Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 23

Chapter 233,647 wordsPublic domain

Een hoogst elastische zin, die zich over alles heen zet, niet bevreesd is voor de toekomst, het verledene niet betreurt, eene krenking--trouwens ook dikwijls eene weldaad--spoedig vergeet, onder alle omstandigheden een goed gelaat bij een slecht spel tracht te zetten, lachend alles verdraagt, zoo een zin is het erfdeel van alle Polen.--Met verwondering ziet de vreemdeling, zelfs de meest verwenden onder hen zich schikken in de ongemakken eener reis, de onaangenaamheden eener slechte tijdelijke woning, de misgrepen hunner boersche bedienden, het lastig indringen van Joodsche handelaars--dit alles ziet hij met de beminnelijkste luim verdragen.

Zij lachen met het moeielijke en vermaken zich over hetgeen anderen, namelijk de met hen vergeleken, weekelijke of zwaartillende Duitschers, vertoornen, althans wrevelig maken zou.

"Poolsche edellieden en vorsten, die in hunne eigene huizen door alle mogelijke luxe omgeven zijn, die meestal veel gereisd hebben en met al de genietingen van groote hoofdsteden bekend zijn, kan men _con amore_ in de kleine, vuile Joodsche stadjes van hun land zien rondwandelen--in de onzuivere logementen hun intrek zien nemen, in de nauwe, donkere winkels hunne inkoopen zien doen, zich zien amuseeren met de, in de rookerige schouwburgen der groote steden, gegevene ellendige opvoeringen van deze of gene reizende troep, of met het oorverscheurend spel van dezen of genen reizenden virtuoos, of wèl dagenlang in harde britschen op hobbelige wegen zien rijden, om eene wolf- of rendier-jacht bij te wonen. En dit alles ziet men hen met zoo veel beminnelijke vroolijkheid en natuurlijkheid doen, dat men hen, die genoegens vinden waar anderen niets dan moeielijkheden zien, moet bewonderen."

Met deze, den Polen eigene, elasticiteit gaat hunne rusteloosheid--die hen van de stad naar het land, van het eene slot naar het andere doet gaan, die hun eene aanhoudende reislust als ingeënt heeft, ja hen in hunne huizen onophoudelijk de bestemming en de inrichting hunner kamers en de plaatsing hunner meubels doet veranderen, en dus eeuwig aan de in het Oosten van Europa ingewortelde nomaden-natuur doet herinneren--hand aan hand. Men zou meenen, in eene Poolsche huishouding eene afbeelding in het klein voor zich te hebben, van hunne vroegere huishouding van staat, waarin ook, even als in een kaleidoskoop, alles door elkander gewerkt werd.

Ook de hartstocht voor het spel, behoort tot de schaduwzijden in het karakter van den Pool, die samenhangen met zijn lichtzinnigen, vluchtigen, onstandvastigen, avontuurlijken, naar opwekkingen verlangenden zin. Deze hartstocht schijnt nu nog, even als ten tijde van Tacitus de Duitschers, alle klassen der Polen te beheerschen. Niet alleen de heeren in de zaal, maar ook de bedienden in de voorzaal, de soldaten in de kazerne, de boeren voor hunne hutten ziet men zich met kaart- en dobbelspel bezig houden. Somwijlen echter behaalt eene andere edeler zucht, de overwinning op dezen hartstocht voor het onzalige en het geluk van vele familiën verwoestende spel, namelijk hunne voorliefde voor den dans. Ook deze is den Polen, evenals allen Slawen, aangeboren. Zij geven zich daaraan, zoowel op hoogen ouderdom als in de jeugd over, en de dans vermag zelfs levensmoede voeten nog op te wekken tot eene mazurka, dezen levendigen, sierlijken, afwisselenden, alle ledematen elektriseerenden, half militairen nationalen dans, die zoo juist de uitdrukking der opgewekte, schielijk tot hartstochtelijkheid overslaande Polen-natuur schijnt te zijn.

De gastvrijheid der Polen is, even als die van alle Slawen, van oudsher beroemd geweest. Zij oefenen die op de grootst mogelijke wijze uit. Niet alleen hun lust tot verkwisting en opschik, hun genot om pracht en luxe te kunnen ontwikkelen, hunne begeerte zich in het midden van een door hen beschermden en hen daarvoor huldigenden kring te zien, maar ook eene natuurlijke goedhartigheid en mededeelzaamheid drijft hen daartoe aan. Men treft daarom deze nationale deugd in het geheele land aan, zoowel bij de geringen als bij de grooten, ieder naar zijne krachten en omstandigheden, ja zelfs te midden der tegenwoordige zoo afhankelijke, gedrukte en verwarde omstandigheden van het volk.

