Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 25
Veel karakteristieker en van veel meer gewicht voor onze ethnographische schildering, is daarentegen de Russische _volks poëzie_, wier talrijke, levendige geestesbloemen, de eigenlijke openbaring van het nationaal-karakter bevatten. Sedert onheugelijke tijden zijn de Russen, als alle Slawen, groote liefhebbers van muziek en zang geweest, waarvoor hunne welluidende taal in zoo hooge mate geëigend is. Reeds in de 6de eeuw na Christus verhaalden, volgens de getuigenis der Byzantijnsche kroniekschrijvers, eenige afgezanten der Noordelijke Slawen aan een Keizer van Constantinopel, dat rijm, vers en zang de liefste opvroolijkingen voor hun volle waren, en dat zij overal hunne met snaren bespannen citers met zich medevoerden, waarmede zij hunne in koor gezongene liederen begeleidden.--Deze oude citers door hen "Gusli" of ook wel "Balaleiken" genoemd, bezitten de Russen nog heden ten dage, alsmede nog menig ander, zeer eigenaardig muziek-instrument.
Over het geheel echter zijn zij minder instrumentalisten dan vocalisten, en daarbij is hun het zingen even gewoon, even natuurlijk als den vogelen. Met gezang begeleiden zij, om zoo te zeggen, alle verrichtingen van het leven, niet alleen hunne dansen, feesten en gezellige bijeenkomsten, maar ook zelfs hunne vermoeiendste werkzaamheden. De Russische voerman zingt, terwijl hij met zijn driespan geheel alleen door de steppe jaagt, al maar door, ook wanneer een koude nachtwind hem langs den mond strijkt; de Russische houthakker, wanneer hij geheel alleen midden in het woud bezig is boomen te vellen en tot balken te verwerken--neuriet of prevelt daarbij een eindeloos lied. Het is als ware dit gezang het in zich zelf spreken dezer menschen.
In het zingen in koren zijn de Russen nagenoeg allen geoefend; niet alleen de poëtische herders, boeren en boschbewoners, maar ook de kramers en handelaars in de steden. De jonge kooplieden, zelfs op de kleine, in het binnenland gelegene marktplaatsen, hebben onder elkander zangvereenigingen, waar zij hunne talenten oefenen en aan hunnen lust tot muziek voldoen. De troepen landlieden trekken met koorgezang naar het veld en met koorgezang keeren zij weer huiswaarts. Ja zelfs de maaiers hoort men, wanneer zij al maaiende zich in lange reien door de afgemaaide aren bewegen, in weerwil van den invloed der Zuid-Russische verzengende middaghitte, met stof, zonnegloed en zweet bedekt,--toch, zeg ik, hoort men hen de zwoele lucht met liefelijke koorgezangen vervullen. Datzelfde doen met lust de arme, geplaagde soldaten gedurende hunne lange marschen. Datzelfde de timmerlieden, die een huis bouwen en zoo ook de in Rusland om hunne grofheid, in zoo'n slechten naam staande zoogenaamde "Burlaken", d.i. de schippers en schuitentrekkers, die bij duizenden langs de stroomen van het rijk verdeeld zijn, en als galeislaven een vermoeiend werk doen, daar zij de zware rivierschepen op- en afwaarts moeten sleepen. In troepen van 50 en 100 man aan een touw gespannen, gaan deze sterke menschen, stap voor stap, dag aan dag, de zware Wolga-schepen trekkende, langs de groote rivieren. Bijna onophoudelijk klinken bij dit eentoonig en moeielijk werk hunne liederen, die bijna even langdradig zijn als de rivieren zelve, en waardoor zij elkander opvroolijken. Soms, bij bijzonder slecht weer, of wanneer het schip bijna niet tegen den stroom op kan, worden de arme "Burlaken" zoo vermoeid, dat zij geen pas meer voorwaarts kunnen doen. Hun schip begint terug te drijven en de sterk aangespannen lijn, trekt de sterke mannen mede. Deze laten zich echter niet overweldigen en wijken niet. Spoedig leggen zij hunne gordels van hunne borst over den rug, draaien zich om, zetten of leggen zich tegen den zandigen oever vast, en trachten zoo met geweld het verder afdrijven van het schip tegen te gaan. Op deze wijze rusten zij een weinig uit, en tot zijne verwondering hoort de reiziger zelfs dan nog, die onvermoeide zangers een gezang--nu wel een droefgeestig--neuriën, dat echter weldra, als het weder op nieuw voorwaarts gaat, in eene vroolijke melodie overgaat.
