Geschiedenis der Europeesche Volken
Chapter 20
zingt weder Lenau en die woorden zijn uit het hart van den Hongaar gegrepen. Terwijl, zooals men meent opgemerkt te hebben, de Hongaar bij het drinken van wijn zwaarmoedig wordt, zoo gevoelt hij zich vroolijk en moedig als hij op een jolig paard zit. Daardoor komt het, dat het beste en heldhaftigste troepenkorps der Hongaren, altijd dat der lichte cavalerie was. Als infanteristen hebben zij minder groote daden uitgevoerd, terwijl daarentegen hunne vlugge "_huzaren_"--eene Magyaarsche vinding en een Magyaarsch woord--in alle landen van Europa beroemd en nageaapt werden. Even als de naam Huzaren, zijn ook verscheidene andere militaire uitdrukkingen, b.v. de woorden "Schako," "Dolman," "Haiduck", en zoo vele andere in alle Europeesche talen opgenomen. De huzaren-uniform, zooals wij die heden ten dage nog bij onze legers zien, is de eigenlijke, oude Hongaarsche volksdracht. Zij is zonder twijfel een der rijkste en fraaiste nationaal-costumes, die wij in Europa bezitten, en zij stamt vermoedelijk, even als alle smaakvolle costumes, uit Azië af, dat zich van den vroegsten tijd af, beter verstond te kleeden dan Europa.
Hoezeer het doen en werken der paarden-beteugelende Magyaren oorspronkelijk nomadisch is, bewijst ook weder hunne taal. Want terwijl deze, zooals reeds opgemerkt is, de meeste op landbouw, handwerken en kunsten betrekking hebbende uitdrukkingen van de Duitschers en Slawen overgenomen heeft, zijn alle technische uitdrukkingen der _herders_ echt Magyaarsch. Bovendien is deze Magyaarsche herders-terminologie eene uiterst wijdloopige en volmaakte. Zoo b.v. heeft ieder soort kudde haren bijzonderen naam, zoo ook ieder soort van herders. Een ossenherder heet "Gulijas," een zwijnenherder "Kanasz," een schaapherder, "Juhasz" en de koene paardenherder "Czikos," als waren het allen bijzondere kasten of standen der maatschappij. En iedere kaste heeft weder eene ontelbare massa uitdrukkingen, waarvoor bij ons geene bijzondere woorden bestaan. Ook dit hebben de Hongaren met de Tartaren, Kozakken, Walachyers en alle andere tegenwoordige bewoners van het eens nomadisch of Skytische Europa gemeen, bij wie allen, ook al zijn zij nu landbouwers geworden, het oude lievelings-bedrijf, de veeteelt, eene ongemeen rijke terminologie bezit.
Het is verwonderlijk, ik moet het herhalen, ja, men heeft het dikwijls raadselachtig genoemd, dat zulk een oorspronkelijk, alleen voor de ruwste bezigheden, voor het herdersleven, geschikt Aziatisch volk, dat zoo weinig aanleg voor andere bezigheden, handwerken en kunsten van het burgerlijke leven medebracht en ontwikkelde, dat zoo oneindig veel van andere volken, in wier midden het zich vestigde, over moest nemen, tot op den huidigen dag zijne nationale eigendommelijkheid heeft kunnen bewaren en zich in zijne stelling heeft kunnen handhaven. Meer dan eens waren de Magyaren zoo met vreemde elementen overstroomd, zoo onder den voet geraakt, dat men ze bijna al vergeten en uit de Europeesche volkenrij uitgeschrapt had, en toch zijn zij altijd weder als "Magyaren" uit dien chaos te voorschijn gekomen. Zelfs op het laatst der vorige eeuw was de Hongaarsche taal weder zoo in minachting gekomen, dat zij nauwelijks nog door de laagste volksklasse gebezigd werd, en door alle standen, die eenigzins op den naam van beschaafd aanspraak wilden maken, het Latijn bij voorkeur gebruikt werd. Jozef II meende haar gemakkelijk den genadeslag te kunnen toebrengen, maar van den dag af waarop deze Keizer decreteerde, dat de Latijnsche taal afgeschaft