Geschiedenis der Europeesche Volken

Chapter 21

Chapter 213,541 wordsPublic domain

Herhaalde malen geraakten de Tschechen in verval, even dikwijls echter verhieven en vereenigden zij zich weder, joegen de vijanden van hunne grenzen terug, trokken over hunne bergen de daarbuiten gelegen landen binnen en annexeerden ze: Moravië in het zuiden, Silezië in het oosten, de Lausitszen in het noorden, Franken in het westen, voegden zij als nevenlanden bij het gesloten hoofdlichaam van hun rijk. De Tschechen voerden om zoo te zeggen, al het land en volk, dat zich aan den buitensten voet van hunnen bergketel bevond, meermalen in triumf met zich mede. Somwijlen heerschten hunne Koningen tot diep in Hongarije en tot aan de grenzen van Italië, even als de Markoman Marbod dit, van uit ditzelfde land, ook eens gedaan had. Maar steeds werden hun die zoogenaamde "nevenlanden" weder afgenomen en als te welig uitgewassene takken afgehakt. Zij beheerschten ze niet lang genoeg om ook hunne Slawische nationaliteit, ras en taal daar blijvend te doen zijn. Met deze bleven zij steeds tot hunne vesting, het Boven-Elbe-bekken, beperkt.

Maar ook in het binnenste hunner bergvesting werden zij in den loop der tijden, meermalen met Duitsche elementen overstroomd, vermengd en doortrokken. Daar hunne geestelijke leiders en kerkleeraars meermalen uit Duitschland kwamen--daar hunne Koningen tot Keurvorsten en grootwaardigheid-bekleeders van het Duitsche rijk verheven werden--daar zij, vooral na de germaniseering van Silezië in de 13de eeuw, steeds meer in het Duitsche rijk ingeweefd werden,--daar Duitsch recht, Duitsche wetten meermalen bij hen van kracht waren--daar eindelijk na het uitsterven van het oude Slawische Koningsgeslacht der "Przemysliden" in het begin der 14de eeuw, Duitsche Vorsten en Keizers in de hoofdstad van Boheme resideerden,--zoo vulden zich ook de hoven der Vorsten, de kloosters, de bisschoppelijke zetels, de steden steeds meer en meer met Duitschers. De steden der Tschechen werden, even als die van Hongarije en Polen, bijna allen door Duitschers gebouwd en aanvankelijk door Duitsche burgers bewoond, die echter te midden van de oude, echte Bohemers, dikwijls weder tot Slawen verbasterden.

De zoogenaamde Hussiten-oorlogen, die in het begin der 15de eeuw uitbraken, mogen wel als de laatste groote nationale beweging der Tschechen, en als hun laatste krachtig optreden in Duitschland, beschouwd worden. Ofschoon godsdienstige geschillen de naaste aanleiding tot deze vreeselijke oorlogen waren, zoo namen zij toch weldra, daar Huss en zijne ideën op ouden Slawischen grond en bodem stonden, en daar aan de andere zijde het rijk en de Keizer der Duitschers zich bij de "rechtgeloovige" partij schaarden, eene _nationale_ wending.

Even als onder Samo, als onder Boleslaus en Ottokar, stroomden daarbij de Tschechen weder van alle zijden en gedurende meer dan 10 jaren, uit hunnen bergketel, en verwoestten zij, onder hunne eenoogige en vreeselijke Ziska's en kaalhoofdige Prokopen, de Duitsche landen, ten oosten, noorden, westen en zuiden rondom hunnen bergketel gelegen.

Daarentegen mag men den slag aan den Witten Berg, waarin (in het jaar 1620) weder, even als meermalen te voren, Duitschers en Tschechen tegen elkander over stonden, en de daarop volgende vreeselijke reactie onder Keizer Ferdinand II, als een zeer bloedigen en op onmenschelijke wijze benutten triumf der Duitschers op de Tschechen beschouwen.

Deze voor 250 jaren geleverde slag werd langen tijd door de Boheemsche geschiedschrijvers, als het "_Finis Bohemiae_" beklaagd, even als de slag op het Amselfeld, die de Zuidelijke-Slawen tegen de Turken verloren, als het einde van Servië, of als de slag bij Maciejowicz als de ondergang van Polen. Na dien slag werd de Duitsche taal met geweld bij de Tschechen ingevoerd. De oude Boheemsche adellijke geslachten stierven uit en hunne goederen werden onder Duitsche heeren verdeeld. Verscheidene, gedurende den dertigjarigen oorlog verwoeste, landstreken werden door Duitsche kolonisten bezet. Verscheidene duizende Tschechische familiën werden uit het land verdreven, en men vindt hunne Slawische namen nu nog onder de burgers van Dresden en andere Saksische en Pruissische steden. Het Tschechisch werd voortaan eene "boerentaal" genoemd; ook legden toenmaals de Tschechen hunne oude nationale dracht af.