Gaat gij eene Russische kloosterkerk binnen, waar men bezig is eenige reparatiën te doen, dan ziet gij op hooge stellages eenige schilders zitten, die den koepel der kerk met kleuren en vergulde beelden versieren. Hun vlijtig penseel gunt zich den geheelen dag geen rust en evenmin hunne onvermoeide lippen, waarover de fraaiste koraalgezangen, als engelenstemmen uit den koepel der kerk nederdalen. Als men iets dergelijks gehoord heeft, dan begrijpt men de Grieksche mythe, die vertelt, dat de steenen der stadsmuren van Sardes op de maat der muziek en bij fluitspel opgebouwd werden. Alle Russische kerken en kloosters stellen prijs op een uitstekend koorpersoneel, en dat der Keizerlijke kapel in St. Petersburg is het fraaiste en beste van dat soort, dat in de geheele wereld gevonden wordt.
Zelfs de arme, oude, witgebaarde bedelaars, die voor de Russische kerken zitten, smeeken niet met prozaïsche woorden om eene gift. Zingend zitten zij ter neder, en trekken de opmerkzaamheid der voorbijgangers tot zich, door de voordracht van een vroom oud kerk-koraal.
Onder de Russen zelven echter, is geen stam zanglustiger en rijker aan liederen dan de stam der Zuidelijke Malorossianen of Klein-Russen. Vele Klein-Russische gezangen zijn in hunne diep melancholische melodiën van eene verrassende schoonheid en oorspronkelijkheid. De inhoud van sommige dezer gezangen is, naar men zegt, van hoogen ouderdom en heeft eene historische beteekenis. Er worden er onder gevonden, waarin heldendaden bezongen worden, die door de oude kroniekschrijvers zelfs niet opgeteekend zijn, en andere, waarin zelfs nog heidensche godheden figureeren of die ten minste van een overoud bijgeloof de onmiskenbare sporen dragen. Verreweg de meesten zijn echter, zoowel bij de Klein-Russen en Kozakken als bij de Russen over het geheel niet van historischen of epischen maar van lyrischen inhoud. Het Epos heeft onder de Slawen alleen bij de oorlogszuchtige Serviërs eenig geluk had. Bij de Russen had de poëzie van het gevoel veel meer den boventoon. Zij schijnen in hunne volks-poëzie als van eene uiterst vreedzame, stille, men zou haast zeggen, zachte en sentimenteele natuur. En dit is zelfs bij de Russische Kozakken, een volk, dat toch uit den oorlog ontstond en geheel en al voor den oorlog georganiseerd werd, het geval.
Zij toonen zich in hunne liederen altijd vol gevoel voor de hen omringende natuur, en zij ontleenen meermalen hunne verzen aan hetgeen bosch en veld hun toonen. De lindeboom, de vlier, de ahorn, de jeneverboom, de salie, de wijnruit en andere planten spelen daarin eene groote rol. Zelfs ons kleine, "vergeet-mij-niet" wordt door deze Kozakken niet over het hoofd gezien.
Toen ik treurig, weemoedig, gedrukt, Doolde door 't woud en de weide, Vergeetmijnietjes had tot een ruiker geplukt, Weende ik bitter en zeide: Vergeet mij toch nooit, o! geliefde! Vergeet mij toch nimmer, mijn leven! Dierbare! beloon steeds mijn liefde, Doch niet door geschenken te geven. Want wat zal uw goud mij ook helpen! Wat uw rijkdom, die een ieder verrukt? Dan eerst zult ge mij overstelpen, Wanneer gij mij aan uw harte drukt En uitroept: "Nooit vergeet ik U, getrouwe!
De koekkoek, die de lente verkondigt, de vroolijke kleine leeuwrik, die den menschen "waarom zoo treurig?" vraagt, de blauwe duif, waarmede een meisje, de witte valk, waarmede een jongeling vergeleken wordt, en vele andere schepselen uit de dierenwereld, spelen in de liederen der Kozakken eene even groote rol, als de liefelijke planten.
