland den hoofdstam Zij hebben hunne Klein-Russische broeders onderworpen, en zij overstroomen het land en de steden van deze, niet hunne overal welig voortwoekerende koloniën. Hun adel behoort bij voorkeur tot de grooten van het rijk. Terwijl het Klein-Russisch de taal der boeren geworden is, is de taal der Groot-Russen die der literatuur, wetgeving en van gezelligen omgang geworden.

In geheel Europa bestaat wel geen volkstam, die in de laatste eeuw zich zoo uitgebreid heeft, in aantal en macht zoo toegenomen is, als de Groot-Russische. Eene nauwkeurige bekendheid zijner numerieke sterkte op verschillende tijden, zou van groot belang zijn voor de philosophie der geschiedenis. Toen in 1722 Peter de Groote eene volkstelling in zijn rijk liet houden, telde het geheele toenmalige Europeesch Rusland slechts 12 millioen zielen. De Russische statisticus Arseniew, berekent de getalsterkte van den Groot-Russischen stam in het jaar 1850 op 35 millioen.

Van deze Moskovitische of Groot-Russische centraal-massa van het geheele volkslichaam, ging en gaat nog voortdurend, de merkwaardige volken-beweging vooral, uit, die binnen de grenzen van het Russische rijk circuleert, die het geheele Noordelijk Azië met Russische steden en koloniën bezaaid heeft, die ook iedere Duitsche stad van de Oostzee, en eiken stam, elk dorp der talrijke Finsche volken, Russische kolonisten bezorgd heeft, en die eindelijk ook bewerkt heelt, dat zoo menige streek en vreemde natie binnen de grenzen van het groote rijk, in zoo korten tijd geheel Russisch geworden zijn.

De merkwaardige, vooral den Groot-Russen eigene neiging tot reizen en trekken, wordt nog in de hand gewerkt deels door de regeering, die nu hier, dan daar, in eene afgelegene streek van het rijk, militaire- of strafkoloniën sticht of nieuwe steden bouwt; deels door de grondbezitters en grooten, die nu hier, dan daar, nieuw land ontginnen, nieuwe bergwerken exploiteeren of industrieele etablissementen oprichten willen, en op wier bevel de Groot-Russische boeren hunne dorpen verlaten, en op honderde mijlen van hunne oude woonplaats zich gaan nederzetten. Eindelijk wordt of werd deze bewegelijkheid der Groot-Russen, door het zoogenaamde "Obrok" (erfcijns) bevorderd of eerst mogelijk gemaakt. Dat wil zeggen daardoor, dat de grondheeren de gewoonte aannamen, hunne Glebae adscriptis tegen eene kleine, jaarlijksch in te zenden geldsom, de vergunning te geven de wijde wereld in te gaan, te doen wat zij goed vonden, en in hun onderhoud te voorzien waar en hoe zij dat konden.

De werkzame Groot-Russen, die spreekwoordelijk van zich zelven zeggen: "zet mij, als gij wilt, in de steppe op een steen; geef mij bovendien een paar centen in den zak, dan zal ik mijn weg door de wereld wel weten te vinden," maken gretig van deze vergunning gebruik, om zich aan wat zij "promysl" noemen over te geven. Met het echt Russische woord "promysl," dat even onvertaalbaar is, als onder anderen ook het Engelsche "sport," worden alle mogelijke soorten van handwerken en bedrijven bedoeld, voornamelijk echter kramerij, warenvervoer en kleinhandel. Zij, die zich op deze "promysl" toeleggen, de "promyslenniks" maken eene den Groot-Russen geheel eigenaardige klasse van industrieelen uit, die, verlangende iets te verdienen, de wijde wereld ingaan, om zich met hunne bijl, geweer, net of spade hier of daar werk en een verder vooruitkomen te verschaffen. Dikwijls zouden zij dit zeer goed bij zich te huis kunnen vinden, als zij voor hunne tuinen en landerijen behoorlijk zorg droegen, maar de vermoeiende tuin- en landbouw valt niet in den smaak der Groot-Russen. De "promysl" is hun hartstocht.--Zij beginnen eerst in het klein, verhuren zich als bedienden of koetsiers, of als knechten bij timmerlieden of andere bazen, van wier werk zij eenig verstand hebben, of dat zij zich spoedig weten eigen te maken. Hebben zij zich zoo een kapitaaltje verworven, dan richten zij een winkeltje van allerlei snuisternijen op, dat zij spoedig nu in deze, dan in gene provincie opslaan, of begeven zich met hunne waren naar de uiterste einden van Siberië. Hun geluk met en hunne geschiktheid voor den handel, zijn meestal even groot als die der Joden, wien Peter de Groote daarom ook aanbeval zich niet onder zijne Groot-Russen te vermengen, daar zij in deze hunne meesters zouden vinden. En zulke Russische kramer-nomaden eindigen niet zelden daarmede, dat zij zich ten slotte als millionairs in Moskou, Petersburg, Nowgorod of Kasan voor goed vestigen.