Het volslagen einde van het volk was dit echter niet. Gedurende de twee eeuwen, die op den ongelukkigen dertigjarigen oorlog volgden, hebben de Tschechen zich langzamerhand ook weder vermeerderd en versterkt. En toen, na den val van den volken-onderdrukkenden Napoleon, over alle nationaliteiten van dit werelddeel een belevenden adem woei, toen hebben ook de Tschechen, even als de Hongaren, de Serviërs, de Walachyers en de Grieken, zich hunnen oorsprong herinnerd. Vaderlandslievende dichters, geleerde mannen, bekwame geschiedschrijvers en oudheidkamers zijn onder hen opgestaan, en hebben de geschiedenis van het volk verheerlijkt, zijne literatuur verrijkt, zijne oude "boerentaal" gezuiverd en weder in eere gebracht.

Uit alle hoeken van het land, uit de oude sloten en kloosters, zelfs uit de kerktorens zijn de sporen en getuigen zijner vroegere nationale grootheid voor den dag gekomen. In den knop van den kerktoren der Boheemsche stad Köninginhof, hebben zij eene verzameling van oude Slawische heldenliederen en lyrische gedichten gevonden, die den Tschechen in den nieuweren tijd even waard geworden zijn, als den Duitschers hunne Nibelungen-liederen.

Op den ouden grond is nu eene nieuwe bloesemrijke Tschechische literatuur ontsproten, en deze heeft zich ver buiten de grenzen van het oude Boheme uitgebreid en aanzien verworven. De Slawische Moraviërs in Moravië, de Slowaken in Noord-Westelijk Hongarije, die van den beginne af in stam en taal de naaste verwanten der Tschechen waren, en zich dikwijls met hen onder dezelfde heerschappij vereenigden, hebben den Tschechen hunne sympathie weder betuigd, zich aan hunne literarische onderzoekingen aangesloten, en zich gewend, zich met hen als één volk te beschouwen. Zij hebben het spraakeigen der Tschechen, deze ijverige voorvechters der nationaliteit hunner gezamenlijke volkengroepen, als hunne literatuur-taal aangenomen. En zoo vindt nu weder alles, wat bij de Bohemers in Praag gesproken, gedacht, onderzocht en gedrukt wordt, een grooten weerklank bij meer dan 8 millioen Slawen, die elkander als broeders beschouwen en die, bij de verschillende schokken van den nieuweren tijd, reeds van eene herstelling van een Groot-Moravisch of Groot-Tschechisch rijk droomen, zooals dat eens ten tijde van Keizer Arnulphus tusschen den Donau en de Karpathen, van het Saksische ertsgebergte tot in de nabijheid van Zevenburgen bestaan heeft.

De Tschechen--en wat men van hen zegt, geldt, ten gevolge van het zooeven opgemerkte, ook in meerdere of mindere mate van de hun nabestaande Moraviërs en Slowaken--beschouwt men onder de Slawen als de representanten van het cholerisch temperament, terwijl men den Polen en Russen het sanguinische, den Zuidelijken-Slawen en Serviërs het melancholische temperament toeschrijft. Zij bezitten niet de ridderlijke manieren en de vroolijke levenslust der Polen. Zij zijn somberder, achterhoudender en minder beweeglijk dan de Russen. De Duitschers schelden hen uit voor stijfkoppig, hardnekkig, sluw en arglistig, somber en wantrouwend. Twistzucht en de zucht altijd gelijk te willen hebben zou hun erfgebrek zijn. De "groote ernst en sombere trots", die de Tschechen van de overige, veel luidruchtiger en lichtzinniger Slawen onderscheiden, zijn hun wellicht gedeeltelijk, tengevolge van hun verkeer en strijd met de Duitschers, eigen geworden. De oorzaak daarvan moet niet, zooals sommigen meenen, in hunne tragische nationale geschiedenis gezocht worden. Want reeds in de 9de en 10de eeuw, toen de Duitsche jaarboeken melding van hen begonnen te maken, zien wij in de Tschechen "ernstige en hardnekkige menschen." Vele vreemde schrijvers hebben, wat energie en genialiteit betreft, den Polen de eerste plaats onder de Slawen toegekend. Een uitstekend Pool echter, Maciejowsky, geeft deze eer aan de Tschechen en stelt deze boven de Polen, waar hij zegt dat zij, onder alle Slawen, met de levendigste verbeeldingskracht, met den scherpsten blik begaafd zijn en "het meest vatbaar zijn voor hooghartige gevoelens en verhevene dichtkunst."

