Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 22

Chapter 223,643 wordsPublic domain

In het Weichsel-dal, van hare bronnen uit het Tatra-gebergte tot aan de monding, liggen de beroemdste plaatsen, oude en nieuwere Koningssteden, talrijke burgten van edelen, de beroemdste strijdplaatsen en parlementsvelden der Polen. Aan deze knoopen zich hunne dierbaarste herinneringen vast. Ter plaatse, waar de Weichsel de bergen verlaat, en waar zijne laatste vertakkingen in de vlakte uitsteken, blikt van een der uiterste bergtoppen, "Wawel" genaamd, het schouwtooneel van eeuwen oude sagen, het eens zoo prachtige, nu eenzame, vervallen Koninklijk slot der Jagellonen, op de beroemde stad neder, die het langst de hoofd- en krooningsstad van het Poolsche rijk en zijner Koningen geweest is. Met talrijke torens, prachtige kerken, ouderwetsche gebouwen die rijk aan monumenten zijn, strekt Krakau zich langs den voet der bergen in het Weichsel-dal uit. Oude grafheuvels, hoog als de pyramiden, liggen als stomme getuigen van een groot verleden in het landschap verstrooid, en onder deze den heuvel welken men den laatsten Pool (Kosziusko) oprichtte, tot welks bouw ieder patriot een hoopje aarde bijdroeg. Eens rijke en beroemde abdijen versieren den achtergrond van dit oude Persepolis der Polen. Ruïnen van talrijke burgten, deels de stamsloten van edele en beroemde geslachten, deels door de vorsten ter verdediging des lands gebouwd, stijgen in de bosschen op rotsen omhoog, en vormen een schilderachtigen krans langs den voet der Karpathen en langs de zijrivieren van den Weichsel, westwaarts tot naar Silezië en oostwaarts tot aan de Russische grenzen.

Verder beneden Krakau, stroomt de Weichsel nog door menig fraai dal tot naar Sandomir, de hoofdstad van het oude Wojewodschap van den zelfden naam. Daar besproeit hij de vruchtbaarste velden van het land. De stamhuizen der doorluchtige familiën der Ossolinskij, der eens machtige Zborowsky, en vele oude Benediktyner en Cisterzienser-abdijen versieren den stroom, die op zijn linker-oever nog overal door schilderachtige rotswanden versierd is. Niet minder vruchtbaar zijn de, van Sandomir rivier-afwaarts liggende heuvelvlakten van het vroegere Wojewodschap Lublin, waar de tarwe den rijksten oogst geeft, en waarin, aan een der zijrivieren van den Weichsel, de oude eens volkrijke hoofdstad van gelijken naam, met vele paleizen van beroemde adellijke geslachten, kerken en kloosters versierd, ligt. Aan den Weichsel zelf volgt verder Kazimierz, met de ruïnen van het door Kasimir den Groote gebouwde slot, en verder benedenwaarts het door de edele Czartoryski's rijk versierde, door Poolsche en Fransche dichters bezongene en door de Russen verwoeste, wereldberoemde Pulawy; en zijwaarts aan de oevers eener zijrivier "Sobieska Wola", de zetel van Johan Sobiesky, den bevrijder van Weenen. Oostwaarts krijgt het landschap een ander karakter; in plaats van de heuvels ziet men groote vlakten, die zich verderop in de eindelooze moerassen van Volhynië verliezen. De Weichsel zelf treedt eerst bij de monding der Pilica, ongeveer in het midden van zijnen loop, geheel uit de zuidelijke hoogten des lands te voorschijn. Nu eerst verdwijnen zijne tot nu toe hooge, met bosschen omkranste, dikwijls romantische oevers, en nu vliet zij in een breed dal rustig naar het noorden. Op zijn westelijken oever verschijnt nu, op aangename hoogten gelegen, de residentie der latere Poolsche koningen, het prachtige en ongelukkige Warschau, dat altijd, als geheel Polen zelf, zijn voorhoofd (het bruggenhoofd Praga) naar het Oosten keerde, en in welks stadsgebied den ouden oostelijken erfvijand zoo veel schitterende slagen geleverd werden.