In het oude Polen heerschte de gewoonte, dat de rijke Magnaten of "Pake," in hunne huizen eenige edellieden, aanverwanten of vazallen met hunne vrouwen en kinderen bij zich opnamen, die zij "residenten" noemden, en die geene andere verplichting hadden, dan den geheelen trein van het slotleven mede te maken, en zooveel in hun vermogen was, tot den glans der familie bij te dragen. Toen vond men in de Poolsche wouden zulke groote paleizen, zooals b.v. dat der beroemde familie Pac er een was, dat het trotsche, reeds in de verte zichtbare opschrift droeg: "dit paleis behoort aan Pac, en dit paleis is Pac waardig," en waarin somwijlen behalve de hoofdfamilie en de, aan het paleis geattacheerde "residenten" en de soldaten, die vroeger de Poolsche souvereine magnaten gewoon waren om zich te verzamelen, wel duizende menschen samen huisden.

Zoo iets ziet men tegenwoordig niet meer, maar wel is men thans nog, en niet alleen bij de Pac's en de Branitzky's, Potozky's en Sapreha's, maar ook op de kleiner adellijke goederen, er op ingericht, geheele familiën met hunnen trein van bedienden, paarden en rijtuigen op te nemen, en daarbij ontzegt men zichzelven dikwijls, ten gerieve der vreemdelingen, de gewone gemakken. Op den middagdisch staan couverts voor onverwachte gasten gereed, en gaarne bespaart men zelfs aan doortrekkende reizigers, die men ter nauwernood kent, het onaangename rusten in ongemakkelijke logementen. En zoo ziet zich zulk een doortrekkend reiziger, tot zijne groote verwondering, dikwijls midden in de Poolsche heiden en steppen, plotseling als door een tooverslag in hoogst aangename kringen verplaatst, waarin hij zich gedurende eenigen tijd aan al de gezellige genoegens van het slotleven, aan jacht, renpartijen, dans en spel, aan het tooneelspel, aan levende beelden, aangename conversatie en andere genoegens, op Poolsche wijze kan vergasten. De Polen zijn aan deze gezellige manier van leven zoo gewend, dat zij er niet meer buiten kunnen. En wanneer men hun vertelt, dat in Engeland en in Nederland b.v., dikwijls de heer des huizes alleen met zijne vrouw en kinderen aan den middagdisch of aan de theetafel zit, dan roepen zij uit: "_Ah! que c'est triste_!" en vergeten geheel, dat dit toch ook eene zeer prijzenswaardige huiselijkheid is.

De Polen worden om zoo te zeggen midden in de drukten en de genoegens van het "gezellig samenzijn" geboren, en van de wieg af, in en voor hetzelve opgevoed. Zoodra een jong Poolsch edelmannetje alleen op zijn stoel zitten en op zijne voeten staan kan, tafelt en danst hij, converseert hij en maakt hij pret met de grooten, vermoedelijk niet ten voordeele zijner lichamelijke en verstandelijke gezondheid, ofschoon daardoor de in Polen zoo onontbeerlijke gehechtheid aan het gezellige, wel in de hand gewerkt wordt. De Polen sterven ook niet gaarne in de eenzaamheid, liefst zoo mogelijk te midden eener talrijke omgeving. Daarvan zal ik een merkwaardig geval, dat ik zelf ten deele mede beleefde, mededeelen: eene voorname Poolsche dame, die tachtig jaren te midden van den maalstroom van haren grooten huiselijken kring geleefd had, kon ten laatste niet meer in persoon bij de feesten van haar huis verschijnen. Zij liet haar ziekbed daarom dicht bij de prachtige zaal, waar hare gasten zich iederen avond aan allerlei genoegens overgaven, overbrengen. Men ging nu en dan achter het beschot, dat de beide vertrekken van elkander scheidde, naar haar toe, om haar te vertellen: wie met de schoone Gravin T. de mazurka danste, wie met mejufvrouw P.; en toen zij geen dans of muziek meer verdragen kon: welke whistpartijen er gemaakt waren, wie gewonnen en wie verloren had en verder wat er al zoowat in de zaal gepraat was. Eens op een avond, toen de gasten weder als naar gewoonte een tijd lang bij elkander gezeten hadden, werd plotseling iets van tafel tot tafel gefluisterd. De elegante heeren legden de kaarten neder, stonden op en gingen zacht heen. De bedienden bliezen de lichten uit.--Hunne oude vriendin en meesteres was zooeven, gedurende de soirée, zacht ontslapen.