Even als diep en innig gevoel voor de natuur, zoo spreekt ook een geest der hartelijkste liefde voor zijne geboorteplaats en voor zijne onderhoorigen, uit deze Russische volksliederen:
Van verre, langs berg en dal en meer, Kwam eenmaal een koekoek gevlogen. In den Donau, geraakte een veer Uit zijn staart, zoo sierlijk gebogen. Aan die bonte veder gelijk, Die door den stroom wordt gedreven, Zoo verkwijn ik in 't vreemde rijk, Eenzaam, verlaten in 't leven.
De band tusschen moeder en zoon, tusschen broeder en zuster wordt in die liederen, waarin de Russische Kozak, als met een soort van voorgevoel, zijn dood op het slagveld bezingt, als een dikwijls wederkeerend onderwerp, zeer treffend geschilderd:
Toen stormen loeiden en 't gras zich bewoog, Lag stervend en bleek een Kozak op den grond, Met zijn hoofd geleund op een struikje, dat boog, Met zijn oog gericht op de heide in 't rond. Zijn groot blank zwaard lag naast hem ter neêr, Geduldig toefde het paard bij zijn voet, Een vogeltje, schittrend door dosch en door veêr, Zat boven zijn hoofd, enz. enz.
Bijna altijd eindigen die liederen daarmede, dat de klagende ruiter in zijn stervensuur zijne moeder of zijne zuster een brief of eene teedere boodschap, zoo hij niemand anders tot zijne dispositie heeft, door zijn "zwart ros" of den "duizendkleurigen vogel", toezendt. Een dezer eindigt met het volgende algemeene gezegde:
Der ouderen gebed beveiligt in gevaren, Maakt onze zielen rein, zelfs van de zwaarste zonde, Zal ons op land en zee steeds veilig goed bewaren.
Even als in hunne liederen, zoo doen zich deze baardige Russen ook in het dagelijksche leven en in den omgang, veel hartelijker en levendiger voor dan wij.--Vriendschap en liefde worden bij hen veel levendiger uitgedrukt dan bij ons. Iedereen kust en omarmt voor en na iedere scheiding. Zelfs mannen en grijsaards kussen elkander rechts en links naar voorgeschrevene regels. Ook worden zij licht tot tranen toe geroerd.
Het gebeurt niet zelden, dat men een ouden, grijsbaardigen Rus van Herkulischen lichaamsbouw, ziet schreien en luide hoort jammeren, dat hij alleen staat in de wereld zonder vader en moeder, of wèl over eenig ander ongeluk. "Waar treft men", vraagt de schrijver, die dit mededeelt, "in Engeland of Duitschland, of in eenig ander land der weinig teergevoelige Germanen, iets dergelijks aan?"
Deze zachte en teedere geaardheid der Russen en der Slawen in het algemeen, verklaart ook hunne gelatene onderwerping aan de macht van den Czaar en de Kerk. Geen volk van Germaansch bloed, zou eeuwen lang het juk der dienstbaarheid zoo geduldig gedragen hebben, als deze zanglustige, lichtzinnige, lyrisch-poëtische Russen.
Andere eigenschappen en eigenaardigheden van de Russische volks-geaardheid, ontdekt men in den rijken schat van spreekwoorden, die in den loop der tijden in hunne taal opgenomen zijn en bij hen het burgerrecht verkregen hebben. Zij getuigen van een scherpen waarnemingszin en fijne menschenkennis, en zijn vol treffende vergelijkingen en pikante uitdrukkingen. Daar zij deels oude, ook bij ons in spreekwoorden vervatte lessen, op eene ons nieuwe en verrassende wijze inkleeden, en deels eigenaardigheden van het Russische leven en hart zeer levendig uitdrukken, zoo zij het mij vergund, eenige preciosa uit die schatkamer hier uit te kramen. Ik wil ze den lezer zonder veel commentariën mededeelen. Hij zelf zal de beteekenis en het gebruik gemakkelijk beseffen.
In verscheidene Russische spreekwoorden, wordt, om zoo te zeggen, met een paar woorden eene geheele fabel verteld, b.v.:
"Toen men de stem van den nachtegaal prees, begon het karrepaard te hinneken."
Of: "een onnoozel schaapje weende van aandoening, toen de herder den wolf met zijne knots doodde."