Hun "politiek talent", dat zich vroegtijdig in de schepping van een eigen, onafhankelijk, en hunnen Duitschen erfvijand lang het hoofd biedend, koningrijk openbaarde, wordt nog heden ten dage, veel aangewend in de groote Oostenrijksche monarchie, waartoe zij behooren. De bestuurs-bureaux van Weenen, Gallicië, van Hongarije en zijne nevenlanden, zijn met eene menigte bekwame en geschikte beambten uit Boheme voorzien. Dat zij, van hunne groote Slawen-familie afgescheurd, zonder nationalen of geographischen zamenhang met een grooter geheel, toch hunne eigendommelijke wijze van zijn bewaard hebben, zelfs onder den dikwijls zwaren druk van den Duitschen schepter, bewijst meer dan iets anders, dat zij van eene krachtige, vaste grondstof zijn, die eene nog verdere ontwikkeling belooft.

De Tschechen houden, even als alle Slawen, veel van muziek en dans. Er is geen land ter wereld, waaruit jaarlijks zooveel muzikanten te voorschijn komen, als uit Boheme. In het Parijsche muzikale Lexicon, zijn het meerendeel der daarin genoemde virtuozen, Bohemers. Onder 2650 muzikale celebriteiten van Europa, bevinden zich 709 Bohemers, 701 Italianen, 517 Duitschers, slechts 134 Franschen en niet meer dan 27 Spanjaarden en Portugeezen. Hierbij moet men echter opmerken, dat Bohème wel virtuoozen maar slechts zelden componisten voortbrengt, waarom bij al hunne bekwaamheid en vormbaarheid, die den Slawen in het algemeen eigen is, hun de gave iets uit te vinden, ontzegd wordt. En dan zeker moet men ook een groot gedeelte van hen, die daar "Bohemers" genoemd worden, niet tot de Tschechische, maar tot de Duitsche Bohemers rekenen, die--door den muzikalen geest van hunne Slawische buren geïnspireerd--overeenkomstig hunnen even ontvankelijken als vindingrijken geest, die kunst onder zich nog verder ontwikkeld hebben.

In de dorpen der muziekminnende Tschechen en Moraviërs, ziet men dikwijls iets dergelijks gebeuren als in Rusland, waar somwijlen ook het zwaarste werk onder muziek verricht wordt. De tot het doen van heerendiensten verzamelde lieden trekken met violen en hobo's op, en eenige hunner virtuozen musiceeren onder het werk, dat hun dan gemakkelijker van de hand gaat; somwijlen laat ook de rentmeester van het goed, aan de maaiers gedurende hunne rusturen een concert geven, wat hen niet zelden in den vrijen tijd tot dansen en zingen verlokt. De menschen beschouwen daarom deze gezellige heerendiensten niet als een last, maar veeleer als een vroolijk feest, en met het afschaffen der heerendiensten, neemt men in die streken tevens een gedeelte der poëzie uit het volksleven weg.

Ook in Hongarije ziet men ieder jaar de Slowaken, deze oostelijke broeders der Tschechen en Moraviërs, met muziek en zang uit de dalen der Karpathen naar de rijke Donau-vlakten trekken, om daar de Magyaarsche grondbezitters bij het oogsten te helpen.

Deze Hongaarsche Slowaken, ofschoon voor het overige in hunne physionomie, in hunnen stompen neus, hunne kleine diepe oogen, hunne zware wangbeenderen, op en top Slawen, hebben zich wat hun lichaamsbouw betreft, in het zuidelijke, weelderige klimaat van het land, meer volmaakt. De gedrongene vormen der groot-Russen en Tschechen zijn bij hen geheel verdwenen. Hun lichaam is langer en welgemaakter geworden. Men vindt onder hen schoone gelaatstrekken, buitengewoon fraaie mannen-gestalten.