Er zijn niet veel landen en volken, wier geheele geschiedenis en ontwikkeling, zich zoo om ééne rivier heen beweegt, zoo als het leven der Polen om hunne "Wisla". Van haar uit, die hun bij al hunne bewegingen tot operatie-basis diende, verbreidden de Polen zich hoofdzakelijk in drie richtingen, in welke zij hunnen invloed verder uitbreidden. Het eerste naar het zuid-oosten in de richting van den Dniepr, waar zij zich, in Volhynië en in de vruchtbare heuvelachtige streken van Podolië, verscheidene klein-Russische stammen en Vorstendommen onderwierpen, waar zij het oude Russische Kiew veroverden en beheerschten, en den Ruthenischen adel van het land poloniseerden.--Vervolgens naar het noord-oosten--naar de bosschen en moerassen aan den Niemen en aan de Duna, waar zij op de nog langen tijd barbaarsche en Heidensche Lithauers stieten, die hun eerst, door tallooze verwoestende invallen, verderfelijk waren, maar die zij sedert de 14de eeuw steeds meer en meer binnen den kring van hun nationaal-leven trokken. De Polen verwierven zich naast de Duitsche ridders de verdienste, deze streken en volken van Europa het Christendom te brengen en hen te vereenigen met de Roomsch-Katholieke Kerk. De Groot-Vorsten van Lithauen, de Jagellonen, die door huwelijk met de laatste Piastin Hedwig, de Poolsche kroon verwierven, werden daarbij zelven Polen. Ook nam ten lange laatste, in den loop der tijden, de geheele Lithauïsche adel de taal der Polen, die meer beschaafde natie aan, en daar hij eindelijk in alle opzichten gepoloniseerd werd, zoo deelt hij ook nu nog de Poolsche sympathiën. In direct oostelijke richting eindelijk, stieten de Polen op de eigenlijke Russische kern-landen. Hierheen zijn zij langs de zijrivieren van den Dniepr, langs den zelfden door de natuur aangegeven weg, waarlangs ook de grootste veroveraar onzer eeuw, Napoleon, het Oosten aanviel, ontelbare malen gemarcheerd en hebben zij, onder de Jagellonen en onder hunne heldhaftige koningen Stephanus Bathory en Johan Sobiesky, vele schitterende overwinningen op de Russen behaald.

In het midden en tot na het einde der 16de eeuw had de heerschappij der Polen hare grootste uitbreiding gekregen. Toen waren zij, wat nu de Russen zijn, het machtigste volk in het Oosten van Europa. Toen hadden zij zelfs de geheele Duna- en Dnieprlinie in hun bezit. De witte Poolsche adelaar breidde zijne vleugels van de Oostzee tot aan de Zwarte Zee uit. Toen handelde de Poolsche partij en het leger, zelfs in Moskau, herhaalde malen naar goeddunken, en meer dan de helft der Russische volkeren stonden onder Poolschen invloed.

De uitbreiding der Roomsch-Katholieke kerk, waarmede ook vele Russisch-Grieksche volken onder de heerschappij der Polen vereenigd werden, en met welke deze--zelfs na de slechts gedeeltelijk gelukte terugvoering der vereenigden, tot de Grieksch-Russische nationale kerk door keizer Nikolaas--nog heden ten dage vereenigd zijn, mag als een nu nog bestaand gevolg der uitgebreide Poolsche heerschappij beschouwd worden, en evenzoo de groote uitbreiding van Poolsche taal en zeden op Russischen ondergrond. In het vroeger door Russische Groot-Vorsten beheerschte Gallicië, in Volhynië en Podolië tot aan "het heilige Russische Kiew", in de geheele westelijke helft van Klein-Rusland of het Russinnen-land, is de Russische nationaliteit in hoogen graad uitgewischt. Van de familiën der Russische vorsten, de nakomelingen en opvolgers van Wladimir den Groote, die het rijk onder elkander verdeeld hadden, is niets meer over gebleven. Poolsche taal en Poolsche zeden hebben hier eene merkwaardige, beslissende en blijvende overwinning op het oudere Russendom behaald, en zijn langzamerhand tot in alle hoogere standen en klassen der maatschappij doorgedrongen. Zelfs de Grieksch-Slawische priesterschap heeft daar hare Russische taal vergeten. Zelfs in de vertrouwelijkste, alledaagsche gesprekken bedient men zich van de Poolsche taal, en het Russische dialekt is slechts aan het onbeschaafde landvolk eigen gebleven.