Men behoeft slechts korten tijd in zulk een Poolsch huis doorgebracht te hebben, om te weten welken grooten invloed de vrouwen in Polen uitoefenen. Over het algemeen munten zij uit door lieftalligheid en gratie, zij deelen den levendigen, lichtzinnigen en ook den ridderlijken geest van het andere geslacht. Daarbij hebben zij meermalen eene grootere mate van ontwikkeling, en dikwijls zelfs eene grootere wilskracht en vastheid van karakter, dan de mannen. Zij zijn de eigenlijke gebiedsters der gezellige samenleving, en zijn steeds ingewijd in de belangrijkste plannen der mannen. Ja! zij leiden deze dikwijls met groote behendigheid en voorzichtigheid, iets wat tot op den laatsten tijd door de politieke en bloedige gebeurtenissen in dit land bewezen is, daar de Poolsche vrouwen niet alleen ruimschoots voor het vaderland offerden, maar ook aan den strijd voor het vaderland deel namen en geen gevaar ontzagen. Algemeen bewonderd en om haar droevig uiteinde betreurd, werd in lateren tijd eene dezer schoone en edele kampvechtsters voor het vaderland, de heldhaftige Gravin Helena, uit het vaderlandslievende geslacht der Graven Plater. Maar men zou een boek kunnen vullen met de levensgeschiedenis van teedere Poolsche vrouwen, die, even als de maagd van Orleans, hare borst ten dienste van het vaderland gepantserd hebben en de uhlanen-lans tegen de Russen en andere vijanden hanteerden. In onbaatzuchtigheid en opoffering hebben deze Poolsche vrouwen meermalen de partij- en ijverzuchtige mannen overtroffen, en een Fransch geschiedschrijver heeft daarom niet geheel ten onrechte gezegd, de kreet: "_Finis Poloniae_" zou nooit weerklonken hebben, als men de Poolsche vrouwen gevolgd was.

Dit "_Finis Poloniae_" is een treurkreet die dikwijls herhaald werd, maar die alleen waarheid behelst en van gewicht is, met betrekking tot het oude politieke staatsgebouw van Polen. Dit is inderdaad in elkander gestort en dood, maar als volk zijn de Polen nog volstrekt niet opgelost of gestorven. Hun ras is, als zoodanig, niets minder dan wegkwijnend of ziekelijk. Veeleer worden bij hen overal, even als vroeger, de krachtigste vrouwen en mannen geboren, en deze hebben ook weder in den loop dezer eeuw, zoowel buiten hun vaderland, in Italië, Spanje en andere landen, met hun ouden, hun eigenen moed gestreden, als binnen de grenzen van het Weichselland wonderen van dapperheid tegen de Russen en Kozakken verricht. Evenmin als met het oog op hun bloed en hun ras, kunnen de Polen, wat hunne moreele toestanden betreft--eenigzins zooals de bandelooze Romeinen tijdens de oplossing van hun rijk--als geheel ontaard of vervallen worden beschouwd. De godsdienst, het gewichtigst element van ieder "vaderland" is nog altijd een heilig goed voor het volk. In vele oude vrome gebruiken en gewoonten openbaart zich hun godsdienstzin. Onder het uiterlijke van een vroolijken wereldzin, bemerkt men, zelfs bij hunne hoogere standen, eene opvallende neiging tot dweepzucht en geestdrijverij. Men ontwaart bij hen een jeugdig gevoel voor het verhevene, geheimzinnige, wonderbaarlijke, waarin zij zich gaarne verdiepen. Zelfs de grijsaards bij de Polen dweepen nog dikwijls als jongelingen, terwijl bij andere volken, b.v. bij de Franschen, dikwijls jongelingen als grijsaards keuvelen.

Het allerminst echter vindt men bewijzen van kwijning in de taal en literatuur der Polen. Te midden van hunnen politieken winter is veeleer voor hunne taal en literatuur eene nieuwe lente ontstaan. In het laatst der vorige eeuw was in geheel Polen weinig verstandelijke beweging. Ja! verscheidene gedeelten van Polen, b.v. Gallicië, werden nog in het begin der tegenwoordige eeuw als een literarisch China beschouwd. In geheel Polen verscheen nauwelijks eene courant, nauwelijks een periodiek blad, om de wereld te bewijzen, dat daar eens een Sigismundische tijd bestaan had.