In vele kleine industriën zijn zij zeer bedreven. Als kramers, daglooners, handwerkers, zijn zij over geheel Hongarije verspreid, en waar zij in groote massa's binnensluipen en zich vastnestelen, verdringen zij spoedig de oorspronkelijke nationaliteit. Er zijn verscheidene, vroeger Duitsche en ook Magyaarsche plaatsen, die nu, ofschoon zij nog hunne oude Duitsche en Magyaarsche namen dragen, door de steeds voortwoekerende en om zich heen grijpende Slowaken geheel geslawiseerd zijn. Het is eene opmerkenswaardige ethnographische bijzonderheid, dat zij in het overig Europa het meest door den oorlog bekend zijn geworden, dien zij ijverig tegen zekere kleine plaaggeesten der Duitsche Vorstenhuizen geleverd hebben. Als vroolijke gasten, die zich weinig bekreunen om behoefte en gemak, en zich onledig houden met het verdelgen van mollen, ratten en muizen, en het vervaardigen van allerlei zaken uit gebogen of gevlochten ijzerdraad, als muizenvallen, vleeschdeksels, lampglazen-borstels, pijpendoorhaalders, van waar zij, onder verschillende andere namen, "draad-Slawen" genoemd worden, trekken de Slowaken niet alleen geheel Duitschland door, maar ook het Noorden en Westen van ons werelddeel en zelfs Azië. Zij zijn in deze kunst reeds eeuwen lang beroemd. Vreemd genoeg is het, dat zoo geheel speciale talenten zich naar de nationaliteiten verdeeld hebben, en dat ook zulke geringe rollen en bezigheden, in de Europeesche familie zoo geheel in het bezit van een bijzonderen volksstam konden komen.

De Slowaken en Tschechen sluiten zich aan dat andere groote West-Slawische volk aan, dat als het eerste onder alle Slawen-volken beschouwd wordt, en dat in de wereld even beroemd is geworden door zijne schitterende daden en zijn heldhaftig karakter, als door de groote nationale ramp die het getroffen heeft, aan de Polen, die wij nu tot het onderwerp onzer beschouwing zullen maken.

Van het land, dat de Polen bewonen, heeft men, om een denkbeeld zijner eentoonigheid te geven, meermalen gezegd, dat hij die één akker er van gezien heeft, het geheele rijk kent. "Allerwegen," zegt men, "dezelfde treurige kleur in de natuur en in de menschenwereld, overal dezelfde zeden, taal en levenswijze der bewoners, overal dezelfde grondgesteldheid, bebouwing en vruchtbaarheid. De natuur is in het geheele land even hard, den menschen gaat het overal even slecht. Het is een onmetelijk moeras, met steenen en granietblokken bezaaid en met dichte bosschen bezet, waartusschen hier en daar ellendige woningen en ongezellige woonplaatsen verstrooid liggen." Deze schildering hebben, zeg ik, eenigen van het door de Polen bewoonde land gegeven, en zij dachten daarmede alles gezegd te hebben. Ja! de Franschen zelfs, opperden, toen zij dit land eens binnenrukten, de beroemde vraag: "_Est ce, qu'on appelle ça une patrie_?" "Noemt men dat een vaderland?" Maar zulke algemeene opvattingen, doen de scheppende natuur dikwijls onrecht aan, doen het patriotisme der menschen zeer. De eerste heeft zich zelfs in Polen niet onbetuigd gelaten, en ook daar heeft het andere vrij wat aangetroffen, dat liefde en bewondering verdient. Het poëtische sombere der eeuwenoude donkere Sarmatische wouden, heeft den Byron der Polen, den dichter Mezkiewitsch stof geleverd tot vele fraaie sonnetten. En de dikwijls lachende velden langs de oevers der rivieren, waren daartoe niet minder in staat. In het zuiden sluit Polen zich aan een der grootste Europeesche bergruggen, de Karpathen, aan, die door enkelen als de oudste oorspronkelijke woonplaats der Slawen beschouwd wordt, wien het waarlijk niet aan het romantische in geschiedenis en natuur ontbreekt. In het noorden slingert zich in de richting der Oostzee, in Polen evenals in Pruissen, een kring kleinere en grootere meren, aan wier oevers bosschen, weiden en begroeide heuvelen menig lieflijk natuurbeeld vormen.