Toen, ook gedurende de geheele 16de eeuw, in den glorierijken tijd der Sigismunden, der laatste Jagellonen, bereikten taal, literatuur en ontwikkeling der Polen hun toppunt, en deze tijd wordt dan ook hun "gouden tijd" genoemd. De wetenschappen verheugden zich in eene ongewone beoefening en gunst. Koningen en Magnaten stichtten akademiën. De naar het model van Praag ingerichte universiteit te Krakau, waarvan Copernicus lid was, telde niet minder dan over de 50 drukpersen. Daar en ook buitenslands, in Duitschland, Frankrijk en Italië, bezochten de Polen de hoogescholen. Ook de Poolsche dames hadden hare bloeiende scholen in de kloosters, waarin zij zelfs de Grieksche en Romeinsche dichters lazen. De Polen wijdden zich met evenveel liefde aan de literatuur en de dichtkunst, als aan de wapens. En toen na het midden der 16de eeuw, eenige dezer goed ontwikkelde Polen in Parijs verschenen, om den door hen gekozen Koning Hendrik van Anjou te begroeten, schilderde een beroemd Fransch geschiedschrijver van dien tijd hen op de volgende wijze: "het geheele Parijsche volk," zegt de Thou, "stond verbaasd over de verschijning dezer Poolsche gezanten; over hunne fijne pelzen, hunne elegante en met edelgesteenten bezaaide kleederen, over hunne waardige en manhafte wijze van zich voor te doen, en vooral over de gemakkelijkheid, waarmede zij zich in het Fransch, Duitsch, Latijn en Italiaansch uitdrukten. Deze vreemde talen spraken zij, als hunne eigene. Zij spraken onze Fransche taal zoo zuiver en zoo juist, dat men zou kunnen gelooven, dat zij niet aan den Weichsel, maar aan de oevers der Seine geboren waren. Onze Fransche hovelingen schaamden zich voor hen, als onwetenden, en de meesten hunner antwoordden, als hunne Poolsche gasten met hen over wetenschappelijke zaken begonnen te spreken, slechts door teekens, en bleven blozend zwijgen. Aan het geheele Fransche hof vond men slechts twee mannen, die in staat waren die Polen in het Latijn te antwoorden."

Een even vleiend getuigenis geeft Muretus, een der grootste geleerden der 16de eeuw, die door Koning Stephanus Bathory uit Italië naar Krakau beroepen werd, aan de Polen. "Onder onze Italianen," dus zegt deze beroemde man, "is nauwlijks één onder de honderd, die het Latijn verstaat of smaak voor de wetenschappen heeft. Onder de Polen daarentegen vindt men eene groote menigte mannen, die beide talen volkomen verstaan, en die eene zoo groote voorliefde voor de wetenschappen hebben, dat zij haar hun gansche bestaan wijden."

Ook de aangelegenheden der steden en harer burgers, verkeerden toen in een betrekkelijk bloeienden en geregelden toestand, beschermd als zij waren door de stedelijke privilegiën. En zelfs de arme landman was nog ver van de vernedering, armoede en slavernij, waartoe hij later vervallen is. De tijd van den grooten Kasimir, die zich (in de 14de eeuw) den eeretitel van "den boerenkoning" verwierf, lag nog niet ver. Velen hebben zelfs beweerd dat, in de 14de, 15de en tot in de 16de eeuw, alle eeren en waardigheden in Polen, voor den wedijver en de deelneming van alle klassen ruimer waren opengesteld, dan in andere Europeesche landen. Verscheidene der beroemdste Poolsche mannen uit dien tijd behoorden oorspronkelijk tot den boerenstand.

Sedert het uitsterven van den erfelijken koningsstam der Jagellonen (in het laatst der 16de eeuw), verminderden de bloei en de macht van het Poolsche volk, en gedurende de 17de eeuw gingen de zaken een snel en steeds sneller verval te gemoet. De monarchie werd een kiesrijk. Het kiezen der koningen begon hevige oneenigheden te veroorzaken, en duizende edellieden verzamelden zich daartoe gewapend op het veld bij Warschau, en kampeerden daar, in op elkander verbitterde partijen gescheiden, dikwijls zelfs als vijanden des lands, in tegenover elkander liggende legerplaatsen. De wijze waarop de verkiezing van een Koning plaats had, en de den koningen voorgelegde voorwaarden, werden telkens veranderd. De eene nieuwigheid volgde op de andere. En bij iedere schrede verder werden de, voor het geheel en de eenheid zoo weldadige, prerogatieven der kroon, verzwakt; terwijl intusschen de macht en de overmoed van den adel steeds toenam, zonken de lagere volksklassen, door den adel in het stof vertreden, in steeds dieper ellende en werden zij hoe langer zoo minder beschermd.