Sedert de tijden van Napoleon, later sedert het jaar 1830 en nog later sedert 1848, is dit echter aanzienlijk veranderd. Ofschoon ook in deze jaren, bij vergeefsche pogingen, nieuwe politieke ongelukken de Polen troffen, hebben zij toch op nieuw de lier gegrepen, en is uit de oude, nog niet opgedroogde bron der poëzie een frissche stroom ontsprongen. Hunne taal heeft zich aanhoudend verrijkt en veredeld. Wat zij niet in Polen zelf, in deze hunne oorspronkelijke en van nature krachtige taal, denken, schrijven en drukken durfden, dat hebben zij in Parijs, Londen, Duitschland, Amerika en andere landen in het licht gegeven. Er zijn weinige plaatsen, die door hunne drukkerijen bekend zijn, in de wereld, waar ook geene Poolsche boeken gedrukt worden. En zooveel beroemde dichters als de Polen nu hebben, hadden zij vroeger bijna nooit. Al die dichters, wel verre van aan een voortbestaan van hun volk te twijfelen, verkondigen veeleer op profetischen toon, de heerlijkheid, de weder opstanding en den krachtigen roem van hun ongelukkig vaderland. Ja! de eerste dichter der Polen, hun Byron Mickiewitz, een echte zoon van het land, noemt zijn volk zelfs: "het toekomstige middelpunt, het leven wekkende brandpunt van het geheele Slawendom."

Dit alles zijn zeker geene kenteekenen van een inwendig verval van den geest des volks, en eener oplossing van zijn bloed en ras. Veeleer geeft dit alles ons het recht, trots het treurige "_Finis Poloniae_" van Kosziusko, aan het populaire "_nog is Polen niet verloren_" te gelooven, als wij ook al niet kunnen zeggen, hoe hetgeen men met eenig recht meent te mogen voorzien, werkelijkheid zal worden.

DE RUSSEN.

In de uitgestrekte middelste streken van het tegenwoordige Rusland, in de boschrijke bron-gebieden van Don, Wolga, Duna en Dniepr, in het heuvelachtige en vruchtbare Moskovieten-land, hebben sinds onheugelijke tijden de Slawische voorvaderen der tegenwoordige Russen den grond bebouwd, en het land met hunne van hout vervaardigde huizen en dorpen gevuld. Reeds de vader der geschiedenis wijst waarschijnlijk op hen, wanneer hij spreekt over "de landbouwende of Koninklijke Skythen," en latere schrijvers der Byzantijnen spraken dikwijls over hen onder den naam "Anten" (of Wanten?) wat wellicht niets anders is dan ons "Wenden."

Hoe en wanneer zij in die streken kwamen, weten wij niet. Veel echter (zelfs ook verscheidene der eerste, door de Grieken tot ons gebrachte, namen der rivieren, die duidelijk van Slawischen oorsprong zijn), spreekt er voor, dat hier hun oud Europeesch vaderland was. Hunne stammen, die reeds door tijdgenooten van Constantijn den Groote, zeer talrijk en volkrijk genoemd werden, vulden het binnenste der "_immensa spatia_" van het breede oostelijk uiteinde van Europa.

Van de zeebekkens, die de wiegen der Europeesche beschaving geweest zijn, waren zij door andere, hun voorgeschovene volken en landen uitgesloten, in het zuiden van de Zwarte Zee door de groote steppen, die altijd door herdersvolken bewoond waren, in het westen door de, door Lithauers en Finnen bewoonde, moerassen van de Baltische Zee, en in het noorden van de Witte- en Pool-Zee door onmetelijke wouden en de daarin wonende Finsch-Uralische volken. In het oosten hadden zij het groote Azië der Tartaren en Mongolen. Van het middel-Germaansche Europa waren zij door andere Slawische volken gescheiden.

De tijd hunner, ons ten eenemale onbekende, kindsheid, zal wel in ontelbare oorlogen en worstelingen met de hun naburige volken vervlogen zijn, en naar het schijnt hebben de voorvaderen der Russen daarbij meer eene lijdelijke dan eene overwinnende rol gespeeld. Als hun voortijd bijzonder schitterend en roemrijk geweest was, dan zou hij niet zoo duister zijn.