Zelfs de uitgebreide steppen, waarin Polen zich in het zuid-oosten in de nabijheid van Rusland verliest, zijn niet zonder bekoorlijkheid. Daar in Volhijnië en Podolië, neemt men, zoover het oog reikt, onafzienbare weidevelden waar, die in de lente met de kleurenpracht van verscheidene bloemsoorten versierd zijn. In den dorren zomer en stormachtigen winter echter zijn zij woest genoeg. Maar hoe verrassend is niet midden in deze woeste vlakten de aanblik der, door de tallooze zijrivieren van den Dniepr, Dniestr, in het weideachtige plateau ingesnedene dalen. Deze rivieren-dalen der steppen, door de Polen "_jary_" genaamd, door de natuur als breede kanalen uitgegraven, doorsnijden het woeste land als een net van lang uitgestrekte, vriendelijke oasen.

In deze dal-kanalen, die dikwijls eene mijl breed zijn en die even als souterrains, bescherming tegen het onweder of de droogte, die op het steppen-plateau heerschen, geven, concentreert zich alle leven en alle natuurpracht dier streek. Zij bevatten boschjes en wouden van allerlei soort boomen, hebben bijzonder veel zangvogels, en zijn zoowel door wilde dieren, als door tamme kudden bewoond. Daarin liggen, zooals het merg in de beenderen, alle plaatsen en steden van het land, en in de diepte midden tusschen dat alles in, stroomen de wateren van helder vlietende beken en rustig stroomende rivieren. Zulke beelden grijpen de phantasie des te meer aan, daar zij in het uitgestrekte, eentoonige steppenland slechts als gouddraden verschijnen, en daar zij nog daarenboven,--van verre niet zichtbaar--zonder dat men het te voren weet en als onaangemeld, voor het betooverd oog van den reiziger plotseling verschijnen. Kortom, ook een Pool, die van jongs af aan al deze verschillende bekoorlijkheden en vormen, waaronder de natuur zich in zijn groot vaderland vertoont, in zijne ziel en phantasie opgenomen heeft, zal niet verlegen staan op bovengenoemde, onhoffelijke vraag der Franschen te antwoorden.

Welk ras het eerst het groote land tusschen de Karpathen en de Oostzee bezet en bewoond heeft, en ten gevolge van welke veranderingen en gebeurtenissen de Slawen er zich eindelijk in uitgebreid hebben, dit alles ligt in een diep duister begraven.

Volgens Tacitus hebben, ten tijde der Romeinen, Duitsche volken, hier oostelijk zelfs tot over den Weichsel geregeerd. Of wij echter die Duitschers ons moeten voorstellen als grondbevolking, die de geheele streek in bezit hadden, of dat zij veeleer slechts de heeren en veroveraars, zooals nu nog de Pruissen en Oostenrijkers, over die landen en de toen wellicht reeds Slawische grondbevolking heerschten en regeerden, blijft onzeker. Ook "Skijthen" en "Sarmaten," nomadische volken uit Azië, zijn waarschijnlijk ten tijde der Romeinen van uit het Oosten, evenals de Germanen van uit het Westen, deze landen binnengedrongen, op gelijke wijze als wij zulke nomadische volken van Tartaarschen oorsprong, ook nog later onder Attila, en nog later onder Dschingis-Chan en Batu-Chan, hier zien verschijnen. De Slawen van dien tijd, waarvan wij nauwelijks met zekerheid in deze streken eenig spoor kunnen aanwijzen, ofschoon zij daar zeker reeds lang voor Christus geboorte bestonden, hebben waarschijnlijk reeds voor die actieve en gebiedende rassen, slechts eene lijdelijke rol gespeeld, en zijn daardoor aan de oudste berichtgevers ontgaan.

Eerst na de volksverhuizing, die het rijk der Romeinen verwoestte en de Germanen noodzaakte west- en zuidwaarts te gaan, schijnt het Slawisch element hier ontwaakt te zijn, en na de tijden van den uittocht der Germanen, zien wij alras, even als de oostelijke helft van Duitschland, zoo ook het Weichsel-land door eene menigte vrij gewordene Slawen-stammen bevolkt. Zij leefden eeuwen lang zonder nationale eenheid en zonder een gemeenschappelijken naam, in kleine Vorstendommen of in kleine gemeenten met een patriarchaal bestuur, maar zullen ook wel toen reeds die eigenaardige zeden en taal met zich rondgedragen hebben, waardoor zij later, eerst onder den naam "Lächen" en later onder dien van "Polen," zich vereenigden en boven de Russen, boven de Tschechen en de andere Slawen, uitmuntten.