Zeer scherp wordt het dwaze egoïsme der menschen in de volgende lakonische woorden gehekeld:
"Hoe jammer van mijn mooie schip, riep de schipper, toen hij met al zijne manschappen zonk."--En hoe treffend worden de gedachten en verborgene daden van den gierigaard verraden in het:
"Nadat de hebzuchtige het geheele bosch verkocht had, wilde hij ook nog ieder boom afzonderlijk verkoopen."
"De bijen verzamelden was en honing, maar de gierigaard zou willen, dat zij ook nog de mede brouwden."
"Schenk den eenbeenigen gierigaard eene kruk, hij zal haar als brandhout in de kachel steken."
Hem, die moedeloos de hem getroffene onheilen bejammert, roept het Russische boeren-spreekwoord toe:
"Zie de gaten in uw wambuis toch niet zoo bedroefd aan, maar zet er een paar lappen op."--En hem, die 's levens lusten en lasten niet in den waren zin opneemt:
"Eet den honig, vadertje, dien gij kunt, en drink den alsem, dien gij moet gebruiken."--Den al te strengen berisper waarschuwt het:
"Als gij zelfs de sneeuw vuil noemt, hoe wilt gij dan het roet noemen?"
Met betrekking tot het gevaarlijke van het prijzen, zegt het:
"Ook den verstandigsten groeien eindelijk ezels-ooren aan, als men hem te zeer prijst."--En van de behendigheid der menschen om hunne fouten te bedekken en hunne baan schoon te vegen:
"De domste is verstandig genoeg, zich te verontschuldigen."
De tegenzin, dien wij gevoelen als men ons het geluk opdringen wil, wordt uitgedrukt door:
"Sluit een wolf in eene volle schaapskooi op, en hij zal nergens aan denken, dan hoe hij het best weder naar het bosch ontvluchten zal."
Het Engelsche _love in a cottage_, heet bij de Russen:
"Geene liefde brandt zoo heet, dat het de kachel verhit."
In aanprijzingen van die deugd, waarin de Slawen sedert onheugelijke tijden uitmunten, de gastvrijheid en weldadigheid, is het Russische spreekwoord onuitputtelijk:
"Zooals men het zijnen gasten geeft, zoo geeft men het God."
"Wie den musch het kruimeltje niet gunt, dien zal de lieve God het brood niet gunnen."
"Willig het verzoek van uwen gast in, nog voor hij het uitspreekt."
"Bespaar uwe laatste snede honig voor een laten gast."
"Voeder eerst het vette paard van uwen gast, vervolgens uwe magere koe."
Het: "is uw deken lang, strek dan vrij uwe beenen uit; is uw deken kort, behelp u er mede, en trek uwe beenen naar u toe," luidt bij hen:
"Spin vlas, broertje, als gij geen zijde weven kunt."
Ons "zoo heer, zoo knecht" is bij hen:
"Aan de kat van het kind kunt gij zien, hoeveel slaag het van zijne ouders krijgt."
Van de echte innerlijke waarde en van uiterlijken schijn zeggen zij:
"Het vuile zilver wordt hooger geschat dan het blanke tin," of: "messing! hadt gij slechts de waarde van het goud, daar gij den trots er van toch bezit," of "de augurk wil voor eene dochter van den meloen doorgaan."
Recht uit het leven en uit de zinnelijke wereld gegrepen is ook, wat de Russen zeggen van de wijsneuzigheid der jonge lafbekken:
"Geen trotscher koper, dan wat juist uit het hamerwerk komt."
Eveneens, wat zij bij den omgang met hartstochtelijke menschen aanraden:
"Als uw vriend opvliegend is als buskruit, zet hem dan niet bij het vuur!"
Of wat zij aangaande de liefde opmerken:
"De plasregen, die de minnenden treft, bestaat slechts uit dauwdruppels,"--en wat zij den opvliegenden mensch herinneren: "brandnetel, waarom brandt gij, als gij toch niet gaar koken kunt?"
De macht der vooroordeelen hebben zij zeer goed begrepen; want zij zeggen er van:
"Men raakt eerder zijne jicht kwijt, dan zijne vooroordeelen."
Het Lithauische: "maak u tot een schaap en de wolf zal ras bij u zijn," heet bij de Russen:
"Wie zich tot paard maakt, dien wil iedereen den zadel opleggen."
En ons: "het ei wil wijzer zijn dan de hen," drukken zij uit door hun: "de paddestoel zou het woud wel een lesje willen geven."