Anderen van hen, verliezen hun leven in het oosten, in de Siberische wouden, of in het zuiden in de Kirgisische steppen, waar deze "Promyslenniks" even zulke pionniers of voorloopers der Russische macht zijn, als de strikken-spanners en bevervangers der Vereenigde-Staten. Door rustelooze begeerte om te verdienen, en door avontuurlijke lust om te reizen gedreven, begeven zij zich ook in het hooge Noorden des rijks op zeer slechte booten, en wagen zij zich tot diep in de IJszee, terwijl zij de witte beeren en pelsdieren tot aan Spitsbergen en Nova-Zembla vervolgen.--Deze Promyslenniks, die ook de kostbare zeeotters in de Zuidzee opsporen, hebben voor Rusland, Kamschatka en het Noord-Westelijk uiteinde van Amerika ontdekt, en hebben ook de grenzen van den Russischen invloed tot in China uitgebreid. Het is, alsof daarbij nog iets van den ouden Skandinavischen Wikinger-geest [4] bij de Russen nawerkt.

Het opmerkelijkst heeft zich deze oude Wikinger-geest bij de Russische Kozakken geopenbaard, en in de omstandigheden die de ontwikkeling van dezen volkstam der Russen vergezelden. Het schijnt daarbij op dezelfde wijze toegegaan te zijn, als bij de afstamming van de IJslandsche, Engelsche, Fransche en Italiaansche Noormannen van den ouden Skandinavischen grondstam. Evenals in Skandinavië de Wikinger of zeekoningen de zee doorkruisten, zoo trokken de ondernemende jonge ruiters der Russen de steppen door, vereenigden zich daar, onder den naam Kozakken (d.i. "ongeregelden") tot oorlogzuchtige, dikwijls slechts roofzuchtige ondernemingen tegen de Tataren en andere naburige volken, en maakten ook strooptochten tot zelfs aan de andere zijde van de Zwarte Zee, geheel op dezelfde wijze, als de oude Skandinavische Wikinger die vóór hen gemaakt hebben. Daar zij met den val der heerschappij van de Tataren, in aantal en invloed wonnen, zoo werden zij, onder door hen zelve gekozen Hetmans, voor al hunne naburen gevaarlijk. Zelfs vele Tataren en overloopers van andere volken verbonden zich met hen, en uit deze vermenging ontstond weder, een in velerlei opzicht eigenaardig volk. Daar de Kozakken echter de taal en den godsdienst der Russen, behielden, zoo bleven zij in hoofdzaak een volk van Slawische en vooral van Russische type.

Zoowel de Klein- als de Groot-Russen hebben hunne Kozakken gehad. De zoogenaamde Saporogische of Waterval-Kozakken, ontstonden uit het hart van Klein-Rusland, aan den Dniepr. Op gelijke wijze ontsproten de zoogenaamde Donsche Kozakken uit het hart van Groot Rusland, aan den Don. In den loop der tijden werden deze laatsten, even als de Groot-Russen zelven de voornaamsten. Van hen verspreidden zich naar het Oosten weder verscheidene andere eigenaardige Kozakken-stammen. Vooreerst reeds omstreeks het einde der 16de eeuw, als eene roover-kolonie, de _Uralische Kozakken_ die nu, vermengd met Tscherkessen, Tataren, Perzen, een schoon en krachtig slag van menschen en een klein gegoed volkje vormen, dat geene bedelaars bezit, maar daarentegen menschen onder zich telt, die 10 à 20,000 schapen bezitten en den Czaar trouw dienen.--Vervolgens de _Siberische Kozakken_, die als gewapende Promyslenniks, onder hunnen aanvoerder Yermak, het eerst Siberië binnendrongen en, daar zij over de geheele uitgestrektheid, van den Don tot aan den Amur in Mandschoerije, zich met vele volken vermengden, velerlei nuancen in zeden en gewoonten vertoonen.

Zeer merkwaardig echter is het, dat die lust tot reizen, die binnen de grenzen van het Russische rijk de kramers en boeren, de visschers, jagers en kozakken, als de sappen in een boom, zoo levendig heen- en weergedreven heeft en nog drijft, dat deze overal nomadiseerende volksverhuizing bijna nooit de grenzen van het Russische rijk overgetrokken is. Bijna nergens vindt men Russen dan in hun eigen land. Even als de Romein, koloniseert hij slechts de Aarde, zoover hij haar veroverd heeft. Overal, waar de adelaars van zijnen Keizer heerschen, al ware het ook aan de grenzen van China, gevoelt hij zich te huis. Maar buiten dit zijn groote Keizerlijke vaderland gaat hij niet. Slechts enkele, door fanatieke vervolgingen verstrooide sekten maken daarop eene uitzondering. Eenige weinige Russische "Raskolniks" of sektenmakers, hebben zich bij tijden ook in Turkije, Zweden en eenige andere naburige landen gevestigd.

Voor het overige vertoont zich, zoowel in de nieuwe wereld, waar anders toch alle volken van Europa elkander ontmoeten, als in de talrijke staten van West-Europa, de Rus nergens als kolonist; in onze steden baart de Oostersche tulband of kaftan en zelfs de neger, minder opzien dan het Russische nationale kostuum, dat bij ons iets geheel ongewoons is, doen zou.--De oorzaken dezer verschijning zijn menigvuldig. Deels staat den Rus in zijn eigen land, dat de halve wereld omspant, nog voor langen tijd een ruim veld voor nieuwe ondernemingen open; deels zouden hunne autokraten en grondheeren, even zeer als zij de beweging hunner ondergeschikten binnen de grenzen toestaan, den lust deze te overschrijden spoedig tegengaan; deels zijn alle handwerken, kunsten en talenten der Russen, zoo geëigend als die voor hun eigen land zijn, ergens anders van weinig waarde.