De adel matigde zich zulke groote persoonlijke privilegiën en vrijheden aan, dat hij ten laatste niet meer in staat was een politiek geheel te vormen. Ieder dezer Poolsche edellieden bezat op zijn grond en bodem de rechten van een souverein, daar was hij als het ware, een onafhankelijk koning. De wetgeving van het volk en den staat betrof slechts zijn stand. Tegenover zijne vazallen, ondergeschikten en lijfeigenen, regelde hij zelf de wetgeving, was hij zelf rechter en onbeperkt souverein. De Poolsche staat, dien men eene republiek noemde, was ten laatste niets anders dan een bondgenootschap van ontelbare kleine despoten. En deze despoten verbonden zich onder elkander niet alleen tegen hunne lijfeigenen, tegen den koning en het rijk, maar ten laatste ook tegen de hun vijandige fractiën hunner eigene kaste.

De merkwaardigste en verderfelijkste politieke instelling van geheel eigenaardige Poolsche vinding, is echter het beruchte "vrije veto", treuriger nagedachtenis, geweest. De voorstellingen van het ideaal van persoonlijke vrijheid en individueele onbeperktheid van macht van den edelman, ontaardden bij de Polen zoover, dat zij de, in geen anderen beschaafden staat ooit gehoorde bepaling vaststelden: een lid der republiek, d.i. een edelman, mag onder geene voorwaarde, zelfs niet door de meerderheid der natie gedwongen worden, eenig besluit, eenige wet of eenige keuze aan te nemen, als hij niet zijne vrije persoonlijke toestemming geven wil. Men gaf aan ieder afzonderlijk het recht zijn "_Nie pozwalam_" (ik _wil_ het niet) tegen den wil van de meerderheid te stellen, en een enkel stijfhoofdig of door vreemde invloeden gewonnen individu, kon daardoor de meerderheid machteloos maken. De geschiedenis levert ons geen tweede voorbeeld van eene dergelijke staats-instelling. Door de steeds toenemende ontwikkeling en doorzetting van deze onzinnige grondstelling, ontnamen de Polen aan hunnen staat alle stabiliteit, maakten dien en het volk, om zoo te zeggen _onmogelijk_. Een volk met zulke allerdolste aristokratische idealen in het hoofd, _moest_ weldra den ondergang gewijd zijn. Daardoor werd aan de partijschappen van binnen, en aan het ingrijpen van vreemde machten van buiten, deur en poort geopend. Polen werd een nimmer rustende vulkaan, die zich zelven vernietigde, de vreemdelingen in het land lokte en ten slotte onder zijne eigene ruïnen begraven werd.

De dubbelgangers der Polen, hunne mededingers en naburen, de Russen, die zich sedert het begin der 16de eeuw onder het Vorstenhuis der Romanows, tot een steeds machtiger en steeds verder om zich heengrijpenden staat gevormd hadden, begonnen nu zich van den invloed der Polen, die hen eens overweldigd hadden, vrij te maken, en hun de eene oostelijke provincie voor, de andere na te ontnemen.

Kort na het midden der 17de eeuw, kregen zij de zuidelijke helft, van de sedert langen tijd aan de Polen behoord hebbende provinciën, oostelijk van den Dniepr, de Ukraine, het geheele land der Kozakken en voor de tweede maal Smolensko, dat zij reeds eenmaal, in het jaar 1500 veroverd hadden--in den loop der 18de eeuw door de reeks zoogenaamde verdeelingen van het snel verzinkende Polen, die elkander slag op slag volgden, het eerst in het jaar 1772, de rest van het land oostelijk van den Dniepr, het vorstendom Witepsk; vervolgens in 1793 het land westwaarts langs den Dniepr, Podolië en de rest van Klein-Rusland, twee jaren later in 1795 het voornaamste gedeelte van Lithauen, benevens Koerland en Volhynië. Het Weichsel-land kwam bij deze deelingen ook gedurende korten tijd onder Oostenrijk en Pruissen. Maar sedert 1815 heeft Rusland ook dit voorname stuk, het geheele middenste gedeelte van het oude nationale Poolsche Weichsel-land in bezit genomen, en nu zijn sedert dien tijd, verreweg de meeste der eens door de Polen bevolkte of bezette landstreken, hunnen vijandigen broeders, den Russen, onderworpen. Aan Pruissen is slechts de kleine oude Poolsche wieg aan de Warthe en den zoom der Oostzee-kusten, en aan Oostenrijk de fraaie Poolsche landschappen aan den noordelijken rand van den Karpathen-muur ten deel gevallen.