en binnen drie jaren het Duitsch in geheel Hongarije ingevoerd, geleerd en verstaan moest worden, is de volksgeest andermaal zoo wakker geschud, en heeft hij op nieuw zijne krachten zoo ontwikkeld, dat hij, als werd er een nieuwe _Arpad_ of een tweede _Mathias Corvinus_ verwacht, de oogen van geheel Europa tot zich getrokken heeft, en dat de Hongaren in Oostelijk-Europa--met betrekking tot vrijheidsliefde, manhaftigheid en andere moreele eigenschappen--als het eerste volk daar staan. In dezen zin staan zij hoog verheven boven hunne buren, de Walachyers, de Serviërs, de Bulgaren en Slawen. Zij hebben hunne nationaliteit ook beter bewaard dan de Polen. Zij behooren niet, zooals de Osmanen, tot de _ziekelijke_ volken van Europa, van welke men met zekerheid vooruit kan zeggen, dat zij verdwijnen zullen. Of het hun echter gelukken zal, te midden der volken van Europa eene _geheel zelfstandige plaats_ in te nemen en weder, zooals zij droomen, het middelpunt van een machtigen Magyaarschen staat midden in hunne püsten aan den Theiss te vestigen, daarvoor geeft de geschiedenis der laatste driehonderd jaren geen waarborg. Want van die geschiedenis heeft men, en terecht, opgemerkt, dat zij somwijlen met verwonderlijke levenskracht opbruiste, en dat zij dan als een bergstroom voortrolde, als wilde zij met kracht iets groots tot stand brengen, "maar spoedig ook weder verdwijnt de opgewondenheid dezer trotsche, statige, ridderlijke en hooghartige Magyaren, en loopt zij dood op steenachtige en onvruchtbare gronden."
DE TSCHECHEN EN POLEN.
Na de tijden der groote volksverhuizing, die het Romeinsche rijk verwoestte, toont de geschiedenis ons ten noorden der Karpathen, in het Weichsel-dal, een Slawisch volk aan, dat daar onder den naam "Lechen" woonde. Onder den naam "Obotriten" en "Wagriers", waren andere Slawen tot in de beukenwouden van Mecklenburg en Holstein doorgedrongen. Als "Wenden," "Pomeranen" "Lusitzer" en onder talrijke andere benamingen, bewoonden zij de zandige streken die nu tot Pruissen behooren, tot over de Elbe en tot in de Lüneburgsche heidevelden toe. De Slawische "Sileziërs" bezaten het geheele gebied van den Boven-Oder, en de "Tschechen" vulden niet alleen de dalen van Boheme en Moravie, maar waren van daar uit ook zuidwaarts, onder den naam "Slowaken", de heuvel-streek van Opper-Hongarije binnengedrongen. Ja! verscheidene Slawen waren zelfs tot in het Mainland, tot aan Wurzburg en Fulda gekomen, zooal niet als veroveraars en overheerschers, dan toch als onderdanen, kolonisten, landbouwers, door Duitsche bisschoppen en Vorsten daarheen verplant.
Al deze zooeven genoemde Slawen hebben in taal, zeden en geaardheid veel met elkander gemeen gehad, en hadden in al deze opzichten van hunne oostelijke en zuidelijke broeders, de Russen, Bulgaren, Serviërs en Kroaten, een meer of minder wezenlijk verschil. Men heeft hen daarom in eene groep samengevat, en plaatst ze naast de Russen en naast de Zuidelijke-Slawen, als derde groote tak der Slawen-familie, onder den naam "Voorste" of "Westersche Slawen."
Het lot van dezen Slawen-tak, is in den nieuwsten tijd, tot aan de laatste verdeeling van Polen, zeer treurig geweest. Vele der tot de "Westersche Slawen" behoorende natiën, zijn geheel van den aardbodem verdwenen. Geen hunner heeft eene duurzame of blijvende onafhankelijkheid bewaard of deze terug erlangd, zooals onder de Oostelijke Slawen de Russen, onder de Zuidelijke Slawen de Serviërs en Montenegrijnen. De overblijfselen der Westersche Slawen zijn allen aan vreemde volken en staten onderworpen geworden.