De machteloosheid van onze opvoedingsmiddelen tegenover eigenzinnige naturen, drukken zij door het volgende beeld uit: "uit eendeneieren kan zelfs een zwaan niet dan eenden broeden."
Hij, die iets tracht te bewijzen, wat van zelf spreekt, roepen zij zeer verstandig toe: "ja, zeer juist, mijn vriend, in de vlakte hebben de bergen een einde."
Deze kleine bloemlezing uit een overrijk veld zal wel voldoende zijn; ik ga derhalve nu tot een ander onderwerp over.
Waar, naar hetgeen boven aangevoerd werd, bij een volk Kalliope zoo ijverig gehuldigd werd als bij de Russen, daar kon onmogelijk hare zuster Terpsichore in minachting zijn, vooral niet bij de Slawische volken, bij wie de beiden Musen, zooals het overal zijn moest, als de twee intiemste tweelingzusters verschijnen, bij wie poëzie, gezang en dans, veel meer dan bij ons, op eene allerbevalligste wijze saamverbonden werden. De dans was van oudsher bij de Russen, even als bij alle Slawische volken, eene volksuitspanning. "_Slavus saltans_" (de dansende Slawe) was reeds bij de Latijnsche schrijvers der middeneeuwen spreekwoordelijk. Hun beweeglijk temperament, hunne vlugheid, bracht hen op zeer natuurlijke wijze tot de beoefening dezer kunst. Het Germaansche en Romaansche Europa heeft immers de polonaise, de polka, de mazurka en meer andere zijner lievelingsdansen aan de Slawen ontleend, ofschoon het die op eene wijze uitvoert, die den Slawen zelven zeer weinig voldoet. Zij daarentegen hebben ook onze dansen aangenomen, en op hunne tallooze dans-partijen, die in den winter in alle steden, tot aan het uiteinde van Siberië plaats hebben, voeren zij die uit op eene wijze, die veel bevalliger is, dan die waarop de uitvinders zelven ze uitoefenen.
Wel dansen ook onze boeren overal, bij hunne bruiloften, op hooge feestdagen en in hunne danszalen. Maar dit bewijst niet, dat bij hen de dans even populair en inheemsch is als bij de Slawen, en vooral als bij de Russen, bij wie aanleg en lust daarvoor zoo algemeen en altijd zoo groot is, dat er geene voorafgaande afspraken, deftige uitnoodigingen, bijzondere lokalen enz. noodig zijn, om de menschen tot eene symmetrische groepeering, tot gracieuse bewegingen, tot eigenaardige mimiek, tot vroolijke spier-beweging uit te noodigen. De Rus danst zooals hij zingt, als hij er den tijd voor heeft en als hij de ruimte kan vinden, om zijne voeten behoorlijk te kunnen bewegen. Midden in de woeste steppen wordt de reiziger verrast door den aanblik van een Zuid-Russischen schaapherder, die geheel alleen daar in de wildernis, onder den vrijen hemel--_danst_. De jonge langharige knaap heeft zijn opgeblazen doedelzak voor zich in het gras geworpen en er een steen opgelegd, zoodat het instrument van zelf geluid maakt, en op deze muziek beweegt hij zich met dien vluggen en sierlijken pas, die hem in zoo hooge mate eigen is, door niemand van dichtbij opgemerkt, dan door zijn in den omtrek weidend vee. In de landhuizen der Russische Graven heeft men soms gelegenheid, de bedienden in een nauw hok onder de trap, dikwijls het eenige vrije plekje, dat deze arme duivels ter hunner beschikking hebben, te beloeren en te zien, hoe zij hunne balaleiken slaan en hoe zij in deze, slechts weinige vierkante voeten groote en zwak verlichte ruimte, hunne dansen uitvoeren.
Ook ziet men--en zeker, zeer tot zijne verwondering,--hoe de Russische soldaten, wanneer zij een vermoeienden marsch hebben afgelegd, weldra zingen en dansen en op hunne balaleiken slaan. Het is middag, zij hebben 's morgens met pak en zak vijf uren door bosschen en moerassen gemarcheerd. Hunne officieren geven hun een uurtje rust. De welwillende goedsbezitter en eigenaar van het slot, in welks nabijheid zij rust hielden, heeft ieder man van het regiment een glaasje brandewijn en een stukje brood met kaas laten geven. Met wellust hebben zij deze weldaad genoten. Kort daarna is het geheele regiment, even als het woud na een frisschen regen, verkwikt, heeft het alle ongemakken en vermoeienissen vergeten en, in verschillende groepen verdeeld bewegen zij zich juichende, zingende en op de maat dansende, rondom het bivouac-vuur en de aan rotten geplaatste geweren en zware ransels, die zij binnen weinige minuten weder dragen en omhangen moeten. Zoo iets moet men gezien hebben, in zulke omstandigheden moet men de menschen verrast hebben, om te kunnen beoordeelen, dat het dansen hun werkelijk aangeboren is en hoe zeer het eene nationale behoefte is geworden.