Bij hun uitstekenden aanleg, niettegenstaande hunnen moed en ridderlijken zin, schijnen aan de natuurlijke geaardheid der Polen, van den aanvang af, en meer dan ooit in de laatste tijden van hun staatkundig bestaan, vele eigenschappen ontbroken te hebben, die bijzonder geschikt zijn het geluk van staten en volken te grondvesten. Men heeft hen de genialen maar buitensporigen, en ook wel den "verloren zoon" van moeder Europa genoemd. Vooral schijnt hun niets van den spaarzamen, huishoudelijken, industrieelen en nijveren zin, die onder vele andere goede hoedanigheden de Germaansche volken kenmerkt, eigen geweest te zijn. Van hen is het spreekwoord afkomstig: "op de jacht een haan dooden en aan den maaltijd een os eten." En de uitdrukking "'t ziet er Poolsch uit," is ook bij ons, in de beteekenis van een verward staatsbestuur en ongeregelde huishouding, spreekwoordelijk geworden.

Ofschoon groote beminnaars van poëzie en muziek, hebben zij zich nooit met goed gevolg op handel, handwerken en kunsten toegelegd, en worden bij hen niet de geduldige, werkzame, zeer te waardeeren middenklassen gevonden, die voor iedere menschelijke maatschappij zoo weldadig en noodzakelijk zijn, en die haar eerst volkomen maken. Zij waren altijd de uitersten toegedaan. Daar oorlogsroem, heerschappij, een schitterend, teugelloos en ongebonden leven, voor hen de hoogst mogelijke bekoorlijkheid bezat, zoo moesten, opdat dit alles aan _eenigen_ ten deel zou vallen, _velen_ tot afhankelijkheid en tot harden slaafschen arbeid gedoemd worden. De bescheidene idealen van een vrijen, nijveren boer, of van een eerzamen, vlijtigen burger, zijn dingen, waarvan de Polen zich nooit een goed denkbeeld hebben kunnen vormen. De adel was de spil, waarom bij hen alles draaide. Wie slechts het geringste grondbezit machtig was, wilde bij hen stedelijk edelman en magnaat worden. Scheppende handels- en nijverheids-koloniën zijn nooit van de Polen uitgegaan, alleen adellijke- en militaire koloniën.

De Polen vormden in deze hunne neigingen, een groot kontrast met de naburige Duitschers, die in alle takken van het menschelijke kunnen en volbrengen, een zoo ernstigen, volhardenden en werkzamen zin bezaten, en hoofdzakelijk daardoor op de Polen zulke merkwaardige overwinningen behaalden. Als nijvere en ondernemende kooplieden, hebben de Duitschers namelijk den Polen de lange kuststreek langs de Oostzee weggenomen, en hier, van Dantzig over Koningsbergen, Memel en Libau tot aan Riga, langs de geheele kust van het oude Poolsche rijk, eene reeks bloeiende Duitsche handels-koloniën gesticht. De Polen hebben zich door hen overal van den levenwekkenden adem der zee laten afsluiten. Eens (in het laatste der 15de eeuw) hebben zij deze streek Duitsche koloniën wel voor eenigen tijd heroverd, hebben zij hunne grenzen weder tot de zee uitgebreid, en, naar men zegt, toen zij destijds de Baltische zee zagen, van blijdschap gedanst. De Polen dansten en zongen wel, maar zij verstonden de kunst niet, zich de zee ten nutte te maken. De Duitschers gingen, zelfs onder Poolsche opperheerschappij, voort, van de zee gebruik te maken, en bleven daardoor de eigenlijke bezitters en voordeeltrekkenden van het strand. Na eenigen tijd maakten zij zich ook in politieken zin weder onafhankelijk van de Polen, sneden dezen weder geheel van de zee af, terwijl zij langs de kust alles germaniseerden, en de Polen noodzaakten zich tevreden te stellen met de moerassen en wouden van het binnenland. Ook in vele gedeelten van dit binnenland drongen de bedrijvige Duitschers binnen, en vormden zij bij de Polen, even als bij de Tschechen en Magyaren, het wezenlijk element der bevolking van de steden.