Bij hun eerste optreden in de geschiedenis (in de 5de en 6de eeuw) verschijnen zij als verschillende, van elkander gescheidene stammen, die uit het verre Oosten gekomen zijn, en hebben zij, naar het schijnt zonder veel moeite, zonder veel strijds, het Oostelijk Germanië, dat in de groote volksverhuizing van Duitschers ontbloot was, in bezit genomen. De akkers bebouwende, hunne kudden weidende, voor hunne goden in de bosschen altaren oprichtende, breidden zij zich uit over de uitgestrekte vlakten van den Weichsel en den Oder, van een groot deel der Elbe en langs de Oostzee. Zij schijnen eerder vredelievend dan oorlogzuchtig geweest te zijn. Wij hooren, gedurende hunne uitbreiding in Duitschland, niets van groote legeraanvoerders en krijgshelden, niets van zulke ver uitgestrekte verwoestings-tochten, als bij den inval der Zuidelijke-Slawen in het Byzantynsche rijk, of zooals later bij het optreden der wilde Avaren en Magyaren.
Het schijnt wel, dat de verspreiding dezer Slawen naar het Westen, zeer stil in zijn gang gegaan is, terwijl zij den eenen akker achter den anderen beploegden, en de eene weidestreek na de andere aan hunne dorpen toevoegden.
Zij hadden geen gemeenschappelijk opperhoofd. Iedere stam had zijn eenvoudig patriarchaal gemeente-bestuur, maar toch over eenige, heerschten reeds vroegtijdig kleine Vorsten-geslachten.
Ook door buitenlandsche schrijvers worden zij ons als goedhartige, vlijtige, gastvrije menschen afgeschilderd, die muziek en dichtkunst beminden, maar voor het overige zeer sober en barbaarsch leefden. Wreede zeden, bloedige offers, onmenschelijke gewoonten schijnen bij hen niet, zooals bij de oude Celten en andere rassen van harder deeg, bestaan te hebben. Zij woonden overal gezellig in sterk bewoonde dorpen en buurtschappen bijeen. Zij legden zich toe op den bergbouw, verstonden de kunst metalen te smelten, maakten linnen, brouwden mede, en plantten vruchtboomen. Zij bouwden zelfs, waar zij kwamen, houten steden, waarin, naar de beschrijving van vaderlandsche kroniekschrijvers, handel en handwerken eene tamelijke hoogte begonnen te bereiken. Zoo was het in het eerste begin der middeleeuwen, den gouden tijd dezer Westersche Slawen, waarin zich een Slawische patriot zoo gaarne terugdroomt, even als de Duitschers zich nog gaarne den tijd der Germanen, dien Tacitus ons schildert, terug denken.
Met Karel den Groote eindigde deze gelukkige tijd. Onder hem kregen zij last van de Duitschers. Deze machtige Keizer wendde het gelaat van Duitschland, dat sedert den tijd der Gothen altijd naar het zuiden en westen gericht was geweest, weder naar het oosten. Hij en zijne eerste opvolgers brachten het Christendom op de punt van het zwaard onder de Westersche Slawen. De invoering van het Christendom echter is overal in Europa het teeken tot opwekking, tot vereeniging, tot grondvesting van groote staatkundige en nationale machten geweest. Zij die het aannamen werden door het Christendom met een heldhaftigen geest vervuld. De opgerichte bisschoppelijke en aartsbisschoppelijke zetels waren overal staketsels, waarlangs de staten der gedoopte heidenen opgroeiden. Ook de stammen en kleine zee-vorstendommen der Skandinaviërs kristalliseerden zich, onder den invloed van het Christendom, tot de groote Koningrijken Denemarken, Noorwegen en Zweden. Ook de Hongaren vormden eerst eenen staat en eene vaste nationaliteit, door middel van het door de Duitschers in hun midden geplante kruis.
Zoo ontstonden dan tengevolge hiervan, eveneens onder de Westersche Slawen langzamerhand meerdere groote rijken. Vooreerst het beroemde groote Moravische rijk, dat ten tijde der Karolingers tot zeer in de verte over de westelijke stammen gebood, maar van geen langen duur was. Vervolgens het Boheemsche rijk, dat een tijdlang onder deze Slawen het hoogst in aanzien stond. Eindelijk het Poolsche rijk, dat hen allen in langen duur en glans overtrof, maar ten lange laatste, even als zij, tot verval komen moest.