Reeds het vroegste schemerlicht der geschiedenis toont ons de Russische Slawen, als zijnde in eene afwisselende afhankelijkheid, aan de _eene_ zijde van de _Germanen_, die van oudsher de Baltische zee beheerschten, en aan de _andere_ zijde van de _Aziatische Nomaden_. Van beide zijden werden zij herhaalde malen tot onderwerping en dienstbaarheid gebracht, hetgeen op hun karakter en hunne wijze van zijn niet zonder invloed bleef, en deze naar die der overheerschers wijzigde.

Reeds het eerste volk, dat al lang voor Christus geboorte, de oude Hellenen als het ten Noorden van den Pontus gebiedende, noemden, "de nomadiseerende Skijthen", bestond vermoedelijk uit dergelijke Tataarsche herders-stammen, zooals die hier later ook nog dikwijls verschenen. Hunne heerschappij omvatte een groot deel van het tegenwoordige Rusland, en de Noord-Oostelijke Slawen zelfs, waren onder den naam "Skijthen" even goed begrepen, als tegenwoordig ontelbare volken onder den triomfeerenden naam "Russen" verdwijnen, ofschoon zij van geheel ander bloed en stam zijn.

In de derde en de vierde eeuw na Christus, kwamen de Germaansche Gothen over de Oost-zee, en marcheerden veroverend door de groote landschappen heen tot aan den Pontus. De zich hier met der woon gevestigd hebbende Slawen, werden nu onderdanen van den, in het Oosten van Europa eene groote heerschappij hebbenden, Gothen-Koning Hermarich. Na de overwinning op deze Gothen, ketende weder de Tataren- of Hunnen-koning Attila de Slawische onderdanen der Gothen aan zijne zegekar, en voerde hen als zijne rekruten of trawanten ter slachtbank, op de door hem uitgekozene strijdplaatsen in westelijk Europa. Den Hunnen volgden uit het Oosten hunne broeders, de Normandische Avaren en Chazaren, die weder, ten tijde van Karel den Groote, dergelijke uitgestrekte rijken stichtten ten koste der Russische Slawen, en den geessel boven hunne hoofden zwaaiden.

Tegen de Chazaren riepen de geplaagde Slawen vervolgens--wederom--de hulp in van hunne westelijke nationale-vijanden, de Skandinavische Noormannen, en deze kwamen sedert het midden der 9de eeuw, andermaal over de Oost-zee, langs denzelfden weg, waarvan in latere tijden de Zweedsche Koning Karel XII gebruik maakte, Onder hunnen beroemden aanvoerder Rurik (Roderik?) en zijne strijdgenooten, bevrijdden de Zweedsche Wäringer of Waräger (d.i. de verbondenen) het Slawenland van de Aziaten, maar maakten het aan zich zelven onderdanig.

Dezen Germaanschen strijders, die echter ook vele uitstekende eigenschappen als staatsmannen en wetgevers moeten bezeten hebben, gelukte het voor de _eerste maal_, de Slawische stammen tot een duurzaam geheel, tot een staat aaneen te smeden, wat de Slawen, tot dien tijd toe, uit eigene krachten niet hadden kunnen doen. Daar de Ruriks en hunne opvolgers zich geheel van hun eigen vaderland los maakten, eerst in Nowgorod en vervolgens in Kiew hunne residentie opsloegen, en zich met de overwonnen vreemdelingen assimileerden en aansloten, even als de Franken het in Gallië, de West-Gothen in Spanje gedaan hadden, zoo ontstond vervolgens met hunne hulp een nationaal, groot en machtig Rusland, een eenig Russisch volk, dat dezen naam--(naar men zegt is die van Germaanschen oorsprong en werd het eerst langs de kusten van Zweden aangetroffen)--even als zijne eenheid, zijne vroegste wetten en zijne oudste Vorsten en adellijke geslachten, van die Noordelijke Germanen kreeg.

Tot in de 11de eeuw kwamen nog dikwijls nieuwe Skandinavische avonturiers of "Waräger", door de Russische Groot-Vorsten in het land geroepen, naar Rusland over. Even als in Zweden, waren de Skandinavische Vorsten ook in Rusland, door eene schaar raadgevende wapenbroeders, de zoogenaamde "Druschina" omgeven; eveneens deelden deze veroveraars ook in Rusland, naar een oud Germaansch gebruik, het volk voor den krijgsdienst in afdeelingen van 10, 100 en 1000 koppen in, die door zoogenaamde "honderdmannen" en "duizendmannen" gekommandeerd werden. In de Russische dorpen bestaat nog heden ten dage deze uit Zweden afkomstige volksindeeling. Verscheidene Russische historici zijn de meening toegedaan, dat ook oude Skandinavische sagen naar Rusland overgeplant werden, en dat de oudste gedichten der Russen, even als hunne wetten, uit Skandinavischen bodem opgroeiden. Dit, b.v. zou ook het geval zijn, met het onlangs in Duitschland door eene vertaling bekend geworden oudste heldendicht der Russen, het zoogenaamde lied van den tocht van Igor tegen de Chazaren, een soort van Russische Iliade. Het is vrij bekend, dat ook nog tegenwoordig verscheidene der eerste Russische Magnaten-familiën, b.v. de beroemde vorsten Dolgoruki (d.i. de langhanden) hunnen oorsprong bij Rurik en zijne Zweden zoeken.