Treedt men een Russisch dorp binnen, dan kan men nog idyllischer tooneelen opmerken. Daar vindt men wel geen herberg of danshuis, maar het geheele dorp is als het ware ééne danszaal. Daar ontmoeten u, om het even of het tegen Paschen of tegen Pinksteren loopt, lange reien jonge, met bloemen versierde meisjes. Het is een "Wesnänka" (een lentedans), dien zij uitvoeren. Zij hebben de handen in elkander geslagen. Het fraaiste meisje voert de anderen aan en bepaalt de figuren en wendingen, die de krans van maagden maken zal. Nu eens vormen zij eene rechte, vooruithuppelende linie, dan weder sluiten zij den kring en blijven, terwijl zij in rondte draaien, een oogenblik op dezelfde plaats. Dan weder vermengt zich de dansende troep tot een knoop, dien zij vroolijk zingende, weder tot een geregelde keten ontvouwen. Het is het poëtische oorspronkelijke type van de zoogenaamde polonaise onzer salons. Het geheele dorp komt op de been. De oude menschen gaan op de banken voor hunne huizen zitten, en verheugen zich in de bevalligheid hunner dochters. Steeds meer en meer jonge meisjes komen lachende uit hare huizen en sluiten zich zingende bij de vorige aan. Ook de kinderen, die in de reien der ouderen geen plaats hebben kunnen vinden, vormen afzonderlijke groepen, en trekken onder gelach en geschreeuw achter de grooteren aan, terwijl zij de bewegingen van deze trachten na te doen. Gewoonlijk voert het vrouwelijke geslacht deze liefelijke tooneelen alleen uit, maar somwijlen komen haar ook van de andere zijde van het dorp, de knapen der plaats in even lange reien te gemoet. Ook zij dansen, zingen en voegen aan de dansenden nog soms iemand toe, die al dansende viool speelt of op de hobo blaast. Vereenigen zij zich ten laatste, dan ontstaat de grootste vroolijkheid, en het vormen van figuren neemt eerst bij het maanlicht een einde.
Even als overal, zoo ontwikkelen de Russen ook bij hunne dansen een niet gering talent tot mimiek, en menige hunner dansen zijn tegelijker tijd kleine dramatische voorstellingen.
Zoo b.v. de zoogenaamde "kosatschka" die zijnen naam aan de Kozakken ontleend heeft, maar over geheel Rusland verspreid is. Deze dans wordt door een jong paar uitgevoerd. De knaap speelt daarbij de rol van vurigen minnaar die om de hand der schoone, zijne danseres, werft. Hij nadert haar al dansende. Op de maat der muziek maakt hij allerlei gracieuse bewegingen, om haren bijval te winnen, en geraakt, al naar mate hem dit al dan niet gelukt, in poëtische verrukking of, op de maat der muziek, in vertwijfeling.--De danseres speelt de preutsche die hem lang afwijst, hem wel eens koketteerend wenkt maar schertsend--spottend--hem steeds dansende weder ontglipt, maar zich toch eindelijk veroveren laat en ten slotte eene omarming en een zachten kus--op de maat der muziek--ontvangt, waarop zich vervolgens het vereenigde paar met snelle, huppelende achterwaartsche passen, terug trekt.
Het verlangen en de pogingen van den minnaar, het schuchtere en twijfelachtige van de geliefde, de ingeweefde episodes van gehuichelden afkeer en allerlei kleine twisten, zooals die tusschen geliefden voorkomen, worden door de dansers dikwijls met bewonderingswaardig talent uitgedrukt. Natuurlijk dansen daarbij niet alleen beenen en voeten--handen en armen, oogen en gelaats-zenuwen spelen ook mede en bewegen zich ook op de maat der muziek.