Met de Duitschers, maar in veel grooter aantal dan deze, kwamen de Joden in het land en namen bij voorkeur de uitoefening op zich, van verscheidene der burgerlijke bedrijven, waarvoor de Polen geen aanleg of lust hadden. Zij, de kinderen Israëls, vonden bij de Polen een zoo gunstig terrein, dat zij in alle steden, dorpen en gehuchten, waar Polen woonden en heerschten, als handwerkslieden, kunstenaars en kramers, de ledige ruimte binnendrongen die zij in het Poolsche nationale-zijn vonden, en hier weliger tierden dan in eenig ander land van Europa. Zij vormden een surrogaat voor de den Polen ontbrekende midden-klasse, en als 't ware den derden stand van het volk, daar zij het midden hielden tusschen de overmoedige heeren en de ellendige onwetende lijfeigenen. Terwijl echter in andere landen "de derde stand" eene weldaad is, zijn deze Joodsche burger-gemeenten in Polen dikwijls eene plaag voor het land geweest, en toch eene onontbeerlijke toevoeging. Zooals de Duitschers door hunne meerdere beschaving, en de Joden door hunne rustige industrie, zoo hebben de nationale vijanden der Polen, de Russen, in den loop der tijden de overwinning op hen behaald door de enkele hoedanigheid: gehoorzaam en ondergeschikt te zijn aan een leidenden wil, welke hoedanigheid de Russen in hooge mate bewaard of zich eigen gemaakt hebben, ofschoon zij overigens, in hunnen geheelen verstandelijken en lichamelijken aanleg, vooral niet boven de Polen staan.

Men heeft meermalen de Polen de Franschen van het Noorden genoemd. Even als deze zijn zij levendig, vlug en bevattelijk, maar tegelijkertijd ook even als deze onbestendig. Altijd zijn zij bij dans- en vechtpartijen en bij drinkgelagen vooraan. Zelfs de ouderen van dagen bij de Polen, wier hoofden reeds grijs zijn, hebben nog iets van het vlugge der vechtersbazen der universiteiten. Evenals de Franschen bezitten de Polen eene elasticiteit, die hen zich in alle omstandigheden doet schikken, alle indrukken doet volgen en geene blijvend aanneemt. Hun doen en hun denken zijn eeuwigdurend met elkander in strijd. Evenals het de menschelijke ziel in het algemeen eigen is, de sterkste tegenstellingen in zich op te nemen, zoo weet zulks de Pool in hooge mate te doen.

Jaren lang leven zij onbezorgd, vroolijk daarhenen, maar plotseling rapen zij alle krachten samen tot het bereiken van een of ander doel, dat hunne geestdrift heeft opgewekt, en weten zij een tijdlang met veel energie te handelen. Onverschillig, oppervlakkig en alles veroordeelende, beschouwen en bespreken zij menschen en zaken, maar vatten vervolgens op eens haat of liefde voor een persoon of eene zaak op. Heden vieren zij een feestdag met boete en gebed, morgen een luidruchtig carneval in vroolijkheid en brooddronkenheid. Het eene uur spreken zij vol geestdrift over vrijheid en menschenrechten, en in het volgende zondigen zij, misschien hoogst ondoordacht, daar tegen, in de behandeling hunner bedienden en ondergeschikten.

Geestdrift en apathie, ijver en nalatigheid, toegeving en tegenstand, verkwisting en gierigheid, al deze tegenovergestelde eigenschappen treden in de geschiedenis der Polen, even als in hun dagelijksch leven, duidelijk te voorschijn. En evenzoo ook de grootst mogelijke trotschheid naast de vernederendste onderworpenheid. Een duidelijk bewijs hiervan geeft het reeds vermelde "_Nie pozwalam_," dat een Poolsch edelman, in het gevoel zijner souvereine grootheid, tegenover de besluiten stelde van het parlement en den wil van het geheele volk, alsmede de in Polen zoo gebruikelijke phrasen, "ik kus uwe voeten" of "ik val onder uwe voeten," uitdrukkingen, die bij alle klassen van Polen, eene even gewone uitdrukking van dank is, als in Weenen het welbekende maar veel gematigder, "ik kus u de hand"--"Maar"--zegt eene talentvolle schrijfster, die over de Polen schreef--"al deze verschillende, afwisselende, in elkander overgaande, dikwijls moeielijk van elkander te onderscheiden eigenschappen van het Poolsche nationaal karakter te schilderen, is bijna even moeielijk als eene poging om de kleuren van den vleugel eener kapel te analiseeren. Reeds door het aanraken wischt men het teere en bonte email weg."