In deze periode der vroegste van de Skandinaviërs uitgaande schepping van een vasten Russischen staat, valt ook de voor de ontwikkeling van het volk en zijn karakter zoo gewichtige gebeurtenis, de invoering van het Christendom, de grondvesting der Grieksche kerk onder de Russen, voor. Wladimir I, uit het Skandinavische geslacht van Rurik, wien het oude heidendom verdroot, liet omstreeks het jaar 1000, Roomsch-Katholieke zoowel als Grieksch-Katholieke priesters voor zich komen, die hem met de grondstellingen van hun geloof bekend maakten. Ook de Joden en zelfs de Mohamedanen zou hij aanvankelijk ten gehoore ontvangen hebben. Het best echter bevielen hem ten slotte de praal en de ceremoniën der Grieksche kerk, die toen bij andere verbroederde Slawenstammen, b.v. bij de Bulgaren, reeds ingevoerd was, en Wladimir, die in zekeren zin als de Karel de Groote der Russen te beschouwen is, verhief deze tot de nationale kerk der Russen.

De Russen, wier voornaamste landsrivieren naar den Pontus en de Byzantijnsche provinciën stroomden, hadden reeds van den aanvang af met Constantinopel, zoowel in oorlogzuchtige als in vredelievende verbinding gestaan. Goederen, kooplieden, zendelingen, andere gasten, ook Prinsessen van het Keizerlijke huis, waren hun reeds geruimen tijd van daar toegezonden geworden. De eindelijke aanneming van den Griekschen godsdienst, bracht hen nu in nog nauwere betrekking tot het Grieksche rijk.

De Russen plaatsten zich daardoor dikwijls buiten den kring der beschaving van westelijk Europa. Zij namen geen deel aan de enthusiastische pogingen der Roomsch-Katholieke volken ter bevrijding van het heilige graf, aan de kruistochten, en ook niet aan de andere veel leven en opwekking verspreidende impulsiën, van de Kerk van Rome uitgaande, die het geheele Westersche volken-systeem, onder anderen ook de Polen, de Tschechen en andere West-Slawen doorgedrongen zijn, en deze in beweging gebracht hebben. Niets heeft nadeeliger op den nationalen geest der Russen gewerkt, dan de inmenging der Byzantijnsche beschaving en van het stijve Grieksche dogma. Zij hebben zich daarmede zoo nauw verbonden en verbroederd, dat men hun even gemakkelijk hunne nationaliteit, als hunnen Griekschen godsdienst zou kunnen ontnemen. De eerste bisschoppen der Russen waren geboren Grieken, en Rusland werd eene kerkelijke provincie van het patriarchaat te Constantinopel. En zoo ook al niet meer dat patriarchaat, zoo is toch de inrichting der Grieksche hiërarchie en het Grieksche kerkelijke, recht, tot heden bij de Russen van kracht. Ook werden de Russische kloosters natuurlijk naar het model der Grieksche ingericht, en verscheidene der godsdienstige sekten, die voorheen de Oostersche kerk in Griekenland verdeelden, ook naar Rusland overgebracht. Het bouwen van kerken en kloosters, had de invoering van den Byzantijnschen bouwstijl en verscheidene der daarmede samenhangende kunsten, der Grieksche schilderkunst en der kerk-muziek ten gevolge. De kerken werden in Rusland, naar het model van den beroemden Sophia-tempel van Keizer Justinianus in Constantinopel, versierd. Ook bouwden de Russische Graven in hunne residentie Kiew, paleizen en "gouden poorten," in den stijl van de gebouwen der Byzantynsche Keizers. En daar de overige Russische steden hun heilig Kiew eveneens tot model namen, als deze de Grieksche hoofdstad, zoo verbreidde zich dit alles over geheel Europa.