De Slawenstammen, bij wie het zaad des Christendoms geen vruchtbaren bodem vond, maar die hardnekkig hun oud heidendom getrouw bleven, werden in den doorgezetten strijd der bekeering- en verovering-lustige Duitschers, in den loop der tijden aan dezen onderworpen en ten laatste geheel door hen ten ondergebracht. Dit lot trof de "Wagriers" in Holstein, de "Obotriten" in Mecklenburg, de "Pomeranen" aan de Oostzee, de "Ukrer" in de Ukermark, de "Hevellers" in de Havelmark, de "Polaben" aan de Elbe--ja! wie kan al de namen noemen der kleine heidensche Slawen-volken, die eigenzinnig aan hunne oude heiligdommen, en aan de vereering hunner "Tschernobogs" en "Bielobogs" vasthoudende, in den loop der op Karel den Groote volgende eeuwen, ontelbare malen door de Duitschers verslagen werden en zich even dikwijls weder oprichtten--zich met elkander verbonden of in twist met elkander leefden--het nimmer tot eene krachtige nationale vereeniging konden brengen--de een na den ander in de door de Duitschers opgerichte grensmarken en bisdommen opgenomen werden--en ten lange laatste allen in den grooten smeltkroes der germaniseering ten onder gingen. De taal en de gewoonten dezer westelijkste onder de Westersche Slawen, zijn onder den machtigen invloed der Duitschers, die in hun land burgen, steden en kerken bouwden en het met talrijke kolonisten en burgers binnenrukten, verloren gegaan.
In de meeste plaatsen getuigen alleen nog de namen van dorpen, bergen, rivieren, van de eens in het oosten van Duitschland bestaande Slawen-wereld. De namen van verscheidene der grootste Duitsche steden (Dresden, Leipzig, Breslau) en ook die van verscheidene Duitsche provinciën (Pommeren, Lausitz, Ukermark, Silezië) zijn van Slawischen oorsprong. In Saksen en Pruissen is onder de verduitschte landbewoners, overal nog veel van de Oud-Slawische zeden en van het Oud-Slawische bijgeloof overgebleven. Daarbij hebben zich ook eenige overblijfselen hunner taal, bij de Duitsche dialekten in het oosten gevoegd, en zelfs in de uitspraak der Duitschers heeft men hier en daar eigenaardigheden der Slawische spraakorganen willen herkennen. Op enkele plaatsen (b.v. in het Altenburgsche) is bij eene overigens volkomene verduitsching van taal en gewoonten, de oude Slawische nationale kleederdracht overgebleven, even alsof men, in plaats van zooals de slang die zich van hare huid ondoet, hun de huid heeft laten behouden en hen alleen vleesch en merg heeft doen verruilen.
In physionomie, lichaamsbouw en andere kenteekenen, blinkt ons het Slawendom onder de Duitsche beschaving, in Pommeren en in andere gedeelten (aan gene zijde der Elbe) der helft van het Duitsche vaderland, nog op verschillende plaatsen veel tegen. Zoo onderscheidt men zelfs nog heden ten dage in Holstein, in gewoonten, lichaamsbouw en karakter der bewoners, vrij scherp de grenzen der ten tijde van Karel den Groote door Slawen bewoonde landstreken, van die welke de Germaansche Saksers in hun bezit hadden. Ja zelfs aan deze zijde der Elbe in het Koningrijk Hanover, in het zuid-oostelijk gedeelte der Lüneburgerheide, vindt men nu nog eene landstreek, die men het "Wendenland" noemt, waarin de Slawische taal eerst onlangs doodgebloed is, en waarin nu wel plat Duitsch gesproken wordt, maar waar zeden, kleeding, wijze van bouwen en de geheele physionomie van het land, nog dikwijls zeer duidelijk den Slawischen stempel draagt.
Het geheele oostelijke Duitschland, het gebied waarover de Westelijke Slawen zich verspreidden, werd met Duitsche koloniën uit bijna alle provinciën der Rijn- en Wezerlanden overstroomd. Verscheidene dezer volkplantingen bleven hier en daar hun volksaard en taal vrij getrouw, somwijlen echter vermengden zij zich sterker met de Slawen. In menige streek werden de Slawen geheel vernietigd, in andere bleven zij compacter bijeen en werden zij tot het Duitschdom, om zoo te zeggen, omgedoopt. Het laat zich gemakkelijk begrijpen, dat hier, ofschoon Duitsche taal en gewoonten schier overal gezegevierd hebben, onder het zoo ontstane Duitschdom nog verscheiden manieren en schakeeringen van het Slawisme aangetroffen worden.