De wieg van den Poolschen naam en de wortels van het onder dezen naam opgegroeide volk en staat, liggen dicht aan de grenzen van Duitschland, in het nu door het Koningrijk Pruissen geannexeerde Posen. Daar is de schouwplaats der oudste konings-sagen der Polen, der sagen van de Piasten. Daar was ook hunne oudste vorstelijke residentie, Gnesen (Gnesna), hunne oudste stad. Even als de Magyaren, even als ook de Skandinaviërs, waarvan eveneens het oudste en eerste Koningrijk, het zich noordwaarts uitbreidende Denemarken, aan Duitschland grensde, zoo schijnen ook de Polen in den samenhang met de Duitschers, den eersten spoorslag tot nationale en staatsontwikkeling, even als het Christendom, ontvangen te hebben. Weldra echter gingen zij uit hunne westelijke wieg verder oostwaarts, evenals de Denen noordwaarts en de Hongaren zuidwaarts. Naar het westen heen, waar Duitschland de overige West-Slawen in zich opnam, waar het later den Polen en hunnen Piasten het geheele Oder-gebied afnam, en de Silezische provinciën germaniseerde, werden den Polen vroegtijdig en in den loop der eeuwen altijd _weder_ en altijd _meer_ de wegen versperd. Zij hebben zich daardoor, uit hunne aan de Warthe gelegene wortelen, van den beginne af, bij voorkeur in de richting van het verre Oosten uitgebreid. Daar hadden zij het ruimste veld en daarheen hebben zij van oudsher hun gelaat gekeerd.

In die richting hun gebied verder uit te breiden, daarheen de uit het Westen verkregene beschaving en christelijke leer over te brengen, Europa tegen de van daar dreigende barbaarschheid te beschermen, dat was om zoo te zeggen, de zending der Polen. Ten allen tijde zijn zij aan het Westen meer vriendschappelijk verbonden geweest, het eerst als vazallen der Duitsche Keizers, altijd als medeleden der Roomsch-Katholieke kerk, bijna altijd als leerlingen van het Duitsche volk in kunsten en wetenschappen, later meermalen als onderdanen van daaruit, uit Hongarije of Zweden, uit Frankrijk of uit Saksen afkomstige Prinsen en Koningen, _het meest_ echter als bondgenooten tegen Mongolen, Tartaren, Russen of als redders uit den Turken-nood.

Met het Oosten daarentegen, met de Russen, waarmede zij reeds in de 11de eeuw onder hunnen eersten grooten Hertog Boleslaus, wien Keizer Otto III den Koningstitel zou verleend hebben, in oorlog geraakten; met de Lithauers, die zij tot het Christendom bekeerden, met de Tartaren, aan wie zij meer slagen geleverd hebben dan eenige andere West-Europeesche mogendheid, hebben zij van dien tijd af tot op den nieuweren tijd toe, een 800 jarigen strijd volgehouden.

Het eerst en vóór alles namen de Polen, op dezen weg naar het Oosten, nadat zij uit hunne enge wieg aan de Warthe waren voorwaarts gerukt, bezit van den geheelen Weichsel, die van de Karpathen naar de Baltische zee stroomt. In het gebied van dezen stroom zetten zich de Polen en hun wordend Koningrijk, nu bij voorkeur vast. Zij gingen naar die streek over, als ware het hunne tweede wieg, of als ware het de eigenlijke groote geographische kern en het centraal-kanaal van hunne staatkundige en nationale ontwikkeling. De Weichsel is voor de Polen hetzelfde geworden, wat voor Duitschers en ons Nederlanders de Rijn, voor de Groot-Russen de Wolga, voor de Klein-Russen de Dniepr, voor de Hongaren en Zuidelijke-Slawen de midden- en beneden Donau steeds geweest zijn,--hun voornaamste levensweg, de hoofd-ader van hun nationaal lichaam, de uitgangs-linie hunner veroveringen, en ook hunne verdedigings-linie in tijd van nood. In dichte massa's en als domineerende grond-bevolking, hebben zij zich ook niet ver over het stroomgebied van den Weichsel uitgebreid. Daarentegen heeft hun geslacht _deze_ rivier van de bron af tot aan de monding toe en schier al hare nevenrivieren, geheel bewoond.--Weichsel-land en Polen zijn dientengevolge twee namen, die men in aardrijkskundigen en geschiedkundigen zin, als woorden van gelijke beteekenis beschouwen mag.