Heden ten dage vindt men midden in Duitschland hoofdzakelijk nog slechts twee streken, waarin het Slawendom, als twee taal- en volks-oasen of eilanden, is blijven bestaan. Namelijk ten eerste aan de Oostzee tusschen Stolpen en Dantzig, westelijk van den Beneden-Weichsel in West-Pruissen, eene streek, waarin de "Kassüben" en de aan hen verwante Slawen wonen, en ten andere aan weerszijden van de Boven-Spree in de Lausitz, onder Pruissische en Saksische heerschappij, het land en het volk der zoogenaamde "Sorben-Wenden".--Deze nu nog Slawisch sprekende, denkende en gevoelende Sorben-Wenden, liggen daar, gerukt uit den samenhang met hunne andere stambroeders, van alle zijden door Duitschers omgeven, als hadden de Duitschers vergeten hen te vernietigen, en zij zelven zich te redden. Hunne zwakke nationaliteit, waarmede wij ons hier niet verder behoeven bezig te houden, schijnt ook, even als die der andere Westelijke Slawen, aan een reddeloozen ondergang gewijd te zijn en veroordeeld te wezen langzamerhand dood te bloeden.
De eenige der Westelijke Slawen, die tot op den huidigen dag den aandrang der Duitschers en andere naburige staten weerstaan hebben, en die nu nog, ofschoon zonder politieke onafhankelijkheid en nationale zelfstandigheid twee compacte volken vormen--bij wie ook nog altijd de hoop op eene wedergeboorte niet verloren is--en waarvan wij dus hier als van twee invloedrijke en gewichtige deelen der bevolking van Europa moeten melding maken, zijn de _Tschechen_ en de _Polen_.
Het merkwaardige land, dat de Tschechen nu reeds sedert langer dan duizend jaren bewonen, is van zoo eigenaardige natuurlijke gesteldheid, als men nauwelijks een tweede in Europa aantreft. Vier lange bergketenen sluiten onder bijna rechte hoeken aan elkander, en vormen een vrij regelmatigen en ruimen vierhoek, die een gedeeltelijk vlak, gedeeltelijk golvend terrein omsluit. Van alle zijden stroomen van de hoogten rivieren af, en vereenigen zich in het midden in de Elbe, die den bergmuur doorboort en in de Noord-Duitsche vlakte ontvliedt. Men zou het land gevoegelijk kunnen vergelijken met een vat dat slechts één spondgat heeft. Het geheel heeft al het uiterlijk van eene midden in Duitschland geplaatste groote bergvesting. Door dichte bosschen en onherbergzame streken aan de hoogten van den grenswal, wordt deze geïsoleerdheid nog grooter.
Het vruchtbare centraal-gebied, de vriendelijke dalen, de aan mineraliën en andere schatten rijke heuvels, die deze ketel in zijn binnenste bevat, werden vermoedelijk reeds eeuwen voor Christus geboorte, door Uralische- of Finsche oude Europeanen ontdekt, en hier even als elders zijn vele geslachten uitgestorven, waarover de geschiedenis zwijgt. Het eerste volk, dat ons in het Boven-Elbe-bekken genoemd wordt, de "Bojers", zou van Celtische afkomst geweest zijn en van hen zou het land zijne namen "Bojenheim", "Boheim" "Boheme" ontvangen hebben. Ten tijde van Christus geboorte, werd dat bekken door een volk van Duitschen stam, door de "Markomannen" in bezit genomen. Zij behielden het nu 400 jaren, en bedreigden of verschrikten van hunne bergvesting uit, onder hunne Marbods, zelfs de Romeinsche keizers.
De inval der Hunnen onder Attila brak ook de kracht dezer Duitschers in Boheme, en voerde de bloem van het volk ter slachtbank op de Katalaunische velden, en op de andere slagvelden der door de volksverhuizing in rep en roer gebrachte volken. Tegen het einde der 5de eeuw trokken nu afstammelingen van de derde groote familie der Slawen, den ontvolkten Boheemschen ketel binnen. Natuurlijk vonden zij daar nog veel Duitschers, zooals vroeger ook ongetwijfeld de Germanen er nog vele Celten aangetroffen en aan zich onderworpen hadden. De Slawen kwamen in onderscheidene stammen uit de Sarmatische vlakte. Maar onder hen was een hoofdgeslacht, en de aanvoerder daarvan moet "Tschech" geheeten hebben; deze nestelde zich in het midden des lands vast en nam eene gebiedende houding aan; in den loop der tijden smolten de andere met hem gekomene Slawenstammen, en misschien ook de in vroegere tijden in het land achtergeblevene overblijfselen der Celten en Duitschers, tot een volk samen, onder den naam "Tschechen", welke naam de overhand verkregen heeft.
Even als de Magyaren in het Hongaarsche bekken, zoo namen ook de Tschechen van den beginne af, bij de verovering van den Boheemschen ketel, bij voorkeur de vlakste vette dreven en de fraaie heuvellandschappen in bezit; vele der door hem in het nauw gebrachte Duitschers, namen de vlucht naar de bosschen en schuilplaatsen der bergen die het land omgeven, waar zij wel langzamerhand aan de Tschechen onderworpen geraakten, maar toch in het onbenijde grondbezit der rotsdalen en bergachtige streken bleven, en daar ook hunne taal en zeden behielden, even als de Celtische Hoog-Schotten in Caledonië, toen de Anglo-Saksen en Noormannen in hunne Lowlands binnenrukten. Toen later overal, om Boheme heen, het Duitsche element zegevierde op het Slawische, toen Duitsche bergwerkers en Duitsche industrieelen door de Tschechische Vorsten zelven naar de bergen geroepen werden, om de in den grond bevatte schatten op te delven, of zich van hen te bedienen tot het vervaardigen van molens of van andere werken, die door de bergstroomen in beweging konden worden gebracht, toen vermeerderde zich de aanvankelijk kleine stam der Duitsche bergvolken aanzienlijk, greep hij om zich, verdrong of verduitschte de Slawen weder, ook daar, waar zij aanvankelijk in de dalen der gebergten de overhand verkregen hadden, en namen de woongebieden dezer stammen langzamerhand dien vorm aan, zooals zij heden bestaan. De Slawen behielden het binnenste gedeelte van het land, terwijl een kring van Duitsche gehuchten, dorpen, steden en landschappen hen aan alle zijden, door den geheelen vierhoek van gebergten en wouden heen, omringde.
Onder alle Westelijke Slawen hebben zich de Tschechen van den beginne af gekenmerkt, door hunne manhaftigheid en door hunnen politieken zin. Van oude tijden her, heeft men hen, de "ontoegevendste onder de Slawen" genoemd, zij hebben zich in staatszaken bekwaamd, toonden zich in zaken hun vaderland betreffende eensgezind, en hebben een onbuigzamen nationalen geest bewaard. Misschien is dit alles iets wat eigen was aan hunnen oorspronkelijken stand en aan hun bloed. Waarschijnlijk echter, viel hun veel daarvan eerst, ten gevolge van de geographische ligging van het land dat zij binnenrukten, ten deel. In dien fraaien bergketel, waarin alle wateren in één stroom zamenliepen, _moesten_ de landskinderen zich wel nauwer bij elkander aansluiten. Daar moest zich weldra een enkel domineerend levenspunt, een politiek centrum, eene stad als Praag, verheffen. Er moest eene krachtige eenheid van staat, een eensgezind staats-organisme ontstaan. Achter hunne bergen verschanst, door deze beschermd, waren de Tschechen, in de merkwaardige stelling die zij ingenomen hadden, beter dan hunne Slawische broeders in de noordelijke vlakten, in staat het toestroomende Duitschdom tegenstand te bieden.
Deze krachtige politieke zin, die de gesteldheid van hun land den Tschechen inboezemde, is gedurende het duizendjarige bestaan dier natie, bij verschillende gelegenheden duidelijk gebleken. Herhaalde malen--eerst onder hunnen machtigen beheerscher Samo in de 7de eeuw--later onder hunnen Hertog Boleslaus in de 10de eeuw--nog later onder hunnen koning Ottokar in de 13de eeuw, en wederom eene eeuw later onder keizer Karel IV, vormden het Tschechische bergketel-land en volk de kiem van een machtigen staat. Praag, de hoofdstad des lands, gaf in dit laatste tijdperk, in pracht en beschaving, de belangrijkste steden van het vasteland niets toe. Hare universiteit telde de beroemdste professoren en in het begin der 15de eeuw 20,000 studenten, waarvan Slawen, Tschechen, Moraviërs, Polen, het grootste gedeelte uitmaakten. Praag was toen voor de Katholieke Slawen-wereld, wat Kiew voor de Grieksch-Russische was, een helder licht verspreidend voorbeeld en model, eene heilige tempel- en muzenstad.